Bewijs, controlemaatregel · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 11 december 2006

Zoeken

Bewijs, controlemaatregelBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-rechtbank-brugge-2006-12-11-7e34

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
11 december 2006

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

67 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 11.12.2006

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 05/1512/A Rep. nr.2006/15618

de heer P. G., aannemer, wonende te …, …,

eiser,

voor wie optreedt Meester R. V. B., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

De BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIËN, in de persoon van de e.a. inspecteur van de BTW-Controle te Diksmuide, met kantoren te 8600 DIKSMUlDE, Wouwenweg 49,

verweerder,

voor wie is opgetreden Meester K. S. (balie Brugge) loco Meester P. D., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op de dagvaarding van 18 mei 2004 tot nietigverklaring van de deskundige schatting.

Gelet op de dagvaarding houdende verzet dwangbevel de dato 7 oktober 2004.

Gelet op het vonnis van de vijfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge de dato 12 november 2004 waarbij de zaak werd verzonden naar de rechtbank van eerste aanleg te Veurne.

Gelet op het vonnis van de vijfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Veurne de dato 13 mei 2005 waarbij beide zaken werden samengevoegd en verzonden naar de rechtbank van eerste aanleg te Brugge.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 30 oktober 2006.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op h.et gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1. Eiser verwierf in de jaren 90 het onroerend goed gelegen te …, …. Tussen 1995 en 2000 werd dit onroerend goed volledig herbouwd.

De aangifte voorgeschreven door artikel 64, § 4 W.BTW werd ingediend op 4.07.2001.

De maatstaf van heffing voor de berekening van de verschuldigde BTW werd door verweerder berekend op … EUR. Dientengevolge werd op 8 januari 2003 een correctieopgave opgesteld voor een nog te belasten verschil in waarde van … EUR.

Aangezien eiser hiermee niet akkoord ging werd hij bij aangetekend schrijvend van 15.04.2003 in kennis gesteld dat er bij toepassing van artikel 59, § 2 W.BTW en de artikelen 14 en15 van het KB nr. 15 van 3 juni 1970 een deskundige schatting zou gevorderd worden.

Bij beschikking van de vrederechter van het kanton Diksmuide de dato 7 juli 2003 werd architect G. D. aangesteld als deskundige.

Op 10 februari 2004 werd het schattingsverslag opgesteld en medegedeeld aan de BTW-administratie.

Eiser vorderde bij dagvaarding van 18 mei 2004 de nietigverklaring van de schatting wegens overtreding van de wet, wegens stoffelijke vergissing of wegens schending van de hoofdzakelijke vormen.

Met het oog op een hypothecaire inschrijving werd met aangetekende brief van 8 september 2004 een kennisgeving van dwangbevel verstuurd.

Bij dagvaarding van 7 oktober 2004 werd hiertegen verzet aangetekend.

2.2. Eiser vordert dat :

- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard.

- de schatting, zoals uitgevoerd door de deskundige, nietig wordt verklaard.

- dienvolgens het bestreden dwangbevel wordt vernietigd.

- verweerder wordt veroordeeld tot de geding kosten, in zijn hoofde begroot op … EUR dagvaardingskosten en … EUR rechtsplegingsvergoeding.

- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgstelling, en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

2.3. Verweerder vraagt dat de vordering onontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, aan zijn zijde begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van … EUR en de kosten van deskundige schatting.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

3.1.1. Een voor éénsluidend verklaard afschrift van het deskundig verslag werd aan eiser betekend op 19 april 2004 (zie stuk 3 van eiser). De rechtsvordering tot nietigverklaring van de schatting de dato 18 mei 2005 werd derhalve binnen de maand na de betekening ingeleid.

3.1.2. Verweerder voert verder geen gegronde redenen aan die tot de op ontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

3.2.1. nopens de ondertekening van het deskundig verslag

Uit het verslag blijkt duidelijk dat het de aangestelde architect G. D. is die de schattingsverrichtingen heeft gedaan. Het feit dat het schattingsverslag is ondertekend door zaakvoerder G. D., namens de BVBA G. D. is niet relevant en kan zeker geen nietigheid tot gevolg hebben.

3.2.2. nopens het relevant tijdstip van de schatting

In tegenstelling met zijn opdracht om op 1 januari 2000 de schatting te doen van de diensten die betrekking hebben op de oprichting van het kwestieuze gebouw, heeft de deskundige de waarde bepaald op datum van januari 2004. Evenwel kan deze tekortkoming ook geen nietigheid meebrengen nu de deskundige in zijn verslag daar duidelijk melding van heeft gemaakt en verwezen heeft naar de evolutie van de ABEX-index in die periode.

3.2.3. nopens de wetsovertredingen

Het feit dat het verslag niet binnen de 3 maanden na de kennisgeving van de aanstelling is opgemaakt, brengt eveneens geen nietigheid mee van het verslag aangezien artikel 9, 3° lid van het KB nr.15 geen sanctie voorziet bij overschrijding van voormelde termijn.

3.2.4. nopens de schending van de rechten van verdediging en van de hoofdzakelijke vormen

3.2.4.1. De rechtbank stelt vast dat de artikelen 8 en 9 van het KB nr. 15 van 3 juni 1970 tot regeling van de schattingsprocedure waarin artikel 59, § 2 W.BTW voorziet aangeven hoe de deskundigen moeten optreden, waardoor de artikelen 978 en 979 van het gerechtelijk wetboek niet van toepassing zijn op die schattingsprocedure. De wetgever is bevoegd o.m., in een bepaalde materie, een bijzondere regeling uit te vaardigen voor het tegensprekelijk karakter van de procedure en voor het uitoefenen van het recht op verdediging.

Er is derhalve geen schending van een hoofdzakelijke (substantiële) pleegvorm wanneer de deskundige geen tegensprekelijk plaatsbezoek heeft gehouden daar de artikelen 8 en 9 van het KB nr. 15 van 3 juni 1970 dit niet voorschrijven.

3.2.4.2. Er dient verder te worden aangestipt dat er aan het vorderingsrecht tot vernietiging wegens schending van de substantiële vormen belangrijke beperkingen verbonden zijn die ook in het gemeen recht hun uitdrukking vinden in de artikelen 861 en 864 van het gerechtelijk wetboek inzake de excepties van nietigheid. De vordering tot nietigverklaring van de schatting wordt beheerst door de procedureregels van het gerechtelijk wetboek voor zover het BTW-wetboek en de uitvoeringsbesluiten er niet van afwijken. In dit opzicht is het zo dat de nietigheid wegens verkrachting van de substantiële vormen slechts moet uitgesproken worden wanneer de aangeklaagde verzuimen en of onregelmatigheden de rechten van verdediging werkelijk geschaad hebben.

Dus zelfs indien er geen tegensprekelijk plaatsbezoek is geweest, dan nog kan eiser bezwaarlijk voorhouden dat zijn rechten van verdediging werkelijk zijn geschonden gelet op de vaststelling dat hij zonder voorbehoud of protest aan de schattingsverrichtingen heeft deelgenomen. Deze deelname heft een mogelijke inbreuk op zijn rechten van verdediging op.

3.2.4.3. De waardebepaling van het goed is vrij uitvoerig en gedetailleerd uitgewerkt. Eiser kan niet bewijzen dat de deskundige geen rekening zou gehouden hebben met bepaalde argumenten en stukken die hem tijdens de schattingsprocedure werden overgemaakt. De deskundige heeft op een voldoende wijze aangetoond dat de waarde op een beredeneerde wijze en met bewijsgronden tot staving werd vastgesteld. Zij is geenszins overdreven.

3.3. nopens de kosten

Eiser wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk en ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot … EUR rechtplegingsvergoedingen de kosten van de deskundige schatting.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag elf december tweeduizend en zes.

Aanwezig zijn :

H. N., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. N. H.

Aangehaalde teksten

2
KB nr. 15 art. 82 voorkomens
KB nr. 15 art. 92 voorkomens