Arrest van het Hof van 10 december 1975, 95/74 e.a. · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Voltallige zitting 95/74, 15/75, 100/75 ECLI:EU:C:1975:172 10 december 1975

Zoeken

Arrest van het Hof van 10 december 1975, 95/74 e.a.Verordening 974/71 art. 8 en art. 2

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-95-74-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Voltallige zitting
Zaken
95/74, 15/75, 100/75
ECLI
ECLI:EU:C:1975:172
Datum
10 december 1975

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Beroep wegens aansprakelijkheid ongegrond
Zaak ingediend op
19 december 1974
Advocaat-generaal
Trabucchi

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Frans
Jurisprudentie
Jurispr. 1975, blz. 1615
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Mackenzie Stuart

Tekst

250 paragrafen

ARREST

Ten aanzien van de feiten

Overwegende dat de feiten en de tijdens de schriftelijke behandeling door partijen voorgedragen argumenten kunnen worden samengevat als volgt:

A — De feiten

De onderhavige gedingen komen voort uit een tussen april en juni 1973 aangebrachte verandering in de wijze van berekening van de compenserende bedragen. Verzoeksters zijn graanexporteurs en hebben — met uitzondering van Comptoir Commercial André en Cie, en voor bepaalde contracten Compagnie Continentale France — vóór de wijziging overeenkomsten gesloten voor de uitvoer van graan naar derde landen en deze na de wijziging ten uitvoer gelegd. Comptoir Commercial André en Cie heeft een overeenkomst gesloten na de wijziging doch voordat die in werking trad. Compagnie Continentale France heeft bepaalde uitvoercontracten gesloten nadat de wijziging was ingegaan. Alle verzoeksters hebben voorfixatie van de uitvoerrestitutie verkregen.

1. De restituties en uitvoercertificaten

Verordening nr. 120/67/EEG van de Raad bepaalt dat, om de uitvoer van bepaalde produkten, waaronder gerst en zachte tarwe, op basis van de noteringen of de prijzen van deze produkten op de wereldmarkt mogelijk te maken, het verschil tussen deze noteringen of prijzen en de prijzen in de Gemeenschap overbrugd kan worden door een restitutie bij de uitvoer.

Het bedrag van deze restitutie, dat van dag tot dag wisselt naar gelang van het door de diensten der Commissie op de wereldmarkt vastgestelde prijspeil, is normaliter het bedrag geldende op de dag van uitvoer. Ten einde echter enige zekerheid te hebben, kan de exporteur het bevoegde nationale bureau verzoeken de restitutie bij de uitvoer vooraf vast te stellen op het bedrag geldend op de dag van indiening van de aanvraag van het uitvoercertificaat.

Voor de geldigheidsduur van de uitvoercertificaten werkt de communautaire regeling met twee verschillende stelsels. Ten tijde van de onderhavige feiten was de normale duur twee maanden vanaf de indiening van de aanvraag van het uitvoercertificaat (artikel 1 van verordening nr. 133/73). Ten behoeve van bepaalde exporten van bijzondere aard werd van geval tot geval een langere geldigheidsduur vastgesteld (artikel 24 van verordening nr. 2637/70).

Over een dergelijke langere geldigheidsduur moet tevoren de Commissie, na raadpleging van het beheercomité, een beslissing nemen op basis van de door de bevoegde nationale instantie verstrekte gegevens.

In de beslissing van de Commissie wordt de geldigheidsduur vastgesteld en tevens voorgeschreven dat de desbetreffende overeenkomst binnen een bepaalde termijn aan de bevoegde nationale instantie moet worden voorgelegd op straffe van verval van de beslissing en van de aanvraag voor het certificaat.

Anders dan bij gewone certificaten die terstond worden afgegeven, verkrijgt de aanvrager een langlopend certificaat eerst na afloop van deze procedure, die dikwijls enkele weken in beslag neemt.

Vóór de beslissing der Commissie heeft de exporteur geen enkele zekerheid dat hij zijn transactie tegen de vastgestelde voorwaarden zal kunnen uitvoeren.

Een bijzondere geldigheidsduur is alleen mogelijk bij een minimumhoeveelheid van 75000 ton.

2. De compenserende bedragen

De monetaire compenserende bedragen, aanvankelijk bedoeld om de tijdelijke verruiming van de fluctuatiemarges van de Duitse mark en de gulden op te vangen, zijn ingesteld bij verordening (EEG) nr. 974/71 van de Raad (PB 1971, nr. L 106, blz. 1). Het compenserende bedrag wordt verkregen door op de representatieve wereldmarktprijs van het betrokken produkt een bepaald percentage toe te passen. Daar het een forfaitair bedrag is, kan geen rekening worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van een afzonderlijke transactie. Het compenserend bedrag kan niet vooraf worden vastgesteld doch is steeds het bedrag dat geldt op de datum van uitvoer. Het stelsel van monetaire compenserende bedragen is gewijzigd in verband met de kans op revaluatie van de andere communautaire munteenheden en op devaluatie van de US-dollar.

In februari 1973 was de berekeningswijze, die ondanks enkele wijzigingen in wezen gelijk is gebleven, de volgende:

De compenserende bedragen zijn gelijk aan de bedragen die worden verkregen door op de prijzen een percentage toe te passen dat overeenkomt met het verschil tussen:

de aan het Internationaal Monetair Fonds opgegeven en door dit Fonds goedgekeurde pariteit van de munteenheid van de betrokken Lid-Staat en

het rekenkundige gemiddelde van de gedurende een nader te bepalen periode genoteerde constante wisselkoersen van deze munteenheid ten opzichte van de dollar der Verenigde Staten van Amerika (art. 2 van verordening nr. 974/71).

De gemiddelde dollarkoers wordt vastgesteld over een referentieperiode (ongeveer drie weken) voorafgaand aan de wekelijkse vaststelling van het compenserende bedrag.

Artikel 7 van verordening nr. 974/71 (in de gewijzigde versie van verordening nr. 509/73) luidt:

De in het handelsverkeer met derde landen toegekende compenserende bedragen worden met ingang van 1 juli 1972 voor wat de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid betreft, beschouwd deel uit te maken van de restituties bij de uitvoer naar derde landen.

2. De in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten geheven of toegekende compenserende bedragen worden met ingang van 1 januari 1973 voor wat de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid betreft, beschouwd deel uit te maken van de ter regulering van de landbouwmarkten dienende interventies”.

Volgens het thans nog geldende artikel 8, lid 2, van verordening nr. 974/71, is deze verordening

„niet meer van toepassing zodra alle betrokken Lid-Staten de regels betreffende de marges waarbinnen de wisselkoersen van de officiële pariteit mogen afwijken, weer toepassen”.

De eveneens nog geldende verordening (EEG) nr. 837/72 van de Commissie van 24 april 1972 (PB nr. L 98, blz. 10) houdende bijzondere bepalingen in de graansector voor heffingen en restituties welke vooraf zijn vastgesteld, geeft een bijzondere regeling voor het geval dat de berekening van de monetaire compenserende bedragen wordt gewijzigd.

De tweede overweging luidt:

„… dat het stelsel van compenserende bedragen dat thans bestaat aanzienlijke wijzigingen zal kunnen ondergaan als gevolg van een geleidelijke terugkeer tot een meer stabiele monetaire toestand;

dat deze wijzigingen kunnen leiden tot een belangrijke verlaging van de compenserende bedragen die niet het gevolg is van een overeenkomstige ontwikkeling noch van de genoteerde constante wisselkoersen noch van de prijzen”;

en de vierde overweging:

„… dat het gevaar bestaat dat de uitvoer waarvoor de restitutie vooraf is vastgesteld, door de verlaging van de compenserende bedragen niet meer kan plaatsvinden, aangezien de berekening van de belanghebbende gebaseerd was op de toekenning van de vooraf vastgestelde restitutie alsmede van de betrokken compenserende bedragen, die voorts in de meeste gevallen sinds een zekere tijd geen aanzienlijke wijzigingen meer hebben ondergaan;

dat de schadelijke gevolgen van deze toestand eveneens vermeden kunnen worden door de handhaving van de economische situatie zoals deze zich aan de betrokkene voordeed op het moment van de vaststelling vooraf.”

en de vijfde overweging:

„… dat het billijk is de betrokkenen de mogelijkheid te bieden de vaststelling vooraf te annuleren met handhaving evenwel van de verplichting tot invoer of uitvoer”.

Bij wijziging van de bepalingen voor de berekening van de compenserende bedragen voorziet deze verordening in twee mogelijkheden:

toepassing van het bedrag dat gold op de dag van de vaststelling vooraf van de restitutie,

op aanvraag van de betrokkene annulering van de vaststelling vooraf en berekening van het compenserende bedrag en van de restitutie naar de dag van de uitvoer.

De vierde overweging van verordening nr. 648/73 van de Commissie van 1 maart 1973 (PB 1973, nr. L 64, blz. 1), houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de monetaire compenserende bedragen, voortvloeiende uit verordening nr. 509/73, luidt:

„Overwegende dat de monetaire compenserende bedragen enerzijds en de heffingen en de restituties anderzijds niet dezelfde aard hebben”.

Met de devaluatie van de VS-dollar op 13 februari 1973 — die aanleiding was tot vaststelling van de verordeningen nrs. 509/73 en 648/73 — handhaafde zich de internationale monetaire crisis. Verschillende Lid-Staten die opnieuw werden geconfronteerd met een toevloed van dollars, zagen zich genoodzaakt bijzondere beschermende maatregelen te nemen.

Tijdens een langdurige sluiting van de deviezenhandel werden de door de Lid-Staten te nemen maatregelen op 11 en 12 maart 1973 vastgesteld in een vergadering van de Raad van ministers van Financiën.

Afgesproken werd dat de munteenheden van zes Lid-Staten ten opzichte van derde landen zouden zweven, zij het met behoud van de tussen de meeste Lid-Staten overeengekomen fluctuatiemarges, terwijl de munteenheden van de drie andere Lid-Staten — het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Italië — voorlopig afzonderlijk zouden zweven zonder binding met de andere communautaire munteenheden.

De centrale banken der Lid-Staten zagen bijgevolg af van verdere steun aan de VS-dollar.

Op 12 maart 1973 vroeg ook de Raad van ministers van Landbouw de Commissie om voorstellen voor een wijziging van de compenserende bedragen in verband met de nieuwe situatie.

Op 21 maart 1973 nam en publiceerde de Commissie haar prijsvoorstellen voor het verkoopjaar 1973-1974, met inbegrip van de compenserende bedragen. Tót de aanvaarding van deze voorstellen door de Raad bleef de Commissie toepassing geven aan het in verordening nr. 974/71 neergelegde stelsel van compenserende bedragen, dat weliswaar verscheidene doch geen fundamentele wijzigingen had ondergaan.

Het was nu tussen de publikatie van het voorstel van de Commissie inzake de wijziging van verordening nr. 974/71 en de aanvaarding door de Raad op 30 april 1973 dat de verzoeksters overeenkomsten met Russische en Poolse importeurs hebben gesloten, welke ten grondslag liggen aan de vorderingen van verzoeksters in de zaken 95 tot 97-74 en 15-75 en ten dele ook in de zaak 98-74.

Bij verordening (EEG) nr. 1112/73 van de Raad van 30 april 1973 (PB 1973, nr. L 114, blz. 4), in werking getreden op 1 mei 1973, is artikel 2, lid 1, van verordening (EEG) nr. 974/71 gewijzigd als volgt:

„… De compenserende bedragen (zijn) gelijk aan de bedragen die worden verkregen door op de prijzen het volgende toe te passen:

a) voor wat de Lid-Staten betreft waarvan de munteenheid onderling wordt gehandhaafd binnen een maximummarge op een bepaald moment van 2,25 %, een percentage dat het verschil weergeeft tussen: de omrekeningskoers die in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid wordt gebruikt, en de uit de spilkoers voortvloeiende omrekeningskoers;

b) voor wat de andere dan de sub a bedoelde Lid-Staten betreft, het gemiddelde van de percentages die het verschil weergeven tussen: de verhouding tussen de omrekeningskoers die in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de munteenheid van de betrokken Lid-Staat wordt gebruikt, en de officiële pariteit, of in geval deze pariteit niet wordt aangehouden, de spilkoers, van elk der munteenheden van de sub a bedoelde Lid-Staten, en de contante wisselkoers voor de munteenheid van de betrokken Lid-Staat ten opzichte van elk der munteenheden der sub a bedoelde Lid-Staten …”

Verordening nr. 1112/73 is luidens artikel 3 van toepassing „vanaf de dag waarop de voor de toepassing ervan noodzakelijke bepalingen … van kracht worden.”

Verzoekster in de zaak 100-75 sloot op 18 mei 1973 met een Japans bedrijf het leveringscontract dat ten grondslag ligt aan haar verzoekschrift.

Op 30 mei 1973 stelde de Commissie twee uitvoeringsverordeningen voor verordening nr. 1112/73 vast (verordeningen nrs. 1463/73 en 1469/73), welke eerste zijn opgenomen in het Publikatieblad op 4 juni 1973, op welke datum zij ook in werking traden.

Volgens de derde overweging van verordening nr. 1469/73 had de nieuwe wijze van berekening van de monetaire compenserende bedragen tot gevolg dat voor Denemarken en Frankrijk geen bedragen werden vastgesteld.

De gevolgen van de nieuwe berekeningswijze zijn uiteengezet in de overwegingen van verordening (EEG) nr. 2042/73 van de Commissie (PB 1973, nr. L 207, blz. 34), houdende overgangsmaatregelen voor de toepassing van het op 4 juni 1973 ingevoerde nieuwe stelsel van monetaire compenserende bedragen:

„Overwegende dat het nieuwe stelsel van monetaire compenserende bedragen dat sedert 4 juni 1973 van toepassing is, met name tot gevolg heeft dat het monetaire compenserende bedrag van een Lid-Staat niet meer de verhouding weergeeft tussen de munteenheid van die Lid-Staat en de dollar van de Verenigde Staten; dat bij de verrekening van de heffing en de restitutie wordt uitgegaan van de fluctuatie van de dollar of enige andere munt ten opzichte van de gezamenlijke zwevende valuta's van de Lid-Staten; dat het nieuwe stelsel derhalve tot gevolg heeft dat de handelaars zich moeten dekken tegen het wisselrisico terwijl in het vroegere stelsel het wisselrisico ten opzichte van de dollar door het monetaire compenserende bedrag was gedekt;

Overwegende dat de handelaars op de hoogte waren van de wijzigingen in de regeling inzake pariteiten bij verordening nr. 1112/73 van de Raad van 30 april 1973, houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 974/71 …;

dat evenwel pas bij verordening (EEG) nr. 1463/73 van de Commissie van 30 mei 1973, houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de monetaire compenserende bedragen werd bepaald dat het nieuwe stelsel op 4 juni 1973 in werking zou treden;

Overwegende dat wanneer vóór genoemde datum een heffing of een restitutie vooraf was vastgesteld, de handelaars schade kunnen leiden ten gevolge van de ontwikkeling van de dollarkoers bij de overgang van het ene stelsel naar het andere;

Overwegende dat het derhalve billijk is, naar aanleiding van de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel op 4 juni 1973, te bepalen dat het op 3 juni 1973 geldende monetaire compenserende bedrag van toepassing is voor elke invoer of uitvoer ten aanzien vóór genoemde datum om voorfixatie van de heffing of de restitutie was gevraagd; … dat deze maatregelen evenwel slechts op verzoek moeten worden toegepast”.

Artikel 1 luidt:

„Op verzoek van de betrokkene wordt het op 3 juni 1973 geldende monetaire compenserende bedrag, inclusief de coëfficiënt van toepassing op de heffing of de restitutie, toegepast in plaats van het op de dag van invoer of van uitvoer geldende bedrag voor elke transactie die na genoemde datum wordt uitgevoerd en waarvoor de heffing of de restitutie vóór 4 juni 1973 vooraf was vastgesteld of waarvoor in de suikersector vóór genoemde datum een gunning had plaatsgevonden”.

Deze verordening trad in werking op 28 juni 1973 en was van toepassing vanaf 4 juni 1973.

3.

Verzoeksters zijn allen in Frankrijk gevestigde graanexporteurs die uitvoercertificaten hadden verkregen voor partijen in Frankrijk geproduceerde en naar de Sovjetunie, Polen en Rusland geëxporteerde gerst en zachte tarwe.

De certificaten waren verkregen op nagenoemde tijdstippen en voorwaarden:

Union nationale des coopératives agricoles de céréales:

131 uittreksels van certificaten voor 169599 ton gerst voor export naar de Sovjetunie, na opsplitsing van vijf tussen 20 en 24 april afgegeven certificaten, waarvoor de oorspronkelijke aanvragen op 30 maart 1973 waren ingediend door Compagnie Continentale France. In alle gevallen was de uiterste exportdatum 31 juli (langlopende geldigheidsduur).

Verzoekster verkreeg deze uittreksels tussen 25 april en 26 juli.

Société Coopérative Agricole de la Haute Normandie:

een uittreksel van certificaat voor 6000 ton gerst voor export naar de Sovjetunie. Dit uittreksel maakt deel uit van een op 30 maart door Compagnie Continentale France aangevraagd en tussen 20 en 24 april afgegeven certificaat met een langlopende geldigheidsduur tot 31 juli.

Société de commerce, de stockage et d'études de l'Ouest Europeen:

zeven uittreksels van certificaten voor 60000 ton gerst voor de Sovjetunie, na opsplitsing van een door Compagnie Continentale France tussen 20 en 24 april verkregen (langlopend) certificaat. De uiterste datum van export was 31 juli. Het uittreksel werd door Compagnie Continentale France omstreeks 20 juli overgedragen aan verzoekster.

De certificaten in handen van Compagnie Continentale France bestaan uit drie tranches van maart, april en mei 1973:

1.Zes op 30 maart door Compagnie Continentale France aangevraagde certificaten voor uitvoer van gerst naar de Sovjetunie. Deze waren op 20 april toegekend met een (langlopende) geldigheidsduur tot 31 juli, welke voor een aantal leveranties zou worden verlengd tot 15 augustus. Zij werden opgesplitst in 278, tussen begin mei en eind juli afgegeven, uittreksels voor in totaal 226919 ton.

2.Twee op 2 april door Compagnie Continentale France aangevraagde certificaten voor uitvoer van gerst naar de Sovjetunie met een (gewone) geldigheidsduur tot 30 juni, opgesplitst in drie tussen 15 en 21 juni afgegeven, uittreksels voor in totaal 1906 ton.

3.Zeven tussen 9 en 15 mei door Compagnie Continentale France aangevraagde certificaten voor uitvoer van gerst naar de Sovjetunie met een (gewone) geldigheidsduur tot 31 juli, opgesplitst in 88, in juni-juli afgegeven, uittreksels voor in totaal 16952 ton. Negen tussen 2 en 22 mei door Compagnie Continentale France aangevraagde certificaten voor uitvoer van zachte tarwe naar de Sovjetunie tegen 31 juli met een (gewone) geldigheidsduur tot 31 juli, opgesplitst in 88, in juli afgegeven, uittreksels voor in totaal 191017 ton.

Compagnie Algérie de meunerie:

één door haar op 30 maart aangevraagd certificaat voor 35 ton gerst voor uitvoer naar Polen op grond van een overeenkomst van 23 maart. Het certificaat was verleend op 20 april voor uitvoer vóór 31 juli (langlopende geldigheidsduur).

Comptoir Commerciale André et Cie:

één uittreksel voor 14000 ton gerst voor uitvoer naar Japan. Dit uittreksel maakt deel uit van een op 11 mei 1973 door Etablissements G & P Levy aangevraagd certificaat met een (gewone) geldigheidsduur tot 31 juli. Op 27 juni 1973 werd dit certificaat ingevolge een protocol tussen Etablissements G & P Levy en verzoekster van 24 mei 1973 overgedragen aan Comptoir.

4.

In april 1973 ondertekenden tien Franse graanexporteurs een protocol voor de tenuitvoerlegging van een overeenkomst welke zij op 28 maart 1973 hadden gesloten met VO Exportkhleb te Moskou voor de levering van 500000 ton in Frankrijk geproduceerde gerst. De onderhandelingen hierover waren gevoerd door de Franse Regering. Het ging om een „prestige-overeenkomst” met een beperkte winstmarge. Verzoeksters in de zaken 95 tot 98-74 zijn de deelnemers in dit zogenaamde „France Céréales”-consortium.

Volgens artikel 3 van het protocol van april 1973 was Compagnie Continentale France belast met alle administratieve formaliteiten bij de Franse autoriteiten en eventueel de Gemeenschapsautoriteiten, zoals het aanvragen van de uitvoercertificaten en de restituties en in het algemeen alle onderhandelingen met die autoriteiten, met de bevoegdheid tot dading bij geschil. Dit is de reden dat de meeste uitvoercertificaten werden verkregen door Compagnie Continentale France, en vervolgens werden overgedragen aan verzoeksters in de zaken 95 tot 97-74.

5.

In de nieuwe regeling der compenserende bedragen wordt niet meer rechtstreeks rekening gehouden met de wisselkoers van de VS-dollar. De restitutie bij uitvoer wordt voortaan berekend op basis van de wereldmarktprijzen die niet naar de officiële pariteit van de dollar, doch naar een voor de dollar representatieve wisselkoers worden omgerekend in rekeneenheden en Franse franken. Ondanks deze nieuwe berekeningsmethode werd de uitvoerrestitutie sedert juni 1973 tot nul teruggebracht. Daarentegen ontvingen de verzoeksters die voorfixatie van de uitvoerrestitutie hadden verkregen naar het restitutiebedrag per 30 maart, een maximumrestitutie van 38 rekeneenheden per ton. Een aantal verzoeksters brachten de Commissie reeds op 5 juni onder het oog dat het nieuwe stelsel zou gelden voor exporten die nog openstonden met reeds verkregen certificaten, en verzochten om overgangsmaatregelen.

De verzoeksters hebben op grond van verordening nr. 2042/73 op hun verzoek het compenserend bedrag ontvangen dat gold op 3 juni 1973. Ter berekening van dit bedrag werd als referentieperiode voor de gemiddelde koers van de VS-dollar het tijdvak van 17 tot 23 mei genomen; deze koers bedroeg toen 4,425 Ffr.

Verzoeksters menen dat, wanneer de compenserende bedragen nog volgens de vorige methode waren berekend, zij op de datum van feitelijke uitvoer een hoger monetair compenserend bedrag hadden gekregen dan dat van 3 juni 1973.

B — Procesverloop

Van oordeel dat verordening nr. 2042/73 slechts ten dele de financiële gevolgen van de toepassing van verordening nr. 1112/73 in samenhang met verordening nr. 1463/73 ongedaan maakt, stelden verzoeksters elk een aansprakelijkheidsactie in tegen de Commissie en de Raad.

Bij beschikking van 25 februari 1975 werden de zaken 95 tot 98-74 voor behandeling en voor het arrest gevoegd.

Bij beschikking van 17 maart 1975 werd de zaak 15-75 voor de behandeling en voor het arrest gevoegd met de gevoegde zaken 95 tot 98-74.

Bij beschikking van 26 september 1975 werd de zaak 100-75 voor de behandeling gevoegd met de gevoegde zaken 95 tot 98-74 en 15-75, daar verzoekster ervan af zag nadere memoriën in te dienen. Ten aanzien van de eventuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap gaven verweeerders te kennen dat hun memoriën in de gevoegde zaken 95 tot 98-74 en 15-75 moesten worden geacht mede betrekking te hebben op de zaak 100-75.

Het Hof heeft, op rapport van de Rechter-Rapporteur en gehoord de Advocaat-Generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het Heeft de verzoeksters in de zaken 95 tot 98-74 gevraagd copieën over te leggen van de originele uitvoercertificaten en verzoekster in de zaak 98-74 copieën over te leggen van de contracten inzake de litigieuze exporten.

C — Conclusies van partijen

In de zaak 95-74:

Verzoekster concludeert dat het den Hove behage:

„de Raad en de Commissie hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan haar van schadevergoeding ad 3314203,67 Ffr., te vermeerderen met de wettelijke interessen vanaf de dag van indiening van het verzoek”.

In de zaak 96-74:

Verzoekster concludeert dat het den Hove behage:

„de Raad en de Commissie hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan haar van schadevergoeding ad 153460,31 Ffr., te vermeerderen met de wettelijke interessen vanaf de dag van indiening van het verzoek”.

In de zaak 97-74:

Verzoekster concludeert dat het den Hove behage:

„de Raad en de Commissie hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan haar van schadevergoeding ad 418369,47 Ffr., te vermeerderen met de wettelijke interessen vanaf de dag van indiening van het verzoek”.

In de zaak 98-74:

Verzoekster concludeert dat het den Hove behage:

Ten name van de Europese Economische Gemeenschap de Raad en de Commissie te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van 11662442,21 Ffr. ter vergoeding van de door haar onder genoemde omstandigheden geleden schade, te vermeerderen met interessen ter hoogte van het disconto van de Banque de France vanaf de dag van indiening van het onderhavig beroep;

2. Ten name van de Europese Economische Gemeenschap de Raad en de Commissie te verwijzen in de kosten van het geding.”

In de zaak 15-75:

Verzoekster concludeert dat het den Hove behage:

„de Europese Economische Gemeenschap te veroordelen tot betaling aan verzoekster, eventueel na deskundigenverificatie van de door verzoekster overgelegde staat, van een bedrag van 671011,84 Ffr. als schadevergoeding, met interessen ter hoogte van het disconto van de Banque de France te rekenen vanaf de datum van het onderhavig verzoekschrift, met verwijzing van de Europese Economische Gemeenschap in de kosten”.

In de zaak 100-75:

Verzoekster concludeert dat het den Hove behage:

Verzoeksters beroep tegen de Europese Economische Gemeenschap, ten name van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap en van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, tot vergoeding van de schade welke door de schending van verzoeksters verkregen rechten, of althans door de schending van de algemene regel van bescherming van het gerechtvaardigd vertrouwen van de betrokkenen in de toepassing van de regeling onder vigeur waarvan zij verbintenissen hebben aangegaan, aan verzoekster is toegebracht bij de exporten van gerst naar Japan, welke zij na 4 juni 1973 heeft verricht met certificaat nr. FA/079593 — uittreksel FA/112019, ontvankelijk en gegrond te verklaren;

b) Subsidiair verzoeksters beroep tegen de Europese Economische Gemeenschap, ten name van de Raad van de Europese Gemeenschappen en van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, tot vergoeding van de door verzoekster geleden schade bij de export van gerst, welke zij na 4 juni 1974 heeft verricht op het uitvoercertificaat nr. FA/079593 — uittreksel FA/112019, ten gevolge van de fouten welke de Commissie heeft begaan door enerzijds de graanexporteurs tot 28 juli 1973 in onzekerheid te laten omtrent de overgangsmaatregelen bij de toepassing van het nieuwe stelsel van de na 4 juni geldende monetaire compenserende bedragen, en anderzijds in haar verordening nr. 2042/73 geen enkele rekening te houden met het feit dat de graanexporteurs in ieder geval niets konden doen om hun wisselkoersrisico tegen de dollar per ten vroegste 5 juni 1973 te dekken, ontvankelijk en gegrond te verklaren,

c) In het ene en het andere geval de Europese Economische Gemeenschap te veroordelen tot betaling aan verzoekster, eventueel na deskundigenverificatie van de door verzoekster overgelegde staat, van een bedrag van 175368,61 Ffr. als schadevergoeding met interessen ter hoogte van het disconto van de Banque de France te rekenen van de datum van het onderhavige verzoek, met verwijzing van de Europese Economische Gemeenschap in de kosten van het geding.”

De Raad concludeert dat het den Hove behage:

„de beroepen 95 tot 98-74, 15-75 en 100-75 niet-ontvankelijk, althans ongegrond te verklaren, te verwerpen en verzoeksters te verwijzen in de kosten van het geding”.

De Commissie concludeert dat het den Hove behage:

„de beroepen 95 tot 98-74, 15-75 en 100-75 te verwerpen en verzoeksters te verwijzen in de kosten van het geding”.

D — Middelen en argumenten van partijen

1. De ontvankelijkheid

De Raad werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid op tegen de beroepen 95 tot 97-74 op grond dat de verzoeksters, die door overdracht na 4 juni vroeger gedateerde certificaten hebben verkregen, niet kunnen staande houden dat hun rechtszekerheid of verworven rechten zijn aangetast. Op dat tijdstip — 4 juni — waren de toepassingsverordeningen van de Commissie reeds van kracht. Daar de door verzoeksters aangevoerde grond aldus gebrekkig is, zijn de beropen niet-ontvankelijk.

Ten antwoord wijzen verzoeksters in de zaken 95 tot 98-74 op het bestaan van de maatschap France Céréales, waarin zij deelgenoten zijn. In het kader hiervan had Compagnie Continentale France te zorgen voor alle certificaten die naderhand aan de andere ondernemingen zijn overgedragen. Compagnie Continentale France heeft aldus de belangen beheerd van een maatschap met de verzoeksters als deelgenoten. Het feit dat de uitvoercertifcaten na 4 juni 1973 zijn overgedragen, kan hen niet afsnijden van een vorderingsrecht dat hun als deelgenoten in de maatschap France Céréales toekwam.

2. Het nieuwe stelsel van compenserende bedragen volgens verordening nr. 1112/73 van de Raad

Compagnie Continentale France betoogt dat onder het mom van een aanpassing van de berekening der compenserende bedragen de doelstelling hiervan radicaal is gewijzigd. Op de datum van inwerkingtreding der verordening waren de betrokken Lid-Staten niet teruggekeerd tot de toepassing van de internationale regeling, de enige grond waarop volgens artikel 8 van verordening nr. 974/71 het bij deze verordening ingevoerde stelsel kon worden afgeschaft: zie zaak 9-73, Schlüter t. Hauptzollamt Lörrach (Jurispr. 1973, blz. 1160).

Verordening nr. 1112/73 komt bij exporten van een Lid-Staat naar een derde land in de praktijk neer op een weigering tot compensatie van schommelingen in de verhouding tussen de VS-dollarkoers en de omrekeningskoers van de door deze Lid-Staat gebezigde munteenheden in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

Daar de compenserende bedragen niet meer dienden om pariteitsafwijkingen van de valuta van een Lid-Staat ten opzichte van de VS-dollar recht te trekken, boden zij niet meer de bescherming van de exporteurs tegen monetaire schommelingen, waarvoor zij in het leven waren geroepen. De Commissie realiseerde deze bescherming thans door middel van de restituties.

Compagnie Continentale France is van mening dat deze wijziging van de rol der restitutie de grens overschrijdt van de enkele toepassing van een raadsverordening.

Volgens de Commissie is de berekening van de compenserende bedragen alleen gewijzigd om dit stelsel aan te passen aan de nieuwe internationale monetaire situatie.

De Gemeenschapsregeling spreekt nergens van koersgaranties tegen schommelingen van de dollar. Blijkens de overwegingen van verordening nr. 974/71 is het stelsel in het leven geroepen om ontwrichting van het interventiesysteem alsmede „abnormale prijsbewegingen, welke een gevaar betekenen voor de normale conjuncturele ontwikkeling op landbouwgebied”, te voorkomen.

De in dit stelsel verleende compensatie heeft derhalve een abstract en forfaitair karakter en houdt dus ook geen rekening met de bijzonderheden van individuele handelstransacties (zie zaak 5-73, Balkan, Jurispr. 1974, blz. 1091).

Weliswaar was onder de oude regeling de handelaar bij een contractueel betalingsbeding in dollars min of meer beveiligd tegen de nadelige gevolgen van een waardeverandering van de dollar tussen het tijdstip van afsluiting en van uitvoering van het contract, doch dit is een feitelijke kwestie die afhangt van de omstandigheden van het geval en niets te maken heeft met een doelstelling van het oude systeem.

De wijziging van de berekening der heffingen en restituties naar de werkelijke wisselkoers van de dollar en niet meer naar zijn officiële pariteit, valt binnen de bevoegdheden van de Commisie krachtens artikel 3 van verordening nr. 129/62.

De Raad voegt hieraan toe dat de structuur van de compenserende bedragen niet is veranderd. De Raad heeft, steunend op de monetaire besluiten van 11 maart 1973, de zwakke punten uit het systeem verwijderd.

3. De rechten van verzoeksters

Volgens verzoeksters in de zaken 95 tot 97-74 is verordening nr. 1112/73 onwettig wegens haar gevolgen voor reeds bestaande verplichtingen en wegens haar terugwerkende kracht waardoor verworven rechten worden aangetast.

De graanexporteurs hadden een verworven recht op betaling van een compenserend bedrag, aangezien het aanvankelijk facultatieve compenserende bedrag met de invoering van verordening nr. 2746/72 een verplicht en automatisch karakter had gekregen.

Verzoeksters betogen dat zij door de verlening der uitvoercertificaten met voorfixatie van het restitutiebedrag recht hadden verkregen en behouden op het toen geldende compenserende bedrag voor alle onder vigeur der certificaten verrichte exportleveranties. Dat het hier om een recht handelt, blijkt uit de volgende feiten:

a) De toekenning van een compenserende bedrag heeft sedert de inwerkingtreding van verordening nr. 2746/72 een verplicht en automatisch karakter gekregen;

b) De compenserende bedragen worden, ten aanzien van de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, beschouwd als een onderdeel van de restituties bij uitvoer naar derde landen; het recht op een bepaalde wijze van berekening der compenserende bedragen is uit dezelfde hoofde verkregen als het recht op restituties;

c) Uit het feit dat verordening nr. 1112/73 niet terstond van toepassing was, doch eerst vanaf de dag waarop de nodige uitvoeringsregelingen in werking traden, blijkt de wil van de wetgever om een eind te maken aan de overgangsmaatregelen, die noodzakelijk waren wegens het bestaan van een verkregen recht.

Het arrest in de zaak 1-73 — Westzucker (Jurispr. 1973, blz. 723) kan niet zonder meer op het onderhavige geval worden getransponeerd. Er bestaat een duidelijk verschil tussen de regeling der compenserende bedragen voor suiker en die voor graan.

Verzoekster in de zaak 98-74 betoogt dat zij door de afgifte van uitvoercertificaten met voorfixatie de volgende rechten had verworven:

het recht op de restitutie geldend op de dag van afgifte van het certificaat,

het recht om het certificaat gedurende een bepaald tijdvak te gebruiken,

het recht op monetaire compenserende bedragen.

Door wijziging te brengen in het doel en de berekening der monetaire compenserende bedragen heeft de Raad de exporteurs die op 4 juni 1973 nog ongebruikte certificaten met voorfixatie der restitutie bezaten, beroofd van wettig verkregen rechten:

a) Met het loslaten van de VS-dollarkoers verviel de bescherming der exporteurs krachtens de basisteksten;

b) Terwijl na 4 juni 1973 de schommelingen van de VS werden gevolgd bij de dagelijkse vaststelling van het heffings- en restitutiebedrag, waren die schommelingen niet van invloed op de vóór 4 juni 1973 geprefixeerde restituties. De exporteurs die zich in dezelfde positie bevonden als verzoekster, hadden recht op restituties waarbij geen rekening werd gehouden met monetaire schommelingen. Bovendien ontging hun het afzonderlijke monetaire compenserende bedrag dat bestemd was om deze schommelingen te dekken;

c) Doordat verordening nr. 509/73 de bevoegdheid van de Lid-Staten om compenserende bedragen te verlenen, had omgezet in een verplichting, ingeval van fluctuatie van een munteenheid buiten de gestelde grenzen, ging elke afgifte van certificaten gepaard met een recht op compenserende bedragen, zodra was voldaan aan de in die verordening genoemde voorwaarden.

Deze opvatting vindt bevestiging in verordening nr. 2042/73 van de Commissie:

a) Door overgangsmaatregelen uit te vaardigen ten behoeve van exporteurs die certificaten met voorfixatie hadden gaf de Commissie te kennen zich gebonden te achten door een hogere rechtsregel ter bescherming van particulieren. Elke andere uitleg ontzegt aan de verordening het karakter van uitvoeringsverordening.

b) Deze verordening geeft duidelijk blijk van een aantasting van verworven rechten. Om hieraan tegemoet te komen, wordt in de verordening, welke het recht van de exporteurs op een waarborg tegen het wisselrisico erkent, de waarborg willekeurig beperkt tot hetgeen zij zouden hebben genoten, indien alle nog geldige certificaten op 3 juni 1973 waren verbruikt.

Verzoekster in de zaak 15-75 betoogt dat het vóór 4 juni 1973 geldende stelsel van monetaire compenserende bedragen de graanexporteurs een waarborg gaf tegen het wisselrisico van de dollar. Onder vigeur van deze regeling had verzoekster een uitvoercertificaat met prefixatie van de restitutie aanvaard, waarmee zij tevens recht kreeg op toepassing van het oude stelsel.

Verzoekster in de zaak 100-75 voert in hoofdzaak dezelfde argumenten aan als verzoekster in de zaak 15-75.

Volgens de Raad kan er slechts sprake zijn van verworven rechten wanneer ten minste aan twee voorwaarden is voldaan:

1. Het individuele besluit op grond waarvan een verworven recht wordt ingeroepen, moet betrekking hebben op hetzelfde onderwerp als dat recht,

2. De regeling mag — met name vanwege haar publiekrechtelijk karakter — niet van tijdelijke aard of vatbaar voor wijziging zijn.

Bij de compenserende bedragen gaat het om een bijzonder mechanisme met een bijzondere functie, waarvoor andere toepassingsregels zijn vereist dan voor de restituties. Daar de bij verordening nr. 1112/73 aangebrachte verandering in de wijze van berekening der compenserende bedragen noodzakelijk was in verband met de functie van dit mechanisme, kon zij ook onmiddellijk ingaan.

De gelijkstelling van de compenserende bedragen met de restituties in artikel 7 van verordening nr. 974/71 in de toenmalige versie, was een gevolg van het zuiver budgettaire besluit om de compenserende bedragen niet meer uit nationale maar communautaire middelen te financieren.

Daar het op de dag van export geldende compenserende bedrag wordt toegekend, mogen de compenserende bedragen in functie en berekening niet worden gelijkgesteld met voorfixatie van de restituties.

Tussen deze beide is er een hemelsbreed verschil. De compenserende bedragen vormen een monetaire correctie om bij zwevende pariteiten de prijseenheid op de markt te handhaven. Men kan onmogelijk beweren dat de restitutiebepalingen tot verworven rechten leiden voor de compenserende bedragen. Het compenserende bedrag biedt geen waarborg voor de wisselkoers, doch heeft uitsluitend ten doel ontwrichting van het handelsverkeer tussen de Lid-Staten te vermijden.

Om dwingende redenen van economische politiek zijn de instellingen gerechtigd nieuwe bepalingen toe te passen op de gevolgen van feitelijke situaties welke onder vigeur van de oude wet zijn ontstaan (zie zaken 57-72, Westzucker, Jurispr. 1973, blz. 321, 1-73, Westzucker, Jurispr. 1973, blz. 723, 143-73, Sopad, Jurispr. 1973, blz. 1433).

Ten aanzien van de compenserende bedragen zijn de Gemeenschapsinstellingen niet slechts bevoegd maatregelen met onmiddellijke werking te treffen, doch ook de voor- en nadelen van het te kiezen stelsel globaal te beoordelen (5-73 Balkan, Jurispr. 1973, blz. 1091).

Het niet onderkennen van de basisvoorwaarden voor de regeling van de compenserende bedragen en het belemmeren van eventueel noodzakelijke aanpassingen, zou de chaos op de internationale wisselmarkt of de wereldmarkt voor landbouwprodukten kunnen doen overslaan op de gemeenschappelijke landbouwmarkt.

Artikel 8 van verordening nr. 974/71 betekent alleen dat de compenserende bedragen die immers een afwijking van de markteenheid vormen, niet eeuwigdurend zijn. Het tijdelijke karakter van de compenserende bedragen blijkt ook uit zes overwegingen bij deze verordening evenals uit het grote aantal wijzigingen. Ten slotte geeft verordening nr. 837/72 een regeling ingeval van wijziging van de berekening der compenserende bedragen.

Volgens de Commissie is in het stelsel van monetaire compenserende bedragen opzettelijk afgezien van de mogelijkheid van voorfixatie. Hiertoe wijst de Commissie op de twee reeds in verordening nr. 837/72 geboden mogelijkheden bij wijziging van de berekening der monetaire compenserende bedragen.

In het algemeen kunnen monetaire bedragen niet worden gelijkgesteld met de restituties in de landbouwregelingen, omdat zij verschillende doeleinden hebben. De gelijkstelling ist beperkt tot de financiering.

De aanspraak op een compenserend bedrag bij uitvoer ontstaat eerst met de feitelijke exportverrichting. Het stelsel van de compenserende bedragen kan niet worden geacht gelijk te staan met een waarborg voor de handelaren tegen het risicio van wijziging van de wisselkoers (zaak 74-74, CNTA t. Commissie, Jurispr. 1975, blz. 533). Het feit dat de Lid-Staten verplicht zijn compenserende bedragen te verlenen, verandert niets aan het karakter hiervan.

4. Het vertrouwen van verzoeksters in handhaving van de wijze van berekening der compenserende bedragen

Verzoeksters in de zaken 95 tot 97-74 betogen dat zij bij hun verplichtingen tegenover hun partners in de Sovjetunie zijn uitgegaan van de Gemeenschapsregeling zoals die bestond op de datum van hun exportovereenkomsten. Ter uitvoering van de Gemeenschapscertificaten zijn de goederen zonder speciale spoedmaatregelen verzonden, omdat verzoeksters erop vertrouwden dat de compenserende bedragen hun zouden worden toegekend overeenkomstig de wetgeving op het tijdstip van afgifte der uitvoercertificaten. Derhalve dienen de Gemeenschapsautoriteiten ook in het geval dat de verordeningen van 30 april en 30 mei 1973 volkomen legaal zouden zijn, de schade te vergoeden die verzoeksters hebben geleden ten gevolge van de toepassing van deze verordeningen op vóór de publikatie hiervan verkregen uitvoercertificaten.

Verzoeksters zijn van mening dat zij in feite ook geen andere gedragslijn hadden kunnen volgen, zolang de regeling van de compenserende bedragen volgens de verordeningen nrs. 974/71 en 2746/72 van kracht was.

Zij wisten niet en behoefden ook niet te weten of het voornemen bestond de desbetreffende verordeningen te wijzigen. Uit de verstrekte mededelingen bleek niet nauwkeurig wanneer de nieuwe verordeningen in werking zouden treden. Afgezien van specualties tegen de dollar, konden zij niet anders handelen dan zij hebben gedaan.

Volgens verzoekster in de zaak 98-74 mochten de exporteurs op grond van verordeneing nr. 509/73 het gerechtvaardigd vertrouwen koesteren dat zij compenserende bedragen zouden ontvangen.

Ook exporteurs die wisten van de besluiten of voorstellen van de Gemeenschapsautoriteiten, konden niet redelijkerwijs voorzien dat de nieuwe bepalingen onmiddellijk en zonder overgangsmaatregelen zouden worden toegepast.

Een justitiabele kan niet zomaar afgaan op een voorstel van de Commissie, enerzijds omdat de Raad volledig vrij blijft om het voorstel te verwerpen of terug te wijzen naar de Commissie, en anderzijds omdat tussen de toezending van het voorstel en de inwerkingtreding van de nieuwe regeling geruime tijd kan verstrijken.

Mede door tal van andere factoren was verzoekster in de overtuiging komen te verkeren dat zij voor de transacties waarvoor vóór 4 juni 1973 exportcertificaten waren afgegeven, recht had op compenserende bedragen voor de koersafwijkingen van de VS-dollar.

Verordening nr. 1112/73 zelf duidde op geen enkele wijziging in de berekening van de compenserende bedragen en restituties voor de lopende exporttransacties naar derde landen.

Verzoekster in de zaak 15-75 is van mening dat de afgifte van het op 30 maart 1975 gedateerde uitvoercertificaat met voorfixatie van de restitutie eveneens een stilzwijgende „toezegging” inhield dat het op 30 maart 1973 geldende stelsel der compenserende monetaire bedragen zou worden toegepast op de gerstexporten die zij ingevolge het certificaat binnen vier maanden diende te verrichten, vooral omdat in de internationale graanhandel de meeste exporttransacties normaal in dollars worden afgewikkeld. Verzoeksters vertrouwen was dus gerechtvaardigd.

Verzoekster had niet zelf het risico van koerswijziging van de dollar kunnen dekken, zolang het oude stelsel van compenserende monetaire bedragen van toepassing bleef. Volgens dit systeem zou verzoekster namelijk bij daling van de dollarkoers ten opzichte van de Franse frank een monetair compenserend bedrag ontvangen en bij verhoging een compenserend bedrag moeten betalen. Indien verzoekster de dollars die zij voor haar uitvoer zou ontvangen, op termijn had verkocht en de dollar was gestegen ten opzichte van de Franse frank tussen de dag van de termijnverkoop der dollars en die van de uitvoer, had verzoekster een monetair compenserend bedrag moeten betalen en een aanzienlijk verlies geleden.

Volgens haar contracten kon verzoekster de exporten noch annuleren noch versnellen.

Verzoekster in de zaak 100-75 betoogt dat haar vertrouwen in de toepassing van de oude wijze van berekenen der compenserende bedragen bescherming verdiende, omdat zij op straffe van gehele of gedeeltelijke verbeurte van de waarborgsom verplicht was binnen de geldigheidsduur van het certificaat te exporteren.

Volgens de Commissie kan er slechts sprake zijn van schending van het gerechtvaardigd vertrouwen in de handhaving van een stelsel van berekening der compenserende bedragen, indien:

de betrokken transacties onherroepelijk zijn aangegaan;

de verliezen als gevolg van het koersrisico niet te vermijden waren;

geen enkel tegengesteld openbdar belang van dwingende aard bestaat;

de intrekking met onmiddellijke ingang en zonder waarschuwing heeft plaatsgevonden;

de Gemeenschap geen overgangsmaatregelen heeft genomen om „voorzichtige” handelaren voor verlies te behoeden of vergoeding te verschaffen, zaak 74-74 CNTA t. Commissie (Jurispr. 1975, blz. 533).

Aanvragers van langlopende certificaten met een uitzonderlijke geldigheidsduur hadden bij de indiening van het verzoek geen enkele garantie dat zij dit certificaat zouden verkrijgen. De waarborgsom die zij bij aanvraag moesten stellen, zou niet zijn verbeurd bij niet-uitvoering van het contract, doch — daar het een voorlopige waarborgsom betrof — zijn terugbetaald, indien voor de afgifte van het certificaat was gebleken dat de transactie niet tot stand kon komen. Voor de afgifte der certificaten kon derhalve geen enkele transactie worden geacht onherroepelijk te zijn aangegaan in de zin van 's Hofs jurisprudentie.

Uit het feit dat vezoeksters de overeenkomsten van 23, 28 en 29 maart vóór de afgifte der certificaten en zelfs voor afloop van de voorafgaande machtigingsprocedure hebben gesloten, blijkt dat zij hetzij door een herzienings- of ontbindingsclausule waren beschermd tegen het risico dat de certificaten niet zouden worden afgegeven, hetzij zelf een risico namen van dien aard dat hun vertrouwen geen bescherming verdient.

De wijziging van het stelsel was na het voorstel van de Commissie van 21 maart 1973 voorzienbaar. Al was die wijziging destijds nog niet zeker, toch had een oplettend en verstandig handelaar de nodige voorzorgsmaatregelen moeten nemen. Daar op 21 maart 1973 nog geen enkel contract was gesloten, hadden verzoeksters kunnen afzien van de transactie. In ieder geval was de wijziging in de regeling uiterlijk bij de vaststelling van verordening nr. 1112/73 op 30 april 1973„voorzienbaar”.

De verkrijgers van de na 4 juni 1973 overgedragen exportcertificaten hadden ter bewaring van hun rechten op hun hoede moeten zijn, gezien de facto ingetreden wijziging van het stelsel.

De verliezen waren ook niet onvermijdelijk. Verzoeksters hadden althans sedert 4 juni 1973 maatregelen kunnen nemen ter dekking van het koersrisico. Tussen 30 april en 4 juni bestond een theoretisch risico voor een stijging van de dollarkoers boven de oude pariteit, zodat de heffing van een compenserend bedrag mogelijk werd. Vanaf 4 juni was de schommeling van de dollarkoers echter van geen enkele invloed meer op de berekening van het compenserend bedrag. Het enige risico voor de handelaren bij termijnverkoop van hun dollars en een latere stijging van de dollarkoers, was toen nog een winstderving.

De Raad wijst erop dat ruim tweederde van de aanvragen voor uitvoercertificaten op 30 maart of 2 april waren ingediend, en de overige tussen 2 en 22 mei. Eerst omstreeks 20 en 25 april berichtte de ONIC dat de op 30 maart aangevraagde certificaten waren toegekend, zodat pas vanaf die data rechten konden ontstaan. Voordien hadden verzoeksters geen enkele zekerheid dat zij een certificaat zouden verkrijgen waarmee zij na 31 mei konden leveren. In de periode 20 tot 25 april was de opstelling van verordening nr. 1112/73 reeds zeer ver gevorderd.

Uitgaande van de normale geldigheidsduur der in maart aangevragde certificaten, had de Commissie als datum voor de inwerkingtreding van verordening nr. 1112/73 maandag 4 juni aangehouden. Zij nam geen andere overgangsmaatregelen.

Wel zijn later overgangsmaatregelen genomen voor de verzoeksters die langlopende certificaten hadden verkregen.

In ieder geval mag niet uit het oog worden verloren dat de Gemeenschapsautoriteiten de betrokkenen hadden gewaarschuwd dat het hier een zaak van algemeen belang betrof en dat er overgangsmaatregelen waren getroffen, zodat de Gemeenschap niet aansprakelijk kon worden gesteld (zie zaak 74-74, CNTA t. Commissie, Jurispr. 1975, blz. 533).

Het gerechtvaardigd vertrouwen waarop de handelaren aanspraak kunnen maken, mag hen verder niet de ogen doen sluiten.

In ieder geval kunnen verzoeksters in de zaken 95 tot 97-74, die hun certificaten in juni-juli 1973, dus na de verschijning van verordening nr. 1463/73, van Compagnie Continentale France hebben verkregen, niet beweren dat deze verordening hen heeft overvallen.

Bij de in mei aangevraagde certificaten met een normale geldigheidsduur tot eind juli, lagen de aanvraagdata — tussen 2 en 22 mei — na de inwerkingtreding van verordening nr. 1112/73. Volgens de Raad hadden de betrokkenen er toen mee moeten rekenen dat de uitvoeringsverordening van de ene dag op de andere kon verschijnen.

Ten slotte betoogt de Raad dat het eigenlijk de loskoppeling der Gemeenschap op 12 maart van de VS-dollar was, die heeft genoopt tot het vaststellen van verordening nr. 1112/73. De schade van verzoeksters moet worden toegeschreven aan het feit dat de koers van de dollar vanaf 12 mei geleidelijk is gedaald en dat verzoeksters volgens eigen zeggen geen voorzorgsmaatregelen hadden genomen. De Gemeenschap is niet verplicht haar onderdanen te vrijwaren voor alle schommelingen van alle munteenheden en monetaire risico's af te wentelen op de belastingbetaler.

5. De overgangsregeling

Verzoeksters verwijten de Commissie dat zij geen toereikende overgangsmaatregelen heeft genomen.

Volgens verzoeksters in de zaken 95 tot 97-74 hebben de overgangsmaatregelen niet verhinderd dat schade is geleden. De Gemeenschap is aansprakelijk wegens schending van het gelijkheidsbeginsel ten opzichte van de lasten van het gemeenschappelijk monetair beleid.

Volgens Compagnie Continentale France blijkt uit de strekking en toepassingsvoorwaarden der overgangsmaatregelen hoe gebrekkig en irrationeel deze zijn. Exporteurs van landbouwprodukten die na 4 juni, toen het nieuwe stelsel in werking trad, certificaten hadden verkregen, wisten hun monetaire compensatie gewaarborgd door de restituties die sindsdien mede de compensatie voor schommelingen van de dollar omvatten. Verzoeksters hebben echter voorfixatie van hun restituties onder de oude regeling verkregen, waaring de dollarschommelingen niet waren verdisconteerd.

Bovendien had de verordening met de overgangsmaatregelen voor de toepassing van het nieuwe stelsel van berekening der compenserende bedragen gelijktijdig met de inwerkingtreding van dit nieuwe stelsel moeten worden gepubliceerd. Maar voordat de verordening pas op 28 juli 1973 verscheen, was omtrent de overgangsregeling der compenserende bedragen niets te voorzien geweest.

Volgens Compagnie Algérienne de meunerie zijn de overgangsmaatregelen die normaliter voor de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel hadden moeten worden vastgesteld en gelijktijdig met dit nieuwe stelsel hadden moeten worden ingevoerd, eerst circa twee maanden over tijd afgekomen.

Door deze fout van de Commissie verkeerden de graanexporteurs nog tot 28 juli 1973 in het ongewisse omtrent de overgangsmaatregelen voor de toepassing van het nieuwe stelsel.

Zolang het oude stelsel van monetaire compenserende bedragen, dat de graanexporteurs dekking bood tegen de risico's voor wijzigingen van de wisselkoers ten opzichte van de dollar, van toepassing bleef en de betrokkenen niet wisten wanneer die regeling zou vervallen, kon de graanexporteur om de hierboven reeds vermelde redenen niets ondernemen om zich tegen schommelingen van de dollar te beschermen.

De Commissie heeft bij haar verordening nr. 2042/73 geen rekening gehouden met het feit dat door de late publikatie van de verordeningen nrs. 1463/73 en 1469/73 van 30 mei 1973 in het Publikatieblad van 4 juni 1973 de graanexporteurs in ieder geval niet tot 3 juni, maar minstens tot 5 juni 1973 niets vermochten te ondernemen ter dekking van hun wisselrisico.

Tussen de exporteurs die voor juni 1973 exportcertificaten hadden verkregen, is er een grove ongelijkheid naargelang zij de exporten waartoe zij zich in deze certificaten hadden verplicht, op 4 juni 1973 al dan niet hadden gerealiseerd; dit vormt een schending van het beginsel van gelijkheid van alle onderdanen tegenover de publieke dienst.

Comptoir Commercial André et Cie voert hoofdzakelijk dezelfde argumenten aan als verzoekster in de zaak 15-75.

De Raad meent dat verzoeksters met hun grieven over de gebrekkige overgangsregeling bij hem aan het verkeerde adres en in zoverre niet-ontvankelijk zijn.

De Commissie, van mening dat verzoeksters grief in wezen gericht is tegen het ontbreken van een adequate overgangsregeling, antwoordt dat de overgangsregeling van verordening nr. 2042/73 uitsluitend een billijkheidsmaatregel was en dat het de Commissie vrijstond deze al dan niet te nemen. Dat in deze verordening wordt erkend dat de handelaren schade kunnen leiden ten gevolge van de koersontwikkeling van de dollar, betekent niet dat deze schade aan de Gemeenschap kan worden verweten. Ingeval van voorfixatie bevonden deze handelaren zich in een benarde positie, zodat het gerechtvaardigd en billijk was voor hen een overgangsmaatregel te nemen.

De bevoegdheid van de Commissie uit billijkheidsoverwegingen, doch zonder rechtens daartoe verplicht te zijn, dergelijke overgangsmaatregelen vast te stellen, vloeit voort uit artikel 6 van verordening nr. 974/71 waarin de Commissie — in het kader van de beheercomitéprocedure — ruime bevoegdheden worden toegekend die nadere afwijkingen van de verordeningen inzake het gemeenschappelijk landbouwbeleid kunnen omvatten.

De ongewisheid die tot 4 juni 1973 mocht hebben bestaan omtrent de wijze van berekening, was daarna toch in ieder geval verdwenen. Het als overgangsmaatregel handhaven van het op 3 juni 1973 geldende monetaire bedrag stond gelijk met het aanhouden van de dollarkoers op die datum. Een uitbreiding van deze koersgarantie tegen dollarschommelingen na dat tijdstip zou volgens de Commissie echter de billijkheidsgrens overschrijden, temeer omdat niet viel te voorzien hoe de wisselkoers van de dollar zich verder zou ontwikkelen. De exporteurs moesten zich na 4 juni 1973 dan ook zelf dekken tegen het koersrisico in verband met de toekomstige ontwikkeling van de dollar, bij voorbeeld door termijnverkoop van de dollars die zij in betaling dachten te ontvangen.

Daar de op 30 april 1973 inwerking getreden regeling bovendien geen aanwijzigingen bevatte dat overgangsmaatregelen zouden worden getroffen voor vroegere contracten, hadden verzoeksters geen enkel geldig motief om dergelijke maatregelen af te wachten zonder voorzorgsmaatregelen te nemen.

In de betrokken kringen had men moeten beseffen dat de Commissie weinig voelde voor overgangsmaatregelen. Het oponthoud bij de totstandkoming van de verordening nr. 2042/73 was grotendeels te wijten aan de langdurige aarzeling van de Commissie om tot dergelijke maatregelen over te gaan. De ervaring van de Commissie met overgangsmaatregelen was niet bemoedigend; de handel had misbruik gemaakt van de geboden mogelijkheden en hat met name fictieve overeenkomsten aan de bevoegde nationale overheidsdiensten voorgelegd opdat de gunstiger overgangsregeling zou worden toegepast. De Commissie was dan ook voorzichtig geworden met dit soort maatregelen. Wanneer een exporteur voorfixatie heeft verkregen, bij voorbeeld op 30 maart 1973, houdt dit volstrekt niet in dat hij op dat tijdstip ook al zijn overeenkomst heeft gesloten; hij zou dit zeer wel op een later tijdstip hebben kunnen doen en daarbij reeds rekening kunnen houden met de nieuwe wijze van berekening van de monetaire bedragen.

Bovendien zou een overgangsregeling als bedoeld door verzoeksters, administratief uiterst ingewikkeld en buiten elke proportie met het nagestreefde doel zijn geweest.

Zelfs aangenomen dat de door de Commissie ingestelde overgangsregeling niet geheel bevredigend was of dat het mogelijk was geweest verdergaande overgangsmaatregelen te treffen in de door verzoeksters gewenste zin, dan nog was er volgens de Commissie geen sprake van een bijzonder ernstige en flagrante inbreuk. Zelfs wanneer men het beginsel van aansprakelijkheid zonder onrechtmatigheid aanvaardt, moet de gestelde schade het gevolg zijn van een voldoende gekwalificeerde schending van een hogere rechtsregel. Gezien de bijzonderheden van het onderhavig geval is er geen sprake van dat de wetgever het beginsel van gelijkheid voor de publieke lasten heeft geschonden door verzoeksters bijzonder ernstige schade toe te brengen.

De monetaire compenserende bedragen zijn in feite pas afgeschaft ruim een maand na de publikatie van verordening nr. 1112/73, die overigens geen twijfel liet bestaan over haar gevolgen voor de Franse markt. Het verschil met de situatie in de eerder geciteerde zaak CNTA is duidelijk. Aan de intrekking is trouwens een groot aantal waarschuwingen voorafgegaan.

De Commissie is niet verplicht maatregelen te nemen om de betrokkene te herstellen in de toestand alsof geen wijziging van de wetgeving had plaatsgevonden. Het feit dat de onderhavige maatregelen met enige vertragingen zijn genomen, schaadt verzoeksters niet. Deze maatregelen hebben de exporteurs althans compensatie geboden voor het gedeelte der verliezen dat zij niet konden ontgaan met een dekking van het wisselrisico. De overgangsmaatregelen konden ook bestaan in een schadeloosstelling (zie bovengenoemd arrest CNTA).

6. De schade

Verzoeksters stellen als schade waarvan zij vergoeding vragen, het verschil tussen het door hen ingevolge verordening nr. 2042/73 werkelijk ontvangen compenserend bedrag en het compenserend bedrag dat zij zouden hebben ontvangen indien de berekeningswijze die gold op de dag waarop zij de uitvoercertificaten hebben verkregen, was gehandhaafd gedurende de gehele geldigheidsduur van deze certificaten. Door deze berekeningswijze te verlangen, willen verzoeksters een interlocutoir arrest voorkomen dat alleen betrekking heeft op de vraag van de aansprakelijkheid.

De Raad en de Commissie willen in dit stadium van de procedure niet treden in de begroting van de schade, omdat zijn menen dat het Hof zich eerst moet uitspreken over de eventuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap. De Raad en de Commissie betwijfelen echter of verzoeksters de gestelde verliezen werkelijk hebben geleden. De Commissie meent dat verzoeksters hun werkelijke verliezen moeten aantonen, wanneer het Hof de grief over schending van verworven rechten verwerpt.

Overwegende dat partijen ter terechtzitting van 9 oktober 1975 in hun pleidooien zijn gehoord;

Overwegende dat de Advocaat-Generaal ter terechtzitting van 12 november 1975 conclusie heeft genomen;

Ten aanzien van het recht

1.

Overwegende dat de zes beroepen strekken tot veroordeling van de Gemeenschap tot betaling van verschillende bedragen ter vergoeding van de schade die aan verzoeksters zou zijn toegebracht door de toepassing van de bij 's Raads verordening nr. 1112/73 (PB 1973, nr. L 114, blz. 4) ingevoerde nieuwe wijze van berekening van compenserende bedragen op exporten waarvoor tevoren exportcertificaten waren verleend;

2.

dat de overgangsmaatregelen, door de Commissie vastgesteld bij verordening nr. 2042/73 (PB 1973, nr. L 207, blz. 34) de schade als gevolg van de toepassing van deze nieuwe methode weliswaar hebben verzacht, doch niet volledig hebben kunnen wegnemen;

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

3.

Overwegende dat de Commissie, zonder uitdrukkelijk een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen, zich afvraagt of de beroepen in de zaken 95 tot 98-74 voldoen aan artikel 37, paragraaf 4, van het Reglement voor de procesvoering, inzoverre zij niet vergezeld gaan van de overeenkomsten en uitvoercertificaten op grond waarvan verzoeksters betogen dat zij recht hebben verkregen op toepassing van een bepaalde wijze van berekening der compenserende bedragen, respectievelijk dat zij hebben gehandeld in het vertrouwen dat deze methode van toepassing zou blijven;

4.

Overwegende dat de genoemde onregelmatigheden verweerders niet alleen hebben kunnen schaden bij de voorbereiding van hun verweer, doch bovendien zonder steekhoudende verklaring eerst zijn gebeterd na afsluiting van de schriftelijke behandeling en slechts enkele dagen voor de mondelinge behandeling;

5.

dat het Hof in de huidige stand van het geding geen uitspraak kan doen over het bedrag van een schade, doch wel over de prealabele vraag van de eventuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap;

6.

Overwegende dat de uitvoercertificaten in de zaken 95 tot 97-74 en 100-75, en ten dele ook in de zaak 98-74, door derden waren verkregen vóór de wijziging van het stelsel van compenserende bedragen of voor de datum van toepassing daarvan, terwijl de uittreksels van bedoelde certificaten eerst nadien aan verzoeksters zijn toegezonden;

7.

dat de Raad tegen deze beroepen wel een exceptie van niet-ontvankelijkheid opwerpt op grond dat het recht op schadevergoeding krachtens artikel 215 niet kan worden overgedragen, zodat de titel waarop verzoeksters zich beroepen, van gener waarde is;

8.

Overwegende dat verzoeksters in de zaken 95 tot 97-74 en 100-75 wijzen op door hen vóór de wijziging of de inwerkingtreding der wijziging gesloten overeenkomsten, op grond waarvan zij verplicht waren de uit de certificaten voortvloeiende verplichtingen te aanvaarden;

9.

dat het Gemeenschapsrecht de overdracht van uittreksels van certificaten toelaat en verzoeksters derhalve in staat moet worden gesteld aan te tonen dat zij vallen onder de categorie dergenen die rechten hebben verworven of wier vertrouwen bescherming verdient;

10.

dat het feit dat verzoeksters bepaalde uittreksels door overdracht van derden hebben verkregen, van belang van zijn voor de zaak ten gronde, doch niet kan afdoen aan de ontvankelijkheid van het beroep;

Ten principale

11.

Overwegende dat verzoeksters in de eerste plaats betogen dat de toepassing van de nieuwe wijze van berekening der compenserende bedragen op voordien overeengekomen exporten een aantasting vormde van de rechten die zij hadden verworven door de toekenning van de uitvoercertificaten met voorfixatie van de restitutie bij uitvoer;

12.

dat zij weliswaar toegeven dat voorfixatie van de compenserende bedragen niet mogelijk is, doch menen dat de berekeningswijze ten tijde van de „ondertekening” van de uitvoercertificaten moest worden gehandhaafd tijdens de gehele geldigheidsduur van bedoelde certificaten voor alle op grond daarvan verrichte exporten;

13.

Overwegende dat verordening nr. 974/71 de exporteurs nergens een recht op handhaving van een bepaalde wijze van berekening der compenserende bedragen toekent;

14.

dat ingevolge artikel 1 van deze verordening het recht op toekenning of de verplichting tot betaling van een compenserend bedrag eerst ontstaat wanneer de uitvoer plaatsvindt en eerst vanaf dat tijdstip;

15.

dat de klacht over schending van verworven rechten mitsdien moet worden verworpen;

16.

Overwegende dat verzoeksters voorts beweren dat met de toepassing van de nieuwe wijze van berekening der compenserende bedragen inbreuk is gemaakt op het vertrouwen dat zij mochten hebben in de handhaving van het oude stelsel;

17.

Overwegende dat in de eerste plaats dient te worden gewezen op het doel en de ontwikkeling van het stelsel der compenserende bedragen;

18.

dat het stelsel van de, in een bepaald gewicht aan goud uitgedrukte, communautaire rekeneenheid, dankzij de vaste verhouding tussen de munteenheden der Gemeenschap het mogelijk heeft gemaakt destijds uniforme prijzen voor de gehele Gemeenschap vast te stellen;

19.

dat de monetaire gebeurtenissen in 1971, gekenmerkt door het de facto loslaten van de internationale regeling inzake de fluctuatiemarges van de wisselkoersen, voor de Raad aanleiding zijn geweest een stelsel in het leven te roepen dat, waar nodig, de Lid-Staten de mogelijkheid bood in het handelsverkeer met de andere Lid-Staten en met derde landen compenserende bedragen bij invoer te heffen en bij uitvoer toe te kennen;

20.

dat dit stelsel ten doel had de invloed van de monetaire maatregelen op de prijzen van bepaalde basislandbouwprodukten, waarvoor interventieprijzen golden, te neutraliseren en aldus verleggingen van het handelsverkeer te voorkomen;

21.

dat het voorlopige karakter van het stelsel der compenserende bedragen wordt onderstreept in verordening nr. 974/71 van de Raad, welke in artikel 8, lid 2, bepaalt dat „deze verordening niet meer van toepassing is zodra alle betrokken Lid-Staten de regels betreffende de marges waarbinnen de wisselkoersen van de officiële pariteit mogen afwijken, weer toepassen”;

22.

dat, anders dan verzoeksters beweren, deze bepaling, die ten doel heeft de verordening aan een automatische afloopdatum te binden, niets afdoet aan de verplichting der Gemeenschapsinstellingen om het stelsel te wijzigen telkens wanneer zulks in verband met de corrigerende rol ervan nodig blijkt;

23.

dat de toepassing van het stelsel van compenserende bedragen anders zelf een bron van ontwrichtingen zou dreigen te worden;

24.

dat, nadat het stelsel inderdaad herhaaldelijk was gewijzigd en in alle toenmalige Lid-Staten ingang had gevonden, de Raad hieraan bij verordening nr. 2746/72 een verplicht karakter heeft gegeven en het voor de financiering heeft opgenomen in het gemeenschappelijk landbouwbeleid;

25.

dat ondanks deze wijzigingen de berekeningsmethode in 1971 en 1972 gelijk is gebleven en bestaat in de toepassing, op de prijzen van de betrokken land-bouwprodukten, van een percentage dat overeenkomt met het verschil tussen de officiële en de werkelijke pariteit van de nationale munteenheid ten opzichte van de dollar der Verenigde Staten;

26.

dat de Raad dusdoende in aanmerking heeft willen nemen dat het handelsverkeer veelal in dollars wordt afgewikkeld;

27.

dat zolang de wisselkoers van de dollar der Verenigde Staten in aanmerking werd genomen voor de berekening der compenserende bedragen, dit stelsel in feite wel een zekere bescherming tegen het risico van devaluatie van de dollar bood, wanneer het contract in deze munteenheid luidde, doch dat deze bescherming nimmer een doel van het stelsel is geweest;

28.

Overwegende dat, toen begin 1973 de druk op de dollar der Verenigde Staten ook na de dollardevaluatie in februari bleef aanhouden, de Raad in zijn zitting van 11 en 12 maart 1973 besloot dat enerzijds de centrale banken der Lid-Staten de dollar niet langer zouden steunen en dat anderzijds de munteenheden van zes Lid-Staten naar buiten zouden gaan zweven, doch onderling bepaalde fluctuatiemarges zouden behouden;

29.

dat vervolgens de Commissie, op verzoek van de Raad van 12 maart 1973, op 21 maart 1973 de Raad heeft voorgesteld de dollar als referentiepunt los te laten en voor de zes Lid-Staten met gezamenlijk zwevende munteenheden te vervangen door spilkoersen en voor de andere drie Lid-Staten door representatieve wisselkoersen, vastgesteld aan de hand van de koersen op de markten gedurende een referentietijdvak;

30.

dat de kans dat het voorstel van de Commissie van 21 maart, dat sinds 12 maart was te verwachten en in de betrokken kringen — zowel via de pers als door hun regelmatige contacten met de Commissie — onmiddellijk bekend werd, door de Raad zou worden aanvaard, van dag tot dag groter werd, zulks temeer omdat volgens het besluit van de Raad van 12 maart de koersverhouding tussen de munteenheden der Lid-Staten en de dollar zich dagelijks kon wijzigen;

31.

dat dit voorstel door de Raad werd aanvaard bij verordening nr. 1112/73 van 30 april 1973, bekendgemaakt op dezelfde dag en inwerking getreden is op 1 mei daaraanvolgend;

32.

Overwegende dat luidens artikel 3 van verordening nr. 1112/73 deze verordening „van toepassing is vanaf de dag waarop de voor de toepassing ervan noodzakelijke bepalingen … van kracht worden”;

33.

dat de Commissie de toepassingsverordeningen op 30 mei 1973 heeft vastgesteld doch eerst op 4 juni 1973 — de datum van inwerkingtreding — in het Publikatieblad heeft bekendgemaakt;

34.

Overwegende dat bij het onderzoek in deze context van de transacties die aan de verschillende beroepen ten grondslag liggen, een onderscheid moet worden gemaakt naargelang de exportovereenkomsten vóór of na de bekendmaking van verordening nr. 1112/73 zijn gesloten;

Ten aanzien van de nà 30 april 1974 gesloten overeenkomsten

35.

Overwegende dat de verzoeksters die na 30 april 1973 exportovereenkomsten hebben gesloten, op de hoogte moeten zijn geweest van verordening nr. 1112/73 en de nieuwe wijze van berekening van de compenserende bedragen;

36.

dat uit deze verordening nergens kon worden afgeleid dat de uitvoeringsbepalingen enige overgangsmaatregel zouden bevatten voor overeenkomsten die waren aangegaan vóór de datum van ingang van de nieuwe berekeningswijze;

37.

dat het deze verzoeksters vrijstond bij de opstelling van hun verkoopcontracten alle voorzorgsmaatregelen te nemen die hun dienstig voorkwamen, zodat zij niet staande kunnen houden dat zij zich hebben verbonden in vertrouwen op de handhaving van de oude berekeningswijze voor de voorgenomen exporten;

Ten aanzien van de vóór 30 april gesloten overeenkomsten

De overeenkomst van 23 maart
38.

Overwegende dat verzoekster in de zaak 15-75 een exportovereenkomst heeft gesloten op 23 maart 1973, dus op de dag waarop het voorstel van de Commissie aan de Raad is voorgelegd;

39.

dat het hier ging om een overeenkomst met de Poolse firma Rollimpex voor de verkoop van 35000 ton Europese gerst tegen een in dollars luidende prijs;

40.

dat verzoekster uiteenzet dat zij deze verkoopovereenkomst had kunnen uitvoeren door hetzij gerst, geproduceerd in de Gemeenschap, hetzij in andere Europese landen dan die van de Gemeenschap geproduceerde gerst te leveren;

41.

dat zij de gerst in dit laatste geval zou hebben gekocht in dollars en in het eerste geval tegen de gemeenschappelijke prijs, doch dan eventueel een restitutie bij de uitvoer en een compenserend bedrag zou hebben ontvangen;

42.

Overwegende dat, waar verzoeksters zich in de overeenkomst een optie had voorbehouden voor de herkomst van de gerst, zij niet kan beweren zich te hebben verbonden in vertrouwen op een compenserend bedrag, laat staan op handhaving van de oude wijze van berekening daarvan;

43.

dat, door op 30 maart voor de uitvoer van gerst uit de Gemeenschap te opteren middels een aanvraag van een langlopend certificaat met voorfixatie van het restitutiebedrag, verzoekster als bedachtzaam exporteur een commerciële keuze op grond van de marktsituatie heeft gedaan met alle risico's van dien;

44.

dat tot deze risico's welke op 30 maart of uiterlijk op 20 april, toen het certificaat werd afgegeven en zij haar aanvraag nog had kunnen intrekken, waren te voorzien, ook de waarschijnlijkheid van een wijziging van de berekening der compenserende bedragen behoorde;

45.

dat ook al was het niet zeker dat de door de Commissie voorgestelde wijziging door de Raad zou worden aanvaard, het toen voor een behoedzaam handelaar toch ten minste duidelijk moest zijn dat de invoering van een nieuwe berekeningswijze op handen was;

46.

dat verzoekster dan ook geen beroep kan doen op een gerechtvaardigd vertrouwen op handhaving van de oude berekeningswijze;

De overeenkomsten van 28 en 29 maart
47.

Overwegende dat bij een op 28 maart 1973 te Moskou gesloten overeenkomst tussen een Russische importeur en een Franse exporteur, de Groupement d'intérêts économique France céréales, deze laatste zich verbond tot de verkoop van 300000 ton — de volgende dag verhoogd tot 500000 ton — Franse gerst tegen een prijs in dollars;

48.

dat verzoeksters in de zaken 95 tot 98-74 hebben uiteengezet dat deze overeenkomst door de Franse Regering tot stand was gebracht als „prestige-over-eenkomst”, welke de exporteur slechts een geringe winstmarge liet, doch bestemd was om voor de Franse graanhandel een nieuwe markt open te leggen;

49.

dat de Franse Regering na de sluiting van de overeenkomst verschillende Franse handelaren had verzocht die ten uitvoer te leggen en volgens verzoekster in de zaak 98-74 hen daartoe had gedwongen;

50.

dat verzoeksters en verschillende andere handelaren in april 1973 een maatschap hebben gevormd ter uitvoering van die overeenkomst;

51.

Overwegende echter dat het ten deze overgelegde document niet is gedateerd en verzoekster in de zaak 96-74 daarin overigens niet wordt genoemd;

52.

Overwegende in ieder geval dat de Raad op 29 maart reeds had beraadslaagd over het voorstel van de Commissie en dat, gelet op alle bovenuiteengezette omstandigheden, een wijziging van het stelsel voor de berekening der compenserende bedragen voorzienbaar was;

53.

Overwegende dat dan ook niet kan worden gesteld dat de Franse gemachtigde die op dat tijdstip heeft onderhandeld over het contract van 29 maart, dit heeft gedaan in vertrouwen op de handhaving van de oude wijze van berekening van de compenserende bedragen;

54.

dat het sluiten van die overeenkomst op 29 maart voor een hoeveelheid van 500000 ton, op lange termijn en tegen betaling in dollars, zulks op een tijdstip waarop de centrale banken der Lid-Staten niet meer tussenbeide behoefden te komen om deze munteenheid te steunen, inderdaad een aanzienlijk handelsrisico vormde;

55.

dat, gelet op een en ander, niet staande valt te houden dat verzoekster bij het aangaan van de transacties rechtmatig mochten vertrouwen op handhaving van het oude stelsel;

56.

Overwegende dat derhalve de beroepen moeten worden verworpen;

Ten aanzien van de kosten
57.

Overwegende dat ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt verwezen;

58.

dat verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld;

59.

dat zij derhalve in de kosten moeten worden verwezen;

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende:

1. verwerpt de beroepen;

2. verwijst verzoeksters in de kosten.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

8
verordening 974/71 art. 83 voorkomens
verordening 974/71 art. 22 voorkomens
verordening 974/71 art. 72 voorkomens
verordening 129/62 art. 31 voorkomen
verordening 2637/70 art. 241 voorkomen
verordening 974/71 art. 61 voorkomen
verordening 133/73 art. 11 voorkomen
verordening 1112/73 art. 31 voorkomen

Rechtspraak

1

Europese Unie

1

Hof van JustitieC-181/0414.09.2006

Vrijstellingen, vrijstelling voor verhuur van zeeschepen

Bekijk het document

Rechtsleer

1
Constantinesco, Vlad: Journal du droit international 1977 p.245-248 (FR)