Bedrieglijke bankbreuk, Samenhangende misdrijven, Regeling van rechtsgebied · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie P.01.1307.N 13 november 2001

Zoeken

Bedrieglijke bankbreuk, Samenhangende misdrijven, Regeling van rechtsgebied

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bedrieglijke-bankbreuk-samenhangende-misdrijven-regeling-cassatie-brussel-2001-11-13-1de2

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Rolnummer
P.01.1307.N
Datum
13 november 2001

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

44 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 13.11.2001 (P.01.1307.N)

Bedrieglijke bankbreuk - Samenhangende misdrijven - Regeling van rechtsgebied - Valsheid in geschrifte - Gebruik van valse stukken - Verberging van vennootschapsactiva

Wettelijke bepalingen

Art. 526, Wetboek van strafvordering

Samenvatting

Zo samenhang tussen verschillende misdrijven die voor onderscheiden hoven, rechtbanken of onderzoeksrechters aanhangig zijn, grond tot regeling van rechtsgebied geeft, onderstelt samenhang tussen verschillende misdrijven dat deze voor samenvoeging en gelijktijdige behandeling vatbaar zijn, wat niet het geval is tussen een zaak die voor een rechter in eerste aanleg aanhangig is en een andere zaak die voor een rechter in hoger beroep aanhangig is, zodat in zulk geval geen grond tot regeling van rechtsgebied bestaat.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van Cassatie

dd. 13.11.2001

(P.01.1307.N)

R.C., verzoeker tot regeling van rechtsgebied ingevolge

- een vonnis, op 30 juni 1999 gewezen door de Correctionele Rechtbank te Brussel,

- een arrest, op 8 december 1999 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen,

met als raadsman Mr. F.M., advocaat bij de balie te Brugge,

HET HOF,

Gehoord het verslag van raadsheer ... en op de conclusie van advocaat-generaal ...;

Gelet op het verzoekschrift tot regeling van rechtsgebied dat aan dit arrest is gehecht en daarvan deel uitmaakt;

Overwegende dat verzoeker bij beschikking van 14 oktober 1997 van de raadkamer te Brussel inzake het notitienummer 78.97.1988-91 van het parket van de procureur des Konings te Brussel naar de Correctionele Rechtbank te Brussel werd verwezen wegens, in het gerechtelijk arrondissement Brussel en, bij samenhang, elders in het Rijk, tussen 1 juli 1990 en 2 juli 1992 :

- A.II.3 : valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken;

- C.I.1 tot en met 7 : bedrieglijke bankbreuk door verduistering of verberging van vennootschapsactiva;

- D.2 en 3 : heling door witwassen;

- E : omkoping;

- J.6 : met overtreding van de WIB-bepalingen : onjuiste aangiften in de vennootschapsbelasting;

- K.6 : met overtreding van het BTW-wetboek : nagelaten te hebben iedere maand aangifte te doen van de al dan niet belastbare handelingen die tijdens de vorige maand in de uitoefening van de beroepswerkzaamheden zijn verricht en van alle gegevens die nodig zijn voor de berekening van de verschuldigde belasting en van de toe te passen aftrek;

Overwegende dat de Correctionele Rechtbank te Brussel, bij vonnis op tegenspraak gewezen op 30 juni 1999, een onderzoeksmaatregel heeft bevolen en voor het overige de afhandeling van zowel de strafvordering als van de tegen verzoeker ingestelde burgerlijke rechtsvorderingen van de burgerlijke partijen M.O. B.V., B.V. K.P., B.P. Nederland V.O.F. en B.V. T. Nederland, onbepaald heeft uitgesteld;

Overwegende dat deze burgerlijke partijen tegen dit vonnis hoger beroep hebben ingesteld;

Dat deze zaak bijgevolg, wat de tegen verzoeker ingestelde burgerlijke rechtsvorderingen betreft, voor het Hof van Beroep te Brussel aanhangig is;

Overwegende dat verzoeker inzake notitienummer AN79.F1.2560-94 van het parket van de procureur des Konings te Antwerpen, door het ministerie van financiën, op vervolging en benaarstiging van de directeur der douanen en accijnzen van de provincie Antwerpen, voor de Correctionele Rechtbank te Antwerpen werd vervolgd, wegens, als dader, mededader of medeplichtige, zich tussen 10 augustus 1990 en 19 april 1991 te hebben schuldig gemaakt aan hetgeen volgt : "aan de goederen aangegeven met de genoemde documenten, zonder toelating van het bestuur der douanen en accijnzen, een andere bestemming te hebben gegeven dan uitdrukkelijk was aangeduid en aan de doorvoer te hebben onttrokken";

Overwegende dat de Correctionele Rechtbank te Antwerpen bij vonnis op tegenspraak gewezen op 15 september 1998 geoordeeld heeft dat de zaak samenhangend is met deze met notitienummer 78.97.1988-91 van het parket te Brussel en de zaak heeft overgemaakt aan de procureur des Konings om te dienen als naar recht;

Dat, op het hoger beroep van de procureur des Konings en van het ministerie van financiën, het Hof van Beroep te Antwerpen bij arrest op tegenspraak gewezen op 8 december 1999 het vermelde vonnis van de Correctionele Rechtbank te Antwerpen heeft vernietigd en de zaak aan zich heeft getrokken; dat dit arrest voor het overige de omschrijving van de telastlegging qua plaats en data preciseert en, vooraleer verder recht te doen, een prejudiciële vraag stelt aan het Arbitragehof;

Dat deze zaak bijgevolg voor het Hof van Beroep te Antwerpen, dat zich bevoegd heeft verklaard, aanhangig is;

Overwegende dat verzoeker zijn vraag tot regeling van rechtsgebied grondt op de omstandigheid dat hij wegens dezelfde of minstens samenhangende misdrijven voor rechtbanken die niet tot het rechtsgebied van hetzelfde hof van beroep behoren, vervolgd wordt;

Overwegende dat de samenhang tussen verschillende misdrijven die voor onderscheiden hoven, rechtbanken of onderzoeksrechters aanhangig zijn, overeenkomstig artikel 526 Wetboek van Strafvordering grond tot regeling van rechtsgebied geeft;

Overwegende dat de samenhang tussen verschillende misdrijven evenwel onderstelt dat deze voor samenvoeging en gelijktijdige behandeling vatbaar zijn, wat niet het geval is tussen een zaak die voor een rechter in eerste aanleg is en een andere zaak die voor een rechter in hoger beroep aanhangig is;

Dat hieruit volgt dat de omstandigheid dat een persoon in verschillende rechtsgebieden gelijktijdig het voorwerp uitmaakt van vervolgingen voor een correctionele rechtbank zetelend in eerste aanleg en voor een hof van beroep, geen geschil van rechtsmacht oplevert;

Overwegende dat de zaak met notitienummer 78.97.1988-91 van het parket te Brussel ingevolge het hoger beroep van de burgerlijke partijen enkel wat de burgerlijke rechtsvordering betreft voor het Hof van Beroep te Brussel aanhangig is, maar, wat de strafvordering betreft, voor de Correctionele Rechtbank te Brussel aanhangig blijft;

Dat de zaak met notitienummer AN79FI.2560-94 van het parket te Antwerpen in haar geheel voor verdere behandeling aanhangig is voor het Hof van Beroep te Antwerpen;

Overwegende dat hieruit volgt dat deze twee zaken niet in hun geheel voor een rechter in hoger beroep aanhangig zijn, zodat zij niet voor samenvoeging en gelijktijdige behandeling vatbaar zijn;

Dat er bijgevolg geen grond bestaat tot regeling van rechtsgebied;

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Verwerpt het verzoek.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ...

Ondertekeningen