Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 22.11.2012
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
DE BURGERLDKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER B, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN
INZAKE A.R. nr. 11/105/A :
C. E., wonende te …, …, BTW nr. ….
Eiser, vertegenwoordigd door mr. L. loco mr. Y. S., advocaat te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.
ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het Tweede BTW-ontvangkantoor te Hasselt, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 47.
Verweerder, vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde de heer J. A., eerstaanwezend inspecteur-dienstchef bij het Controlecentrum Hasselt-Beringen.
VOLGT HET VONNIS :
Gelet op :
- het verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 04.11.2011 waarbij eiser verzet heeft aangetekend tegen een dwangbevel van 09.12.2010;
- de eerste conclusie, tweede aanvullende conclusie, syntheseconclusie en stukken van verweerder;
- de conclusies, syntheseconclusie en stukken van eiser.
I. FEITEN EN VOORGAANDEN
1. Eiser was van 24.11.2000 tot 01.11.2010 geregistreerd als BTWbelastingplichtige onder het BTW-nummer … voor de activiteit van "vervaardiging van metalen constructiewerken en delen daarvan". Hij diende trimestriële BTW-aangiften in. Vanaf medio 2008 werd zijn activiteit ingebracht in de NV A., waarvan eiser en mevrouw W. M. de oprichters en afgevaardigd bestuurders zijn.
2. In het jaar 2010 werd er een BTW-controle met betrekking tot de jaren 2007 en 2008 doorgevoerd.
Bij aanvang van de controle werd enkel het aan- en verkoopdagboek voor het eerste en het tweede kwartaal van 2007 en de aan- en verkoopfacturen van 2007 voorgelegd door de heer L. B. van het kantoor BVBA I. uit …, zijnde de toenmalige fiscale raadgever van eiser.
Op 06.07.2010 en 13.09.2010 heeft eiser zich aangeboden op het kantoor van de controleagenten en de aan- en verkoopfacturen van het jaar 2008 voorgelegd. Het aankoopdagboek en het verkoopdagboek voor 2008 en het ontbrekende aankoop- en verkoopdagboek voor de twee laatste kwartalen van 2007 kon niet worden voorgelegd.
Op 11.10.2010 en 25.10.2010 hebben de controleambtenaren zich aangeboden op het uitbatingsadres van eiser om de controle verder te zetten. Nogmaals werd eiser verzocht om de ontbrekende dagboeken voor 2007 en 2008 voor te leggen. Eiser verklaarde dat dit niet kon.
Om de juiste BTW-toestand van eiser te kunnen vaststellen, heeft de controleambtenaar de aankoop- en verkoopfacturen voor de periodes waarvoor er geen dagboeken werden voorgelegd, verwerkt in spreadsheets en vergeleken met de ingediende periodieke BTW-aangiften voor de jaren 2007 en 2008. Uit de resultaten bleek dat de bedragen niet overeen kwamen met de cijfers van de ingediende periodieke BTW-aangiften.
3. Op 26.10.2010 werd er een correctieopgave opgesteld vor de regularisatie van de verschuldigde BTW die niet was opgenomen in de periodieke BTW-aangiften. Het totaal van de teveel afgetrokken BTW bedroeg … euro en het totaal van de te weinig aangegeven BTW … euro.
Eiser kon niet akkoord gaan met de voorgestelde regularisatie.
4. Vervolgens werd er door de heer J. G., adjunct-fiscaal deskundige bij de FOD Financiën, Algemene administratie van de fiscaliteit verbonden aan het controlecentrum Hasselt-Beringen op 22.11.2010 een proces-verbaal opgesteld.
Er werd gesteld dat eiser de hierna volgende bedragen verschuldigd is :
- … euro BTW;
- … euro aan administratieve geldboete gelijk aan het dubbel van de BTW in toepassing van art. 70, § 1 en § 1bis W.BTW en verminderd overeenkomstig art. 1 van het KB nr. 41 van 30.01.1987;
- … euro geldboete in toepassing van art. 70, § 4 W.BTW (rubriek Ill);
- de intresten bedoeld in en te berekenen volgens art. 91 W.BTW over de BTW vanaf 21.01.2009
5. Op 09.12.2010 werd dan een dwangbevel uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de daartoe gedelegeerde ambtenaar op 10.12.2010. Het dwangbevel werd op 14.01.2011 aan eiser werd betekend per deurwaardersexploot, samen met bevel tot betaling.
In dit dwangbevel werden de hoger vermelde bedragen gevorderd alsook de moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de betekening van het dwangbevel overeenkomstig art. 91, § 4 W.BTW en de vervolgingskosten.
6. Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 04.11.2011 heeft eiser verzet aangetekend tegen een dwangbevel van 09.12.2010.
II. BEOORDELING
1. Ontvankelijkheid
Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.
De vordering is dan ook ontvankelijk.
2. Ten gronde
2.1. Aangaande de bewering dat eiser het slachtoffer zou zijn van bedrieglijke praktijken van zijn boekhouder;
Eiser betwist de BTW-vordering en haalt onder meer aan dat hij het slachtoffer is geworden van de bedrieglijke praktijken van zijn voormalige boekhouder, de heer E. S. en de BVBA S. & co.
De rechtbank. is van oordeel dat een conflict met de vorige boekhouder in hoofde van de belastingplichtige geen geval van overmacht kan uitmaken. De belastingplichtige staat zelf in voor de keuze van zijn boekhouder en dient ten aanzien van de administratie zelf de gevolgen te dragen van eventuele fouten of nalatigheden van deze laatste (zie Antwerpen, 27 mei 2008, Fisc. Koer., 2008/550).
Eiser blijft verantwoordelijk voor het correct naleven van zijn BTW-verplichtingen.
2.2. Aangaande de BTW-vordering
De materiële vaststellingen die zijn geschied door de controle-ambtenaren hebben door hun opname ervan in het proces-verbaal van 22.11.2010 de in art. 59, § 1 in fine W.BTW bepaalde bewijskracht tot het bewijs van het tegendeel.
Bij de aanvang van de controle stelden de controleambtenaren vast dat de boekhouding zeer onvolledig was. Het aankoopdagboek en het verkoopdagboek voor 2008 en het aankoop- en verkoopdagboek voor de twee laatste kwartalen van 2007 konden niet worden voorgelegd. Wel werden de aan- en verkoopfacturen voor het derde en het vierde kwartaal van 2007 en het volledige jaar 2008 voorgelegd.
Deze vaststellingen werden opgenomen in het proces-verbaal van 22.11.2010.
Op basis van de voorgelegde aan- en verkoopfacturen werd de volledige aftrekbare en verschuldigde BTW weder samengesteld. De lijsten van deze facturen werden bij het proces-verbaal van 22.11.2010 in bijlage opgenomen.
Vervolgens werden de bekomen bedragen voor de verschillende kwartalen vergeleken met de aangegeven cijfers in de periodieke BTW-aangiften voor dezelfde periode. Uit deze vergelijking bleken aanzienlijke verschillen.
De in het proces-verbaal van 20.11.2010 opgenomen vermeldingen omtrent de door de controleambtenaar tijdens het onderzoek gedane vaststellingen in verband met de boekhouding van eiser, in verband met het ontbreken van de aankoop- en verkoopdagboeken voor het derde en vierde kwartaal 2007 en het volledige jaar 2008, de vaststellingen i.v.m. de voorgelegde facturen genieten dan ook van bewijskracht tot het bewijs van het tegendeel.
Door eiser wordt niet het minste bewijs van het tegendeel geleverd van de in het proces-verbaal opgenomen vaststellingen, zodat de juistheid en de waarachtigheid van de in het proces-verbaal opgenomen vaststellingen dienen aanvaard te worden.
Eiser stelt dat bij de berekening van de BTW ten onrechte een factuur met nr. … in rekening werd gebracht omdat deze vals zou zijn. Uit de berekening van de administratie blijkt dat het tekort aan BTW op de uitgaande handelingen niet voortkomt uit de volgens eiser ten onrechte opgestelde factuur door zijn boekhouder, maar wel uit andere facturen opgemaakt in de periode tussen 1 juli 2007 en 30 juni 2008 die niet werden aangegeven.
De vordering van eiser is derhalve ongegrond.
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S., 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art 13 en 14).
Partijen ter zake standpunt ingenomen.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,
Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk doch ongegrond.
Veroordeelt eiser tot de kosten, begroot in hoofde van verweerder op … euro rechtsplegingsvergoeding bij gebreke aan vertegenwoordiging door een raadsman.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer B, op het gerechtshof te Hasselt op 22.11.2012, alwaar aanwezig waren :
Mevrouw M. C., enige rechter, en
De Heer L. P., griffier.
L. P. M. C.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.