Voorlopige editie
ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met vijf rechters)
21 oktober 2026 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Invoer van goederen – Artikel 2, lid 1, onder d), en artikel 30 van richtlijn 2006/112/EG – Binnenbrengen van een zeilboot in de Europese Unie voor onderhoud en reparatie zonder deze bij de douane aan te brengen – Belastbaar feit en verschuldigdheid van de belasting – Artikel 70 en artikel 71, lid 1, van richtlijn 2006/112 – Geen aanvraag voor het gebruik van de regeling actieve veredeling – Douane-unie – Douanewetboek van de Unie – Tenietgaan van de douaneschuld bij het verlaten van het douanegebied van de Unie – Artikel 124, lid 1, onder k), van verordening (EU) nr. 952/2013 – Begrip ‚gebruikte goederen’ ”
In zaak T‑383/25,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesfinanzhof (hoogste federale rechter in belastingzaken, Duitsland) bij beslissing van 18 februari 2025, ingekomen bij het Hof op 28 mei 2025, in de procedure
Hauptzollamt A
tegen
Segelbootwartung,
wijst
HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met vijf rechters),
samengesteld als volgt: N. Półtorak, president, G. Hesse, G. Steinfatt, D. Petrlík (rapporteur) en I. Dimitrakopoulos, rechters,
advocaat-generaal: M. Brkan,
griffier: P. Cullen, administrateur,
gezien de doorzending door het Hof van het verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Gerecht op 12 juni 2025 overeenkomstig artikel 50 ter, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie,
gezien de in artikel 50 ter, eerste alinea, onder a) en c), van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde materies en het ontbreken van een opzichzelfstaande uitleggingsvraag in de zin van artikel 50 ter, tweede alinea, van dat Statuut,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 25 maart 2026,
gelet op de opmerkingen van:
– Segelbootwartung, vertegenwoordigd door M. Hanke en M. Hanke, Rechtsanwälte,
– de Griekse regering, vertegenwoordigd door K. Konsta, A. Magrippi, S. Papaioannou en M. Tassopoulou als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Carlin, B. Eggers en F. Moro als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 juni 2026,
het navolgende
Arrest
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, lid 1, onder d), artikel 30, artikel 70 en artikel 71, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1; hierna: „btw-richtlijn”) en van artikel 124, lid 1, onder k), van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB 2013, L 269, blz. 1; hierna: „douanewetboek”).
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen het Hauptzollamt A (hoofddouanekantoor A, Duitsland; hierna: „Hauptzollamt”) en Segelbootwartung over de invoerrechten en de belasting over de toegevoegde waarde (btw) bij invoer die van Segelbootwartung worden gevorderd voor het binnenbrengen van een zeilboot op het Duitse grondgebied.
Toepasselijke bepalingen · Unierecht · Btw-richtlijn
Artikel 2 van de btw-richtlijn bepaalt het volgende:
„1. De volgende handelingen zijn aan de btw onderworpen:
[...]
d) de invoer van goederen.
[...]”
Artikel 30 van de btw-richtlijn bepaalt:
„Als ‚invoer van goederen’ wordt beschouwd het binnenbrengen in de [Unie] van een goed dat zich niet in het vrije verkeer bevindt in de zin van artikel [29 VWEU].”
[...]”
„De invoer van goederen vindt plaats in de lidstaat binnen het grondgebied waarvan het goed zich ten tijde van het binnenkomen in de [Unie] bevindt.”
Artikel 70 van de btw-richtlijn luidt als volgt:
„Het belastbare feit vindt plaats en de belasting wordt verschuldigd op het tijdstip waarop de invoer van de goederen geschiedt.”
Artikel 71 van de btw-richtlijn bepaalt:
„1. Wanneer goederen vanaf het binnenbrengen ervan in de [Unie] onder een van de in de artikelen 156, 276 en 277 bedoelde regelingen of situaties, onder een regeling voor tijdelijk invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten of onder een regeling voor extern douanevervoer worden geplaatst, vindt het belastbare feit pas plaats en wordt de belasting pas verschuldigd op het tijdstip waarop de goederen aan die regelingen of situaties worden onttrokken.
Wanneer de ingevoerde goederen echter onderworpen zijn aan invoerrechten, aan landbouwheffingen of aan heffingen van gelijke werking die zijn ingesteld in het kader van een gemeenschappelijk beleid, vindt het belastbare feit plaats en wordt de belasting verschuldigd op het tijdstip waarop het belastbare feit en het verschuldigd worden ter zake van deze rechten zich voordoen.
[...]”
Douanewetboek
Overweging 38 van het douanewetboek is als volgt verwoord:
„Het is dienstig rekening te houden met de goede trouw van de betrokkene wanneer door niet-naleving van de douanewetgeving een douaneschuld is ontstaan, en de gevolgen van onzorgvuldigheid van de schuldenaar zoveel mogelijk te beperken.”
Artikel 79 van het douanewetboek bepaalt:
„1. Ten aanzien van aan invoerrechten onderworpen goederen ontstaat een douaneschuld bij invoer door niet-naleving van:
a) een van de bij de douanewetgeving vastgestelde verplichtingen betreffende het binnenbrengen van niet-Uniegoederen in het douanegebied van de Unie, de onttrekking van dergelijke goederen aan douanetoezicht, of het verkeer, de veredeling, de opslag, de tijdelijke opslag, de tijdelijke invoer of de verwijdering van dergelijke goederen binnen dat douanegebied;
[...]
2. Het tijdstip waarop de douaneschuld ontstaat, is:
a) het ogenblik waarop niet of niet langer wordt voldaan aan de verplichting waarvan de niet-naleving de douaneschuld doet ontstaan, of
[...]
3. In de in lid 1, onder a) en b), bedoelde gevallen is de schuldenaar:
a) eenieder die de betrokken verplichtingen diende na te komen;
[...]”
Artikel 124 van het douanewetboek luidt als volgt:
„1. [...] [E]en douaneschuld [gaat] bij invoer of uitvoer teniet op een van de volgende wijzen:
[...]
k) indien, behoudens lid 6, de douaneschuld is ontstaan overeenkomstig artikel 79 en ten genoegen van de douaneautoriteiten is aangetoond dat de goederen niet zijn gebruikt of verbruikt en het douanegebied van de Unie hebben verlaten.
[...]
6. In het in lid 1, onder k), bedoelde geval gaat de douaneschuld niet teniet ten aanzien van de persoon die heeft getracht bedrog te plegen.
[...]”
Artikel 139 van het douanewetboek luidt:
„1. Goederen die in het douanegebied van de Unie worden gebracht, worden onmiddellijk bij aankomst bij de douane aangebracht bij het aangewezen douanekantoor, of op een daartoe door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats, of in de vrije zone, door een van de volgende personen:
a) de persoon die de goederen in het douanegebied van de Unie heeft gebracht;
[...]”
Artikel 210 van het douanewetboek bepaalt:
„Goederen kunnen onder een van de volgende bijzondere regelingen worden geplaatst:
[...]
d) veredeling, inhoudende actieve en passieve veredeling.”
Artikel 211 van het douanewetboek luidt:
„1. Een vergunning van de douaneautoriteiten is vereist voor:
a) het gebruik van de regeling actieve of passieve veredeling, tijdelijke invoer of bijzondere bestemming;
[...]
2. De douaneautoriteiten verlenen met terugwerkende kracht een vergunning indien aan alle [in dit lid genoemde] voorwaarden is voldaan:
[...]
3. Tenzij anders is bepaald, wordt de in lid 1 bedoelde vergunning slechts verleend aan personen die aan elk van de volgende voorwaarden voldoen:
a) zij zijn in het douanegebied van de Unie gevestigd;
b) zij bieden de nodige waarborgen voor het goede gebruik van de regeling; een geautoriseerd marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen wordt geacht aan deze voorwaarde te voldoen voor zover bij het verlenen van de in artikel 38, lid 2, onder a), bedoelde vergunning rekening is gehouden met relevante activiteiten voor de betreffende bijzondere regeling;
c) zij stellen zekerheid overeenkomstig artikel 89, indien een douaneschuld kan ontstaan of andere heffingen verschuldigd kunnen worden voor de onder een bijzondere regeling geplaatste goederen;
d) in het geval van de regeling tijdelijke invoer of actieve veredeling gebruiken zij de goederen of laten deze gebruiken, respectievelijk veredelen zij de goederen of laten deze veredelen.
4. Tenzij anders is bepaald en ter aanvulling van lid 3, wordt de in lid 1 bedoelde vergunning slechts verleend indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
a) de douaneautoriteiten kunnen douanetoezicht uitoefenen zonder administratieve maatregelen te hoeven nemen die niet in verhouding staan tot de betrokken economische behoeften;
b) de wezenlijke belangen van producenten in de Unie worden niet geschaad door een vergunning voor de regeling veredeling (economische voorwaarden).
[...]”
Artikel 220 van dat wetboek bepaalt:
„Goederen die onder een regeling douane-entrepot, onder een veredelingsregeling of in een vrije zone zijn geplaatst, kunnen gebruikelijke behandelingen ondergaan om ze in goede staat te bewaren, ter verbetering van de presentatie of handelskwaliteit of ter voorbereiding van de distributie of wederverkoop.”
Artikel 256 van het douanewetboek luidt:
„1. Onverminderd artikel 223 kunnen niet-Uniegoederen in het douanegebied van de Unie onder de regeling actieve veredeling worden gebruikt bij één of meer veredelingen zonder dat zij worden onderworpen aan:
a) invoerrechten;
b) andere heffingen overeenkomstig andere toepasselijke voorschriften;
c) handelspolitieke maatregelen, voor zover zij de binnenkomst in of het uitgaan van goederen uit het douanegebied van de Unie niet verbieden.
2. In andere gevallen dan herstelling en vernietiging mag uitsluitend van de regeling actieve veredeling gebruik worden gemaakt indien, onverminderd het gebruik van hulpmiddelen bij de productie, de onder de regeling geplaatste goederen in de veredelingsproducten kunnen worden geïdentificeerd.
In het in artikel 223 bedoelde geval kan de regeling worden gebruikt voor zover de naleving van de ten aanzien van equivalente goederen gestelde eisen kan worden gecontroleerd.
3. Naast de in leden 1 en 2 bedoelde gevallen kan van de regeling actieve veredeling ook gebruik worden gemaakt voor elk van de volgende goederen:
a) goederen die bestemd zijn om te worden bewerkt om ze in overeenstemming te brengen met technische vereisten zodat ze in het vrije verkeer kunnen worden gebracht;
b) goederen die gebruikelijke behandelingen overeenkomstig artikel 220 moeten ondergaan.”
Gedelegeerde verordening 2015/2446
Artikel 161 van gedelegeerde verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van [het douanewetboek] met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van [dat wetboek] (PB 2015, L 343, blz. 1) bepaalt:
„In afwijking van artikel 211, lid 3, onder a), van het wetboek kunnen de douaneautoriteiten in incidentele gevallen, wanneer zij zulks gerechtvaardigd achten, een vergunning voor de regeling bijzondere bestemming of de regeling actieve veredeling verlenen aan personen die buiten het douanegebied van de Unie gevestigd zijn.”
Duits recht
§ 1 van het Umsatzsteuergesetz (wet op de omzetbelasting) van 21 februari 2005 (BGBl. 2005 I, blz. 386), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, luidt als volgt:
„(1) Aan omzetbelasting zijn onderworpen:
[...]
4. de invoer van goederen op het nationale grondgebied [...];
[...]”
§ 21 van de wet op de omzetbelasting bepaalt:
„[...]
(2) De regels inzake douanerechten zijn van overeenkomstige toepassing op de omzetbelasting bij invoer;
[...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
Verweerder in het hoofdgeding, een natuurlijke persoon die in Zwitserland woont, stak met zijn auto waaraan een boottrailer hing met daarop een in Zwitserland op zijn naam geregistreerde zeilboot (hierna: „zeilboot”) de Duitse grens over zonder tot inklaring over te gaan. Diezelfde dag werd hij onderworpen aan een douanecontrole. Tijdens die controle verklaarde hij dat hij op weg was naar de in Duitsland gevestigde onderneming X om onderhouds- en reparatiewerkzaamheden te laten uitvoeren aan de buitenboordmotor van zijn zeilboot. Na afloop van de controle heeft het Hauptzollamt een aanslag opgelegd waarin de voor de invoer van de zeilboot in Duitsland verschuldigde douanerechten en invoer-btw werden vastgesteld.
Nadat verweerder in het hoofdgeding de invoerrechten had betaald, heeft hij de zeilboot naar onderneming X vervoerd, waar onderhouds- en reparatiewerkzaamheden aan de zeilboot zijn uitgevoerd. Deze werkzaamheden bestonden uit het aanpassen van de bevestiging van het kielmidzwaard, het weer terugplaatsen van het kielmidzwaard, het inspecteren van de motor, het repareren van het brandstoffilterhuis en het vervangen van het sponsachtige onderdeel van de katalysator. Verweerder in het hoofdgeding heeft de zeilboot vervolgens weer naar Zwitserland uitgevoerd.
Verweerder in het hoofdgeding heeft tegen de in punt 19 hierboven vermelde aanslag waarin de douanerechten en invoer-btw werden vastgesteld bezwaar gemaakt, maar dit bezwaar is afgewezen. Daarop heeft hij beroep ingesteld bij het Finanzgericht (belastingrechter in eerste aanleg, Duitsland), dat de aanslag en het besluit op het bezwaar heeft vernietigd. Het Finanzgericht was van oordeel dat een douaneschuld was ontstaan, aangezien verweerder in het hoofdgeding bij het passeren van de grens noch de zeilboot expliciet had aangebracht bij de douane, noch een douaneaangifte had gedaan. Het vroeg zich echter af of voor de zeilboot ook een btw-schuld bij invoer was ontstaan. Het was hoe dan ook van oordeel dat deze douaneschuld en de eventuele btw-schuld bij invoer overeenkomstig artikel 124, lid 1, onder k), van het douanewetboek teniet waren gegaan, aangezien de zeilboot weer naar Zwitserland was uitgevoerd zonder in het douanegebied van de Europese Unie te zijn gebruikt of verbruikt.
Het Hauptzollamt heeft tegen de uitspraak van het Finanzgericht beroep in Revision ingesteld bij het Bundesfinanzhof (hoogste federale rechter in belastingzaken, Duitsland), de verwijzende rechter, stellende dat de zeilboot was „gebruikt” in de zin van artikel 124, lid 1, onder k), van het douanewetboek, aangezien er zonder vergunning veredelingshandelingen waren verricht aan de boot. Bijgevolg is de douaneschuld ondanks de latere wederuitvoer van de zeilboot niet tenietgegaan, aldus het Hauptzollamt, dat tevens aanvoert dat er ook een btw-schuld bij invoer is ontstaan omdat er door de veredeling een dienst aan de zeilboot is verricht en de boot daardoor in het economische circuit van de Unie is terechtgekomen. Verweerder in het hoofdgeding betoogt in essentie dat de douaneschuld door de wederuitvoer van de zeilboot teniet is gegaan en dat de boot niet in het economische circuit van de Unie is terechtgekomen, daar het bij de verrichte handelingen slechts om onderhoudswerkzaamheden ging.
De verwijzende rechter is van oordeel dat overeenkomstig artikel 79, lid 1, onder a), van het douanewetboek een douaneschuld is ontstaan omdat verweerder in het hoofdgeding de zeilboot in het douanegebied van de Unie heeft gebracht zonder deze formeel bij de douane aan te brengen zoals vereist door artikel 139, lid 1, van dat wetboek. Die rechter heeft echter twijfels of er naast de douaneschuld ook een btw-schuld bij invoer is ontstaan op grond van artikel 2, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn. Hij vraagt zich in het bijzonder af of de omstandigheid dat de zeilboot het douanegebied van de Unie is binnengebracht zonder onder een douaneregeling te zijn geplaatst, en dat de boot passief het voorwerp was van onderhouds- en reparatiewerkzaamheden zonder actief te zijn gebruikt als vervoermiddel om goederen te leveren of diensten te verrichten, voldoende is om te kunnen stellen dat de zeilboot in het economische circuit van de Unie is gebracht. Pas dan kan er namelijk sprake zijn van verbruik, welke handeling aan btw is onderworpen. De verwijzende rechter heeft voorts ook twijfels of de douaneschuld op grond van artikel 124, lid 1, onder k), van het douanewetboek niet weer teniet is gegaan door de latere uitvoer van de zeilboot uit het douanegebied van de Unie. Aangezien de onderhouds- en reparatiewerkzaamheden niet konden worden beschouwd als gebruikelijke behandelingen in de zin van artikel 220 van het douanewetboek, is het volgens die rechter niet duidelijk of de zeilboot, hoewel deze niet onder de regeling actieve veredeling was geplaatst, in het douanegebied van de Unie is gebruikt.
Tegen deze achtergrond heeft het Bundesfinanzhof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Komt een vervoermiddel in het economische circuit van de Unie terecht, wanneer het in een lidstaat niet als vervoermiddel wordt gebruikt, maar er diensten (in casu: onderhouds- en reparatiewerkzaamheden) aan het vervoermiddel worden verricht?
2) Moet artikel 124, lid 1, onder k), van het douanewetboek [...] aldus worden uitgelegd dat een niet-Uniegoed in de zin van die bepaling wordt gebruikt, indien aan dat goed in het douanegebied van de Unie enkel onderhouds- of reparatiewerkzaamheden worden verricht en het niet-Uniegoed daarna weer wordt uitgevoerd?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen · Eerste vraag
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat er in de bewoordingen van de eerste prejudiciële vraag weliswaar geen enkele bepaling van het Unierecht wordt genoemd, maar dat uit de motivering van het verzoek om een prejudiciële beslissing duidelijk blijkt dat de verwijzende rechter verzoekt om uitlegging van artikel 2, lid 1, onder d), en de artikelen 30, 70 en 71 van de btw-richtlijn, die in dat verzoek wel expliciet worden genoemd.
Aangenomen moet dan ook worden dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 2, lid 1, onder d), en de artikelen 30, 70 en 71 van de btw-richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat het op onregelmatige wijze binnenbrengen van een vervoermiddel vanuit een derde land in een lidstaat, waar het vervolgens onderhouds- en reparatiewerkzaamheden ondergaat voordat het weer uit het douanegebied van de Unie wordt uitgevoerd zonder dat het als vervoermiddel is gebruikt, een invoer van goederen vormt waarop btw van toepassing is.
In dit verband zij er om te beginnen op gewezen dat overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn de invoer van goederen aan de btw is onderworpen en dat krachtens artikel 30, eerste alinea, van deze richtlijn het binnenbrengen in de Unie van een goed dat zich niet in het vrije verkeer bevindt als invoer van goederen wordt beschouwd.
Verder is het zo dat in artikel 70 van de btw-richtlijn het beginsel is neergelegd dat het belastbare feit plaatsvindt en dat de belasting wordt verschuldigd op het tijdstip waarop de invoer van de goederen geschiedt.
Ten slotte moet worden verwezen naar artikel 71, lid 1, van de btw-richtlijn, waarin in de eerste alinea met name is bepaald dat wanneer goederen vanaf het binnenbrengen ervan in de Unie onder een van de douaneregelingen of een van de situaties vallen waarop dit artikel betrekking heeft, het belastbare feit pas plaatsvindt en de belasting pas verschuldigd wordt op het tijdstip waarop de goederen aan die regeling of situatie worden onttrokken.
De tweede alinea van artikel 71, lid 1, van die richtlijn ziet echter onder meer op de specifieke situatie van ingevoerde goederen die aan invoerrechten zijn onderworpen, waarbij het belastbare feit plaatsvindt en de belasting verschuldigd wordt op het tijdstip waarop het belastbare feit en het verschuldigd worden ter zake van deze rechten zich voordoen.
In casu is volgens de door de verwijzende rechter verstrekte informatie een douaneschuld ontstaan op grond van artikel 79, lid 1, onder a), van het douanewetboek, aangezien de zeilboot in strijd met artikel 139, lid 1, onder a), van dat wetboek niet onmiddellijk na het binnenbrengen ervan in het douanegebied van de Unie bij de douane is aangebracht.
Uit de rechtspraak volgt dat, gelet op het door artikel 71, lid 1, tweede alinea, van de btw-richtlijn bevestigde parallellisme tussen de btw bij invoer en de douanerechten, naast de douaneschuld tevens een btw-schuld kan ontstaan indien op basis van het onrechtmatige gedrag waardoor die douaneschuld is ontstaan, kan worden aangenomen dat de betrokken goederen in het economische circuit van de Unie zijn gebracht en dus mogelijkerwijs zijn verbruikt, welke handeling aan btw is onderworpen [zie arrest van 18 januari 2024, Hauptzollamt Braunschweig (Plaats waar de btw ontstaat – III), C‑791/22, EU:C:2024:59, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Dit zou met name het geval zijn wanneer goederen niet op regelmatige wijze in het douanegebied van de Unie zijn binnengebracht (zie in die zin arrest van 10 juli 2019, Federal Express Corporation Deutsche Niederlassung, C‑26/18, EU:C:2019:579, punt 46).
Het Hof heeft, waar het gaat om goederen die op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Unie zijn binnengebracht en die in meerdere lidstaten konden worden verbruikt of gebruikt, evenwel reeds geoordeeld dat de aanname omtrent het terechtkomen in het economische circuit kon worden weerlegd indien werd vastgesteld dat, ondanks de inbreuken op de douanewetgeving die een douaneschuld bij invoer deden ontstaan in de lidstaat waar deze inbreuken waren gemaakt, het betrokken goed in het economische circuit van de Unie was terechtgekomen op het grondgebied van een andere lidstaat, waar dit goed bestemd was voor verbruik. In dat geval vindt het feit dat aanleiding geeft tot de btw bij invoer plaats in deze andere lidstaat [arresten van 10 juli 2019, Federal Express Corporation Deutsche Niederlassung, C‑26/18, EU:C:2019:579, punt 48, en 18 januari 2024, Hauptzollamt Braunschweig (Plaats waar de btw ontstaat – III), C‑791/22, EU:C:2024:59, punt 31].
Derhalve moet worden nagegaan of de aanname omtrent het terechtkomen in het economische circuit ook kan worden weerlegd wanneer de goederen die via het grondgebied van één lidstaat op onregelmatige wijze in de Unie zijn binnengebracht niet bestemd waren voor verbruik in een andere lidstaat, maar buiten het grondgebied van de Unie.
Dienaangaande volgt uit de rechtspraak dat de inbreuken op de douanewetgeving op zich geen voldoende grond vormen om aan te nemen dat de betrokken goederen daadwerkelijk in het economische circuit van de Unie zijn terechtgekomen. Dit kan zelfs het geval zijn wanneer deze goederen door die tekortkomingen niet langer onder toezicht stonden van de douaneautoriteiten, die het verkeer ervan niet langer konden controleren (zie in die zin arrest van 10 juli 2019, Federal Express Corporation Deutsche Niederlassung, C‑26/18, EU:C:2019:579, punten 50‑52).
Voorts moet worden opgemerkt dat, aangezien de btw naar haar aard een verbruiksbelasting is, een goed alleen in het economische circuit van de Unie terecht kan komen indien het zal worden verbruikt of gebruikt op het grondgebied van de Unie [zie in die zin arresten van 3 maart 2021, Hauptzollamt Münster (Plaats waar de btw ontstaat), C‑7/20, EU:C:2021:161, punten 31‑35; 8 september 2022, Hauptzollamt Hamburg (Plaats waar de btw ontstaat – II), C‑368/21, EU:C:2022:647, punt 33, en 18 januari 2024, Hauptzollamt Braunschweig (Plaats waar de btw ontstaat – III), C‑791/22, EU:C:2024:59, punt 33].
Dit geldt temeer daar de aanname dat een op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Unie binnengebracht goed in het economische circuit van de Unie terechtkomt met name is ingegeven door de noodzaak om concurrentieneutraliteit te waarborgen tussen goederen uit derde landen en vergelijkbare goederen uit de Unie. Wanneer het evenwel vaststaat dat een uit een derde land afkomstig goed niet bestemd was voor verbruik of gebruik op het grondgebied van de Unie, kan het in beginsel niet in concurrentie treden met vergelijkbare goederen uit de Unie.
In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat de in punt 32 hierboven genoemde aanname omtrent het terechtkomen in het economische circuit van de Unie kan worden weerlegd wanneer de persoon die op onregelmatige wijze goederen in het douanegebied van de Unie heeft binnengebracht op basis van objectieve en verifieerbare gegevens aantoont dat het niet de bedoeling was om die goederen te verbruiken of gebruiken in dat gebied.
In dit verband moet er om te beginnen op worden gewezen dat vervoermiddelen naar hun aard normaliter niet worden verbruikt maar gebruikt [zie in die zin arrest van 8 september 2022, Hauptzollamt Hamburg (Plaats waar de btw ontstaat – II), C‑368/21, EU:C:2022:647, punt 34].
Vervolgens is het zo dat de persoon die op onregelmatige wijze een vervoermiddel in het douanegebied van de Unie heeft binnengebracht, ter weerlegging van de aanname omtrent het terechtkomen in het economische circuit van de Unie objectieve en verifieerbare gegevens moet overleggen aan de hand waarvan kan worden bepaald in welk gebied dat vervoermiddel zal worden gebruikt, of op zijn minst moet aantonen dat het in elk geval buiten het douanegebied van de Unie zal worden gebruikt (zie naar analogie arrest van 18 november 2010, X, C‑84/09, EU:C:2010:693, punt 44).
In dit verband moet met name rekening worden gehouden met het chronologische verloop van het vervoer van dat vervoermiddel, de woonplaats van de eigenaar of houder ervan, de plaats waar het vervoermiddel gewoonlijk wordt gebruikt, en het al dan niet bestaan van een band die de eigenaar of houder onderhoudt met enerzijds het douanegebied van de Unie en anderzijds derde landen die mogelijkerwijs de plaats van bestemming van dat vervoermiddel zijn (zie naar analogie arrest van 18 november 2010, X, C‑84/09, EU:C:2010:693, punten 45 en 46).
Bovendien moet zo veel mogelijk rekening worden gehouden met het voornemen van de persoon die het vervoermiddel op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Unie heeft binnengebracht, mits dit voornemen wordt ondersteund door objectieve en verifieerbare gegevens (zie in die zin en naar analogie arrest van 18 november 2010, X, C‑84/09, EU:C:2010:693, punt 47).
Ten slotte moet worden opgemerkt dat aangenomen kan worden dat het goed in het economische circuit van de Unie is terechtgekomen indien het daadwerkelijk is verbruikt of gebruikt in het douanegebied van de Unie. Bijgevolg moet de persoon die het goed op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Unie heeft binnengebracht met name aantonen dat het goed dat douanegebied heeft verlaten zonder daar daadwerkelijk te zijn verbruikt of gebruikt.
In dit verband moet erop worden gewezen dat om te kunnen spreken van „daadwerkelijk” gebruik het in beginsel mogelijk moet zijn om dat goed te benutten door het overeenkomstig de functie of het doel ervan te gebruiken. Het enkele feit dat het vervoermiddel zich op het grondgebied van de Unie bevindt of dat er werkzaamheden aan worden uitgevoerd om het klaar te maken om te worden gebruikt, is daarentegen niet voldoende om te kunnen spreken van „daadwerkelijk” gebruik.
Meer specifiek is er met name sprake van daadwerkelijk gebruik van vervoermiddelen wanneer deze worden gebruikt voor het vervoer van personen of goederen.
Daarentegen kan het vervoer van een vervoermiddel naar de plaats waar het daadwerkelijk wordt gebruikt, op zichzelf niet worden aangemerkt als daadwerkelijk gebruik van dat vervoermiddel [zie in die zin en naar analogie arrest van 8 september 2022, Hauptzollamt Hamburg (Plaats waar de btw ontstaat – II), C‑368/21, EU:C:2022:647, punt 34].
In casu blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens dat verweerder in het hoofdgeding in Zwitserland woont en dat de zeilboot in dat land is geregistreerd. Verder staat vast dat de zeilboot Duitsland is binnengebracht met als enige doel om onderhouds- en reparatiewerkzaamheden te laten uitvoeren, en dat hij na de voltooiing van die werkzaamheden weer naar Zwitserland is uitgevoerd. Bovendien lijkt niets in het dossier erop te wijzen dat er, afgezien van de uitvoering van die werkzaamheden, bijzondere banden bestaan tussen de zeilboot en Duitsland. Hieruit lijkt te kunnen worden afgeleid dat het niet de bedoeling was om de zeilboot in Duitsland of een andere lidstaat als vervoermiddel te gaan gebruiken, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
Daarnaast blijkt uit de onweersproken verklaringen van verweerder in het hoofdgeding dat de zeilboot, ook al gaat het om een vervoermiddel om mee te gaan zeilen, in Duitsland is vervoerd op een trailer en daar niet werd gebruikt voor die activiteit.
Voorts blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens dat deze zeilboot naar onderneming X is gebracht voor onderhouds- en reparatiewerkzaamheden en vervolgens weer naar Zwitserland is uitgevoerd.
Uit de aard van deze werkzaamheden, die bestonden uit het aanpassen van de bevestiging van het kielmidzwaard, het weer terugplaatsen van het kielmidzwaard, het inspecteren van de motor, het repareren van het brandstoffilterhuis en het vervangen van het sponsachtige onderdeel van de katalysator, blijkt al dat zij uitsluitend tot doel hadden om de zeilboot klaar te maken om te worden gebruikt overeenkomstig de functie en het doel ervan, namelijk om ermee te zeilen. De eigenaar of houder van een zeilboot gebruikt deze niet overeenkomstig de functie of het doel ervan louter omdat hij dergelijke werkzaamheden laat uitvoeren.
In dit verband doet het overigens niet ter zake dat die werkzaamheden mogelijkerwijs aan de btw zijn onderworpen omdat het gaat om diensten die binnen het grondgebied van een lidstaat onder bezwarende titel worden verricht als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn. Aangezien de eventuele verschuldigdheid van btw over deze diensten losstaat van de verschuldigdheid van invoer-btw, zijn de genoemde diensten immers te beschouwen als van de invoer van de zeilboot te onderscheiden handelingen, ook al hebben de werkzaamheden tot een stijging van de waarde van de zeilboot geleid.
Hieruit volgt dat het enkele feit dat er in Duitsland aan de zeilboot reparatie- en onderhoudswerkzaamheden werden verricht voordat deze vervolgens weer naar Zwitserland is uitgevoerd, niet kan worden aangemerkt als daadwerkelijk gebruik van dit vervoermiddel in het douanegebied van de Unie.
Er is dus geen invoer-btw verschuldigd indien verweerder in het hoofdgeding op basis van objectieve en verifieerbare gegevens aantoont dat de zeilboot niet zou worden gebruikt in Duitsland of een andere lidstaat, met name omdat het niet zijn bedoeling was om dat te doen en omdat de zeilboot weer naar Zwitserland is uitgevoerd zonder daadwerkelijk in het douanegebied van de Unie te zijn gebruikt, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
Anders dan de Griekse regering betoogt, doet die conclusie geen afbreuk aan de nuttige werking van artikel 71, lid 1, eerste alinea, van de btw-richtlijn, op grond waarvan het belastbare feit voor de btw bij invoer pas later plaatsvindt indien de goederen onder of in een van de in die bepaling expliciet genoemde douaneregelingen of situaties worden geplaatst.
Marktdeelnemers die goederen in de Unie binnenbrengen die onder een van de douaneregelingen van artikel 71, lid 1, eerste alinea, van de btw-richtlijn vallen, worden namelijk nog steeds aangemoedigd om de betrokken goederen onder die douaneregeling te plaatsen, aangezien zij anders zouden worden geconfronteerd met het ontstaan van een douaneschuld en eventueel ook met sancties voor inbreuken op de douanewetgeving, en voorts verplicht zouden zijn om op basis van de in punt 38 hierboven genoemde criteria de aanname te weerleggen dat de goederen in het economische circuit van de Unie zijn terechtgekomen, om te voorkomen dat over die goederen btw moet worden betaald.
Aan de conclusie in punt 53 hierboven wordt evenmin afgedaan door de rechtspraak dat wanneer goederen in beslag zijn genomen en verbeurdverklaard nadat zij het eerste douanekantoor in het douanegebied van de Unie hebben verlaten, het belastbare feit voor de btw reeds heeft plaatsgevonden en de btw uit dien hoofde verschuldigd is geworden (arresten van 29 april 2010, Dansk Transport og Logistik, C‑230/08, EU:C:2010:231, punt 94, en 7 april 2022, Kauno teritorinė muitinė, C‑489/20, EU:C:2022:277, punt 50).
In de zaken die hebben geleid tot de in punt 56 hierboven genoemde arresten, waren de betrokken goederen – sigaretten die illegaal in de Unie waren binnengebracht – namelijk bestemd voor verbruik in de Unie, gelet op de aard van die goederen en de omstandigheden waarin zij waren binnengebracht. De vraag of de aanname dat de goederen in het economische circuit van de Unie waren terechtgekomen kon worden weerlegd, was dus niet aan de orde, aangezien niet aan de in punt 38 hierboven genoemde voorwaarden kon worden voldaan.
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 2, lid 1, onder d), en de artikelen 30, 70 en 71 van de btw-richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat het op onregelmatige wijze binnenbrengen van een vervoermiddel vanuit een derde land in het douanegebied van de Unie geen invoer van goederen vormt waarop btw van toepassing is, wanneer op basis van objectieve en verifieerbare gegevens vaststaat dat het niet de bedoeling was om dat vervoermiddel te gebruiken in dat gebied en dat het weer is uitgevoerd zonder aldaar daadwerkelijk te zijn gebruikt.
Tweede vraag
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 124, lid 1, onder k), van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd dat er sprake is van gebruik van een goed in de zin van deze bepaling wanneer aan dat goed vóór de wederuitvoer ervan in het douanegebied van de Unie onderhouds- en reparatiewerkzaamheden zijn uitgevoerd die niet waren toegestaan in het kader van de regeling actieve veredeling.
Ingevolge artikel 124, lid 1, onder k), van het douanewetboek gaat de overeenkomstig artikel 79 van dat wetboek ontstane douaneschuld teniet – tenzij de betrokkene heeft getracht bedrog te plegen in de zin van artikel 124, lid 6, van dat wetboek – indien is aangetoond dat de goederen niet zijn gebruikt of verbruikt en het douanegebied van de Unie hebben verlaten.
Artikel 124, lid 1, onder k), van het douanewetboek moet worden uitgelegd in het licht van overweging 38 van dat wetboek, volgens welke overweging het dienstig is om rekening te houden met de goede trouw van de betrokkene wanneer door niet-naleving van de douanewetgeving een douaneschuld is ontstaan en om de gevolgen van onzorgvuldigheid van de schuldenaar zo veel mogelijk te beperken.
In dit verband heeft het Hof reeds de gelegenheid gehad om te verduidelijken dat artikel 124, lid 1, onder k), van het douanewetboek, gelezen tegen de achtergrond van overweging 38 en in samenhang met artikel 124, lid 6, van dat wetboek, het mogelijk wil maken om de douaneschuld die is ontstaan op grond van artikel 79 van dat wetboek teniet te laten gaan wanneer er geen sprake is van een poging tot bedrog en wanneer bepaalde voorwaarden en verplichtingen die uit dat wetboek voortvloeien weliswaar niet zijn nageleefd, maar het vaststaat dat de goederen niet zijn gebruikt op een manier die het opleggen van douanerechten rechtvaardigt en dat deze goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten (arrest van 8 oktober 2020, Combinova, C‑476/19, EU:C:2020:802, punt 32).
Het begrip „gebruikte goederen” in de zin van artikel 124, lid 1, onder k), van het douanewetboek moet derhalve aldus worden opgevat dat het niet op ieder gebruik betrekking heeft, maar alleen op een gebruik dat als zodanig een douaneschuld doet ontstaan (arrest van 8 oktober 2020, Combinova, C‑476/19, EU:C:2020:802, punt 33).
Bovendien kan de omstandigheid dat de formele vereisten van het douanewetboek niet zijn nageleefd op zichzelf niet in de weg staan aan de toepassing van een aantal specifieke bepalingen van dit wetboek die tot doel hebben om de gevolgen van de niet-naleving van douaneverplichtingen te verzachten, waaronder artikel 124, lid 1, onder k), van dat wetboek, aangezien deze bepalingen juist bedoeld zijn om te worden toegepast in situaties waarin er sprake is van niet-naleving. Artikel 124, lid 1, onder k), van het douanewetboek zou dus grotendeels zijn nuttige werking verliezen indien het aldus zou worden uitgelegd dat het niet van toepassing is wanneer de goederen niet onder de regeling actieve veredeling zijn geplaatst (zie in die zin en naar analogie arrest van 12 juni 2025, Palmstråle, C‑125/24, EU:C:2025:431, punt 33).
Bijgevolg kan het enkele feit dat de veredelingshandelingen niet formeel zijn toegestaan in het kader van de regeling actieve veredeling op zichzelf niet in de weg staan aan het tenietgaan van de douaneschuld wanneer voor het overige is voldaan aan de voorwaarden van artikel 124, lid 1, onder k), van het douanewetboek, gelezen tegen de achtergrond van overweging 38 van dat wetboek.
Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft opgemerkt, kunnen werkzaamheden die aan goederen in het douanegebied van de Unie worden uitgevoerd en die op zichzelf geen douaneschuld doen ontstaan, aangezien het gaat om werkzaamheden die in het kader van de regeling actieve veredeling had kunnen worden toegestaan, dus niet worden aangemerkt als gebruik in de zin van artikel 124, lid 1, onder k), van het douanewetboek, ook al is er geen formele vergunning voor deze werkzaamheden verleend in het kader van die regeling (zie in die zin arrest van 8 oktober 2020, Combinova, C‑476/19, EU:C:2020:802, punt 35).
In die omstandigheden staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of het bij de aan de orde zijnde onderhouds- en reparatiewerkzaamheden gaat om werkzaamheden die in het kader van de regeling actieve veredeling hadden kunnen worden toegestaan.
In dit verband moet de verwijzende rechter met name nagaan of de onderhouds- en reparatiewerkzaamheden als zodanig binnen de werkingssfeer van de regeling actieve veredeling vielen, zoals omschreven in artikel 256 van het douanewetboek.
Voorts moet de verwijzende rechter ook nagaan of verweerder in het hoofdgeding voldeed aan de voorwaarden om een vergunning voor het gebruik van de regeling actieve veredeling te krijgen.
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het douanewetboek voorziet in de mogelijkheid om met terugwerkende kracht een vergunning voor het gebruik van de regeling actieve veredeling te verlenen indien aan de voorwaarden van artikel 211, lid 2, van dat wetboek is voldaan. Wil die bepaling haar nuttige werking niet verliezen, dan moet dus ook aan deze voorwaarden zijn voldaan wanneer een rechter achteraf moet nagaan of bepaalde werkzaamheden hadden kunnen worden toegestaan in het kader van die regeling.
In dit verband zij er ook aan herinnerd dat in artikel 161 van gedelegeerde verordening 2015/2446 is bepaald dat er in afwijking van artikel 211, lid 3, onder a), van het douanewetboek in incidentele gevallen, wanneer zulks gerechtvaardigd wordt geacht, een vergunning voor de regeling actieve veredeling kan worden verleend aan personen die buiten het douanegebied van de Unie zijn gevestigd.
Indien na toetsing door de verwijzende rechter overeenkomstig de punten 67 tot en met 70 hierboven blijkt dat de onderhouds- en reparatiewerkzaamheden hadden kunnen worden toegestaan in het kader van de regeling actieve veredeling, is de uitvoering van deze werkzaamheden niet aan te merken als gebruik van de zeilboot in de zin van artikel 124, lid 1, onder k), van het douanewetboek.
Hieraan moet worden toegevoegd dat deze conclusie geen afbreuk doet aan de nuttige werking van artikel 210 van het douanewetboek, dat voorziet in de plaatsing van goederen onder een van de bijzondere douaneregelingen.
Zoals blijkt uit punt 55 hierboven worden marktdeelnemers die goederen in de Unie binnenbrengen die onder de regeling actieve veredeling kunnen vallen, immers nog steeds aangemoedigd om deze goederen onder die regeling te plaatsen, aangezien het gebruik van die regeling voorkomt dat er een douaneschuld ontstaat, wat maakt dat zij later niet hoeven te verzoeken om het tenietgaan van die schuld.
Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 124, lid 1, onder k), van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd dat een goed niet is gebruikt in de zin van deze bepaling wanneer er aan dat goed vóór de wederuitvoer ervan op het douanegebied van de Unie onderhouds- en reparatiewerkzaamheden zijn uitgevoerd die in het kader van de regeling actieve veredeling hadden kunnen worden toegestaan.
Kosten
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Gerecht gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Dictum
HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met vijf rechters)
verklaart voor recht:
1) Artikel 2, lid 1, onder d), en de artikelen 30, 70 en 71 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde
moeten aldus worden uitgelegd dat
het op onregelmatige wijze binnenbrengen van een vervoermiddel vanuit een derde land in het douanegebied van de Europese Unie geen invoer van goederen vormt waarop belasting over de toegevoegde waarde (btw) van toepassing is, wanneer op basis van objectieve en verifieerbare gegevens vaststaat dat het niet de bedoeling was om dat vervoermiddel te gebruiken in dat gebied en dat het weer is uitgevoerd zonder aldaar daadwerkelijk te zijn gebruikt.
2) Artikel 124, lid 1, onder k), van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie
moet aldus worden uitgelegd dat
een goed niet is gebruikt in de zin van deze bepaling wanneer er aan dat goed vóór de wederuitvoer ervan op het douanegebied van de Unie onderhouds- en reparatiewerkzaamheden zijn uitgevoerd die in het kader van de regeling actieve veredeling hadden kunnen worden toegestaan.
* Procestaal: Duits.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt