Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroepvan Antwerpen d.d. 05.11.2002
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, 6de bis KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen :
Zitting van 5 november 2002
EINDARREST
Inzake : 2000/AR/2701
D. V. BVBA voorheen BVBA B. D. R. & ZOON, H.R. Antwerpen …, met maatschappelijke zetel te …, …;
appellante,
tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen de dato 3 november 2000;
vertegenwoordigd door Mr. F. M., advocaat te …, …;
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de heer gewestelijk Directeur van de BTW te Antwerpen, in de persoon van de Rekenplichtige van het derde BTWOntvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4;
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Mr. A. v. L. d. J., advocaat te …, …;
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 3 november 2000, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van dit Hof op 22 november 2000, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.
Overwegende dat appellante de hervorming nastreeft van het bestreden vonnis waarbij haar verzet tegen het op 20 maart 1991 betekende dwangbevel ontvankelijk doch ongegrond werd verklaard en zij werd veroordeeld tot de kosten van het geding;
dat zij het Hof verzoekt haar verzet gegrond te verklaren, dienvolgens het uitgevaardigde dwangbevel teniet te doen, haar te ontslaan van alle tegen haar uitgesproken veroordelingen, zo in hoofdsom, als intresten en kosten; dat zij tevens de veroordeling vordert van geïntimeerde tot de kosten;
Overwegende dat geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep, de bevestiging van het bestreden vonnis en de veroordeling van appellante tot de kosten van het geding;
Ten gronde
Overwegende dat het voorwerp van de vordering, de feitelijke omstandigheden die eraan ten grondslag liggen en de door appellante tegen het haar betekende dwangbevel ingeroepen verweermiddelen op overzichtelijke en passende wijze in het bestreden vonnis worden uiteengezet;
dat het Hof die uiteenzetting bijtreedt en hier voor hernomen houdt;
Overwegende dat appellante enerzijds stelt dat de gedane BTW-navordering nietig is wegens onwettige bewijsgaring en anderzijds stelt dat zij geheel ongegrond is daar zij gesteund is op onwerkdadige vermoedens;
Overwegende dat het Hof, na onderzoek van de voorliggende stukken en gegevens en van de door partijen aangevoerde middelen, vaststelt dat de eerste rechter om de oordeelkundige redengeving van het bestreden vonnis , die het Hof overneemt en hier voor herhaald houdt, juist heeft geoordeeld;
Het strafdossier
Overwegende dat op 21 december 1987, 25 februari 1988, 29 april 1988, 25 mei 1989, 21 februari 1990 en 23 maart 1992 door het ambt van de Procureur-Generaal te Brussel aan de B.B.I. toelatingen tot inzage en kopiename van het strafdossier, opgesteld ten laste van onder meer de verantwoordelijken van de NV N. M. van G. en B., werden verleend;
dat de B.B.I. op rechtmatige wijze inzage en kopiename van het strafdossier heeft bekomen;
Overwegende dat appellante voorhoudt dat de toelating tot inzage en kopiename restrictief dient gelezen te worden;
dat volgens appellante de toelating aan de B.B.I. om het strafdossier ten laste van d'A. en anderen in te zien en kopie ervan te bekomen geen toelating bevat om deze tegen haar te gebruiken;
dat appellante stelt dat geïndividualiseerde toelatingen dienen verleend te worden, hetgeen niet is gebeurd, zodat de bewijsstukken onwettig werden verkregen en de taxaties die er op gesteund zijn dan ook onwettig zijn:
Overwegende dat de verleende toelating tot inzage van het ten laste van d'A. opgestelde strafdossier eveneens dienstig is tot het verzamelen van gegevens ten laste van derden, onder wie appellante;
dat immers artikel 1 van de wet van 28 juli 1938, zoals gewijzigd bij de wet van 20 augustus 1947, in zijn eerste paragraaf geen enkele beperking oplegt omtrent de personen op wie de inlichtingen en bescheiden, die kunnen worden geraadpleegd en gekopieerd, betrekking hebben;
dat bovendien het gebruik van de uit het strafdossier genomen inlichtingen, uittreksels en afschriften, geregeld wordt door de bepalingen van paragraaf 2, lid 1 van voornoemde wetsbepaling, naar luid waarvan elke inlichting, stuk, proces-verbaal of akte ontdekt of bekomen in het uitoefenen van zijn functies, door de ambtenaar van een fiscaal rijksbestuur hetzij rechtstreeks hetzij door tussenkomst van één van de hierboven door de Staat aangeduide diensten - onder meer het Openbaar Ministerie - kan ingeroepen worden voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som;
Overwegende dat evenmin uit de toelating van de Procureur-Generaal blijkt dat hij deze beperkt heeft tot bepaalde personen;
dat bij gebreke aan beperking van de toelating door de Procureur-Generaal deze algemeen is en kan aangegrepen worden om uit het strafdossier inlichtingen te putten die verband houden met andere personen dan degene ten laste van wie het strafonderzoek gevoerd werd;
Overwegende dat de toelating tot inzage en kopiename van het strafdossier dan ook tegen appellante mocht gebruikt worden, en de taxaties die erop gesteund zijn dan ook geenszins onwettig zijn;
Overwegende dat appellante ook aanvoert dat haar rechten van verdediging en de algemene regel van de gelijkheid der wapens geschonden zijn doordat geïntimeerde inzage heeft genomen van het volledige strafdossier terwijl zij zelf slechts mededeling heeft gekregen van enkele fragmenten van het strafdossier; dat de toelatingen tot inzage en kopiename van het strafdossier aan de B.B.I. uitsluitend verleend werden "om de juiste zetting of inning te bekomen van de door de Staat geheven belastingen";
dat geïntimeerde dan ook slechts van die stukken van het strafdossier gebruik heeft gemaakt die van belang waren voor appellante en die dienstig waren voor de herziening van de door appellante aangegeven omzet en de door appellante verschuldigde BTW;
dat de betreffende stukken aan appellante werden meegedeeld, zodat de rechten van verdediging gevrijwaard werden;
dat anderzijds geïntimeerde, overeenkomstig artikel 93bis van het BTW-wetboek verplicht is tot de meest volstrekte geheimhouding aangaande alle zaken waarvan hij wegens de uitvoering van zijn opdracht kennis heeft gekregen, zodat hij slechts die stukken mag meedelen die op appellante betrekking hebben;
dat er ook geen enkele aanwijzing is dat geïntimeerde misbruik zou gemaakt hebben van haar inzagerecht of dat hij enig stuk niet zou hebben meegedeeld of zou hebben achter gehouden;
Overwegende dat de rechten van verdediging en de algemene regel van gelijkheid der wapens dan ook niet geschonden werden;
Overwegende dat, rekening houdende met deze vaststellingen en met het feit dat de fiscale administratie telkens om nieuwe machtigingen verzocht en deze bekwam, geen enkel gegeven toelaat vast te stellen dat de door de administratie gedane bewijsgaring onrechtmatig of in strijd met de wettelijke voorschriften is geschied;
dat derhalve alle dienaangaande door appellante ingeroepen middelen op geen enkele wijze de door de eerste rechter en de hiervoor gedane vaststellingen ontkrachten of weerleggen;
dat het verweer van appellante desbetreffend dus niet terzake dienend is en wordt afgewezen;
De bewijskracht van het door de B.B.I. opgestelde proces-verbaal en het bewijs van de afname van bloem zonder factuur door appellante
Overwegende dat appellante de bewijskracht van de opgestelde processen-verbaal betwist en stelt dat deze geen enkel objectief gegeven bevatten dat uitwijst dat ook zij de voorgehouden hoeveelheden bloem zonder factuur heeft afgenomen;
dat zij daartoe inroept dat de processen-verbaal geen persoonlijke vaststellingen van de verbalisant bevatten omtrent de leveringen in het zwart, doch enkel door middel van deducties uit bepaalde feiten hiertoe besluiten;
dat zij tevens inroept dat de bij derden - in casu de leverancier - aangetroffen eenzijdige gegevens geen vaststaande feiten, dienstig voor het vormen van vermoedens, zijn;
Overwegende dat krachtens artikel 59, par. 1 BTW-wetboek de overtredingen van de bepalingen van dit wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede de feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, door de administratie kunnen worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de Ambtenaren van het Ministerie van Financiën, die het bewijs opleveren zolang het tegendeel niet is bewezen; dat derhalve, nu de voornoemde processen-verbaal niet alleen feiten kunnen bewijzen die de verschuldigdheid van de BTW of een geldboete aantonen doch toelaten feiten te kunnen bewijzen die ertoe bijdragen de verschuldigdheid aan te tonen, zij de basis vormen waarop de vermoedens zijn gesteund dat huidige appellante de bepalingen van het BTW-wetboek heeft overtreden;
Overwegende dat dan ook het fiscaal bestuur gegevens mag putten zowel uit het fiscaal dossier van de belastingplichtige zelf, als uit de stukken opgemaakt ontvangen of gehouden door derden, zoals in casu de NV N. M. van G. en B. die de bloemleverancier is van appellante, wanneer het daarmee kan bewijzen of, door middel van vermoedens, kan helpen bewijzen dat appellante niet alle belastbare handelingen heeft aangegeven voor de heffing van de BTW en dienvolgens de over deze niet aangegeven omzet verschuldigde BTW niet aan de Schatkist heeft voldaan;
dat in casu uit de voorliggende gegevens, onder meer de stukken van het strafdossier, ontegensprekelijk blijkt dat de zaak van de NV N. M. van G. en B. betrekking heeft op een sluitend systeem van leveringen zonder factuur, dat onmiskenbaar is aangetoond door de door geïntimeerde voorgelegde processen-verbaal die over het bestaan en het gebruik van codes betreffende "zwarte" leveringen elke twijfel uitsluiten;
dat het bestaan en gebruik duidelijk is bewezen door de verklaringen en bekentenissen van de personeelsleden van de voornoemde NV, ondanks het feit dat hun belangen gelijklopend waren met de bakkers die bloem in zwart aankochten, aangezien ook zij belang hadden met het verdoezelen van het zwarte circuit; dat er dan ook geen redenen zijn om te twijfelen aan de waarachtigheid van hun verklaringen, die niet enkel een belasting van hun werkgever tot gevolg hebben doch evenzeer hun eigen positie in het bedrijf in het gedrang konden brengen;
Overwegende dat uit de uitdrukkelijke bekentenissen omtrent het bestaan en het effectief gebruik van codes door de personeelsleden van voornoemde NV bovendien blijkt dat de zwarte leveringen, behoudens tegenbericht, automatisch en systematisch gebeurden, zodat hieruit terecht dient afgeleid te worden dat het om een sluitend systeem van leveringen gaat, dat door de kwestieuze vennootschap niet werd betwist en welke betwisting in haren hoofde ten einde kwam door ondertekening van een akkoord met de administratie en betaling van de ontdoken heffingen;
dat derhalve thans vaststaat dat de NV N. M. van G. en B. haar belastingschuld volledig heeft aangezuiverd, wat tevens gebeurde met 60 % van de gecontroleerde afnemers naar aanleiding van het onderzoek en de vaststellingen omtrent de niet gefactureerde afnames en aankopen van bloem;
Overwegende dat bij arrest van de 13e kamer van het Hof van beroep te Brussel van 22 november 1993 de feiten zoals in de tenlasteleggingen omschreven, onder meer de systematische niet opneming in de boekhouding van talrijke ontvangsten uit verkoop van bloem in de jaren 1982 tot 1987, zijnde in totaal 20.000.000 kg, de niet vermelding van de werkelijke omzet in boekhoudkundige stukken en BTW-aangiften en de niet - uitreiking van facturen voor leveringen ten bedrage van 20.000.000 kg bloem ter waarde van … BEF (exclusief BTW), bewezen werden verklaard en de verantwoordelijken van de NV N. M. van G. en B. veroordeeld werden;
dat tegen dit arrest geen voorziening in cassatie werd ingesteld, zodat het in kracht van gewijsde is getreden en derhalve erga omnes geldt;
dat uit de lezing van voormeld arrest blijkt dat het Hof vaststelt dat het gaat om een geheel van zwartleveringen, die op voldoende wijze blijken uit de boekhoudkundige geschriften van de NV N. M. van G. en B. en waaromtrent de leveringen zonder facturen door de beklaagden niet worden betwist;
Overwegende dat derhalve appellante thans, gelet op de door de correctionele rechtbank en het Hof van beroep te Brussel gedane vaststellingen, geheel ten onrechte inroept dat er geen dienstige boekhoudkundige gegevens van de NV voorhanden zijn en dat de gehanteerde codes het bestaan van zwarte leveringen niet zouden uitwijzen;
dat immers zowel de correctionele rechtbank als het Hof van beroep juist op deze gegevens hebben gesteund om het bestaan van een sluitend systeem van zwarte leveringen, zonder uitreiking van facturen, vast te stellen;
dat derhalve hic et nunc deze gegevens - gelet op hun vaststelling erga omnes - werkelijk vaststaande en bekende gegevens in de zin van artikel 1349 Burgerlijk Wetboek uitmaken, dienstig tot het vormen van vermoedens;
Overwegende dat in casu uit de gegevens van het strafdossier blijkt dat appellante tot de kring van regelmatige afnemers van bloem van de NV N. M. van G. en B. behoorde en dat naast haar naam de code 2 werd vermeld;
dat uit hetzelfde onderzoek, onder meer de verklaringen van de werknemers, blijkt dat een code 2 betekent dat zonder tegenbericht een zekere hoeveelheid meel meer moet geleverd worden, namelijk in het zwart; dat de code 2 inhoudt 1.500 Kg;
dat derhalve de door appellante geformuleerde opmerkingen over de waarde van de op de klantenlistings vermelde codes niet terzake dienend is; dat immers juist het aanbrengen van deze codes het bestaan en de werking van een zwart circuit aantoont, zoals op definitieve wijze door het Hof van beroep te Brussel vastgesteld; dat bovendien de opmerkingen van appellante op geen enkele wijze de verklaringen en bekentenissen van de personeelsleden van de NV ontkrachten of weerleggen en haar verweer dienaangaande berust op loutere beweringen;
Overwegende dat volgens de vaststellingen van het arrest van het Hof van beroep te Brussel van 22 november 1993 de strafrechtelijke feiten - waaronder de leveringen zonder factuur - zich voordeden in de jaren 1982 tot 1987;
dat uit de vaststellingen in het strafonderzoek blijkt dat appellante in de jaren 1985, 1986 en 1987 respectievelijk 39.000 kg, 43.500 kg en 33.000 kg bloem zonder factuur zou aangekocht hebben;
Overwegende dat de thans betwiste BTW - navordering, waarvoor het aangevochten dwangbevel werd betekend, berust op de vaststellingen van adjunct-verificateur L. V. M. bij appellante ter plaatse, na inzage van de boekhouding en alle stukken met betrekking tot de beroepswerkzaamheden van appellante in de periode van 1 januari 1985 tot 31 december 1987, uitgevoerd op 15 december 1989 en opgenomen in het proces-verbaal van 14 maart 1991;
dat de verbalisant, na controle van de toestand, aldus vaststelde dat in het jaar 1985 39.000 kg bloem zonder factuur werd geleverd wat een niet - aangegeven omzet van … BEF tot gevolg had waarop … BEF BTW verschuldigd is, dat in het jaar 1986 43.500 kg bloem zonder factuur werd geleverd wat een niet-aangegeven omzet van … BEF tot gevolg had waarop … BEF BTW verschuldigd is en dat in het jaar 1987 33.000 kg bloem zonder factuur werd geleverd wat een niet-aangegeven omzet van … BEF tot gevolg had waarop … BTW verschuldigd is;
dat dit proces-verbaal krachtens artikel 59, par. 1, lid 2 BTW-wetboek het bewijs van de niet-naleving van de BTW-verplichtingen oplevert, zolang het tegendeel niet is bewezen;
Overwegende dat het dan ook aan appellante toekomt dit tegenbewijs en derhalve de onjuistheid van de op 15 december 1989 gedane vaststellingen, verwoord in het proces-verbaal van 14 maart 1991, aan te tonen;
dat appellante weliswaar opmerkingen formuleert inzake het bestaan van de zwarte leveringen, doch nalaat enig objectief en bewijskrachtig gegeven voor te leggen dat van aard is de onjuistheid van de gedane vaststellingen aan te tonen;
Overwegende dat het bestaat van een meeromzet slechts wordt vermoed op grond van het vaststaande gegeven dat de vermelding 2 inhoudt dat bij elke officiële levering 1.500 kg bloem bij geleverd wordt;
dat de verbalisant terecht rekening heeft gehouden met dit vaststaand feit en zodoende het juiste vaststaande feit als bekend gegeven in acht heeft genomen om door vermoedens te besluiten tot onbekende feiten;
dat derhalve de in het proces-verbaal van 14 maart 1991 gedane berekening en vaststelling geenszins wordt weerlegd, zodat derhalve thans als vaststaand dient aanvaard te worden dat appellante in 1985 39.000 kg, in 1986 43.500 kg en in 1987 33.000 kg bloem van de NV N. M. van G. en B. heeft aangekocht, waarvoor geen factuur werd uitgereikt en waarbij de over deze handelingen verschuldigde BTW niet aan de schatkist werd overgedragen;
Overwegende dat uit het voorgaande blijkt dat de BTW-administratie het bestaan en de hoegrootheid van haar navordering aantoont overeenkomstig de voorschriften van artikel 59, par 1, BTW-wetboek;
dat zij derhalve vertrekkend van vaststaande gegevens, door vermoedens terecht besluit tot het bestaan van de zwarte leveringen van bloem die ten aanzien van appellante dienen bepaald op 39.000 kg in 1985, 43.500 kg in 1985 en 33.000 kg in 1987;
dat appellante bij proces-verbaal van 14 maart 1991 terecht schuldenaar van de Belgische Staat werd verklaard ten bedrage van … BEF ontdoken belasting, het dubbel van de ontdoken belasting als geldboete en de intresten vanaf 21 januari 1988 en deze sommen terecht bij het haar op 20 maart 1992 betekende dwangbevel werden opgevorderd;
Overwegende dat de eerste rechter terecht heeft geoordeeld dat het bewezen is dat appellante bloem in het zwart heeft afgenomen met het oogmerk om belastingen te ontduiken en dat een belastingverhoging van 200 % in casu in verhouding staat met de concrete gegevens van de zaak, zodat er geen reden bestaat om deze belastingverhoging kwijt te schelden of te verminderen;
Overwegende dat de eerste rechter zijn vonnis op juiste en oordeelkundige gronden heeft gesteund en het bestreden vonnis dient bevestigd te worden;
dat het hoger beroep ongegrond is en appellante dient veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep, zoals hierna begroot;
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN
HET HOF, recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.
Bevestigt het bestreden vonnis mits deze aanpassing dat in het beschikkend gedeelte ervan de bedragen uitgedrukt in BEF worden omgezet naar EUR als volgt :
… BEF dient gelezen als … EUR
… EUR (… BEF)
Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van geïntimeerde begroot op … EUR (… BEF) rechtsplegingsvergoeding
Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 5 NOVEMBER 2002
waar aanwezig waren :
Mevrouw D. W., alleenzetelend Raasheer;
Mevrouw C. V., Griffier.
C. V. D. W.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.