Arrest van het Hof van 13 maart 1979, 86/78, SA des grandes distilleries Peureux · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Voltallige zitting 86/78 ECLI:EU:C:1979:64 13 maart 1979

Zoeken

Arrest van het Hof van 13 maart 1979, 86/78, SA des grandes distilleries PeureuxEEG-Verdrag art. 37 en art. 177

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-86-78-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Voltallige zitting
Zaak
86/78
ECLI
ECLI:EU:C:1979:64
Datum
13 maart 1979

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Prejudiciële verwijzing
Verwijzende rechter
Tribunal de grande instance de Lure (Frankrijk) beslissing van 6 januari 1978 93/78
Zaak ingediend op
28 maart 1978
Advocaat-generaal
Mayras
Opmerkingen
Franse regering Commissie
Nationale beslissing na het arrest
Tribunal de grande instance de Lure beslissing van 29 juli 1981 444/79

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Frans
Jurisprudentie
Jurispr. 1979, blz. 897
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Mertens de Wilmars
Repertorium van het Hof

Tekst

90 paragrafen

ARREST

De feiten

Het verwijzingsvonnis en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

I — De feiten en het procesverloop

1.

In het geding dat voor de nationale rechter aanhangig is en ter oplossing waarvan deze zich met een prejudiciële vraag tot het Hof van Justitie heeft gewend, gaat het om de vraag of de soulte, een heffing die door de Franse distillateurs van onder het monopolie vallende alcohol verschuldigd is wanneer de administratie van het monopolie hun op hun verzoek de vrije beschikking laat over aan de Staat voorbehouden alcohol, verenigbaar is met het gemeenschapsrecht. De toepassing van genoemde heffing berust op artikel 269 van bijlage II van de Code général des impôts (hierna: CGI), in dat wetboek opgenomen bij decreet nr. 74/91 van 6 februari 1974 (JORF,8 februari 1974, blz. 1476) en later aangevuld bij decreet nr. 77/842 van 25 juli 1977 (JORF, 27 juli 1977, blz. 3928).

2.

De Franse Staat heeft het monopolie op de nationale produktie en verhandeling van ethylalcohol (artikelen 358 e.v. CGI). Hij produceert echter niet zelf maar laat dit over aan particuliere ondernemingen, terwijl hij zich de eigendom van deze produktie voorbehoudt die hij zelf opkoopt en in de handel brengt (artikelen 358 juncto 370 CGI). Tot in 1974 behield hij bovendien de invoer aan zich van ethylalcohol uit het buitenland, onder meer uit de andere Lid-Staten (artikel 385 CGI, versie van vóór 1974).

Op het eigendomsmonopolie van de geproduceerde alcohol bestaan twee uitzonderingen:

a)bepaalde in artikel 358 CGI opgesomde brandewijnen vallen erbuiten;

b)krachtens artikel 269 van bijlage II bij de CGI (decreet nr. 74/91 van 6 februari 1974), in werking getreden op 1 april 1974, kan „de Service de alcools de producenten op hun verzoek de vrije beschikking laten over bepaalde aan de Staat voorbehouden alcoholsoorten, waartoe een heffing (soulte) dient te worden betaald die niet hoger mag zijn dan het verschil tussen de hoogste verkoopprijs van staatsalcohol en de laagste aankoopprijs van alcohol van agrarische oorsprong, binnen de toegewezen contingenten in het voorafgaande seizoen geproduceerd.”

Deze heffing wordt geacht het verlies goed te maken dat de Staat lijdt wanneer hij ervan afziet zijn monopolierecht te doen gelden.

De tekst van genoemd artikel 269 is per 29 juli 1977 vervangen door artikel 1 van decreet nr. 77/842 van 25 juli 1977. Daarin is enerzijds de uitdrukking „vrije beschikking over bepaalde alcoholsoorten” vervangen door „vrije beschikking over alcohol” en is anderzijds aan de oude bepaling de volgende zin toegevoed: „Deze regelen gelden ook voor importeurs van diezelfde alcoholsoorten, van oorsprong en van herkomst uit Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap of van oorsprong uit derde landen en in één dier Lid-Staten in het vrije verkeer gebracht”.

3.

Dat de soulte, die de distillateur betaalt wanneer hij de vrije beschikking krijgt over de door hem geproduceerde alcohol, in overeenstemming zou zijn met het gemeenschapsrecht, wordt door de distillerie Peureux, verzoekster in het hoofdgeding, betwist voor de periode voorafgaand aan de wijziging van bedoeld artikel 269 bij decreet nr. 77/842 van 25 juli 1977, zulks op grond dat deze heffing de Franse „vrijgestelde” alcohol zou discrimineren ten opzichte van alcohol uit de andere Lid-Staten, waarover zij vóór 1977 niet moest worden betaald.

4.

De regeling voor uit de andere Lid-Staten ingevoerde alcools de bouche ten opzichte van die voor „vrijgestelde” en daardoor heffingplichtige nationale alcoholsoorten veranderde mettertijd; men schijnt daarbij drie perioden te kunnen onderscheiden.

I —Vóór 1 april 1974 (datum van inwerkingtreding van decreet nr. 74/91):

De produkten op basis van alcohol, zowel van herkomst uit andere Lid-Staten als uit derde landen, waarvan de invoer in afwijking van het monopolie is toegestaan, zijn onderworpen aan een extraheffing op de alcohol die zij bevatten (artikel 386 CGI).

II —Na de inwerkingtreding van decreet nr. 74/91 (1 april 1974) tot de wijziging ervan bij decreet nr. 77/842 (29 juli 1977)

—Over de krachtens artikel 269 van bijlage II bij de CGI „vrijgestelde” alcohol is de in die bepaling vermelde heffing (soulte) verschuldigd.

—Voor ingevoerde ethylalcohol geldt de regeling van de artikelen 273 en 275 van dezelfde bijlage.

a)Het invoermonopolie wordt gehandhaafd voor niet als zodanig bruikbare of verbruikbare ethylalcohol (artikel 273, eerste alinea).

b)Als zodanig bruikbare of verbruikbare ethylalcohol kan vrij worden ingevoerd, maar bij de invoer — hetzij uit derde landen, hetzij uit andere Lid-Staten — is over de in het produkt voorkomende zuivere alcohol een „compenserende extraheffing”(surtaxe de compensation) verschuldigd, ten belope van „het verschil tussen de laagste aankoopprijs welke door de Service des alcools aan het eind van het voorafgaande verkoopseizoen was berekend, en de verkoopprijs van alcohol bestemd voor overeenkomstig gebruik” (artikel 273, tweede en derde alinea). Deze formule gelijkt op die gebruikt in artikel 269 van bijlage II voor de berekening van de soulte.

c)Produkten van herkomst uit andere Lid-Staten, „die ethylalcohol bevatten en bestemd zijn voor consommation de bouche”, zijn „tot aan de inwerkingtreding van een gemeenschappelijke ordening van de alcoholmarkt” vrijgesteld van de compenserende extraheffing, maar „wanneer de minimumverkoopprijs van neutrale alcohol voor consommation de bouche in het land van oorsprong lager ligt dan de in Frankrijk voor hetzelfde gebruik geldende verkoopprijs”, onderworpen aan een „compenserende heffing”(taxe compensatoire) ten belope van het verschil tussen die beide prijzen (artikel 275, tweede alinea).

d)Op brandewijnen uit wijn uit de andere Lid-Staten, verkregen door distillatie van wijn van oorsprong uit de Gemeenschap, wordt geen compenserende heffing betaald, maar wel de soulte bedoeld in artikel 269 (artikel 275, derde alinea).

III —Na de wijziging van bijlage II door decreet nr. 77/842 (29 juli 1977)

De situatie van binnenlandse alcohol waarover het monopolie de producent vrij laat beschikken, blijft ongewijzigd: verschuldigd is de soulte, bedoeld in artikel 269 van bijlage II.

Ten aanzien van de invoer uit derde landen blijft de situatie ongewijzigd. De invoer van niet als zodanig bruikbare of verbruikbare ethylalcohol blijft onder het staatsmonopolie vallen. De invoer van bruikbare en verbruikbare produkten is vrij, maar onderworpen aan de „compenserende extraheffing”.

Wat de invoer uit de andere Lid-Staten betreft, schijnt het monopolie eveneens te zijn opgeheven voor ruwe alcohol (niet als zodanig bruikbare of verbruikbare produkten), zodat de invoer, zowel van ruwe alcohol als van als zodanig bruikbare en verbruikbare en ethylalcohol de bouche bevattende produkten vrij is, en is vrijgesteld van de compenserende extraheffing, terwijl de compenserende heffing wordt afgeschaft. Over deze uit de andere Lid-Staten ingevoerde alcohol is daarentegen dezelfde soulte verschuldigd als over het gelijksoortige „vrijgestelde” Franse produkt.

5.

Gezien deze reglementering die zij onverenigbaar acht, primair met artikel 37 (aanpassing van het monopolie), en subsidiair met de artikelen 5 en 7 van het Verdrag, heeft verzoekster in het hoofdgeding de bevoegde Franse administratie voor het Tribunal de Grande Instance te Lure gedagvaard tot terugbetaling van soultes tot een totaal bedrag van FF 399435, die zij tussen 6 februari 1970 en 6 oktober 1976 heeft betaald over door haar vervaardigde „poire William”-brandewijn waarover zij de vrije beschikking had gevraagd en gekregen. De nationale rechter stelde vast dat de vorderingen, voor wat de vóór 31 december 1974 betaalde bedragen betreft, krachtens de betrokken Franse wetgeving was verjaard, en heeft, vooraleer over de rest van de vordering te beslissen, het Hof van Justitie verzocht, bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de vraag of het bestaan van een Frans staatsmonopolie op de produktie van bepaalde brandewijnen, waarbij ten behoeve van de Staat een overdrachtsheffing (soulte de rétrocession) wordt opgelegd wanneer aan de producenten de beschikking over dergelijke brandewijnen wordt gelaten, sinds 1 januari 1975 of een latere datum verenigbaar is met het bepaalde in artikel 37 EEG-Verdrag, houdende verbod van elke discriminatie tussen de onderdanen van de Lid-Staten der Gemeenschap bij in- en uitvoerverrichtingen.

6.

Gezien de vaststellingen van de nationale rechterlijke instantie inzake de verjaring van het deel van de vordering dat betrekking heeft op de betalingen van vóór 1 januari 1975, de bewoordingen van de prejudiciële vraag en de datum van de laatste betwiste betaling, zou men kunnen denken dat bij de beantwoording van de gestelde vraag enkel moet worden uitgegaan van de rechtssituatie die voortvloeit uit de betrokken nationale wetgeving zoals gewijzigd bij decreet nr. 74/91 van 6 februari 1974, doch vóór de wijziging door decreet nr. 77/842 van 25 juli 1977. Maar gelet op bepaalde overwegingen van het verwijzingsvonnis, lijkt de nationale rechter tevens opheldering te verlangen over de situatie na de inwerkingtreding van het decreet van 25 juli 1977.

7.

Het verwijzingsvonnis is op 28 maart 1978 ten Hove ingekomen. Krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door verzoekster in het hoofdgeding, door de Franse regering en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

II — Schriftelijke opmerkingen, ingediend krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG

A — Opmerkingen van de Franse regering

De Franse regering merkt ten eerste op, dat wanneer de verwijzende rechter de geldigheid van de soulte in twijfel trekt, hij tevens het bestaan zelf van het Franse alcoholmonopolie in geding brengt. De soulte vormt de tegenprestatie voor het feit dat de Staat afstand doet van zijn uitsluitend recht. Zo een Franse producent zonder de soulte te betalen de vrije beschikking over zijn alcohol zou kunnen krijgen, zou het alleenrecht van de Staat op die alcohol in beginsel worden aangetast. Nu verlangt artikel 37 van het Verdrag weliswaar de aanpassing van de nationale monopolies van commerciële aard, maar niet dat ze worden afgeschaft; zij dienen enkel te worden aangepast in dier voege, dat aan het einde van de overgangsperiode elke discriminatie tussen de onderdanen van de Lid-Staten wat de voorwaarden van de voorziening en afzet betreft, is uitgesloten.

In casu kan de vraag worden samengevat als volgt: is de huidige heffingregeling, na de aanpassing van het Franse alcoholmonopolie ter uitvoering van de communautaire verplichtingen, al dan niet discriminerend. Bij het onderzoek van deze vraag maakt de Franse regering een onderscheid tussen de regeling voor de ruwe alcohol en die voor de ethylalcohol bevattende produkten.

a) Ten aanzien van de ruwe alcohol:

De Franse regering is van mening dat de soulte geenszins tot discriminatie leidt, noch bij uitvoer naar andere Lid-Staten noch op de nationale markt. Bij uitvoer van vrijgestelde alcohol immers is de soulte niet verschuldigd. Op de nationale markt betaalt de Franse producent van aan de Staat voorbehouden ruwe alcohol deze heffing om over zijn produktie te kunnen beschikken. Maar sinds de hervorming van 1977 betaalt de importeur van alcohol uit andere Lid-Staten dezelfde heffing, zodat er geen sprake is van discriminatie tussen de onderdanen van de Lid-Staten.

b) Ten aanzien van als zodanig bruikbare en verbruikbare alcoholhoudende produkten:

Volgens de Franse regering moet onderscheid worden gemaakt tussen de toestand vóór decreet nr. 77/842 van 25 juli 1977 en de toestand daarna.

Vóór 1977

Op de nationale markt betaalden de fabrikanten van produkten die vrijgestelde alcohol bevatten, inderdaad de soulte, maar deze last werd ten opzichte van de concurrentie ruimschoots goedgemaakt door de compenserende heffing (artikel 275 van bijlage II bij de CGI, ingevoerd bij decreet nr. 74/91), die werd toegepast op de uit de andere Lid-Staten ingevoerde alcoholhoudende produkten. Anderzijds werd bij uitvoer van alcoholhoudende produkten de heffing op de nationale vrijgestelde alcohol die deze produkten bevatten, eveneens terugbetaald. Er was dus geen enkele discriminatie.

Na 1977

Om aan zijn communautaire verplichtingen te voldoen, ging de Franse regering in juli 1977 over tot aanpassing van de Franse economische regeling voor alcohol. De compenserende heffing op alcohol in sterke dranken van herkomst uit de gemeenschappelijke markt, is afgeschaft terwijl de mogelijkheid dat de nationale producenten van aan de Staat voorbehouden alcoholsoorten tegen betaling van de soulte de vrije beschikking over hun produkten krijgen, veralgemeend is. Alle ruwe alcohol uit de Gemeenschap komt voortaan vrij Frankrijk binnen, met als enig voorbehoud de betaling van de soulte. Het georganiseerde stelsel betreft voortaan enkel alcohol in natura, zodat vrijstelling van de soulte nog slechts mogelijk is bij uitvoer van ruwe alcohol.

Deze hervorming heeft nochtans ten gevolge dat nationale fabrikanten van ethylalcohol bevattende produkten schijnbaar anders worden behandeld dan hun concurrenten uit de andere Lid-Staten, daar de verplichting om krachtens artikel 269, lid 1, van bijlage II, zoals aangevuld in 1977, bij invoer in Frankrijk een soulte te betalen, slechts geldt voor ruwe alcohol en niet voor als zodanig bruikbare of verbruikbare alcohol. Die handicap is evenwel slechts schijnbaar daar, gezien het ontbreken van een gemeenschappelijke ordening van de alcoholmarkt, het nationale stelsel van aan de Staat voorbehouden ethylalcohol, waarvan de soulte het noodzakelijke uitvloeisel vormt, niet alleen aan de producenten, maar ook aan de gebruikers waarborgen biedt, in die zin dat deze laatsten de voordelen genieten van een verzekerde bevoorrading, met de aan de fabrikanten opgelegde verplichting als tegenprestatie voor deze waarborg.

De Franse regering concludeert dat dit stelsel, en inzonderheid de soulte, niet als discriminerend kan worden beschouwd.

B — Opmerkingen van verzoekster in het hoofdgeding

Verzoekster in het hoofdgeding herinnert in de eerste plaats aan de feiten van de zaak en onderstreept dat de discriminatie waarover zij zich beklaagt, die is van het nationale produkt ten opzichte van de produkten van de andere Lid-Staten. Artikel 37 (monopolies) en de artikelen 5 en 7 van het Verdrag hebben evenzeer deze omgekeerde discriminatie als die ten nadele van de produkten van de andere Lid-Staten op het oog.

Evenals de Franse regering is verzoekster in het hoofdgeding van mening dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de regeling van vóór en die van na decreet nr. 77/842 van 25 juli 1977. Volgens haar is er geen discriminatie meer sinds artikel 269 van bijlage II bij de CGI door genoemd decreet is aangevuld en bij invoer van (ruwe) alcohol dezelfde heffing wordt opgelegd als op vrijgestelde nationale alcohol. Het is echter anders gelegen met de voorafgaande periode, namelijk vanaf de inwerkingtreding van decreet nr. 74/91 van 6 februari 1974 tot de inwerkingtreding van decreet nr. 77/842 van 25 juli 1977. Tijdens deze periode, van 1 april 1974 tot 29 juli 1977, vormt het stelsel van de „tegen betaling van een heffing vrijgestelde alcohol” een staatsmonopolie in de zin van artikel 37 van het Verdrag. Want ook al ontbreken exclusieve in- en uitvoerrechten, toch beïnvloedt het alcoholmonopolie, dankzij de leveringsplicht van de nationale producenten, het handelsverkeer tussen Lid-Staten, of maakt het een dergelijke beïnvloeding mogelijk. Voor zover dit monopolie echter de betwiste heffing oplegt, waarborgt het niet dat, zoals in artikel 37 is voorgeschreven, elke discriminatie tussen de onderdanen van de Lid-Staten wat de voorwaarden van de voorziening en afzet betreft, is uitgesloten. Bovendien is de soulte zo niet onverenigbaar met artikel 37, dan toch met de artikelen 5 en 7 van het Verdrag.

Op de Franse markt

De discriminatie bestaat hierin, dat de soulte verschuldigd is over „vrijgestelde” nationale alcohol en dat nationale sterke dranken die vrijgestelde alcohol bevatten, proportioneel worden belast, terwijl de als zodanig bruikbare of verbruikbare alcohol (alcools de bouche inbegrepen) van herkomst uit de andere Lid-Staten, Frankrijk vrij van heffing binnenkomen. Dit argument kan niet terzijde worden geschoven met de opmerking dat tijdens dezelfde periode en krachtens hetzelfde decreet nr. 74/91, over de als zodanig bruikbare of verbruikbare alcohol van herkomst uit de andere Lid-Staten, al naar het geval, de compenserende extraheffing (artikel 273) of de compenserende heffing (artikel 275) moet worden betaald. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie — in het bijzonder de arresten van: 17 februari 1976 (zaak 45/75, Rewe, Duits alcoholmonopolie, Jurispr. 1976, blz. 181); 3 februari 1976 (zaak 59/75, Manghera, Italiaans tabakmonopolie, Jurispr. 1976, blz. 91); 17 februari 1976 (zaak 91/75, Miritz, Duits alcoholmonopolie, Jurispr. 1976, blz. 217) — volgt immers dat die compenserende extraheffingen en heffingen onverenigbaar zijn met het discriminatieverbod van de artikelen 37, 5, 7 en met artikel 95 van het Verdrag. Daar die verbodsbepalingen rechtstreeks toepasselijk zijn, waren die heffingen op de uit de andere Lid-Staten ingevoerde alcohol onrechtmatig en onverschuldigd. Daaruit volgt dat er discriminatie bestaat wanneer de compenserende extraheffing of de compenserende heffing niet moet worden betaald over ingevoerde alcohol uit de andere Lid-Staten, doch over nationale alcohol die van het monopolie is „vrijgesteld”, wel de soulte verschuldigd is. Bij gevolg is deze laatste onverenigbaar met het discriminatieverbod van artikel 37 of met dat van artikel 7.

Op de markt van de andere Lid-Staten

In dit geval volgt de discriminatie hieruit, dat de „vrijgestelde” Franse alcoholsoorten of de Franse sterke dranken die „vrijgestelde” alcohol bevatten en bestemd zijn voor uitvoer, „hun concurrentievermogen verliezen door de invoering van deze soulte, die enkel de kostprijs kan verhogen en het betrokken produkt onvermijdelijk minder concurrerend maakt op de buitenlandse markten”.

C — Opmerkingen van de Commissie

De Commissie herinnert aan haar vroeger optreden in verband met de aanpassing van het Franse alcoholmonopolie aan artikel 37 van het Verdrag en merkt op dat zij, met toepassing van onder meer de principes van 's Hofs arrest van 17 februari 1976 (zaak 91/75, voornoemd), de Franse regering had gevraagd de compenserende extraheffing en de compenserende heffing, ingevoerd bij respectievelijk artikel 273 en artikel 275 van bijlage II bij de CGI, zoals gewijzigd bij decreet nr. 74/91 van 6 februari 1974, af te schaffen, aan welk verzoek de Franse regering bij decreet nr. 77/842 van 25 juli 1977 heeft voldaan. Vervolgens merkt de Commissie op, dat naar haar mening het hoofdgeding zijn oorsprong heeft in het feit dat (ingevolge decreet nr. 77/842 van 25 juli 1977) „zuivere alcohol (grondstof) in ingevoerde sterke dranken van de soulte is vrijgesteld, terwijl alcohol in sterke dranken vervaardigd in Frankrijk zelf, eraan is onderworpen”.

De Commissie meent dat de gestelde vraag anders moet worden geformuleerd, en wel in deze zin: is met het Verdrag verenigbaar een belasting die, zoals de soulte de rétrocession, wordt opgelegd aan bepaalde handelaars die hun werkzaamheden in de andere Lid-Staten verrichten, bij invoer daarvan zijn vrijgesteld?

Volgens de Commissie is het voor de beantwoording van deze vraag noodzakelijk, de betrokken belasting te toetsen aan achtereenvolgens de artikelen 37, 34, 95 en 7 van het Verdrag.

a) Artikel 37 (monopolies van commerciële aard)

Volgens de Commissie is deze bepaling in casu niet meer relevant, daar de Franse regeling voor alcohol — ook al is het nog steeds een produktiemonopolie — geen monopolie van commerciële aard meer vormt in de zin van artikel 37 van het Verdrag.

Het exclusieve eigendomsrecht van de Staat op in Frankrijk geproduceerde alcohol is immers ingevolge artikel 222 met het Verdrag verenigbaar, terwijl het exclusieve recht van de Staat om „zijn eigen eigendom”, dat wil zeggen de produkten waarvan hij zich de eigendom voorbehoudt, in de handel te brengen, niet onder artikel 37 valt. Ongetwijfeld heeft de Staat de mogelijkheid om via zijn verkoopbeleid voor de alcohol die zijn eigendom is gebleven, het handelsverkeer tussen Lid-Staten te beïnvloeden, maar als een dergelijk optreden zich voordoet, valt het eerder onder artikel 86 van het Verdrag.

Daarentegen heeft de Service des alcools niet meer het exclusieve recht tot invoer, uitvoer en commercialisering van de aan de Staat voorbehouden alcohol, en aangezien deze exclusieve rechten de kern van het monopolie vormen, heeft hun verdwijning gevolgen voor de inrichting van het monopolie zelf.

Daaruit volgt, naar de mening van de Commissie, dat men na het einde van de overgangsperiode geen beroep meer kan doen op artikel 37, lid 1, om een door een Lid-Staat ten nadele van sommige van zijn onderdanen ingevoerde of in stand gehouden discriminatie te verbieden.

b) De artikelen 12 en 34 (heffingen en maatregelen van gelijke werking als douanerechten of kwantitatieve invoerbeperkingen

Aangezien de soulte een belasting is die wordt geheven op de nationale produktie — in de handel gebracht op de binnenlandse markt of uitgevoerd —, kan zij geen heffing van gelijke werking als een uitvoerrecht zijn en evenmin een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve uitvoerbeperking vormen.

c) Artikel 95, eerste alinea (binnenlandse belastingen)

Het is krachtens artikel 95 niet verboden, op nationale produkten hogere belastingen te heffen dan op gelijksoortige ingevoerde produkten. De soulte is mitsdien niet onverenigbaar met artikel 95.

d) Artikel 7 (discriminatie op grond van nationaliteit)

Hoewel artikel 7 betrekking heeft op discriminaties op grond van nationaliteit, kan men zich afvragen of dit artikel, ruim uitgelegd, niet ook geldt voor discriminatie op grond van de geografische plaats van produktie, welke ook de nationaliteit van de producent is. Voor de toepasselijkheid van artikel 7 in deze hypothese kunnen de volgende argumenten worden aangevoerd:

het non-discriminatiebeginsel is één van de grondbeginselen van het Verdrag en de verschillende bepalingen zijn daarvan slechts de uitdrukking. Gezien de formulering ervan mag worden aangenomen dat het discriminatieverbod evenzeer geldt ten aanzien van de eigen onderdanen, of zelfs sommigen van hen, als ten aanzien van de onderdanen van de andere Lid-Staten;

de formulering van de artikelen 37, 40, lid 3, tweede alinea, en 48, van het Verdrag bewijst dat het Verdrag het begrip discriminatie niet louter heeft willen beperken tot de onderdanen van de andere Lid-Staten;

de aan artikel 7 toegekende rechtstreekse werking vereist dat de verbodsbepalingen ervan niet worden beperkt;

in bepaalde Lid-Staten, bij voorbeeld de Bondsrepubliek Duitsland, kan men zich tegen een dergelijke belasting beroepen op grondrechten, wanneer de verschillende behandeling van nationale handelaars en handelaars van de andere Lid-Staten niet objectief is gerechtvaardigd.

De Commissie is echter geneigd artikel 7 in bedoelde hypothese niet toepasselijk te achten. Zij doet in dit verband de volgende overwegingen gelden:

de algemene opbouw van het Verdrag berust op de toepassing van bepalingen waarin de Lid-Staten de verplichting wordt opgelegd de onderdanen der andere Lid-Staten niet te discrimineren, terwijl aan elk van die Lid-Staten de bescherming van zijn eigen onderdanen wordt overgelaten. Per slot van rekening beogen maatregelen die tot omgekeerde discriminatie leiden, meestal een doel dat indirect gunstig is voor alle onderdanen van de betrokken Lid-Staat;

de Commissie legt artikel 37 aldus uit, dat het onmogelijk „omgekeerde discriminaties” kan verbieden. Anders zou het Verdrag het mogelijk maken, voor de onder dit artikel vallende produkten verder te gaan dan in de artikelen 30 en 34 is voorgeschreven;

de ruime aard van de verbodsbepaling van artikel 48 betreffende de werknemers, vormt een uitzondering die bij voorbeeld niet is terug te vinden in artikel 52 inzake de vrijheid van vestiging;

de in artikel 100 bedoelde nationale bepalingen kunnen eventueel omgekeerd discrimineren. Zij zijn echter niet verboden, maar moeten door harmonisatie worden afgeschaft;

in artikel 92 worden weliswaar bepaalde steunmaatregelen toegestaan, maar de Lid-Staten zijn niet verplicht ze in te voeren. Daaruit volgt dat zij het recht hebben ervan af te zien en hun onderdanen te discrimineren;

het aan de communautaire wetgever opgelegde discriminatieverbod geldt op gemeenschapsniveau; de verplichtingen van de Lid-Staten liggen daarentegen in het nationale vlak. Het is uiteindelijk de harmonisatie die tot afschaffing van die omgekeerde discriminaties moet leiden.

Tot besluit geeft de Commissie het Hof in overweging, te verklaren voor recht dat een belasting zoals bedoeld in artikel 269 van bijlage II bij de CGI, die wordt geheven op nationale produkten, maar niet op gelijksoortige produkten van oorsprong of van herkomst uit de andere Lid-Staten, niet onverenigbaar is met het EEG-Verdrag.

III — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting hebben verzoekster in het hoofdgeding, ten deze vertegenwoordigd door J. Imbach, advocaat te Straatsburg, en P. Didier, advocaat te Brussel; de Franse regering, ten deze vertegenwoordigd door haar adviseur, M. Bessou; en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door haar gemachtigde, M. Beraud, mondelinge opmerkingen gemaakt.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 14 december 1978 conclusie genomen.

In rechte

1.

Bij vonnis van 6 januari 1978, ingekomen ten Hove op 28 maart 1978, heeft het Tribunal de Grande Instance te Lure krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een vraag gesteld over de uitlegging van artikel 37 EEG-Verdrag.

2.

Deze vraag is gerezen in een geschil tussen verzoekster in het hoofdgeding en de Franse belastingdienst inzake de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van een heffing — de zogenoemde soulte — die door de belastingdienst wordt toegepast op ethylalcohol welke op verzoek van de producent te zijner beschikking blijft en dus van de verplichte levering aan de Staat

3.

wordt vrijgesteld. De nationale rechterlijke instantie waarvoor verzoekster een vordering tot terugbetaling van de naar haar mening onrechtmatig opgelegde soultes had ingesteld, heeft de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Is het bestaan van een Frans staatsmonopolie op de produktie van bepaalde brandewijnen, zoals „poire William”-brandewijnen, waarbij ten behoeve van de staat een overdrachtsheffing (soulte de rétrocession) wordt opgelegd wanneer aan de producenten de beschikking over dergelijke brandewijnen wordt gelaten, sinds 1 januari 1975 of een latere datum verenigbaar met het bepaalde in artikel 37 EEG-Verdrag, houdende verbod van elke discriminatie tussen de onderdanen van de Lid-Staten der Gemeenschap bij in- en uitvoerverrichtingen?”

4.

Zowel uit de overwegingen van het verwijzingsvonnis als uit de bewoordingen van de gestelde vraag blijkt dat de uitlegging van het gemeenschapsrecht en in het bijzonder van artikel 37 van het Verdrag wordt gevraagd om die nationale rechter in staat te stellen zich uit te spreken over de verenigbaarheid van sommige bijzonderheden van het Franse ethylalcoholmonopolie met die bepaling.

5.

De nationale rechterlijke instantie onderscheidt in dit opzicht twee opeenvolgende perioden. De eerste betreft de alcoholregeling zoals deze gold na de wijziging bij decreet nr. 74/91 van 6 februari 1974 (JORF, 8 februari 1974, blz. 1476) tot de wijziging bij decreet nr. 77/842 van 25 juli 1977 (JORF, 27 juli 1977, blz. 3928); de tweede betreft diezelfde regeling zoals zij sedert

6.

de wijziging bij laatstgenoemd decreet geldt. Ofschoon enkel de vóór de inwerkingtreding van het decreet van 25 juli 1977 betaalde soultes voor de nationale rechter in geding schijnen te zijn, is het deze die, ingevolge de scheiding van bevoegdheden waarop artikel 177 van het Verdrag steunt, heeft te beoordelen in hoeverre hij behoefte heeft aan uitlegging van het gemeenschapsrecht om vonnis te kunnen wijzen. Bij het beantwoorden van de gestelde vraag zal het Hof dan ook de situatie tijdens beide vorenbedoelde perioden in aanmerking nemen.

a) De periode van de inwerkingtreding van decreet nr. 74/91 van 6 februari 1974 tot die van decreet nr. 77/842 van 25 juli 1977

7.

Tijdens de betrokken periode was het staatsmonopolie voor ethylalcohol in hoofdzaak geregeld door de bepalingen van boek 1, deel 1, titel III (Indirecte belastingen en fiscale monopolies), hoofdstuk I, afdeling I, sub B (Economische regeling) van de Code général des impôts (CGI) en door bijlage II bij dat wetboek.

8.

Luidens de artikelen 358 en volgende CGI brengt het monopolie voor de in Frankrijk, althans in het Franse moederland gevestigde producenten van ethylalcohol de verplichting mee hun produktie van ethylalcohol, uitgezonderd bepaalde, in dat artikel 358 uitdrukkelijk opgesomde alcoholsoorten,

9.

aan de Staat voor te behouden. De omvang van deze produktie wordt bepaald door jaarlijks vastgestelde contingenten die de bevoegde minister, rekening houdend met hun technische mogelijkheden, over de producerende fa-

10.

brieken verdeelt. Tegenover deze leveringsplicht staat de verplichting van het monopolie om de betrokken alcohol tegen door de minister van Financiën

11.

periodiek vastgestelde prijzen in te kopen. De ingekochte alcohol wordt door de Staat voor elk gebruik tegen eveneens van overheidswege vastgestelde prij-

12.

zen doorverkocht. Evenwel kan de Service des alcools krachtens artikel 269 van bijlage II bij de Code général des impôts — welke bepaling bij decreet van 6 februari 1974 werd ingevoerd — de producenten op hun verzoek en tegen betaling van een heffing (soulte) de vrije beschikking laten over bepaalde, in principe aan de Staat voorbehouden alcoholsoorten.

13.

In de betrokken periode moet men de nationale produktie van ethylalcohol dus in drie categorieën onderscheiden, namelijk de vrije — dat wil zeggen niet onder het monopolie vallende — alcohol, de aan het monopolie voorbehouden en door dat monopolie ingekochte alcohol, en de vrijgestelde alcohol, dat wil zeggen in principe aan het monopolie voorbehouden, maar tegen betaling van de soulte ter beschikking van de producenten gelaten.

14.

Krachtens artikel 385 CGI is de invoer van alcohol uit het buitenland aan de

15.

Staat voorbehouden. Wat evenwel de als zodanig bruikbare of verbruikbare ethylalcohol en de brandewijnen en sterke dranken van herkomst uit de andere Lid-Staten betreft, is het invoermonopolie afgeschaft, met name bij decreet nr. 74/91 van 6 februari 1974, vastgesteld in het kader van de aanpassing van het monopolie ingevolge artikel 37 van het Verdrag. Bedoelde alcohol, brandewijnen en sterke dranken kunnen sinds de inwerkingtreding van dit decreet uit de andere Lid-Staten worden ingevoerd en in Frankrijk in de handel gebracht.

16.

Over de als zodanig bruikbare of verbruikbare ingevoerde alcohol was krachtens artikel 273 van bijlage II een „compenserende extraheffing” verschuldigd, waarvan de berekeningswijze overeenkomst vertoonde met die van de

17.

soulte op vrijgestelde nationale alcohol. Krachtens artikel 275 van dezelfde bijlage waren echter de „ethylalcoholhoudende produkten” van herkomst uit andere Lid-Staten en „bestemd voor consommation de bouche” vrijgesteld van de „compenserende extraheffing”, maar onderworpen aan een „compenserende heffing” wanneer de minimumverkoopprijs van neutrale alcohol voor consommation de bouche in het land van oorsprong lager lag dan de in Frank-

18.

rijk voor hetzelfde gebruik geldende verkoopprijs. Uit andere Lid-Staten ingevoerde ethylalcohol was evenwel volgens hetzelfde artikel 275 van deze „compenserende heffing” vrijgesteld wanneer het ging om alcoholsoorten die, waren zij in het binnenland geproduceerd, buiten het monopolie zouden vallen (vrije alcohol).

19.

Uit deze verschillende bepalingen volgt — hetgeen overigens niet wordt betwist — dat de „compenserende heffing” op de voor consommation de bouche bestemde, uit de andere Lid-Staten ingevoerde alcohol ten doel en alleszins ten gevolge heeft dat deze alcohol, zo hij van dezelfde aard is als de onder het monopolie vallende nationale alcoholsoorten, in Frankrijk niet in de handel kan worden gebracht tegen een prijs die lager is dan de minimumverkoopprijs welke door het monopolie voor door hem aangeboden alcohol is vastgesteld.

b) De periode na de inwerkingtreding van decreet nr. 77/842 van 25 juli 1977

20.

Na 's Hofs arresten van 17 februari 1976 (zaak 45/75, Rewe, Jurispr. 1976, blz. 181 en zaak 91/75, Miritz, Jurispr. 1976, blz. 217) inzake sommige bijzonderheden van het Duitse alcoholmonopolie, meende de Commissie dat vorenbedoelde „compenserende heffing” onverenigbaar was met de bij artikel 37 van het Verdrag opgelegde verplichting, de nationale monopolies van commerciële aard aan te passen in dier voege, dat aan het einde van de overgangsperiode elke discriminatie tussen de onderdanen van de Lid-Staten wat de voorwaarden van de voorziening en afzet betreft, is uitgesloten.

21.

Volgens het dictum van het arrest-Miritz (zaak 91/75, voornoemd) verzet artikel 37 zich na het einde van de overgangsperiode tegen de toepassing van een heffing waarmee een Lid-Staat uitsluitend uit een andere Lid-Staat ingevoerde produkten belast ter compensatie van het verschil tussen de verkoopprijs van het produkt in het land van herkomst en de hogere prijs die het nationale monopolie betaalt aan de nationale producenten van het overeenkomstige produkt.

22.

Na gedachtenwisseling met de Commissie stelde de Franse regering op 25 juli 1977 decreet nr. 77/842 vast, dat op 29 juli 1977 in werking trad.

23.

Bij artikel 3 van dat decreet is artikel 275 van bijlage II bij de CGI betreffende de instelling van de „compenserende heffing” op bepaalde alcoholsoor-

24.

ten van herkomst uit de andere Lid-Staten afgeschaft. Ingevolge artikel 2 van dit decreet zijn de als zodanig bruikbare of verbruikbare, uit andere Lid-Staten ingevoerde ethylalcohol bevattende produkten eveneens vrijgesteld van

25.

de „compenserende extraheffing” bedoeld in artikel 273 van bijlage II. Daarentegen wordt krachtens artikel 1 van het decreet op uit andere Lid-Staten ingevoerde ethylalcohol van de soorten die, waren zij in het binnenland geproduceerd, verplicht aan het monopolie zouden moeten worden geleverd, dezelfde soulte toegepast als op nationale ethylalcohol die van de verplichte levering aan het monopolie is vrijgesteld.

26.

Het zijn deze bijzonderheden van de betrokken nationale wetgeving, die bij het antwoord aan de nationale rechter in aanmerking moeten worden genomen.

27.

Voor deze rechter beklaagt verzoekster zich erover:

a)met betrekking tot de periode van de inwerkingtreding van decreet nr. 74/91 van 6 februari 1974 tot die van decreet nr. 77/842 van 25 juli 1977

dat zij verplicht was, wat de door haar geproduceerde alcohol betreft, een soulte te betalen op de alcohol die op haar verzoek van de verplichte levering aan het monopolie was vrijgesteld, terwijl op gelijksoortige, uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten, niet een dergelijke last werd gelegd, of in elk geval slechts een last — in casu de „compenserende heffing” —, die met het Verdrag onverenigbaar en bij gevolg niet verschuldigd is. Deze toestand acht verzoekster in strijd met het discriminatieverbod van artikel 37;

b)met betrekking tot de periode na de inwerkingtreding van het decreet van 25 juli 1977

dat zij verplicht is een soulte te betalen op de door haar geproduceerde „vrijgestelde” alcoholsoorten, terwijl deze last niet drukt op gelijksoortige, in een andere Lid-Staat vervaardigde alcohol, zodat verzoeksters produkten op de markt van de andere Lid-Staten waarheen zij bedoelde produkten uitvoert, worden gediscrimineerd.

28.

Gelet op de voorgaande overwegingen, strekt de gestelde vraag er in hoofdzaak toe te vernemen :

a)of het krachtens artikel 37, lid 1, voor zover de Lid-Staten daarin worden verplicht monopolies van commerciële aard aan te passen in dier voege, dat aan het einde van de overgangsperiode elke discriminatie tussen de onderdanen van de Lid-Staten is uitgesloten, is verboden op nationale, onder het monopolie vallende produkten belastingen te heffen waaraan gelijksoortige, uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten niet of slechts in mindere mate zijn onderworpen;

b)of het krachtens hetzelfde artikel 37, lid 1, is verboden op nationale, onder het monopolie vallende produkten hogere lasten of belastingen te heffen dan op een gelijksoortig produkt in een andere Lid-Staat worden geheven, wanneer het nationale produkt voor de uitvoer naar die andere Lid-Staat is bestemd.

Het eerste onderdeel van de vraag

29.

De verhouding die moet bestaan tussen de binnenlandse belastingen op nationale produkten en die geheven op ingevoerde produkten uit andere Lid-Staten, wordt geregeld door artikel 95 van het Verdrag. Dit bepaalt dat de Lid-Staten op produkten van de overige Lid-Staten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belasting heft, van welke aard ook, dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale produkten worden geheven.

30.

Waar artikel 37, lid 1, verbiedt aan het einde van de overgangsperiode nog te discrimineren tussen de onderdanen van de Lid-Staten wat de voorwaarden van de voorziening en afzet betreft, doelt het niet enkel op kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking, maar ook, zoals het Hof van Justitie in zijn arrest van 17 februari 1976 (zaak 45/75, Rewe, voornoemd) heeft vastgesteld, op belastingen „die ten nadele van ingevoerde produkten, vergeleken met onder het monopolie vallende nationale produkten, discriminatie mochten behelzen”.

31.

Aan het einde van de overgangsperiode kan dus niet meer krachtens artikel 37, lid 1, worden afgeweken van het verbod van artikel 95, dat volledig van toepassing is op de belastingheffing op ingevoerde produkten vergeleken met die op nationale produkten, onverschillig of deze onder een monopolie van commerciële aard vallen of niet.

32.

In artikel 95 wordt weliswaar aan elke Lid-Staat het recht ontzegd, op produkten van de overige Lid-Staten hogere belastingen te heffen dan op nationale produkten, maar niet om nationale produkten zwaarder te belasten dan ingevoerde produkten.

33.

Dergelijke ongelijkheden vallen niet binnen de werkingssfeer van artikel 95, maar zijn het gevolg van de bijzonderheden van de niet-geharmoniseerde nationale wetgevingen op gebieden die onder de bevoegdheid van de Lid-Staten vallen.

34.

Zelfs indien men zou aannemen dat het krachtens artikel 37 niet enkel verboden is ingevoerde produkten ongunstiger te behandelen dan de nationale waarvoor een monopolie bestaat, maar tevens deze laatste te benadelen tegenover ingevoerde produkten, zou daaruit voor de Lid-Staten nog geen verbod voortvloeien om nationale, al dan niet onder het monopolie vallende produkten zwaarder te belasten dan gelijksoortige ingevoerde produkten.

35.

De voorschriften van artikel 37 betreffen immers slechts activiteiten die wezenlijk met de specifieke functie van het betrokken monopolie samenhangen, maar zij zijn niet van toepassing op nationale bepalingen die met de uitoefening vandeze specifieke functie geen verband houden.

36.

De omstandigheid dat op deze produkten al dan niet binnenlandse belasting wordt geheven, naar gelang zij al dan niet buiten het monopolie vallen of van de leveringsplicht kunnen worden vrijgesteld, is geen factor die het vervullen van de specifieke functie van het monopolie beïnvloedt.

37.

De verhouding tussen een dergelijke belasting en die welke op gelijksoortige, eveneens buiten het monopolie vallende ingevoerde produkten wordt geheven, wordt bij gevolg geregeld door artikel 95 en niet door artikel 37, lid 1, van het Verdrag, welke de meer of minder ruime draagwijdte van deze laatste bepaling ook is.

38.

Op het eerste onderdeel van de gestelde vraag moet mitsdien worden geantwoord, dat artikel 95 noch artikel 37 van het Verdrag zich ertegen verzet dat een Lid-Staat op een al dan niet onder een monopolie van commerciële aard vallend nationaal produkt — in het bijzonder bepaalde soorten brandewijn — hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook heft dan op gelijksoortige, uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten.

Het tweede onderdeel van de vraag

39.

Wanneer een Lid-Staat — volgens het antwoord op het eerste onderdeel van de vraag — op een nationaal produkt, ongeacht of het in die Lid-Staat al dan niet onder een monopolie van commerciële aard valt, hogere binnenlandse belastingen mag heffen dan op een gelijksoortig ingevoerd produkt, dan staat het hem a fortiori vrij op een nationaal produkt hogere binnenlandse belastingen te heffen dan in een andere Lid-Staat op een gelijksoortig produkt worden geheven.

40.

Dergelijke ongelijkheden zijn een gevolg van de fiscale bevoegdheden der Lid-Staten en vallen niet onder artikel 95 noch onder artikel 37 EEG-Verdrag.

Kosten

41.

De kosten door de Franse regering en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen.

42.

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door het Tribunal de Grande Instance te Lure bij vonnis van 6 januari 1978 gestelde vragen,

verklaart voor recht:

Artikel 95 noch artikel 37 EEG-Verdrag verzet zich ertegen dat een Lid-Staat op een al dan niet onder een monopolie van commerciële aard vallend nationaal produkt — in het bijzonder bepaalde soorten brandewijn — hogere binnenlandse belastingen heft dan op gelijksoortige, uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

4
EEG-Verdrag art. 37uitgelegd9 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1772 voorkomens
EEG-Verdrag art. 51 voorkomen
EEG-Verdrag art. 71 voorkomen

Rechtspraak

3

Europese Unie

3

Bekijk de 3 documenten

Rechtsleer

6
Barents, René: S.E.W. ; Sociaal-economische wetgeving 1979 p.750-752 (NL)
Rastrelli, Giovanni: Art. 37 par. 1 del Trattato CEE: una "lex specialis" nei confronti delle altre norme del Trattato, Diritto comunitario e degli scambi internazionali 1979 p.697-704 (IT)
Wyatt, Derrick: State Monopolies of a Commercial Character, European Law Review 1980 p.213-220 (EN)
X: Gazette du Palais 1980 II Som. p.111-112 (PM) (FR)
Kovar, Robert: Note sous les arrêts de la Cour du 13.3.1979, Af. 86/78, Af. 91/78 et Af. 119/78, Journal du droit international 1981 p.125-132 (FR)
Bekijk de andere verwijzing
Barents, René: Annotaties Hof van Justitie EG (Ed. W.E.J. Tjeenk Willink - Zwolle) 1995 p.401-404 (NL)