Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 05.11.2007
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL 33ste Kamer
AR 2002/3354/A
Betwistingen met de overheid : varia
op tegenspraak
eindvonnis
In zake van :
De NV G. V., met maatschappelijke zetel te …, …
Eisende partij in hoofdvordering,
Verwerende partij op tussenkomst en vrijwaring,
Vertegenwoordigd door Mr. C. B. loco Mr. A. V. D. G., advocaat te …, … (ref. : 824411CB/CB),
tegen :
De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de heer Minister van Mobiliteit en Vervoer, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 63-65 en met kantoren te Brussel, Aarlenstraat 104,
Verwerende partij in hoofdvordering,
Eisende partij in tussenkomst en vrijwaring,
Vertegenwoordigd door Mr. Y. B., advocaat te …, … 617 (ref. : 1),
De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, vertegenwoordigd door de Directie BTW te Hasselt, RAC, Voorstraat 43, 3500 Hasselt,
verwerende partij in tussenkomst en vrijwaring,
vrijwillig zich in de plaats stellend verwerende partij,
eisende partij in tussenkomst
Vertegenwoordigd door Mr. L. V. H., advocaat te …, … (ref. : a02003b!3),
De rechtbank spreekt het navolgend vonnis uit :
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 8 oktober 2007 waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.
De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :
- de dagvaarding van 5 maart 2002 op verzoek van eiseres betekend door het ambt van meester D. S. plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder van Meester C., gerechtsdeurwaarder kantoorhoudende te …, … aan de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Mobiliteit en Vervoer;
- de dagvaarding in tussenkomst en vrij waring van 26 maart 2002 op verzoek van de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Mobiliteit en Vervoer betekend door het ambt van Meester M., gerechtsdeurwaarder met kantoor te …, …, aan de Belgische Staat vertegenwoordigd door de Minister van Financiën;
- de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 750, § 2 van het gerechtelijk wetboek van 16 mei 2006,
- de conclusie, syntheseconclusie, tweede syntheseconclusie en derde syntheseconclusie voor eiseres neergelegd ter griffie op 15 december 2003, 11 September 2005, 2 februari 2006 en 1 december 2006;
- de besluiten, wederantwoordconclusie, syntheseconclusie en tweede syntheseconclusie voor de Belgische Staat vertegenwoordigd door de Minister van Financiën neergelegd ter griffie op 16 april 2003, 11 februari 2005, 18 mei 2006 en 15 januari 2007;
- de conclusie en aanvullende conclusie voor de Belgische Staat vertegenwoordigd door de Minister van Mobiliteit beide neergelegd ter zitting van 8 oktober 2007.
Bovendien heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.
1. FEITEN
Eiseres heeft op 22 november 2000 een Nissan Micra gekocht bij de firma "A. am R." uit Duisburg voor 14.500 DEB, vervoer en (Duitse) BTW inbegrepen.
Op 28 november 2000 bood de heer V., bedrijfsleider van eiseres, zich aan bij de douane te Genk teneinde 'een vignet 705' te bekomen om het voertuig in België te laten inschrijven. Dit werd door de betrokken douanediensten geweigerd omdat het een 'nieuw' voertuig bleek te zijn dat slechts vijf kilometer had afgelegd. De douanediensten verzochten hierna de DIV om elke inschrijvingsmogelijkheid voor het voertuig te blokkeren.
Op 28 december 2000 bood de heer V. zich opnieuw aan bij de douanediensten, doch ditmaal te Boorsem, teneinde een vignet 705 te bekomen. Het voertuig telde op dat ogenblik meer dan 6.000 km aan afgelegde afstand zodat het vignet werd uitgereikt. Toen eiseres evenwel om een inschrijving verzocht bij de DIV werd deze geweigerd, gelet op de eerdere blokkering.
De douanediensten hebben naar aanleiding van de vaststellingen de gebruikelijke vervolgingen ingesteld resulterend in het opstellen van een proces-verbaal van 17 mei 2002 (stuk 1 met vijf bijlagen, bundel Belgische Staat vertegenwoordigd door de Minister van Financiën).
2. VORDERING
De oorspronkelijke dagvaarding sterkt ertoe verweerder te horen veroordelen tot het afleveren van een inschrijvingsbewijs en een Belgische nummerplaat voor het voertuig, op straffe van een dwangsom van 250 euro per dag en tot betaling van een schadevergoeding van 8.368,26 euro wegens genotsderving van het voertuig, meer de interesten en de kosten. Bij conclusie verzoekt eiseres bovendien dat de Belgische Staat in persoon van het Ministerie van Financiën de goedkeuring zou verlenen aan de Belgische Staat in de persoon van het Ministerie van Mobiliteit en Vervoer om het voertuig in te schrijven, op straffe van een dwangsom. Eiseres vraagt in conclusie een schadevergoeding wegens genotsderving en vordert 19,83 euro per dag te berekenen vanaf 28 december 2000, 3 juni 2002 of 23 maart 2004 (in ondergeschikte orde). In haar syntheseconclusie vraag eiseres, in haar motivering, tevens de terugbetaling van de 4.500 euro die ze ingevolge de haar aangeboden strafrechtelijke transactie heeft gestort, dit verzoek wordt evenwel niet herhaald in het petitum van de conclusie.
De Belgische Staat, zowel in de persoon van het Ministerie van Financiën als in de persoon van het Ministerie van Mobiliteit en Vervoer, concluderen tot de ongegrondheid van de vordering.
3. ONTVANKELIJKHEID
De hoofdvordering van eiseres is ontvankelijk.
Met betrekking tot de dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring van 26 maart 2002 op verzoek van de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Mobiliteit en Vervoer betekend aan de Belgische Staat vertegenwoordigd door de Minister van Financiën moet evenwel worden vastgesteld dat de Belgische Staat niet zichzelf kan dagvaarden. De vordering zoals omschreven in deze dagvaarding is dan ook onontvankelijk.
4. BESPREKING TEN GRONDE
Eiseres heeft op 22 november 2000 een voertuig Nissan Micra 1.0 basis ABS 3T met chassisnummer … aangekocht van de GmbH A. am R. te Duisburg voor een bedrag van 14.500 DM 16 % Duitse BTW inbegrepen (zie stuk 1, bundel eiseres).
Er heeft derhalve een intracommunautaire verweving plaatsgevonden. Eiseres beschikt als eigenaar over het voertuig. Het voertuig wordt van de ene lidstaat naar de andere lidstaat vervoerd en het vervoer houdt verband met de aankoop zelf.
Er moet derhalve onderzocht worden of het voertuig al dan niet als een nieuw voertuig (in de zin van de BTW-wetgeving) moet worden aangemerkt.
Luidens artikel 8bis, § 2, eerste lid, 2° van het BTW-wetboek worden als nieuwe vervoermiddelen beschouwd, de vervoermiddelen als bedoeld in artikel 8bis, § 2, eerste lid, 1° van het Wetboek wanneer -indien het landvoertuigen betreft- hun levering plaatsvindt binnen de zes maanden na de datum van hun eerste ingebruikneming of die niet meer dan 6.000 km hebben afgelegd.
Het voertuig werd op 22 november 2000 aangekocht door eiseres. De eerste ingebruikneming van het voertuig heeft plaatsgevonden op 23 maart 2000. Derhalve vond de levering pas plaats na het verstrijken van de termijn van zes maanden na de eerste ingebruikneming.
Ingevolge de hiervoor aangehaalde bepalingen wordt een vervoermiddel als nieuw beschouwd wanneer het niet meer dan 6.000 km heeft afgelegd op het ogenblik van de levering.
Op 28 november 2000 bood de heer V., gedelegeerd bestuurder van eiseres zich aan bij de douane te Genk Entrepot met het verzoek hem een vignet 705 af te leveren om het voertuig te kunnen inschrijven bij de Dienst voor Inschrijving Voertuigen te Brussel.
Ter plaatse vulde hij een kennisgeving intracommunautaire verwering in waar onder de rubriek "kilometerstand" het cijfer "5" (nI. vijf kilometer) werd genoteerd door de heer V.. (Zie bijlage 2 van stuk nr. 1, bundel van verweerder). Dit alles blijkt uit de het proces-verbaal van 17 mei 2002.
Ten onrechte stelt eiseres dat er geen rekening mag worden gehouden met het proces-verbaal van 17 mei 2002 omdat dit laattijdig zou zijn opgesteld. Voormeld PV werd opgesteld door twee beëdigde ambtenaren van de administratie der Douane en Accijnzen. Luidens artikel 272 AWDA verdienen de processen-verbaal van de ambtenaren wegens hun handelingen ambtsverrichtingen, volle geloof in rechte, totdat de valsheid daarvan bewezen wordt.
Ter zitting heeft de rechtbank uitdrukkelijk de vraag gesteld of er met betrekking tot het proces-verbaal door de rechtbank een valsheidsprocedure moet worden opgestart. De raadsman van eiseres heeft hierop ontkennend geantwoord. Eiseres toont evenmin de valsheid van de inhoud van voormeld proces-verbaal aan.
Uit de stukken van het dossier blijkt bovendien de volgende chronologie :
28/11/2000: aangifte door de heer V. bij de douane te Genk Entrepot van de aankoop van het voertuig;
28/12/2000 : aangifte door de heer V. bij de douane te Boorsem van de aankoop van het voertuig;
6/02/2001 : proces-verbaal van verhoor van de heer V.;
8/02/2001 : aanvraag onderzoek bij de Duitse douane;
1/06/2001 : resultaten van het door de Duitse douaneautoriteiten uitgevoerde onderzoek;
20/09/2001 : schriftelijke aanbieding door douane Hasselt aan de heer V. G. om alsnog de overtreding in der minne ter regelen;
29/04/2002 : aangetekend schrijven aan de heer V. om bij de lezing van het proces-verbaal van 17 mei 2002 aanwezig te zijn;
17/05/2002 : opstellen PV
Hieruit volgt dat het proces-verbaal alleszins binnen een aanvaardbaar redelijke tijdspanne werd opgesteld door de verbaliserende douanebeambten.
Eiseres verwijst naar de aankoopfactuur om te bewijzen dat het voertuig op dat ogenblik een km-stand van 10.740 km zou hebben vertoond (zie stuk 1, bundel eiseres). De factuur van 22 november 2000 vermeldt geen km-stand. De km-stand (van 10.740 km) wordt voor het eerst vermeld op het keuringsbewijs daterend van 28 december 2000 (zie stuk 2, bundel eiseres). Het is bijzonder merkwaardig dat het voertuig, dat niet ingeschreven is bij de Dienst van Inschrijving Voertuigen toch ter keuring werd aangeboden met een nummerplaat … -die niet bij het betreffende voertuig behoort- en op 28 december 2000 toch nog een keuringsbewijs verkrijgt.
De intracommunautaire verwerving vond plaats op 22 november 2000 (en niet op 28 december 2000). Eiseres bewijst niet dat het voertuig op dat ogenblik een kilometerstand van meer dan 6000 km vertoont.
Meer integendeel, uit de vaststellingen van de Duitse douane blijkt dat de kilometerstand van de wagen op het ogenblik van de intracommunautaire verwerving geen 6000 km vertoonde. Uit de betreffende informatie blijkt immers dat het voertuig slechts pro forma ooit een enkele dag ingeschreven werd in Duitsland, op naam van de fabrikant, doch onder die "inschrijving voor de goede orde" geen enkele kilometer mocht rijden. Een dergelijke inschrijving dient namelijk enkel om te bewijzen dat het voertuig volledig als een reglementair communautair goed mag worden beschouwd, dit wil zeggen dat alle mogelijke invoer- en douanerechten bij invoer in de Gemeenschap erop voldaan zijn. Nog volgens de Duitse douane stond het voertuig als 'nieuw' geboekt bij de detailhandelaar. Eiseres antwoordt in conclusie niet op deze vaststellingen door de Duitse douane. Ook de heer V. heeft tot op heden geweigerd dienaangaande een verklaring af te leggen bij de douanediensten.
Bovendien heeft eiseres de door de douanediensten aangeboden transactie aanvaard door betaling op de rekening van het douane-ontvangkantoor van 4.500 euro, dewelke als volgt zijn geboekt : 1.342,15 euro BTW, 203,68 euro interesten en 1.338,63 transsectionele boete waarbij het overschot aan eiseres werd teruggestort (zie stuk 2 : bevestiging van afhandeling van het misdrijf door de douanediensten). Eiseres heeft inderdaad de betaling uitgevoerd 'onder voorbehoud', doch dit is onmogelijk.
Bijeen aanbod door het Openbaar Ministerie of door de Administratie der Douane en Accijnzen (in de materies waar zij de vervolgende partij zijn en het O.M. geen initiatief kan nemen) van een strafrechtelijke transactie heeft de overtreder immers slechts twee mogelijkheden : ofwel betaalt hij de gevraagde transactie en wordt de betwisting afgesloten, ofwel betaalt hij niet wordt de verdere procedure vervolgd (desgevallend voor de strafrechter). Eiseres kan deze transactie niet achteraf betwisten.
De vordering is derhalve ongegrond.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak;
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond;
Veroordeelt eiseres tot betaling van de gedingkosten, in hoofde van de Belgische Staat begroot op € 371,84 rechtsplegingsvergoeding;
Verklaart de vordering in tussenkomst en vrijwaring van de Belgische Staat onontvankelijk;
Verwijst verweerster in hoofdvordering tot de tot de kosten van de dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring, begroot op € 202,32 en veroordeelt verweerster tot de rechtsplegingsvergoeding in hoofde van verweerster op tussenkomst en vrijwaring begroot op € 371,84 rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 5 november 2007
Waar aanwezig waren en zitting namen :
Mevrouw N. S., rechter
Mevrouw I. D., griffier.
I. D. N. S.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.