Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Gent d.d. 06.05.2024 - Rolnr. 22/1604/A
WF 505-15-22/039920
[Gunstig voor de Belgische Staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – beroepsgeheim advocaat en verstrekken inlichtingen aan de fiscus
Wettelijke bepalingen
Art. 62, §1, W.Btw
KB nr. 44, van de Btw
Samenvatting
Betrokkene weigerde als advocaat te antwoorden op een vraag om inlichtingen vanwege de Administratie. De vraag betrof enkel het feit of de advocaat een factuur met aanrekening van BTW, aangetroffen in de boekhouding van een derde (zijn cliënt), in die vorm had uitgereikt.
De advocaat, tegelijkertijd BTW-belastingplichtige, meende dat dit onder zijn beroepsgeheim als advocaat viel en dat hij niet hoefde te antwoorden. Er werd een niet proportionele boete opgelegd, conform art. 62, §1 W.BTW en K.B. 44 wegens het niet geven van inlichtingen. De rechtbank volgde het standpunt van de fiscus dat het geven van dergelijke inlichting niet onder het beroepsgeheim van de advocaat valt. De advocaat heeft, als BTW-belastingplichtige, eveneens zijn wettelijke verplichtingen t.a.v. de fiscus en diende te antwoorden op de vraag om inlichtingen. De boete werd terecht opgelegd.
Volledige tekst
Tekst van de beslissing
Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, fiscaal-zesde burgerlijke kamer
06.05.2024
Rolnummer 22/1604/A
In de zaak van:
X..., KBO X..., wonende te X…,
eisende partij, hebbende als raadsman mr X…., advocaat te X….
Tegen:
De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën — Stafdienst Logistiek - Koning Albert II laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, KBO 0308.357.159, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal:
- 5e Directie, 1030 Brussel, Koning Albert II laan 33 bus 482,
- 5e Directie, Inspectie Gent, Afdeling Geschillen Gent, 9050 Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6 bus 805,
verwerende partij, voor wie optreedt de heer X… , adviseur bij een fiscaal bestuur;
Beslist de rechtbank als volgt:
I. PROCEDURE VOOR DE RECHTBANK
De rechtbank hoorde de partijen in hun argumenten op de openbare terechtzitting van 21 maart 2024. De rechtbank sloot het debat en nam de zaak in beraad. De rechtbank nam kennis van de door de partijen neergelegde syntheseconclusie en stukken.
De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken zijn in acht genomen.
II. RELEVANTE FEITEN EN VOORGAANDEN
Aan de eiser werd op 6 mei 2021 een vraag om inlichtingen gericht met betrekking tot de factuur 1353 van 10 februari 2020 met als hoofding "X… — advocaat" die was aangetroffen in de boekhouding van de X… . De vraag was of die factuur inderdaad door de eiser was opgemaakt.
De eiser gaf geen antwoord op die vraag, overtuigd van het feit dat zijn beroepsgeheim als (toenmalig) advocaat dat niet toestond.
De verweerder legde vanwege het niet-antwoord een boete van 1.000,00 euro op lastens de eiser, op grond van artikel 70, §4, eerste lid, van het btw-wetboek en de bijlage van KB nr. 44 van 9 juli 2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de btw, afdeling 4, IV.
De eiser is het hiermee niet eens waardoor hij huidige gerechtelijke procedure startte.
III. VORDERINGEN VAN DE PARTIJEN
De eiser vordert: " De bestreden beslissing genomen door de Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de bijzondere belastingsinspectie, 5de directie, Inspectie Gent gevestigd te 9050 Ledeberg aan de Gaston Crommenlaan 6 bus 805 genomen bij proces-verbaal dd. 26 januari 2022 teniet te doen.
De verweerster te veroordelen tot de kosten van het geding, daarin begrepen de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ten belope van 1680,00 EUR, de bijdrage voor het fonds en voor zover nodig, tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde belastingen, verhogingen en nalatigheidsintresten met inbegrip van de daarop eventueel verschuldigde moratoriumintresten, alsmede tot terugbetaling van de ten onrechte aan verzoeker aangerekende en door haar betaalde vervolgingskosten."
De verweerder vraagt: "De vordering vanwege eiser, zoals geformuleerd in het verzoekschrift en navolgende besluiten, in al hun onderdelen ontvankelijk, doch ONGEGROND te verklaren.
De vordering van verweerder, zoals geformuleerd in het inning- en invorderingsregister dd. 16 maart 2022 (annex het proces-verbaal dd. 26 januari 2022) en navolgende besluiten te bevestigen. Hierbij eiser te veroordelen tot verschuldigdheid van de gevorderde niet-proportionele geldboete inzake BTW."
IV. BEOORDELING
1. Over het beroepsgeheim van de advocaat in de relatie tot de btw-administratie
1.1
Artikel 62, §1, van het btw-wetboek, bepaalt dat eenieder gehouden is, op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie belast met de btw, mondeling of schriftelijk alle inlichtingen te verschaffen die hem gevraagd worden, teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden na te gaan.
Artikel 458 Strafwetboek bestraft de niet-naleving van het beroepsgeheim. Het verbiedt aan "geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd," deze bekend te maken.
1.2
Onder het beroepsgeheim van een advocaat valt op grond van vermeld artikel 458 alle informatie waarvan de kennisname is gebeurd tijdens de uitoefening van de functie van advocaat, terwijl hij wegens die hoedanigheid werd aangesproken, voor zover deze informatie in een redelijk verband staat met de uitoefening van de functie en de informatie inherent vertrouwelijk is of expliciet of impliciet onder de voorwaarde van geheimhouding is toevertrouwd aan de advocaat (Cass. 19 oktober 2021, P.21.0553.N, op https://juportal.be).
Het Grondwettelijk Hof oordeelt bij arrest van 15 september 2022 (nr. 103/2022, op https://juportal.be) het volgende met betrekking tot het beroepsgeheim van de advocaat:
"B.48.4 Het beroepsgeheim van de advocaat is een essentieel bestanddeel van het recht op eerbiediging van het privéleven en van het recht op een eerlijk proces.
Het beroepsgeheim van de advocaat heeft immers hoofdzakelijk tot doel het fundamentele recht op eerbiediging van het privéleven te beschermen van diegene die iemand in vertrouwen neemt, soms over iets heel persoonlijks. De effectiviteit van de rechten van verdediging van iedere rechtzoekende veronderstelt daarenboven noodzakelijkerwijs dat een vertrouwensrelatie tot stand kan komen tussen die persoon en de advocaat die hem raad geeft en hem verdedigt. Die noodzakelijke vertrouwensrelatie kan alleen tot stand komen en behouden blijven indien de rechtzoekende de waarborg heeft dat wat hij aan zijn advocaat toevertrouwt door die laatstgenoemde niet openbaar zal worden gemaakt. Hieruit volgt dat de aan de advocaat opgelegde regel van het beroepsgeheim een fundamenteel element is van de rechten van verdediging. Zoals het Hof van Cassatie heeft geoordeeld, « (berust) het beroepsgeheim waaraan de leden van de balie zijn onderworpen, [...] op de noodzaak volledige veiligheid te verzekeren aan diegenen die zich aan hen toevertrouwen » (Cass., 13 juli 2010, Arr. Cass., 2010, nr. 480; zie ook Cass., 9 juni 2004, Arr. Cass., 2004, nr. 313).
Ook al is het « niet onaantastbaar », het beroepsgeheim van de advocaat vormt « een van de grondbeginselen waarop de organisatie van het gerecht in een democratische samenleving berust » (EHRM, 6 december 2012, Michaud t. Frankrijk, § 123). [...]
B.51. Het Hof heeft zich reeds verscheidene keren uitgesproken over de grondwettigheid van meldingsverplichtingen in het licht van de voormelde vereisten. Bij zijn arrest nr. 10/2008 van 23 januari 2008 heeft het Hof zich uitgesproken over de grondwettigheid van de verplichting voor de advocaten om in het kader van de strijd tegen het witwassen informatie aan de autoriteiten door te geven.
Bij dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat de gegevens die ter kennis worden gebracht van de advocaat, enerzijds, in het kader van zijn activiteit bestaande in de verdediging en de vertegenwoordiging in rechte, en, anderzijds, wanneer hij de rechtspositie van zijn cliënt bepaalt, door het beroepsgeheim gedekt zijn (8.9.2 en 8.9.3). [...]
Bij zijn arrest nr. 43/2019 van 14 maart 2019 sprak het Hof zich uit over de verplichting, voor advocaten, om jaarlijks een lijst met bepaalde informatie over de btw-plichtige cliënten aan wie zij diensten hebben verstrekt, door te geven aan de fiscale administratie. Het Hof bevestigde dat het loutere feit een beroep te hebben gedaan op een advocaat onder de bescherming van het beroepsgeheim valt. Hetzelfde geldt a fortiori voor de identiteit van de cliënten van een advocaat (8.6). Dat verhindert echter niet dat het niet zonder redelijke verantwoording is een advocaat te verplichten de in de btw-listing vermelde beperkte gegevens ter kennis te brengen van de btw-administratie, gelet op de doelstelling om de invordering van de btw te verzekeren en belastingontduiking te vermijden, en gelet op het feit dat de meldingsplicht gepaard gaat met voldoende waarborgen, zoals de geheimhoudingsplicht die op de btw-ambtenaar rust (8.9.1-8.9.3)."
1.3
Per analogie besluit de rechtbank dat de advocaat zich niet op zijn beroepsgeheim kan beroepen om te weigeren te antwoorden op de vraag van de btw-administratie of een bepaalde factuur al dan niet door hem is uitgeschreven.
Het verweer van de eiser tegen de opgelegde boete, dat van het tegendeel uitgaat, kan niet slagen.
Anders dan de eiser geeft te kennen, was de stafhouder niet van oordeel dat de vraag om inlichtingen niet verzoenbaar was met de eerbied van het beroepsgeheim, integendeel.
De vordering van de eiser is derhalve niet gegrond.
2. Over de gerechtskosten
De verweerder, als in het gelijk gestelde partij, is niet bijgestaan door een advocaat, zodat hem geen rechtsplegingsvergoeding kan worden toegekend. In dit geval is het overbodig om die kosten vast te stellen.
Beschikkend gedeelte
V. BESLISSING VAN DE RECHTBANK
De rechtbank oordeelt het volgende op tegenspraak:
De vordering van de eiser is ontvankelijk doch niet gegrond.
Er zijn geen kosten te begroten.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op maandag 6 mei 2024, waar aanwezig waren :
X….
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.