ARREST
Ten aanzien van de feiten
Overwegende dat de feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs EEG-Statuut ingediende opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:
I — Feiten en schriftelijke behandeling
De vennootschap Industria gomma arti-coli vari (IGAV), gevestigd te Abbiate-grasso (Milaan), importeerde in de jaren 1970 — 1973 met name uit de Lid-Staten der Gemeenschap papierprodukten voor verdere verwerking.
Op 17 mei 1974 vorderde de Ente nazio-nale per la cellulosa e per la carta (ENCC) van de vennootschap IGAV een bedrag van 23334538 lire wegens per 16 oktober 1973 verschuldigde heffing op papier en karton ingevolge wet nr. 868 van 13 juni 1940 (Gazzetta Ufficiale nr. 170 van 22 juli 1940) en wet nr. 168 van 28 maart 1956 (Gazzetta Ufficiale nr. 79 van 3 april 1956).
Op 14 juni 1974 betaalde de vennootschap IGAV per bank een bedrag van 2047031 lire aan de ENCC als heffing over de invoer uit derde landen; zij betwistte daarentegen de gegrondheid van ENCC's aanspraak op het restant van 21287507 lire over importen uit de Lid-Staten.
Op dezelfde datum diende de IGAV overeenkomstig artikel 700 van het Italiaanse wetboek van burgerlijke rechtsvordering bij de Pretura van Abbiategrasso een verzoek in om in een spoedprocedure de onverenigbaarheid vast te stellen van de litigieuze heffing met artikel 13 van het EEG-Verdrag, zoals dit door het Hof van Justitie is uitgelegd, met name in het arrest van 19 juni 1973 in de zaak 77/72 (Carmine Capolongo/Azienda Agricola Maya, verzoek om een prejudiciële beslissing van de Pretore te Coneg-liano; Jurispr. 1973, blz. 611).
De Pretore te Abbiategrasso gaf bij bevel van 28 juni 1974 gevolg aan dit verzoek en gelastte de ENCC het bedrag van 21287507 lire niet op te voeren op het heffingskohier ten laste van de vennootschap IGAV, dan wel, zo dit reeds was geschied, het kohier niet door te zenden naar de Intendenza di Finanza te Milaan.
Ter terechtzitting van 8 november 1974 verzocht de ENCC de Pretore zijn dwangbevel van 28 juni in te trekken.
Bij beschikking van 14 november 1974 besloot de Pretore te Abbiategrasso overeenkomstig artikel 177 EEG-Verdrag het geding te schorsen totdat het Hof van Justitie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak zou hebben gedaan op de navolgende vragen:
Gelet op het in het EEG-Verdrag vervatte beginsel van het vrije verkeer van goederen, strekkende tot samensmelting van de verschillende nationale markten tot één gemeenschappelijke markt binnen de Europese Gemeenschap teneinde verschillen in behandeling van de producenten van eenzelfde produkt — op grond van de verschillende herkomst hiervan — uit te sluiten, voorts gelet op het Arrest van het Hof van 19 juni 1973 in de zaak 77-72, alsmede onder verwijzing naar de artikelen 85 en 86 van het Verdrag:
I. Moet als een ingevolge artikel 13, lid 2, EEG-Verdrag verboden heffing van gelijke werking als een douanerecht worden beschouwd een heffing welke is verschuldigd voor bepaalde produk-ten zoals papier, karton en cellulose en de volgende kenmerken vertoont: zij wordt door een van de Staat onderscheiden openbaar lichaam ook gelegd op uit de andere Lid-Staten afkomstige produkten; de opbrengst wordt ingevolge wet en statuten aangewend voor de volgende doeleinden: financiering van verschillende binnenlandse activiteiten ter vergroting van de nationale landbouwproduktie van cellulose; financiering van research ten behoeve van de nationale cellulose- en papierindustrie; subsidiëring uitsluitend van krantenpapier dat in nationale papierfabrieken is geproduceerd, zodat nationale uitgevers dit papier tegen een lagere dan de marktprijs kunnen betrekken. Deze subsidie geldt niet voor kranten-en boekdrukpapier afkomstig van in de andere Lid-Staten gevestigde bedrijven.
II. Ingeval bedoelde heffing moet worden beschouwd als een heffing van gelijke werking: is artikel 13, lid 2, van het Verdrag rechtstreeks toepasselijk en kunnen particulieren daaraan een subjectief recht ontlenen om de ingevolge deze bepaling verboden heffingen te ontgaan? is dit subjectieve recht ontstaan per 31 december 1969 (einde van de overgangsperiode) of per 1 juli 1968 (tijdstip waarop de douanerechten binnen de EEG zijn afgeschaft)?
III. Is, gelet op het gestelde sub I, 2. c) en het feit dat de ENCC-heffing dient ter subsidiëring van de nationale krantenpapierproduktie, bedoelde heffing niet in strijd met de communautaire bepalingen, aangezien de uit die heffing gefinancierde subsidie alleen ten goede komt aan de nationale papierproducenten, waardoor deze in staat worden gesteld praktisch de gehele Italiaanse markt van krantenpapier onderling te verdelen met uitsluiting van de concurrenten in de Gemeenschap, hetgeen een bij de artikelen 85 en 86 van het Verdrag verboden kartel oplevert (vgl. de jaarverslagen van de ENCC over de jaren 1971, 1972, 1973)? De beschikking van de Pretore te Abbia-tegrasso is op 16 december 1974 ingeschreven ter griffie van het Hof. Overeenkomstig artikel 20 van 's Hofs EEG-Statuut zijn op 20 februari 1975 door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, op 4 maart 1975 door de regering van de Italiaanse Republiek en door de Ente nazionale per la cellulo-sa e per la carta (ENCC), verweerster in het hoofdgeding, en op 10 maart 1975 door de vennootschap IGAV, verzoekster in het hoofdgeding, schriftelijke opmerkingen ingediend. Het Hof heeft, op rapport van de Rech-ter-Rapporteur en gehoord de Advocaat-Generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
II — Bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen
De vennootschap IGAV, verzoekster in het hoofdgeding, gaat omstandig in op 's Hofs rechtspraak inzake heffingen van gelijke werking als douanerechten en van binnenlandse belastingen. Hieruit zou met name blijken dat een op zichzelf met het gemeenschapsrecht verenigbare nationale wet hiermee in strijd kan komen door haar gevolgen of doeleinden.
a) Met name de door de ENCC toegepaste heffing beantwoordt naar aard en gevolgen aan de in vraag I abstract geformuleerde kenmerken: zij wordt door een ander openbaar lichaam dan de Staat opgelegd; betaling ervan is verplicht; hoewel van toepassing op zowel nationale produkten als uit de Gemeenschap ingevoerde produkten, is zij in zekere mate discriminerend; zij dient ter financiering van de verschillende activiteiten van de ENCC, met name van maatregelen ten behoeve van de nationale produktie van grondstoffen voor de papierindustrie, research voor alleen Italiaanse ondernemingen in de land- en bosbouwsector en op het gebied van papier, het drukkers-bedrijf en de papierfabricage, alsmede steunmaatregelen voor drukkerijen en de pers in de vorm van algemene of specifieke subsidies met name voor het gebruik van op Italiaans grondgebied geproduceerd of via de ENCC ingevoerd papier, met uitsluiting van rechtstreeks uit het buitenland ingevoerd papier.
b) De onverenigbaarheid van de litigieuze heffing met het gemeenschapsrecht volgt in de eerste plaats uit het'besluit van de Commissie van 15 september 1972 om ten deze tegen de Italiaanse Republiek de procedure van artikel 93, lid 2, van het EEG-Verdrag in te leiden. Blijkens de brief die de Commissie op 20 november 1974 in afsluiting van deze procedure aan de Italiaanse Regering heeft gericht, is de steunregeling van de ENCC pas na ettelijke door de Italiaanse autoriteiten per 1 januari 1974 aangebrachte wijzingen in overeenstemming komen te verkeren met de verdragsbepalingen inzake steunmaatregelen. Als middel ter financiering van met het gemeenschapsrecht onverenigbare steun, kan de door de ENCC toegepaste heffing reeds daarom niet als een door artikel 95 toegelaten binnenlandse belasting worden beschouwd. Daarbij komt dat deze uit een parafiscale heffing gefinancierde steunmaatregelen alle „doorzichtigheid” missen, dat zij een permanent karakter hebben en geenszins tijdelijke maatregelen zijn tot sanering of steun van korte duur voor een bepaalde sector, dat zij „lastenverzwarend” werken omdat zij zijn gekoppeld aan invoerrechten, en dat de fondsen van het ENCC op duistere wijze worden aangewend. Daar met de litigieuze heffing activiteiten worden gefinancierd, die uitsluitend ten goede komen aan het nationaal fabrikaat, vertoont zij de kenmerken van een heffing van gelijke werking als een invoerrecht en is zij derhalve verboden ingevolge artikel 13, lid 2, van het EEG-Verdrag. Het Hof dient de eerste twee vragen mitsdien bevestigend te beantwoorden in dier voege dat artikel 13, lid 2, moet worden geacht vanaf 1 januari 1970 — datum van afloop van de overgangsperiode — rechtstreeks toepasselijk te zijn in de Lid-Staten.
c) De verschillende, uit de opbrengst van de litigieuze heffing gefinancierde activiteiten van de ENCC hebben eveneens tot gevolg dat de mededinging in de Gemeenschap ernstig wordt verstoord. Zo wordt de vrije mededinging tussen papierfabrieken in de Gemeenschap en die in Italië vervalst, doordat op de Italiaanse markt van krantenpapier elke concurrentie tussen de Italiaanse producenten en de ENCC wordt uitgeschakeld, de Italiaanse producenten van krantenpapier met name voor de afzet van hun produktie worden bevoordeeld boven buitenlandse papierfabrieken, en doordat voor ander dan kranten-of tijdschriftenpapier de Italiaanse ondernemingen eveneens in een gunstiger positie verkeren dan de buitenlandse ondernemingen. De vrije mededinging wordt voorts vervalst in de betrekkingen tussen Italiaanse uitgevers van kranten en tijdschriften en de uitgevers in de andere Lid-Staten: de gegarandeerde papierbevoorrading, de door de ENCC toegekende gedifferentieerde steun, en de overeenkomsten inzake in-en verkoopprijzen van papier schakelen de mededinging tussen de Italiaanse uitgeverijen uit; dezelfde factoren vervalsen de — ondanks de beweringen van het tegendeel zowel van de ENCC als van de Commissie reële — concurrentie tussen de Italiaanse en communautaire uitgevers van dagbladen en tijdschriften. Deze ernstige inbreuken op de vrije mededinging gaan gepaard met een aantal afspraken, waaraan de ENCC deelneemt en welke in strijd zijn met de artikelen 85 en 3, sub f, van het Verdrag. Overeenkomsten tussen de ENCC en de Italiaanse papierfabrieken hebben een verdeling van de nationale markt van krantenpapier teweeggebracht, als gevolg van een mechanisme van „maandquota's” en de vaststelling van de verkoopprijs van papier voor de Italiaanse dagbladuitgevers. Voorts bestaan er tussen de ENCC en de Italiaanse papierfabriken en uitgeverijen overeenkomsten over de inkoopprijs van papier. Partijen bij deze overeenkomsten zijn ondernemingen en ondernemersverenigingen in de papier- en uitgeverssector. De ENCC kan worden beschouwd als een openbaar bedrijf, voor zover zij zich met inkoop, opslag en distributie bezig houdt, of als een ondernemersvereniging, voor zover zij een „verplicht ondernemersconsortium” vormt. De betrokken afspraken hebben, al naar het geval, de vorm van overeenkomsten, onderling afgestemde feitelijke gedragingen of besluiten van ondernemersverenigingen en gaan over de vaststelling van in-of verkoopprijzen en de verdeling van de markten. Zij brengen de intracommunautaire handel ernstige schade toe, zoals blijkt uit de Italiaanse importcijfers van krantenpapier uit de Lid-Staten. Deze afspraken zijn verboden ingevolge artikel 85, lid 1, van het Verdrag; ook de deelneming daaraan door de ENCC is onwettig. Aan deze conclusie doet niet af dat de ENCC een openbaar bedrijf is: volgens artikel 90, lid 1, gelden de verbodsbepalingen van artikel 85 ook voor deze ondernemingen, terwijl artikel 90, lid 2, niet geldt voor de ENCC.
d) Het Hof van Justitie zou derhalve op de gestelde vragen dienen te antwoorden dat de door de ENCC op invoer uit de Lid-Staten toegepaste heffing onwettig is, en wel vanaf 1 januari 1970 tot aan het tijdstip waarop de aldus gemaakte inbreuken op het gemeenschapsrecht volledig zijn opgeheven.
De Ente nazionale per la cellulosa e per la carta, verweerster in het hoofdgeding, wijst op de bijzonderheden van de dwangbevelprocedure waarin het prejudicieel verzoek is gedaan en geeft een gedetailleerd overzicht van het werkterrein van de ENCC, met name op het gebied van de pers, de bosbouw en de voorlichting en statistiek. De financiering van de werkzaamheden en administratiekosten van de ENCC wordt hoofdzakelijk gewaarborgd door de heffing op papier en karton en op cellulose.
a) Wat de wettigheid van de door tussenkomst van de ENCC verleende steun betreft, mag uit de brief van de Commissie van 20 november 1974 aan de Italiaanse Regering worden afgeleid dat zij de verenigbaarheid dezer regeling niet alleen met artikel 92, maar ook met artikel 13, lid 2, van het EEG-Verdrag, heeft erkend. Deze vaststelling komt bovendien overeen met de jurisprudentie van het Hof.
b) De eerste aan het Hof voorgelegde vraag is slechts een reproductie van die welke eerder in de zaak 77-72 is gesteld. Zij is ontoelaatbaar voorzover zij strekt tot een andere uitleg van dezelfde teksten, dan wel niet-ontvankelijk voor zover zij het arrest van 19 juli 1973 beoogt uit te leggen naar het concrete geval in het hoofdgeding. Voorts zijn de — louter beschrijvende — gegevens, aangevoerd om te doen alsof het om een nieuwe en zinvolle vraag gaat, onjuist of tendentieus. Zo is het niet van belang dat de litigieuze heffing door een van de Staat onderscheiden openbaar lichaam wordt geheven, nu dit geschiedt krachtens een wet; de heffing op cellulose wordt in het hoofdgeding niet betwist en werkt in elk geval in het nadeel van het nationale produkt dat in het fabricageproces dubbel wordt getroffen; krantenpapier is van de ENCC-heffing vrijgesteld, zodat de aan de uitgevers uitgekeerde prijsaanvullingen voor krantenpapier, bij ontbreken van een belasting, geen heffing van gelijke werking als een douanerecht kunnen vormen. De vroegere situatie had hoogstens onder artikel 92 kunnen vallen, maar niet onder artikel 13, lid 2. Wat de zaak ten gronde betreft, is in casu geen der door het Hof van Justitie in het arrest van 19 juni 1973 in de zaak 77-72 genoemde voorwaarden voor het aanwezig achten van een heffing van gelijke werking als een douanerecht vervuld: er is geen identiteit tussen het belaste nationale produkt en het ondersteunde nationale produkt; de opbrengst van de heffing is niet uitsluitend voor de nationale papierindustrie bestemd; in elk geval komt de hulp niet specifiek aan nationale produkten ten goede. Hoe dan ook, het Hof kan in het kader van de onderhavige procedure niet tot een onderzoek van de betrokken feiten overgaan.
c) In de rechtspraak van het Hof van Justitie is het punt van de rechtstreekse werking van artikel 13, lid 2, reeds uitgemaakt. Deze bepaling kan naar haar aard zeer wel rechtstreekse gevolgen teweegbrengen in de rechtsbetrekkingen tussen de Lid-Staten en hun justitiabelen en bij ontbreken van een speciale richtlijn voor de afschaffing van een bepaalde heffing van gelijke werking vóór het einde van de overgangsperiode, kan ten deze slechts 1 januari 1970 als -datum in aanmerking worden genomen.
d) Met betrekking tot de artikelen 85 en 86 van het Verdrag kan afgezien van de verwarde formulering van de vraag worden vastgesteld, dat artikel 85 in casu niet toepasselijk is: er bestonden en bestaan geen overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen de nationale papierfabrieken om zich bij uitsluiting de Italiaanse markt van krantenpapier toe te eigenen. De invoer is nooit belemmerd of aan bijzondere formaliteiten of lasten onderworpen; bij import door tussenkomst van de ENCC kunnen de uitgevers steun ontvangen; de prijs van krantenpapier kan niet door concurrentiepraktijken worden beïnvloed, daar deze voor het gehele grondgebied is voorgeschreven. De beperking van de steunmaatregelen is hoogstens te wijten aan de overheid. Ook artikel 90 heeft in casu geen effect. Anderzijds is artikel 86 door het Hof reeds in de zaak 77-72 niet toepasselijk geacht. In elk geval zijn de drie door het Hof genoemde specifieke voorwaarden voor de toepassing van dit artikel, namelijk het bestaan van een machtspositie, het misbruik maken daarvan en de benadeling van het handelsverkeer tussen de Lid-Staten, in casu niet aanwezig.
e) De aan het Hof gestelde vragen kunnen derhalve als volgt worden beantwoord: het verbod van artikel 13, lid 2, betreft de heffing die, hoewel deel uitmakend van een algemeen stelsel van belastingen die volgens dezelfde criteria zowel op nationale als op ge-importeerde produkten worden toegepast, uitsluitend is bestemd ter financiering van activiteiten die met name ten behoeve van het belaste nationale produkt worden verricht; artikel 13, lid 2, is een bepaling die rechtstreeks toepasselijk is in de rechtsorde der Lid-Staten, des dat zij voor justitiabelen subjectieve rechten doet ontstaan die de nationale rechter vanaf 1 januari 1970 dient te handhaven voor alle heffingen van gelijke werking als douanerechten welke niet ingevolge richtlijnen van de Commissie op een eerdere datum dienden te worden afgeschaft; de artikelen 85 en 86 zijn niet van toepassing op een situatie waarin produkten van nationale industrieën of produkten die alleen door tussenkomst van een openbaar lichaam uit het buitenland worden ingevoerd, krachtens een officiële regeling, tot voordelen hebben geleid voor gebruikers in een andere economische sector.
De regering van de Italiaanse Republiek wijst erop dat de kernvraag in de onderhavige zaak geheel gelijk is aan die welke het Hof in het arrest 77-72 heeft onderzocht en beslist. Het Hof oordeelde toen dat een last welke deel uitmaakt van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen die zowel nationale als ingevoerde produkten treffen, een heffing van gelijke werking als een douanerecht kan vormen, voorzover zij uitsluitend is bestemd ter bekostiging van activiteiten die met name ten behoeve van het belaste nationale produkt worden verricht. De ENCC-heffing vertoont geen van deze beide kenmerken. Hoewel het Hof dit in het kader van de procedure ex artikel 177 van het EEG-Verdrag niet kan vaststellen, is het veelzeggend dat de betrokken Italiaanse bepalingen geen aanleiding hebben gegeven tot een procedure van de Commissie op grond van artikel 169 of tot een actie van een andere Lid-Staat om hun eventuele onverenigbaarheid met artikel 13 van het Verdrag te doen vaststellen.
De vermelding in de verwijzingsbeschikking van nadere gegevens ter verduidelijking van de betrokken nationale bepaling kan 's Hofs eerdere uitspraak niet wijzigen. De concrete wettigheidstoetsing van de litigieuze heffing aan het gemeenschapsrecht valt niet onder de procedure van artikel 177.
Overigens geven de mededelingen in de verwijzingsbeschikking over de aard van de onderhavige heffing geenszins de werkelijke draagwijdte van de desbetreffende Italiaanse regeling weer; zo geldt, in tegenstelling tot de beweringen sub c) van de eerste vraag, met name voor kranten- en boekdrukpapier van papierfabrieken uit andere Lid-Staten een zelfde regeling als voor papier van nationale papierfabrieken, op de enkele voorwaarde dat het in de andere Lid-Staten vervaardigde papier door de ENCC is gekocht.
Ten aanzien van de derde vraag zij slechts opgemerkt dat de ENCC een publiekrechtelijk lichaam is dat geen commercieel doel nastreeft en evenmin de vrije bevoorrading van gebruikers en consumenten beïnvloedt.
Wat de artikelen 92 en volgende van het EEG-Verdrag betreft, heeft de Commissie bij brief van 20 november 1974 aan de Italiaanse regering verklaard dat zij geen termen aanwezig achtte de in artikel 93 voorziene procedure aan te vangen.
De Commissie wil enkele feitelijke punten in de steunregeling van de ENCC rechtzetten; zo wordt niet de fabricage van papier, maar het gebruik door uitgeverijen gesubsidieerd, daar alleen de uitgevers van dagbladen en tijdschriften steun genieten; voorts zijn, ingevolge de door de Commissie krachtens artikel 93, lid 2, van het EEG-Verdrag aangevangen procedure, de steunmaatregelen zonder onderscheid van toepassing op directe importen door uitgevers en op indirecte importen door tussenkomst van de ENCC uit de Lid-Staten.
a) De eerste vraag
De ENCC-heffing, algemeen beschouwd als een parafiscale heffing, treft nationale en ingevoerde produkten. De opbrengst is bestemd voor de financiering van de activiteiten van de ENCC, met name de subsidiëring van de dagbladpers, de periodieke pers, het landbouw- en bos-bouwonderzoek en de herbebossing.
Voor de verenigbaarheid van dit mechanisme met de artikelen 9 en 13, lid 2, van het EEG-Verdrag dient te worden gelet op de criteria in 's Hofs arrest 77-72: een parafiscale heffing die stelselmatig nationale en ingevoerde produkten treft, kan nochtans een heffing van gelijke werking als een invoerrecht zijn wanneer zij uitsluitend bestemd is ter bekostiging van activiteiten die met name ten behoeve van het belaste nationale produkt worden verricht. In casu is er van identiteit tussen het belaste nationale produkt (papier en karton) en het nationale produkt dat gesteund wordt (dagbladen en tijdschriften) geen sprake. Dit is op zichzelf voldoende om artikel 13, lid 2, buiten toepassing te laten.
Zelfs aangenomen dat de steun niet ten goede komt aan de pers, maar aan de door de uitgever gebruikte grondstof, dan kan niet worden gezegd dat de heffing op tijdschriftenpapier uitsluitend dient voor de financiering van steun voor dit soort papier.
Ten aanzien van punt 2, sub c) van de eerste vraag is aan de voorwaarden voor een heffing van gelijke werking dan ook niet voldaan.
Wat betreft punt 2 sub a) van de eerste vraag moet worden opgemerkt dat het vereiste „specifieke” voordeel volkomen ontbreekt door het losse en indirecte verband tussen de belaste en de gesubsidieerde produkten: bosbouwonderzoek en herbebossing bevorderen in het algemeen de ontwikkeling in de bosbouwsector en de houtbevoorrading. Dit zijn activiteiten van veelal zeer lange adem, die niet noodzakelijk de produktie van pa-pierstof betreffen, daar dit produkt slechts een van de afzetmogelijkheden voor hout vormt.
Wat punt 2, sub b) betreft, ontbreekt de vereiste „uitsluitende” bestemming van de heffingsopbrengst voor de financiering van onderzoek in de papiersector; evenmin is voldaan aan de voorwaarde dat het voordeel „specifiek” moet zijn.
Dit alles wettigt geenszins de conclusie dat de steunregeling voor onderzoek in de papiersector verenigbaar is met het Verdrag; gedurende het relevante tijdvak was zij juist in strijd met artikel 92, daar de nodige wijzigingen eerst per 1 januari 1974 zijn aangebracht. De heffing op papier en karton lijkt evenwel niet strijdig met artikel 13, lid 2, voor zover zij is bestemd voor de financiering van onderzoek in de papiersector. Het maakt geen verschil wanneer men daarbij ook de maatregelen ten gunste van tijdschriften en de onderzoekwerkzaamheden in de bosbouwsector meerekent, daar het bedrag van de drie betwiste heffingen zelfs bij benadering niet hoog genoeg is om de voorwaarde van de „uitsluitende” bestemming als vervuld te kunnen beschouwen.
b) De tweede vraag
Artikel 13, lid 2, van het Verdrag heeft ontegenzeglijk rechtstreekse werking. De datum die als eindpunt van de overgangsperiode moet worden genomen is, behoudens de gevallen waarin richtlijnen in de zin van artikel 13, lid 2, zijn vastgesteld, 31 december 1969. Dit volgt uit artikel 8 van het Verdrag; de afwijkingen van het in deze bepaling vastgestelde ritme zijn uitdrukkelijk aangegeven in de besluiten van de Raad. De in de verwijzingsbeschikking genoemde datum van 1 juli 1968 slaat op de „versnellingsbeschikking” van de Raad van 26 juli 1966 (PB 1966, blz. 2971), op grond waarvan de Douane-unie met ingang van 1 juli 1968 kon worden gerealiseerd. Men kan echter niet staande houden dat de verwezenlijking van de Douane-unie een einde heeft gemaakt aan de overgangsperiode voor de totstandbrenging van de gemeenschappelijke markt.
c) De derde vraag
Terwijl de steun is bedoeld en wordt toegekend ten behoeve van de pers en niet van de nationale papierfabrieken, hield de steunregeling destijds een bescherming in ten gunste van de nationale produktie van krantenpapier en remde zij rechtstreekse importen af; zij werd op dit punt gewijzigd om haar in overeenstemming te brengen met artikel 92 van het Verdrag.
Hoewel de regeling concurrentievervalsend werkte, dient met betrekking tot de artikelen 85 en 86 te worden opgemerkt dat in casu niet is voldaan aan de essentiele voorwaarde dat een onderneming of groep van ondernemingen van een onrechtmatige gedraging kan worden beticht, noch aan de noodzakelijke voorwaarden ter vaststelling van een kartel of een machtspositie.
III — Mondelinge behandeling
De vennootschap IGAV, verzoekster in het hoofdgeding, ten deze vertegenwoordigd door G. M. Ubertazzi en F. Capelli, advocaten te Milaan, de Ente nazionale per la cellulosa e per la carta, verweerster in het hoofdgeding, ten deze vertegenwoordigd door G. Marchesini en A. Sor-rentino, advocaten te Rome, de regering van de Italiaanse Republiek, ten deze vertegenwoordigd door G. Zagari, sostituto dell'Avvocato Generale dello Stato, en de Commissie der Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur A. Abate, hebben ter terechtzitting van 23 april 1975 mondelinge opmerkingen gemaakt
De Advocaat-Generaal heef ter terechtzitting van 15 mei 1975 conclusie genomen.
Ten aanzien van het recht
Overwegende dat de Pretore te Abbiategrasso bij beschikking van 14 november 1974, ingekomen ter griffie van het Hof op 16 december 1974, krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag een aantal vragen heeft gesteld inzake de uitlegging van de artikelen 13, lid 2, 85 en 86 van het Verdrag;
dat deze vragen zijn gerezen in verband met een door verzoekster in het hoofdgeding ingestelde actie tegen de Ente nazionale per la cellulosa e per la carta (ENCC) terzake van door dit lichaam krachtens wet nr. 868 van 13 juni 1940 (Gazzetta Ufficiale nr. 170 van 22 juli 1940) en wet nr. 168 van 28 maart 1956 (Gazzetta Ufficiale nr. 79 van 3 april 1966) gevorderde heffing bij de invoer van papierprodukten uit andere Lid-Staten van de Gemeenschap;
dat de nationale rechter, voor de beoordeling van de verenigbaarheid van het bij deze wettelijke regelingen ingestelde fiscale stelsel met de verdragsbepalingen, het Hof heeft verzocht het begrip „heffingen van gelijke werking als douanerechten”, zoals omschreven in het arrest van 19 juni 1973, zaak 77-72, Capolongo (Jurispr. 1973, blz. 611), te preciseren, te zeggen of artikel 13, lid 2, houdende afschaffing dezer heffingen, rechtstreekse werking heeft en vanaf welke datum deze werking kan worden ingeroepen, en tenslotte op bepaalde punten het toepassingsgebied van de mededingingsregels van de artikelen 85 en 86 te bepalen;
Overwegende dat in dit verband zij vermeld dat de Commissie bij in het Pu-blikatieblad van 26 september 1972 (PB nr. C 98, blz. 1) bekendgemaakte mededeling een procedure krachtens artikel 93, lid 2, van het Verdrag heeft aangevangen met betrekking tot de Italiaanse steunregeling die door de ENCC wordt beheerd en wordt gefinancierd uit de parafiscale heffing op bepaalde soorten papier en karton alsmede op papierstof;
dat de Commissie na haar onderzoek, blijkens haar op 20 november 1974 tot de regering der Italiaanse Republiek gerichte nota, bepaalde wijzigingen in deze steunregeling heeft geëist, die door deze Lid-Staat zijn aanvaard;
dat de Commissie in deze nota heeft vastgesteld dat „de door de Italiaanse autoriteiten aangebrachte wijzigingen in het betrokken stelsel, dit verenigbaar maken met de bepalingen van het Verdrag inzake steunmaatregelen”;
dat bij het vorenstaande dient te worden opgemerkt dat het bij de Pretore te Abbiategrasso aanhangige geding betrekking heeft op de periode vóór de wijziging van het betrokken stelsel;
Het begrip heffingen van gelijke werking als douanerechten
Overwegende dat in de eerste plaats wordt gevraagd om uitlegging van het begrip „heffingen van gelijke werking als douanerechten” in artikel 13, lid 2, in verband met een heffing als die, toegepast door de ENCC bij de verhandeling van geïmporteerd papier, karton en papierstof, gelet op de wijze van invordering alsmede op de bestemming van de opbrengst;
dat voor de uitlegging van dit begrip de drie volgende elementen met betrekking tot de litigieuze heffing in aanmerking moeten worden genomen:
a)de heffing wordt opgelegd door een autonoom publiekrechtelijk lichaam zonder commercieel karakter;
b)zij drukt zonder onderscheid op nationale produkten en op uit andere Lid-Staten afkomstige produkten;
c)de opbrengst is bestemd voor onderzoek en ontwikkeling ten nutte van de cellulose-en papierindustrie, doch wordt merendeels besteed aan subsidies voor boekdrukpapier dat zelf van de heffing is vrijgesteld;
Overwegende dat, zoals is uitgesproken in het arrest van 19 juni 1973 waarnaar door de nationale rechter wordt verwezen, het verbod van artikel 13, lid 2, betrekking heeft op iedere bij of wegens invoer geheven belasting welke bepaaldelijk een ingevoerd produkt en niet een soortgelijk nationaal produkt treft en derhalve, door wijziging van de kostprijs, uiteindelijk op het vrije verkeer van goederen een zelfde beperkende invloed heeft als een douanerecht;
dat het feit dat een heffing door een autonoom publiekrechtelijk lichaam en niet door de Staat zelf wordt opgelegd en door dat lichaam wordt aangewend voor de in de desbetreffende wettelijke regeling gestelde doeleinden, geen enkel verschil maakt voor de eventuele kwalificatie van deze fiscale last als heffing van gelijke werking als een douanerecht, daar het verbod van artikel 13, lid 2, uitsluitend ziet op de werking van dergelijke lasten en niet op de wijze van invordering;
dat daarentegen de omstandigheid dat een belasting zonder onderscheid op nationale produkten en op uit andere Lid-Staten afkomstige produkten wordt toegepast, de vraag doet rijzen of de betrokken belasting onder het verbod van artikel 13, lid 2, dan wel onder de non-discriminatieregel op het gebied van binnenlandse belastingen van artikel 95 valt;
dat een zelfde belasting in het systeem van het Verdrag niet tegelijkertijd tot beide genoemde categorieën kan behoren, daar de in artikel 13, lid 2, bedoelde heffingen zonder meer moeten worden opgeheven, terwijl artikel 95 voor de toepassing van binnenlandse belastingen slechts de afschaffing van elke, al dan niet rechtstreekse discriminatie bij de behandeling van nationale produkten van een Lid-Staat en produkten van herkomst uit andere Lid-Staten voorschrijft;
dat niet als heffingen van gelijke werking zijn te beschouwen geldelijke lasten welke deel uitmaken van een algemeen systeem van binnenlandse heffingen waardoor nationale produkten én ingevoerde produkten volgens dezelfde criteria stelselmatig worden getroffen;
dat dit echter anders zou zijn indien een dergelijke, tot bepaalde produkten beperkte, heffing uitsluitend is bestemd voor de financiering van activiteiten die inzonderheid aan de belaste nationale produkten ten goede komen, zodat de hierop drukkende fiscale last geheel of gedeeltelijk wordt gecompenseerd;
dat een dergelijke fiscale regeling immers slechts in schijn een stelsel van binnenlandse belastingen is en derhalve wegens haar beschermend karakter kan worden aangemerkt als heffing van gelijke werking als een douanerecht, zodat het verbod van artikel 13, lid 2, toepasselijk is;
dat een dergelijke kwalificatie echter veronderstelt dat er een duidelijk verband bestaat tussen enerzijds een fiscale heffing die zonder onderscheid op de betrokken nationale of ingevoerde produkten wordt toegepast, en anderzijds het voordeel dat alleen de nationale produkten toevalt uit de opbrengst dier heffing;
dat op de eerste vraag derhalve dient te worden geantwoord, dat een heffing, behorende tot een algemeen systeem van binnenlandse belastingen waardoor nationale produkten en ingevoerde produkten volgens dezelfde criteria stelselmatig worden getroffen, nochtans een heffing van gelijke werking als een invoerrecht kan zijn wanneer zij uitsluitend is bestemd voor de financiering van activiteiten die inzonderheid aan het belaste nationale produkt ten goede komen;
Overwegende dat in de tweede plaats wordt gevraagd of artikel 13, lid 2, rechtstreeks toepasselijk is en of particulieren daaraan een subjectief recht kunnen ontlenen om de ingevolge deze bepaling verboden heffingen te ontgaan;
dat voorts wordt gevraagd of dit subjectieve recht per 31 december 1969 — einde van de overgangsperiode — of per 1 juli 1968 — tijdstip waarop de douanerechten binnen de Gemeenschap zijn afgeschaft — is ontstaan;
dat deze vragen zijn gesteld ingeval de litigieuze heffing moet worden beschouwd als een heffing van gelijke werking als een douanerecht;
Overwegende dat het aan de nationale rechter staat om aan de hand van bovengenoemde juridische criteria de betrokken heffing hetzij als heffing van gelijke werking als een douanerecht hetzij als een binnenlandse belasting in de zin van artikel 95 te kwalificeren;
dat derhalve met dien verstande op de gestelde vragen dient te worden geantwoord;
Overwegende dat, zoals het Hof reeds te kennen heeft gegeven in het arrest van 19 juni 1973 waarnaar is verwezen, artikel 13, lid 2, naar zijn aard zeer wel rechtstreekse gevolgen teweeg kan brengen in de rechtsbetrekkingen tussen de Lid-Staten en hun justitiabelen;
dat, onder voorbehoud van mogelijke specifieke bepalingen, deze werking met de afloop van de overgangsperiode, dus per 1 januari 1970, is ingetreden;
dat immers 's Raads beschikking van 26 juli 1966 betreffende de afschaffing van de douanerechten alsmede de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief vanaf 1 juli 1968 (PB 1966, blz. 2971) berust op de gedachte van een selectieve versnelling van acties die tezamen uiterlijk bij het einde van de overgangsperiode moesten worden voltooid;
dat in deze omstandigheden de beschikking slechts van toepassing is op de uitdrukkelijk genoemde maatregelen, dat wil zeggen de eigenlijke douanerechten en de kwantitatieve beperkingen;
dat derhalve dient te worden geantwoord dat de rechtstreekse werking van artikel 13, lid 2, in beginsel slechts kan worden ingeroepen vanaf 1 januari 1970;
Overwegende dat verzoekster in het hoofdgeding daarenboven in vele opzichten kritiek heeft geleverd op de invoerregeling voor papier, karton en papier-stof in Italië;
dat zij meent dat het krachtens de Italiaanse wet toegepaste belastingstelsel discriminerend is ten opzichte van de uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten en dat de tussenschakeling van de ENCC een dusdanig beperkende werking heeft op het handelsverkeer, dat de mogelijkheden van intracommunautaire handel op de Italiaanse markt praktisch worden uitgeschakeld;
dat zij met name betoogt dat de op aandrang van de Commissie in de Italiaanse regeling aangebrachte wijzigingen aantonen dat dit stelsel, althans zolang de vastgestelde onverenigbaarheden niet waren verwijderd, in strijd was met de verdragsbepalingen inzake openbare steunmaatregelen;
dat zij daaruit concludeert dat een heffing, bestemd om de werking van een dergelijk stelsel te bekostigen, moet worden beschouwd als een door het Verdrag verboden heffing;
Overwegende dat het feit dat een door een Lid-Staat toegepaste heffing wordt aangewend ter financiering van een steunregeling die onverenigbaar met het Verdrag is geoordeeld, op zichzelf aan deze heffing nog niet het karakter geeft van een heffing van gelijke werking als een douanerecht;
dat, welke twijfel men overigens ook kan uiten omtrent de verenigbaarheid met het Verdrag van het litigieuze stelsel en het optreden van de ENCC op het gebied van de intracommunautaire handel, met name in verband met het verbod van maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen, niettemin op deze punten aan het Hof geen vragen zijn gesteld door de nationale rechter;
dat, hoewel deze rechter in de verwijzingsbeschikking heeft gewezen op het beginsel van het vrije verkeer van goederen, op de doelstelling van de samensmelting der verschillende nationale markten tot één enkele markt en op de afschaffing van elke vorm van discriminatie door het Verdrag, het Hof niet voldoende duidelijk omschreven vragen zijn voorgelegd om de bezwaren van verzoekster in het hoofdgeding in aanmerking te nemen;
dat deze argumenten mitsdien in het kader van deze procedure ter zijde moeten blijven;
Ten aanzien van de mededingingsregeling
Overwegende dat in de derde plaats in wezen wordt gevraagd of de herverdeling van lasten en voordelen tussen enerzijds de importeurs van papier, karton en papierstof en anderzijds de nationale producenten of gebruikers van deze goederen, alsmede de rol van de ENCC bij deze herverdeling, niet in strijd zijn met de mededingingsregels van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag;
Overwegende dat het Verdrag naast de voor ondernemingen geldende mededingingsregels, waaronder de artikelen 85 en 86, waarnaar door de nationale rechter is verwezen, diverse bepalingen bevat over inbreuken op de normale werking van het mededingingsregime door het optreden der Staten;
dat ten deze met name zijn te noemen artikel 90, voorzover dit een bijzondere regeling geeft voor ondernemingen belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang of die het karakter dragen van een fiscaal monopolie, de artikelen 92 tot en met 94 betreffende openbare steunmaatregelen, de artikelen 101 en 102 met betrekking tot distorsies als gevolg van publiekrechtelijke bepalingen die de mededingingsvoorwaarden op de gemeenschappelijke markt kunnen vervalsen, alsmede artikel 37, betreffende monopolies van commerciële aard;
dat de activiteiten van een, zelfs autonoom, publiekrechtelijk lichaam, voorzover dit in het openbaar belang en niet commercieel werkzaam is, onder de genoemde bepalingen en niet onder de artikelen 85 en 86 vallen;
dat, wanneer het optreden van de Staat of van zijn gedecentraliseerde organen inbreuk zou maken op de regels die naar hun aard rechtstreeks in rechte kunnen worden ingeroepen, het aan de justitiabelen en de nationale rechterlijke instanties staat om de geëigende stappen te nemen;
dat het voorts de taak is van de Commissie erop toe te zien dat de verdragsbepalingen op dit gebied door de autoriteiten van de Lid-Staten worden geeerbiedigd;
dat op de gestelde vraag derhalve dient te worden geantwoord dat in het verdragssysteem de bepalingen van de artikelen 85 en 86 niet van toepassing zijn op het soort activiteiten als in de vraag bedoeld;
Ten aanzien van de kosten
Overwegende dat de kosten, door de regering van de Italiaanse Republiek en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen;
dat de procedure ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen;
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door de Pretore te Abbiategrasso bij beschikking van 14 november 1974 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1. Een heffing, behorende tot een algemeen systeem van binnenlandse belastingen waardoor nationale produkten en ingevoerde produkten volgens dezelfde criteria stelselmatig worden getroffen, kan nochtans een heffing van gelijke werking als een invoerrecht zijn wanneer zij uitsluitend is bestemd voor de financiering van activiteiten die inzonderheid aan het belaste nationale produkt ten goede komen;
2. Artikel 13, lid 2, brengt naar zijn aard rechtstreekse gevolgen teweeg in de rechtsbetrekkingen tussen de Lid-Staten en hun justitiabelen, en wel vanaf 1 januari 1970;
3. De bepalingen van de artikelen 85 en 86 zijn niet van toepassing op het soort activiteiten als bedoeld door de nationale rechterlijke instantie.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
9Rechtspraak
3Europese Unie
3Hof van JustitieC-347/9517.09.1997
Nationale heffing bij verkoop van zuivelproducten
Hof van JustitieC-28/9617.09.1997