Belastbaarheid, werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, vrijstelling, andere vrijstelling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Leuven 24 september 1997

Zoeken

Belastbaarheid, werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, vrijstelling, andere vrijstellingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastbaarheid-werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-rechtbank-leuven-1997-09-24-7016

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Leuven
Datum
24 september 1997

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

73 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Leuven d.d. 24.09.1997

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 24.09.1994

AR 95/58560

V. T. VZW, met zetel te …, …, vertegenwoordigd door haar afgevaardigd-bestuurder, de heer J. R.;

eiseres,

ter zitting vertegenwoordigd door meester J. L., advocaat te …, …;

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, BTW TIENEN, in de persoon van de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Tienen, wiens kantoren gevestigd zijn in het Rijksadministratief Centrum, Goossensvest nr. 3 te 3300 Tienen;

verweerster,

ter zitting vertegenwoordigd door haar raadsman meester D. B., advocaat te …, …;

De rechtbank spreekt het vonnis uit in deze zaak die op tegenspraak gepleit werd en in beraad genomen op de zitting van 18 juni 1997;

Gelet op de artikels 2-9-34-36-37-40 en 41 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken.

Gehoord partijen in hun middelen en gelet op hun conclusies en stukken;

Gezien de inleidende akte van verzet d.d. 28 februari 1995 betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder J. H., met standplaats te Tienen, ertoe strekkende het verzet ontvankelijk en gegrond te horen verklaren en bijgevolg de tenuitvoerlegging van het dwangbevel d.d. 2 februari 1995 te horen opschonen en stuiten; Te horen zeggen voor recht dat eiseres de hoedanigheid bezit van belastingplichtige met recht op BTW-aftrek, en dienvolgens te horen zeggen dat de aanspraken van verweerder inzake heffing-, achterstallige BTW, boetes, aankleven, intresten onverschuldigd zijn, met de veroordeling van verweerder tot de kosten van het geding, vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Overwegende dat de vordering regelmatig werd ingesteld en ontvankelijk is;

Voorgaanden

Overwegende dat eiseres als BTW-belastingsplichtige geregistreerd werd onder het nr. …, wegens de aangegeven activiteit van uitbating van T. met drankgelegenheid, en dit voor een gedeelte van haar beroepswerkzaamheid en waarvoor zij derhalve onderworpen is aan de BTW-Wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten;

Overwegende dat op 8 juni 1993, na een voorafgaande verwittiging, werd overgegaan bij eiseres tot een controle van de boekhouding in verband met de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de BTW;

Dat tijdens het onderzoek een aantal inbreuken op de BTW-Wetgeving werden vastgesteld, inbreuken dewelke werden opgenomen in een correctieopgave met voorstel tot minnelijke regeling, die op 12 mei 1994 voor akkoord werd ondertekend door de heer J. R., in zijn hoedanigheid van gedelegeerd bestuurder van eiseres;

Overwegende dat op 26 januari 1995 door de bevoegde ontvanger van het BTW-ontvangkallroor te Tienen een dwangbevel werd uitgevaardigd, dat samen met de correctieopgave d.d. 12 mei 1994, bij exploot van gerechtsdeurwaarder L. V. te … op 2 februari 1995 aan eiseres werd betekend;

Overwegende dat in het dwangbevel, bevel tot betalen wordt gegeven van :

- als belasting op de toegevoegde waarde : 1.210.323 fr.

- als geldboete ingevolge art. 70, § 1 en 70, § 1bis van het BTW-Wetboek : 181.500 fr.

- de wettelijk intresten verschuldigd door de niet tijdig betaalde BTW te rekenen vanaf 21 april 1992, onder aftrek van de reeds toegerekende som van 174.042 fr.

- de moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de betekening van het dwangbevel.

- de vervolgingskosten;

Overwegende dat door eiseres verzet werd aangetekend tegen voormeld dwangbevel bij exploot van gerechtsdeurwaarder J. H., met standplaats te … op 28 februari 1995;

In rechte

Overwegende dat de voor akkoord ondertekende correctieopgave samengesteld is uit verschillende elementen en er tussen partijen blijkbaar geen betwisting bestaat over een gedeelte van de vordering, namelijk de vordering wegens een verkeerde toepassing van artikel 17bis van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1996, blz. IV van de correctieopgave voor een bedrag van 388.434 fr., en de vordering op basis van een te weinig aangegeven omzet in de uitbating van de cafetaria aan 11.688 Fr., blz. V. van de correctieopgave;

Overwegende dat het verzet van eiseres dus enkel gericht is tegen de vordering aan rechten van 810.201 fr., blz. III van de correctieopgave, en de hiermee samenhangende boeten en intresten;

Dat volgens verweerder de BTW op de facturen in verband met investeringen en kosten van de T. niet aftrekbaar zijn op grond van de bepalingen van de artikelen 44, § 2, 7°, artikel 45, § 1 en artikel 46, § 2 van het BTW-Wetboek, zodat door eiseres een teveel aan BTW zou zijn afgetrokken van 790.038 fr. en verder werd op de gemeenschappelijke onkosten een teveel aan BTW afgetrokken van 20.163 fr., wat een totaal geeft van 810.201 fr.;

Overwegende dat eiseres als activiteit heeft de uitbating van modeltuinen, die voor het publiek toegankelijk zijn, met drankgelegenheid en daarnaast de leveringen van goederen en diensten die rechtstreeks samenhangen met de activiteit van de modeltoontuinen;

Dat voor wat betreft de activiteit van restaurant en drankgelegenheid eiseres op grond van artikelen 4 en 18, § 1, 11° van het BTW-Wetboek de hoedanigheid heeft van belastingplichtige met recht op aftrek, daar waar dit door verweerder niet wordt aanvaard voor de activiteit inzake modeltoontuinen;

Overwegende dat de vraag die zich in casu stelt dan ook is of de hoofdactiviteit van eiseres, namelijk het tentoonstellen van modeltuinen, met de daarmee samenhangende diensten en leveringen van goederen, onderworpen zijn aan de BTW;

Overwegende dat verweerder zich hiervoor steunt op artikel 44, § 2, 7° van het BTW-Wetboek dat stelt dat van de BTW vrijgesteld zijn de diensten die door de exploitant aan de bezoekers worden verstrekt met betrekking tot al of niet geleid bezoek aan musea, monumenten, natuurmonumenten, plantentuinen en dierenruinen, wanneer die exploitanten een instelling is die geen winstoogmerk heeft en hij de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheden uitsluitend gebruikt tot dekking van de kosten ervan, vrijstelling dewelke niet enkel geldt voor het recht op toegang, maar tevens de bijkomende handelingen omvat;

Overwegende dat artikel 4 van het BTW-Wetboek (toepasselijk voor 1 januari 1993 de vordering van verweerder heeft betrekking op de periode 1991-1992) bepaalt dat belastingplichtig is, ieder wiens werkzaamheid erin bestaat geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten te verrichten die in het BTW-Wetboek omschreven zijn;

Dat bij toepassing van artikel 18, § 1 van het BTW-Wetboek onder het verrichten van diensten wordt verstaan, de uitvoering ingevolge een contract onder bezwarende titel van welke handeling ook die verder beschreven wordt in artikel 18, § 1;

Dat dus het bestaan van een contract onder bezwarende titel doorslaggevend is in de bepaling of de handelingen die men geregeld en zelfstandig stelt, de hoedanigheid van BTW-belastingsplichtige verlenen;

Overwegende dat ingevolge artikel 18, § 1, 12° van het BTW-Wetboek als een dienst wordt beschouwd die onderworpen is aan de BTW de toekenning van het recht op toegang tot inrichtingen van cultuur, sport of vermaak, alsmede de toekenning van het recht gebruik ervan te maken;

Dat volgens de handleiding van het Ministerie van Financiën, administratie van de BTW, tot de werkingssfeer van artikel 18, § 1, 12° van het BTW-Wetboek behoren : musea, tentoonstellingszalen, floraliën, handelsbeurzen, balzalen, zwembaden, solariums, golfterreinen, visvijvers, automobielcircuits, wielerbanen, grotten en lunaparken;

Overwegende dat derhalve het enkel gegeven dat in de door eiseres tentoongestelde tuinen, planten voorkomen, niet inhoudt dat die tuinen zonder meer gelijk moeten worden gesteld met diegene bedoeld in artikel 44, § 2, 7° van het BTW-Wetboek;

Overwegende dat eiseres terecht stelt dat de vrijstelling van BTW een uitzonderingsregeling is, zodat de voorwaarden beperkend moeten worden geïnterpreteerd en de vrijstelling niet mag uitgebreid worden tot instellingen die in het artikel niet zijn opgesomd of door het artikel niet zijn geviseerd;

Dat de memorie van toelichting terzake stelt :

"In een derde groep van vrijgestelde diensten vindt men de diensten die in algemene zin betrekking hebben op het onderwijs in de brede betekenis. Alleen al door het belang van de sommen die ieder jaar door de overheid aan de culturele activiteit worden besteed Zijn de voorgestelde vrijstellingen voldoende gerechtvaardigd";

Dat dus de instellingen als bedoeld in artikel 44; § 2, 7° van het BTW-Wetboek vrijgesteld zijn omwille van hun educatieve of wetenschappelijke rol;

Overwegende dat artikel 3 van de statuten van eiseres bepaald :

"De vereniging heeft tot doel het aanleggen van siertuinen in België te bevorderen en hierdoor het tuintoerisme te stimuleren.

Zij streeft naar de verwezenlijking hiervan door alle middelen, waaronder voornamelijk :

1° Aanleg van modeltuinen in de Provincie Vlaams Brabant.

De toontuinen kunnen later worden uitgebreid tot alle andere provincies.

2° Het organiseren van vergaderingen, studiedagen en alle manifestaties welke het doel kunnen steunen.

3° Het huren of verwerven van om het even welke roerende en onroerende goederen om de activiteiten te ondersteunen.

4° Het uitgeven van boeken, tijdschriften, bladen en allerlei publicaties.

5° Het stichten en uitbaten van spijshuizen en drankgelegenheden.

6° Het inschakelen van de V. T. T. in de toeristische circuits van Vlaanderen en speciaal in de kunsthistorische gemeente ….

Het integreren in werkverschaffingsprojecten voor het creëren van werkgelegenheid in de toeristische sector";

Overwegende dat uit de statuten en andere neergelegde stukken blijkt dat de activiteit van eiseres, namelijk het tentoonstellen van modeltuinen, in essentie geen onderwijzende of educatieve bedoeling heeft, doch een commerciële rol in deze zin, dat men modellen van tuinen tentoonstelt opdat dergelijke siertuinen ook door de bezoekers zouden worden aangelegd en zij derhalve verkoopstimulerend is, terwijl anderzijds men hierdoor ook het toerisme sensu lato wil stimuleren;

Overwegende dat daarenboven de handelingen omschreven in artikel 3 van de statuten van eiseres worden verricht mits betaling;

Dat zo ondermeer inkomgeld wordt gevraagd aan de personen die de tentoongestelde siertuinen willen bezoeken;

Dat de opmerking van verweerder dat door eiseres op deze inkomgelden geen BTW wordt afgedragen, terzake niet relevant is en niets te maken heeft met de discussie of de vrijstelling van artikel 44, § 2, 7° van het BTW-Wetboek al dan niet van toepassing is;

Overwegende dat eiseres derhalve als een volledige BTW-belastingplichtige dient beschouwd en het verzet van eiseres voor zover gericht tegen de vordering aan rechten van 810.201 fr., met samenhangende boeten en intresten gegrond is.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende in eerste aanleg, op tegenspraak;

Verklaart het verzet ontvankelijk en gegrond zoals hierna bepaald;

Zegt voor recht dat eiseres de hoedanigheid bezit van belastingplichtige met recht op BTW-aftrek en zegt dat de aanspraken van verweerder inzake heffing, achterstallen BTW voor een bedrag van 810.201 fr., met de hiermee samenhangende boeten en intresten onverschuldigd is;

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding. begroot in hoofde van eiseres op 2.935 fr. akte verzet en 12.300 fr. rechtsplegingsvergoeding en in hoofde van verweerder op 12.300 fr. rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de vijfde kamer der rechtbank van eerste aanleg , zitting houdende te Leuven op woensdag 24 september 1900- evenennegentig, waar zetelden :

mevrouw H. D. P., alleensprekend rechter en

mevrouw G. D., e.a. adjunct-griffier.

G. D. H. D. P.

Aangehaalde teksten

5
WBTW art. 184 voorkomens
WBTW art. 444 voorkomens
WBTW art. 42 voorkomens
WBTW art. 702 voorkomens
WBTW art. 461 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8