Belastbaarheid · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 25 oktober 2011

Zoeken

Belastbaarheid

https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastbaarheid-hof-van-beroep-gent-2011-10-25-0341

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
25 oktober 2011

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

107 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 25.10.2011

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van beroep te Gent - 5e kamer

Nr. 2010/AR/1885

in de zaak van :

P. N.V.,

met maatschappelijke zetel te …, …; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer …,

appellante,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. T. loco mr. S. G., beiden advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1 en de Directeur van de BTW ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, verbonden aan het Controlecentrum te 8900 leper, Arsenaalstraat 4A,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. W. F., advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1. De procedure

Bij verzoekschrift van 9 juli 201O heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, vierde kamer, op 17 mei 2010 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werd de vordering van de appellante ontvankelijk verklaard maar als ongegrond afgewezen; de appellante werd verwezen in de gerechtskosten.

Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en van het Hof te bekomen dat het

- zou zeggen voor recht dat er geen terugvordering overeenkomstig artikel 45, § 1 W.BTW en artikel 1, § 2 KB nr. 3 kan geschieden;

- de appellante zou ontslaan

- van de teruggave van … euro;

- van de opgelegde geldboete, minstens gedeeltelijk;

- van de op die bedragen verschuldigde interest;

- zou zeggen voor recht dat alle door de appellante op grond van de betwiste teruggave betaalde bedragen, door de geïntimeerde aan de appellante moeten terugbetaald worden, vermeerderd met de interest. De appellante vraagt ook dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen.

De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis. De geïntimeerde vraagt tevens dat het Hof de appellante zou veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen.

2. De feitelijke gegevens

De appellante was destijds actief als uitgeverij-drukkerij. Zij heeft in 2000 een deel van haar handelszaak (de publicatie van Het wekelijks nieuws) overgelaten aan een andere uitgeverij, maar ze behield toen nog andere publicaties.

In 2000 kocht de appellante ook een zeilschip. Na een voorschot dat op 31 mei 2000 gefactureerd werd, volgde op 21 september 2000 de eindfactuur. De aankoop van het schip kostte … frank (… euro), waarvan … frank (… euro) btw.

Op 25 september 2000 kocht de appellante voor de verdere uitrusting van haar schip nog navigatie-instrumenten voor een totaal bedrag van … frank (… euro), waarvan … frank (… euro) btw.

Het schip was bij de aanvankelijke levering niet volledig in orde; pas op 20 april 2001 werd alles in orde gebracht; de eindoplevering zou volgen op 20 april 2002.

In mei 2002 heeft de appellante de rest van haar uitgeverij- en drukkerijactiviteiten overgelaten.

Op 26 juni 2001 vond bij de appellante een AOIF-controle plaats.

Uit die controle en de navolgend ingewonnen inlichtingen heeft de taxatieambtenaar de conclusie getrokken dat niet uit ondubbelzinnige daden de wil bleek om, in het kader van een economische activiteit, in de wet bedoelde handelingen te stellen - inzonderheid door het in werking stellen van een organisatie waarbinnen geregeld leveringen of diensten zullen worden verricht. In het proces-verbaal van 16 september 2003 dat in dat verband met betrekking tot de btw werd opgesteld, werd een uitgebreid feitenrelaas gegeven. Bovenaan pagina 21 van dat pv staat :

Uit de hiervoor omschreven vaststellingen blijkt dat de NV P. over geen organisatorisch geheel beschikt dat op het organiseren van cruises is gericht meer zelfs dat na de datum van de definitieve oplevering zijnde 20/04/2002 er inzake Belasting over de toegevoegde waarde enkel nihil-aangiften werden ingediend tot op heden.

De taxatieambtenaar besloot op die manier dat de appellante de btw met betrekking tot de aankoop van het schip en van de navigatieinstrumenten, zijnde voor een totaal bedrag van … euro, moest terugstorten als ten onrechte in aftrek genomen btw.

Daarenboven werd een verminderde proportionele boete van … euro opgelegd en werd de wettelijke interest op de btw verschuldigd verklaard.

Bij gebrek aan betaling werd voor diezelfde bedragen, meer de wettelijke interest op de boete en meer de invorderingskosten, op 24 november 2003 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 3 december 2003 geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd.

Met een verzoekschrift van 24 februari 2004 stelde de appellante haar vordering in voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, waarmee ze verzet deed tegen het genoemde dwangbevel.

De vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge heeft in zijn vonnis van 17 mei 2010, zoals vermeld, de vordering van de appellante ontvankelijk maar ongegrond verklaard.

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

3. Grieven en argumenten van de partijen

3.1. Het standpunt van de appellante

De appellante stelt dat de eerste rechter miskende dat vele jaren omzet gerealiseerd werd uit de chartervaart en ze geeft een overzicht van de ontvangsten. Dat er tijdelijk minder omzet was, zou niet relevant zijn en de appellante geeft verklaringen voor moeilijkheden die ze ondervond om zich in bepaalde periodes te kunnen organiseren. De appellante ontkent dat ze geen commerciële structuur zou gehad hebben; ze wijst op de verschillende wijzen waarop ze zich bij het publiek bekend maakte voor de 'verhuring met skipper' van haar schip, terwijl zelfs al in de aankoopovereenkomst clausules staan die er zouden op wijzen dat de appellante de bedoeling had het schip voor commerciële exploitatie te gebruiken. Het zou geen persoonlijke hobby van haar gedelegeerd bestuurder betreffen; de geïntimeerde zou zelfs geen enkele niet-commerciële vaart kunnen aantonen omdat die er nooit zouden geweest zijn. Ook de verhouding tussen de investering en de omzet zou irrelevant zijn en zelfs niet eens zo abnormaal. De appellante laat ook gelden dat de administratie van de directe belastingen uiteindelijk op haar standpunt is teruggekomen en nu wel aanvaardt dat het om een afschrijfbare investering gaat.

De eerste rechter zou ook miskend hebben dat de appellante wel degelijk de nodige formaliteiten deed om commerciële chartervaarten te houden. Niet de algemene, maar de bijzondere voorwaarden van haar verzekeringspolis zouden tellen en het zou duidelijk blijken dat de polis werd afgesloten om chartervaarten te kunnen houden. Dat in de polis een uitsluiting stond voor de persoonlijke schade van betalende opvarenden, zou zij niet geweten hebben. De appellante wijst ook op haar 'commerciële vlaggenbrief. Ze wijst ook op het 'certificaat van deugdelijkheid' dat ze jaarlijks van de FOD Mobiliteit en vervoer, afdeling maritiem vervoer krijgt en waarvoor ze belangrijke kosten draagt (o.a. voor de verplaatsing naar en overnachting in Spanje van de controleambtenaar). Ze wijst op de jaarlijkse keuring van het kompas, op de keuring van de (zeven) zwemvesten, de keuring van de brandblusapparaten en andere kosten. De geïntimeerde zou zich ten onrechte beroepen op een late statutenwijziging, nu deze al eind december 2000 gebeurde, al eerder was aangevraagd bij de notaris, maar er hoe dan ook pas in april 2001 een afgewerkt schip werd geleverd (dat pas een jaar later zelfs definitief werd opgeleverd). Dat de appellante pas op 23 april 2002 haar handelsregister liet wijzigen, zou niet significant zijn.

De eerste rechter zou ook de waarde van de voorgelegde stukken in verband met de gevoerde publiciteit niet goed hebben ingeschat.

Verder vraagt de appellante nog kwijtschelding, of minstens vermindering van de boete.

Ook stelt zij dat ze kwijtschelding van interest moet krijgen omdat de geïntimeerde de betwisting nodeloos lang heeft laten aanslepen.

3.2. Het standpunt van de geïntimeerde

De geïntimeerde stelt dat de aanpassing van de statuten van de appellante, namelijk de uitbreiding van haar maatschappelijk doel tot chartervaart, niet alleen na de aankoop van het schip gebeurde, maar ook louter theoretisch was. Hij wijst op het feit dat geen aangifte van wijziging van werkzaamheid was gedaan, niet voor de btw, noch in het handelsregister, tenzij later, namelijk na het ontstaan van de betwisting als gevolg van de AOIF-controle. De geïntimeerde ziet het bewijs van zijn stelling in het feit dat de gedelegeerde bestuurder van de appellante op 1 oktober 2002 aan de btw-controle meedeelde dat er voorlopig geen belastbare activiteiten werden ontwikkeld zodat ze slechts nihil-aangiften kon indienen en toelating vroeg om van maand­ naar kwartaalaangiften over te schakelen. Er zouden slechts weer facturen, met beperkte omzet, worden uitgereikt na het opsturen van het proces-verbaal. Dat de gedelegeerd bestuurder de boekhouding in 2001 en 2002 niet in handen had en dat de toenmalige manager de facturatie niet goed zou opgevolgd hebben, waardoor ze geen sluitend bewijs zou kunnen leveren van de omzet van die jaren, is voor de geïntimeerde onwaarschijnlijk, nu de gedelegeerd bestuur wel degelijk in functie was op dat moment en zich ook effectief met het beleid zou hebben ingelaten, zoals zou blijken uit de hoger vernoemde brief van 1 oktober 2002.

De geïntimeerde wijst er op dat in de vaartpolis geen verzekering voor betaald personenvervoer werd voorzien.

Zelfs wanneer uit stukken blijkt dat personen in de betreffende periode meevoeren met het schip van de appellante, zou niet kunnen besloten worden tot een economische activiteit, niet in het minst omdat de betalingen die daaraan zouden verbonden zijn, niet in de boekhouding terug te vinden zijn.

De geïntimeerde vindt het ook merkwaardig dat het verhaal over concrete tochten vanuit Moraira (Spanje) pas naar voor werd gebracht voor de eerste rechter, maar nooit genoemd werd in de administratieve fase en er van die tochten niets terug te vinden is in de boekhouding van de appellante.

Volgens de geïntimeerde is het ook opmerkelijk dat de appellante aan de ene kant inroept dat zij slechts een beperkte periode van het jaar omzet kan draaien, zeker niet in de winter, terwijl uit briefwisseling zou blijken dat de appellante precies begin januari 2002 aandrong om zo snel mogelijk over het schip te kunnen beschikken. Volgens de geïntimeerde bewijst dat dat de appellante slechts privé-bedoelingen had.

Ten aanzien van het feit dat de administratie van de directe belastingen uiteindelijk wel aanvaardde dat het schip mag worden afgeschreven, stelt de geïntimeerde dat daar het annaliteitsbeginsel speelt, wat voor de btw niet het geval zou zijn.

Verder duidt de geïntimeerde op merkwaardigheden met betrekking tot de aangifte van omzet in het derde kwartaal van 2009. Ook zou de aangegeven omzet in andere jaren niet te rijmen vallen met de verhalen die de appellante uiteenzet op haar website. De kosten zouden trouwens veel te hoog oplopen in verhouding tot de opbrengst, wat de geïntimeerde als argument ziet om te stellen dat er geen commercieel doel aanwezig is.

Subsidiair stelt de geïntimeerde dat, als al zou worden rekening gehouden met de omzet, de verhouding van die omzet tot de kosten zou moeten· doen besluiten dat slechts een beperkt deel van de vaarten als een btw-activiteit kan worden beschouwd, zodat het recht op aftrek van voorbelasting zou moeten beperkt worden. In dat verband verwijst de geïntimeerde naar berichten van de gedelegeerde bestuurder van de appellante waarin hij zich in de eerste persoon uitdrukt.

De vraag tot kwijtschelding of vermindering van de boete zou moeten afgewezen worden omdat er sprake zou zijn van onterechte aftrek van voorbelasting en de boete al in ernstige mate verminderd werd.

Van vrijstelling of kwijtschelding van interest zou ook geen sprake kunnen zijn. De geïntimeerde laat gelden dat onderhandelingen werden gevoerd, maar dat het de appellante is die de zaak liet aanslepen.

4. Beoordeling

4.1. Het recht op aftrek

De vraag die aan de orde is, is of de appellante het betreffende schip heeft aangekocht om het te 'gebruiken voor verrichtingen van belastbare handelingen', vereiste om recht te hebben op de aftrek van de voorbelasting (art. 45, § 1, 1° W.BTW).

Het recht van aftrek moet zelfs worden toegekend aan een persoon die, hoewel hij nog niet voor de BTW is geïdentificeerd, kosten maakt in het kader van handelingen die onmiskenbaar ter voorbereiding zijn van de uitoefening van een economische activiteit. In dergelijke veronderstelling heeft deze persoon wegens deze voorbereidende handelingen de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige en mag hij bijgevolg de belasting geheven van de verkregen goederen en diensten in aftrek brengen, zelfs indien deze handelingen zijn BTW­identificatie voorafgaan (zie arrest HvJ van 14 februari 1985, zaak 268/83, Rompelman). Dit principe moet evengoed worden toegepast voor een BTW-belastingplichtige die zijn economische activiteiten uitbreidt : de voorbelasting betaald op de voorbereidende handelingen voor de nieuwe activiteit, die de identificatie bij de BTW-administratie voorafgaan, is ook aftrekbaar. Wanneer het voornemen om zelfstandig een economische activiteit in de zin van artikel 4 W.BTW aan te vangen door objectieve gegevens ondersteund wordt en de betrokkene hiertoe eerste investeringsuitgaven doet, mag het recht op aftrek zelfs onmiddellijk worden uitgeoefend, zonder de aanvang van de daadwerkelijke exploitatie van de onderneming te moeten afwachten (arresten van 15 januari 1998, Ghent Coal Terminal, C-37/95, Jurispr. blz. 1-1, punt 17, 21 maart 2000, Gabalfrisa e.a., -C-110/98-C-147/98, www.curia.eu, punt 47; en 8 juni 2000, Breitsohl, C-400/98, www.curia.eu, punt 34).

Het recht van aftrek kan zelfs niet geweigerd worden op grond van de vaststelling dat de belastingplichtige uiteindelijk er nooit zal toe komen om belastbare handelingen te stellen in het kader van de voorbereide economische activiteit, voor zover op basis van objectieve gegevens vaststaat dat bij die belastingplichtige de vaste intentie bestond om die economische activiteit uit te oefenen en er geen sprake is van fraude of misbruik (HvJ, 8 juni 2000, Breitsohl, C-400/98, www.curia.eu, punt 41).

Uit het geheel van de beschikbare gegevens moet hier evenwel besloten worden dat er geen duidelijke, vaste intentie bestond om met het schip in hoofde van de appellante zich zodanig te organiseren om op regelmatige basis, in het kader van een economische activiteit, chartervaarten te houden. Zoals de geïntimeerde stelt, heeft de appellante pas na het toesturen van het proces-verbaal getracht het tegendeel voor te houden.

Het Hof stelt immers vast :

• dat de gedelegeerd bestuurder van de appellante op 1 oktober 2002 zelf (persoonlijk) uitdrukkelijk schrijft dat de appellante slechts nihil­aangiften kan indienen voor dat jaar omdat er geen belastbare activiteiten waren;

• dat tijdens de daaraan voorafgaande controle, gestart in juni 2001, gebleken is dat de appellante ook in de twee daaraan voorafgaande jaren, namelijk 2000 en 2001 geen aangifte van omzet gedaan had, met dien verstande dat in de loop van de controle één factuur (van 17 december 2001 voor een bedrag van … frank (… euro) plus … frank (… euro) btw) werd voorgelegd, uitgereikt aan een reisbureau waarmee een samenwerking overwogen werd en waarvan de zaakvoerder naderhand uitlegde dat het om een proefvaart ging;

• dat later, toen de betwisting al volledig aan de gang was, door de appellante erkend werd dat er toch chartervaarten hadden plaatsgevonden (de eerste in juni 2001, naar de Balearen) en dus omzet was gerealiseerd; dat de appellante beweerde dat die omzet toch werd geboekt, maar dat de heer D., die boekhouding zou hebben meegenomen en niet wilde teruggeven, terwijl de appellante en haar gedelegeerd bestuurder met de heer D. in diverse juridische conflicten verwikkeld waren; de boekhouding van 2000 en 2001 zou aldus niet meer gerecupereerd kunnen zijn geworden; dat dit verhaal onvoldoende aannemelijk is omdat :

- de heer D. in 2001 nog de persoon was die de appellante afvaardigde om haar te vertegenwoordigen tijdens de AOIF­controle;

- de appellante op geen enkele manier haar verhaal aannemelijk maakt, laat staan bewijst, in het bijzonder door de aanmaning tot afgifte van die boekhouding voor te leggen;

• dat er pas na mededeling van het proces-verbaal van 16 september 2003 btw-aangiften volgden waarin omzet werd opgenomen; dat het voor het Hof heel opmerkelijk is dat de appellante vanaf dan de 'gerecupereerde en verder gevoerde boekhouding' begint (zie medio pag. 14 syntheseconclusie van 26 juli 2011 ); dat de geïntimeerde terecht opmerkt dat die omzet eerder beperkt is en vanaf 2006 trouwens nog ernstig terugviel, hoewel er belangrijke kosten zijn.

Waar blijkt dat er in 2001 (dan toch) betaalde chartervaarten werden uitgevoerd (wat trouwens bewijst dat de definitieve oplevering in april 2002 geen relevant gegeven is), staat vast dat de daarmee gepaard gaande omzet door de appellante niet werd aangegeven. Het Hof kan slechts vaststellen dat, hoewel het schip van de appellante voor chartervaarten gebruikt werd, dit door de betrokkenen niet beschouwd werd als een middel om inkomsten van de appellante uit die chartervaarten te genereren, in het bijzonder door ze als belastbare inkomsten te behandelen. Alleen vanuit die optiek valt te verklaren dat de omzet door de appellante niet werd geboekt en aangegeven.

Het Hof kan uit de feiten slechts afleiden dat de appellante geen werkelijke, vaste intentie had om een economische activiteit die bestond uit het charteren van haar schip, te ontwikkelen. Ze heeft pas nadat het proces-verbaal van 16 september 2003 aan haar werd overgemaakt en dus na de conclusie van de administratie om de voorbelasting op de aankoop van het schip en de bijkomende navigatie-uitrusting te verwerpen, getracht toch nog in een dergelijke intentie te doen geloven door een (al bij al, minstens in verhouding tot de investering voor de aankoop en rekening houdende met de elk jaar terugkomende kosten, beperkte) omzet aan te geven.

Tegen die achtergrond zijn de opmerkingen van de geïntimeerde als zou het project 'S.' - onder welke naam het charteren van het schip gepromoot werd, veeleer uitgaan van de gedelegeerd bestuurder van de appellante persoonlijk (vermeldingen als 'skipper-eigenaar', berichten op het internet in de eerste persoon, enz.) niet zonder relevantie.

Van de hoger gemaakte analyse wordt niets afgedaan door de vaststelling dat al in de aankoopovereenkomst van 31 mei 2000 sprake was van 'publiciteit voeren' voor 'de commerciële activiteiten' met het schip op enkele beurzen door het plaatsen van een stand met folders. Hetzelfde geldt voor het feit dat de website van S. gemaakt werd op kosten van P. en dat er advertenties werden geplaatst in enkele gespecialiseerde bladen. Deze vaststellingen kunnen niet op tegen het even vaststaand gegeven dat de omzet die uit chartervaarten werd gehaald, tot voor eind 2003 niet als omzet van de appellante werd geboekt; het Hof ziet niet in dat dan de intentie zou bestaan hebben om publiciteit te voeren voor een economische activiteit van de appellante. Om dezelfde reden is ook de discussie niet relevant over wat in de verzekeringspolis werd opgenomen omtrent de dekking van het risico tegen schade opgelopen door betalende opvarenden. Zelfs al waren er betalende opvarenden, dan blijkt nog niet dat het om een commerciële activiteit van de appellante ging. Daarom kan ook niets worden afgeleid uit het feit dat het schip over een commerciële vlaggenbrief beschikte, vermits dat alleen bevestigt dat het schip mag verhuurd worden voor het vervoer van personen. Wat betreft het "certificaat van deugdelijkheid', de reddingsvesten,. de kompasijking, de brandblusapparaten en andere kosten bevestigt de appellante met haar stelling uiteindelijk slechts dat wie personen wil vervoeren op een schip belangrijke kosten moet maken. Het weerlegt nog niet de hoger gemaakte vaststellingen die doen besluiten dat de appellante niet de intentie had om op regelmatige basis een economische activiteit uit te bouwen en pas na het ontstaan van de fiscale betwisting omzet is gaan boeken, terwijl het schip voorheen al chartervaarten had uitgevoerd.

Voor het Hof is het, gelet op het feitenverloop niet verwonderlijk dat de appellante in 2000 alleen haar statuten aanpaste om er chartervaart in op te nemen (wat, zoals de geïntimeerde terecht stelt louter theoretisch bleek te zijn) zonder tegelijk de btw-administratie en het (toen nog bestaande) handelsregister in te lichten van de 'nieuwe activiteit'. Zowel voor de btw (gelet op artikel 4 W.BTW) als voor de inschrijving in het handelsregister (artn. 1-3 Wb.Kh. jo. artn. 1 e.v. W.Handelreg.) is immers precies determinerend dat er sprake is van een geregelde beroepsmatige activiteit. De opneming in het maatschappelijk doel kan in de gegeven omstandigheden niet de stelling ondersteunen van de appellante dat zij in werkelijkheid het uitvoeren van chartervaarten als een economische activiteit zou ontwikkelen.

Dat de administratie van de directe belastingen ondertussen de afschrijving van het schip toch aanvaardt, kan niets afdoen van de bovenstaande analyse met betrekking tot de btw. Terecht wijst de geïntimeerde trouwens op het annualiteitsbeginsel dat in directe belastingen speelt en niet inzake btw.

Deze grief is ongegrond.

4.2. De geldboete

De geldboete werd verminderd tot 10 procent.

De inbreuk op de btw-wetgeving en -reglementering staat overduidelijk vast.

De opgelegde boete is in geen enkel opzicht buiten verhouding tot de gemaakte inbreuk.

De vraag tot kwijtschelding of vermindering van de geldboete is dan ook door de eerste rechter met reden afgewezen.

4.3. Schorsing van interest

Interest is de kostprijs voor het beschikken over geld dat al eerder had moeten zijn betaald. Interest vormt dus een vergoeding om de interestgerechtigde patrimoniaal terug te plaatsen in de staat die zou hebben bestaan indien er eerder (op tijd) was betaald. Daarom kan slechts in uitzonderlijke omstandigheden reden bestaan om interest te schorsen, zoals eigen tekortkomingen vanwege de interestgerechtigde.

Afgezien van de vraag of de appellante zelf het nodige heeft gedaan om de afhandeling van de zaak te bespoedigen, toont de appellante in elk geval niet aan dat de lange duur van het geschil te wijten zou zijn aan enig doen of laten vanwege de geïntimeerde.

De vraag tot schorsing van de interest is dus ongegrond.

5. De gerechtskosten

De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding. Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan verzoek en redenen tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden.

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 60.000,01 tot 100.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van … euro toepasselijk.

Beschikkend gedeelte

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak;

gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

gehoord in openbare terechtzitting de partijen in hun middelen en conclusies,

verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond; bevestigt het bestreden vonnis;

veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt :

- aan de kant van de appellante : nihil

- aan de kant van de geïntimeerde :

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op VIJFENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN ELF.

Aanwezig de Heren :

A. D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,

G. T. en D. V., Raadsheren,

M. V., griffier.

M. V. D. V. G. T. A. D. M.

Aangehaalde teksten

4