Beschikking van het Gerecht (Vijfde kamer — uitgebreid)
22 maart 2000
In zaak T-97/95 (92) II,
Sinochem National Chemicals Import & Export Corporation, gevestigd te Peking (China), vertegenwoordigd door J.-F. Bellis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Loesch & Wolter, advocaten aldaar, Rue Goethe 11,
Raad van de Europese Unie, aanvankelijk vertegenwoordigd door Y. Cretien, juridisch adviseur, en A. Tanca, lid van de juridische dienst, later uitsluitend door A. Tanca, als gemachtigden, bijgestaan door H.-J. Rabe en G. M. Berrisch, advocaten te Hamburg en Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij M. A. Morbilli, directeur-generaal van de directie Juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door N. Khan, lid van de juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
en
Furfural Español SA, gevestigd te Alcantarilla (Spanje), vertegenwoordigd door J. Rivas de Andrés, advocaat te Madrid, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. Kronshagen, advocaat aldaar, Rue Marie-Adélaïde 22,
betreffende de begroting van de door verzoekster aan verweerder te vergoeden kosten na het arrest van het Gerecht van 29 januari 1998, Sinochem/Raad (T-97/95, Jurispr. blz. II-85),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer — uitgebreid),
samengesteld als volgt: R. Garcia-Valdecasas, kamerpresident, P. Lindh, J. D. Cooke, P. Mengozzi en M. Vilaras, rechters,
griffier: H. Jung de navolgende
Beschikking
De feiten, het procesverloop en de conclusies van partijen
Bij verzoekschrift, op 6 april 1995 neergelegd ter griffie van het Gerecht, heeft Sinochem National Chemicals Import & Export Corporation (hierna: „Sino-chem” of „verzoekster”) beroep ingesteld tegen verordening (EG) nr. 95/95 van de Raad van 16 januari 1995 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van furfuraldehyd van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 15, blz. 11). Bij beschikking van de president van de Vijfde kamer (uitgebreid) van het Gerecht van 2 oktober 1995 is de Commissie toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Raad. Bij beschikking van de president van de Vijfde kamer (uitgebreid) van het Gerecht van 18 december 1995 is ook Furfural Español SA toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Raad.
Bij arrest van 29 januari 1998, Sinochem/Raad (T-97/95, Jurispr. blz. II-85), heeft het Gerecht het beroep verworpen en verzoekster verwezen in haar eigen kosten, alsmede in die van de Raad en van interveniënte Furfural Español.
Bij brief van 9 juli 1998 verzocht de Raad Sinochem om vergoeding van de in de zaak gemaakte invorderbare kosten tot een bedrag van 51177,88 DEM, waarvan 45730 DEM voor de honoraria en kosten die door voor het verlenen van bijstand ingehuurde externe advocaten in rekening waren gebracht (hierna: „externe advocaten”), en 5447,88 DEM voor door de Raad gemaakte interne kosten (correspondentie, fotokopieën, reiskosten van de gemachtigde van de Raad).
Bij brief van 17 augustus 1998 betwistte Sinochem dat bedrag als buitensporig. Zij vond in de eerste plaats de fotokopieerkosten overdreven, zowel wat de prijs per eenheid als wat het aantal fotokopieën betreft, en meende in de tweede plaats, dat de invorderbare kosten wegens advocatenhonoraria te hoog waren gesteld. Zij bood aan, 20000 DEM als vergoeding voor alle invorderbare kosten te betalen.
Bij op 3 mei 1999 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft de Raad verzocht om een begroting van de kosten krachtens artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
Wat zijn interne kosten betreft, verlangt de Raad het bedrag van 5447,88, verdeeld als volgt: 8,93 DEM voor portokosten; 853,35 DEM voor de kosten van fotokopieën van het verzoekschrift en het ontwerpverweerschrift, bestemd voor de permanente vertegenwoordigingen der lidstaten bij de Europese Unie; 4244,48 DEM voor de kosten van fotokopieën van het verweerschrift, de memorie van dupliek en de antwoorden op vragen van het Gerecht, in de procestaai en in de Franse vertaling, bestemd voor het Gerecht; en, ten slotte, 341,12 DEM voor reiskosten van zijn gemachtigde naar Luxemburg om er de terechtzitting van het Gerecht bij te wonen. Het door de Raad verlangde bedrag voor fotokopieerkosten is gebaseerd op een geschat aantal kopieën van 10305 stuks à 0,25 Euro per kopie.
Met betrekking tot de kosten van bijstand door externe advocaten verlangt de Raad 45200 DEM voor honoraria en 530 DEM voor kosten die door hen in rekening zijn gebracht.
Voorts verzoekt hij het Gerecht, Sinochem te veroordelen tot betaling van een aanvullend bedrag van 2000 DEM voor de op de onderhavige kostenbegrotingsprocedure gevallen kosten.
Op 8 juni 1999 heeft de Commissie haar opmerkingen over het verzoek van de Raad om begroting van kosten ingediend en geconcludeerd tot toewijzing van dat verzoek.
Op 21 juni 1999 heeft Sinochem haar opmerkingen over het verzoek van de Raad ingediend. Zij betwist het bedrag van de door de Raad opgevoerde honoraria voor de externe advocaten en de fotokopieerkosten en verklaart zich slechts bereid tot betaling van 300000 BEF als invorderbare kosten. Voorts meent zij, dat de aanvullende vordering van 2000 DEM ter zake van de kostenbegrotingsprocedure ongegrond en, in elk geval, kennelijk te hoog is.
Ten gronde
Artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt:
„In geval van geschil over de invorderbare kosten beslist het Gerecht op verzoek van de belanghebbende partij bij een niet voor hogere voorziening vatbare beschikking, na kennis te hebben genomen van de opmerkingen van de wederpartij.”
Volgens artikel 91, sub b, van het Reglement voor de procesvoering worden als „invorderbare kosten” aangemerkt „de door partijen in verband met de procedure gemaakte noodzakelijke kosten, in het bijzonder de reis- en verblijfkosten en het honorarium van de gemachtigde, raadsman of advocaat”.
In casu moet worden onderzocht, of als „invorderbare kosten” in de zin van de zojuist aangehaalde bepaling kunnen worden aangemerkt, in de eerste plaats, de door de Raad gemaakt interne kosten bij de coördinatie en de voorbereiding van zijn verdediging en, in de tweede plaats, de honoraria van de externe advocaten en de door hen in rekening gebrachte kosten.
De interne kosten van de Raad
Omdat de portokosten en de reiskosten van zijn gemachtigde naar Luxemburg niet worden betwist, zegt de Raad zich in zijn opmerkingen te zullen beperken tot de fotokopieerkosten, die hij als in verband met de procedure gemaakte noodzakelijke kosten beschouwt.
a) De kosten van de fotokopieën voor de permanente vertegenwoordigingen
Volgens de Raad zijn de kosten voor de 1725 bladzijden van de aan de permanente vertegenwoordigingen gezonden fotokopieën van het verzoekschrift en het ontwerpverweerschrift, door hem gesteld op 853,34 DEM, volledig invorderbaar. Immers, telkens wanneer er een beroep tegen de Raad wordt ingesteld, dienen zijn gemachtigden daarover contact te onderhouden met de verantwoordelijke autoriteit, dat wil zeggen de vijftien leden van de Raad. Deze contacten zijn noodzakelijk om de Raad in staat te stellen zijn verdediging voor de Europese rechterlijke instanties te voeren, en te voorkomen dat de juridische dienst volkomen zelfstandig ten opzichte van de vijftien leden van de Raad ageert.
Sinochem is van mening, dat wanneer de Raad de processtukken aan de permanente vertegenwoordigingen zendt om zijn leden van de activiteit van zijn juridische dienst op de hoogte te houden, de daaraan verbonden kosten niet noodzakelijk zijn in de zin van artikel 91, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering. Het gaat daarbij niet om kosten die de Raad noodzakelijk moet maken om zijn argumenten voor het Hof uiteen te zetten, maar om uitgaven die hij vrijwillig doet om te voldoen aan wat hij als zijn verplichting tot informatie van zijn leden ziet. Het is daarom niet juist, ze in de berekening van de te vergoeden kosten op te nemen. Bijgevolg, aldus Sinochem, moet de som van 853,35 DEM voor zendingen aan de permanente vertegenwoordigingen buiten het bedrag van de invorderbare kosten worden gehouden.
Het Gerecht is van oordeel, dat onder het begrip „door partijen in verband met de procedure gemaakte noodzakelijke kosten” in artikel 91, sub b, van het Reglement voor de procesvoering niet de kosten kunnen vallen die een partij in verband met haar interne organisatie heeft moeten maken. De door de Raad opgevoerde kosten houden immers niet rechtstreeks verband met zijn verdediging voor het Gerecht, maar met zijn interne organisatie en de met het oog op de aard van deze instelling — één juridische eenheid, doch bestaande uit vijftien leden — vastgestelde regels, en zijn een uitvloeisel van bepalingen betreffende haar interne organisatie, die een passende informatie-uitwisseling moeten verzekeren tussen de instelling en de lidstaten waaruit zij bestaat.
Bijgevolg hebben de kosten, veroorzaakt doordat de Raad afschriften van de processtukken aan de permanente vertegenwoordigingen van de lidstaten heeft gezonden, niet het karakter van „noodzakelijke kosten” in de zin van artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering.
b) De kosten voor de aan her Gerecht gezonden fotokopieën
De Raad betoogt, dat de kosten voor de 60 kopieën van elk van de bij het Gerecht ingediende processtukken in de procestaai (verweerschrift en memorie van dupliek, antwoorden op vragen van het Gerecht) en voor de eveneens bij het Gerecht neergelegde 90 kopieën van de Franse vertaling van elk van die stukken als noodzakelijke en, bijgevolg, invorderbare kosten zijn aan te merken. Dienaangaande merkt de Raad op, dat hij ingevolge artikel 43, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering gehouden is vertalingen aan het Gerecht over te leggen, en dit bovendien in genoemde aantallen ingevolge een door het Gerecht met de Commissie overeengekomen en ook ten aanzien van de Raad toegepaste regeling. Uit dien hoofde had hij 8580 fotokopieën moeten maken en aan het Gerecht moeten zenden, wat hem op de opgevoerde 4244,48 DEM aan noodzakelijke kosten was komen te staan.
Volgens Sinochem bestaat er geen enkele rechtsgrondslag voor een verplichting van de in het ongelijk gestelde partij om de kosten te vergoeden die de Raad voor het leveren van vertalingen van zijn memories heeft gemaakt. Zij meent dat de Raad, of hij nu als verzoekende dan wel als verwerende partij optreedt, zelf moet opkomen voor de kosten die voortvloeien uit zijn verplichting ingevolge artikel 43, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering om die vertalingen te verstrekken. Voorts betoogt zij, dat wanneer de Raad die bepaling aldus uitlegt, dat de in het ongelijk gestelde partij de kosten moet dragen van de vertalingen die hij verplicht is te verstrekken, hij inbreuk maakt op het beginsel van artikel 35, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, volgens hetwelk de verzoekende partij de procestaal kiest, en een onwettige financiële last verbindt aan het recht om bij het Gerecht tegen zijn beslissingen in beroep te komen. Bijgevolg verzoekt zij het Gerecht, het bedrag van 4244,48 DEM voor vertalingen en zendingen aan het Gerecht als buitensporig af te wijzen.
Om te beginnen moet worden vastgesteld, dat, anders dan Sinochem betoogt, de Raad in casu niet de kosten van de Franse vertaling van zijn memories als noodzakelijke kosten beschouwt, doch uitsluitend de kosten van het maken en verzenden aan het Gerecht van 90 afschriften van de Franse vertaling van al zijn memories en van 60 afschriften van de memories in de procestaai.
Opgemerkt zij, dat volgens artikel 43, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering „het origineel van elk processtuk wordt ondertekend door de gemachtigde of de advocaat van de partij. Dit processtuk, vergezeld van alle bijlagen waarnaar daarin wordt verwezen, wordt overgelegd tezamen met vijf afschriften voor het Gerecht en één voor elke andere partij. De afschriften worden voor eensluidend gewaarmerkt door de partij van wie zij afkomstig zijn.”
Hieruit volgt, dat als in verband met de procedure gemaakte noodzakelijke kosten in de zin van artikel 91, sub b, van het Reglement voor de procesvoering uitsluitend zijn te beschouwen de kosten voor het maken en verzenden aan het Gerecht van vijf afschriften van de memories in de procestaai plus zoveel afschriften als er partijen zijn. De omstandigheid dat de instellingen in het kader van de interinstitutionele samenwerking het Gerecht een groter aantal afschriften verstrekken, alsook afschriften van de Franse vertaling van de memories, teneinde het Gerecht het werk te vergemakkelijken, kan in geen geval de strekking van de bepalingen van het Reglement voor de procesvoering ten nadele van de andere partijen wijzigen.
Als invorderbare kosten kunnen bijgevolg niet worden aangemerkt de kosten voor het maken van een groter aantal afschriften van de memories in de procestaai dan door artikel 43, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt voorgeschreven, noch de kosten voor de aan het Gerecht gezonden afschriften van de Franse vertaling van de memories van de Raad.
c) De door de Raad berekende prijs per fotokopie
De Raad stelt de prijs van de fotokopieën op 0,25 euro per stuk, een volgens hem redelijke prijs, die overeenkomt met die welke door tal van reprografische bedrijven in rekening wordt gebracht.
Nu het Gerecht heeft geoordeeld, dat de kosten voor fotokopieën van de memories, met uitzondering van de in artikel 43, lid 1, bedoelde afschriften, geen invorderbare kosten zijn, heeft de vraag betreffende de prijs van de fotokopieën geen belang meer. Niettemin zij opgemerkt, dat Sinochem terecht betoogt dat, gelet op de door reprografische bedrijven toegepaste prijzen, het in casu door de Raad verlangde bedrag onredelijk en ongerechtvaardigd is.
De kosten voor bijstand door externe advocaten
Argumenten van partijen
De Raad stelt, dat de onderhavige zaak, zoals in antidumpingzaken meestal het geval is, betrekking had op ingewikkelde economische en zeer technische vraagstukken, waarmee de advocaten die de Raad bijstonden, zich eerst vertrouwd moesten maken. Bovendien ging het in casu om zeer ingewikkelde feitelijke situaties, die door verzoekster voor een goed deel verkeerd werden voorgesteld, wat door de Raad moest worden gecorrigeerd.
Wat het belang van de zaak vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht betreft, stelt de Raad, dat een aantal aspecten van de zaak van algemeen belang waren, omdat er vragen rezen die in antidumpingprocedures regelmatig aan de orde komen, zoals de vraag of schending van een eerdere verbintenis voldoende grond oplevert om een nieuw aangeboden verbintenis af te wijzen, en de vraag of met de enkele verwijzing naar die eerdere schending aan de vereisten van artikel 253 EG wordt voldaan. Ten slotte ging het in casu nog om een andere, even belangrijke vraag, namelijk die met betrekking tot de omvang van het bewijs dat de industrie van de Gemeenschap moet leveren wanneer zij om inleiding van een antidumpingonderzoek vraagt. Dit in punt 60 van het arrest behandelde probleem vormt een duidelijk precedent om een steeds terugkerende vraag te kunnen beantwoorden.
Met betrekking tot de bijzondere moeilijkheden van de zaak en de hoeveelheid werk die in verband daarmee moest worden verricht, verklaart de Raad, dat zijn advocaten zich, onder meer, een juist beeld moesten vormen van het betrokken product, furfuraldehyd, en de modaliteiten van de verhandeling ervan in de Gemeenschap, teneinde verzoeksters definitie van de relevante markt en haar beweringen omtrent de geleden schade te kunnen weerleggen. Ten slotte had de zaak ook zeer veel werk meegebracht; de advocaten van de Raad hadden aandachtig een aantal dikke dossiers moeten lezen en drie stukken moeten opstellen — een verweerschrift van 27 bladzijden, een dupliek van 17 bladzijden en 7 bladzijden antwoorden op schriftelijke vragen van het Gerecht. Bovendien had de terechtzitting van 18 september 1997 een intensieve voorbereiding gevergd en had een advocaat die zitting moeten bijwonen.
Sinochem betwist het door de Raad opgevoerde bedrag aan noodzakelijke kosten voor de honoraria van de externe advocaten en noemt het kennelijk te hoog. Zij betoogt, dat de Raad zonder reden een tweede externe advocaat als zijn vertegenwoordiger heeft aangesteld, ofschoon de externe advocaat die gewoonlijk voor de Raad optreedt, G. Berrisch, veel ervaring op het gebied van het antidumpingrecht heeft. Daarom was de aanwijzing van een tweede advocaat onnodig en zijn ook de daaraan verbonden kosten onnodig gemaakt. Voorts kritiseert Sinochem de omstandigheid, dat het bedrag van 45200 DEM voor advocatenhonoraria in het verzoek om begroting van kosten niet is uitgesplitst of gedetailleerd en dat iedere precisering van het aantal werkuren van de advocaten daarin ontbreekt. Overigens is Sinochem van mening, dat de zaak, anders dan de Raad beweert, beslist niet veel werk kan hebben veroorzaakt. Immers, het indienen van een verweerschrift, een dupliek en antwoorden op twee vragen van het Gerecht behoort tot de normale gang van zaken in een procedure voor deze instantie en de verrichte arbeid was stellig niet buiten proportie, aangezien de genoemde stukken respectievelijk 27, 17 en 7 bladzijden tellen. Bovendien had het beroep tot nietigverklaring in casu eerder betrekking op feitelijke punten dan op ingewikkelde juridische vraagstukken.
Verder herinnert Sinochem eraan, dat volgens de communautaire rechtspraak de daadwerkelijk aan de Raad in rekening gebrachte kosten en advocatenhonoraria niet relevant zijn voor de bepaling van de invorderbare kosten. In casu is het zonder meer duidelijk, dat niet het daadwerkelijk in rekening gebrachte bedrag van de advocatenhonoraria en kosten in aanmerking moet worden genomen, want de betrokken advocaten waren vertrouwd met de procedure en het communautaire antidumpingrecht en de onderliggende economische aspecten van de zaak zijn in de procedure voor het Gerecht niet aan de orde gekomen. Sinochem had immers enkel betwist, dat het bestaan van een gebonden markt een verschillende behandeling van de ondernemingen in de Volksrepubliek China rechtvaardigde, en daardoor had het juridisch debat zich grotendeels beperkt tot de grondbeginselen van het gemeenschapsrecht en het antidumpingrecht (bijvoorbeeld het evenredigheidsbeginsel).
Beoordeling door het Gerecht
Volgens vaste rechtspraak is de communautaire rechter niet bevoegd de door partijen aan hun advocaten verschuldigde honoraria vast te stellen, maar kan hij wel bepalen, welk gedeelte van die honoraria van de in de kosten veroordeelde partij kan worden teruggevorderd (beschikking Hof van 26 november 1985, Leeuwarder Papierwarenfabriek/Commissie, 318/82, Jurispr. blz. 3727, punt 2; beschikkingen Gerecht van 25 februari 1992, Tagaras/Hof van Justitie, T-18/89 en T-24/89, Jurispr. blz. II-153, punt 13, en 9 juni 1993, PPG Industries Glass/Commissie, T-78/89 Dép., Jurispr. blz. II-573, punt 36). Daar in het gemeenschapsrecht bepalingen over tarieven ontbreken, dient de communautaire rechter de gegevens van de zaak vrij te beoordelen, gelet op het voorwerp en de aard van het geding, het belang ervan vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht en de moeilijkheidsgraad, de hoeveelheid werk die de procedure op tegenspraak voor de gemachtigden of raadslieden heeft meegebracht, en de economische belangen die voor de partijen op het spel stonden; daarbij dient geen rekening te worden gehouden met een nationaal tarief van advocatenhonoraria noch met een eventuele afspraak desbetreffend tussen de betrokken partij en haar gemachtigden of raadslieden [beschikking Leeuwarder Papierwarenfabriek/Commissie, reeds aangehaald, punt 3; beschikkingen Gerecht van 8 maart 1995, Air France/Commissie, T-2/93 (92), Jurispr. blz. II-533, punt 16, en 24 maart 1998, International Procurement Services/Commissie, T-175/94 (92), Jurispr. blz. II-601, punt 10].
In casu was het geding vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht stellig van belang en heeft de materie een analyse van economische en juridische vraagstukken gevergd alsmede een onderzoek van complexe feiten, die door de advocaten van de Raad zijn bestudeerd en geïnterpreteerd. De zaak wierp immers moeilijke nieuwe vragen op, zoals de omschrijving van de oorzaak van de schade die de industrie van de Gemeenschap door de omvangrijke invoer uit een ander derde land dreigde te lijden, de bepaling van de bewijzen die de industrie van de Gemeenschap moet leveren wanneer zij om inleiding van een antidumpingonderzoek verzoekt, de vraag of de schending van een eerdere verbintenis voldoende grond oplevert om een aangeboden verbintenis af te wijzen, en ten slotte, of door de enkele verwijzing naar die eerdere schending wordt voldaan aan de vereisten van artikel 253 EG.
Ook het financiële belang van de zaak kan niet worden ontkend, want de schade die de invoer met dumping aan de industrie van de Gemeenschap zou berokkenen, is op 1,7 miljoen euro per jaar geschat.
Gelet op de aard van het geding, de moeilijkheidsgraad en het belang ervan, alsmede op de economische belangen die voor de partijen op het spel stonden, kunnen de tot op heden gemaakte invorderbare kosten billijkerwijze worden bepaald op 45730 DEM voor honoraria en kosten van de externe advocaten van de Raad en op 500 DEM voor de door de Raad gemaakte kosten, ofwel een totaalbedrag van 46230 DEM.
Daar bij dit bedrag rekening is gehouden met alle omstandigheden van de zaak tot op deze dag, behoeft over de door partijen in verband met de onderhavige procedure gemaakte kosten niet afzonderlijk te worden beslist.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer — uitgebreid)
beschikt:
Het totaalbedrag van de door Sinochem National Chemicals Import & Export Corporation aan de Raad te vergoeden kosten wordt bepaald op 46230 DEM.
Luxemburg, 22 maart 2000.
De griffier
H. Jung
De president van de Vijfde kamer
R. García-Valdecasas
Voetnoten
- *1Procestaai: Engels.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
1Rechtspraak
1Europese Unie
1GerechtBeschikkingT-78/9927.11.2000