ARREST
Ten aanzien van het recht
Overwegende dat de uitspraak van de verwijzende rechter en de schriftelijke opmerkingen, gemaakt krachtens artikel 20 van het Statuut van het Hof van Justitie van de EEG, kunnen worden samengevat als volgt.
I — De feiten en het procesverloop
Het bodemgeschil betrof het besluit waarbij de Franse overheid de aan verzoeker uitgekeerde communautaire premie wegens het niet in de handel brengen van melk gedeeltelijk heeft teruggevorderd omdat hij de gestelde voorwaarden niet zou hebben nageleefd.
1. De regeling inzake premies, toe te kennen wegens het niet in de handel brengen van melk
Volgens artikel 2 van 's Raads verordening (EEG) 805/68 van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, kunnen er volgens de procedure van artikel 43, lid 2, van het Verdrag, maatregelen worden genomen waardoor een betere oriëntatie van de rundveehouderij mogelijk wordt gemaakt.
Krachtens die bepaling heeft de Raad verordening (EEG) 1975/69 van 6 oktober 1969 vastgesteld, houdende invoering van een stelsel van premies voor het slachten van koeien en premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelprodukten (PB L 252, blz. 1), zulks op grond van de overweging dat de situatie in de sector melk en zuivelprodukten in de Gemeenschap door het bestaan van aanzienlijke en steeds toenemende overschotten werd gekenmerkt (eerste overweging van de considerans).
Volgens de zesde overweging van de considerans zou het nagestreefde doel, te weten een vermindering van de hoeveelheid ter interventie aangeboden melk, kunnen worden bereikt door premies te verlenen aan landbouwers die, zonder hun melkproduktie stop te zetten, volledig en definitief afzien van het in de handel brengen van melk en zuivelprodukten.
Het bedrag van die premie moest volgens de zevende overweging van de considerans worden vastgesteld op een zodanig peil dat zij kan worden beschouwd als een compensatie voor de inkomstenderving, door betrokkenen als gevolg van het niet in de handel brengen van de onderhavige produkten geleden.
Krachtens artikel 5 der verordening kunnen landbouwers met meer dan tien melkkoeien op hun verzoek en onder bepaalde in de verordening omschreven voorwaarden, voor de premie in aanmerking worden gebracht. In artikel 6 wordt de verlening van de premie onder meer afhankelijk gesteld van een schriftelijke verklaring, waarbij de begunstigde zich verbindt om volledig en definitief van de aflevering van melk en zuivelprodukten af te zien. Blijkens artikel 7 bedraagt de premie 200 r.e. per melkkoe die op de dag van indiening der aanvraag op het bedrijf wordt gehouden. De premie wordt volgens artikel 8 uitbetaald in vijf bedragen, en wel in dier voege dat een bedrag van 100 r.e. per melkkoe wordt uitbetaald binnen drie maanden na het aangaan van de in artikel 6 bedoelde schriftelijke verbintenis.
In casu is vooral van belang de voorwaarde, gesteld in artikel 8, lid 2, tweede alinea:
„Het resterende bedrag wordt jaarlijks betaald in vier gelijke delen, indien de begunstigde ten genoegen van de bevoegde autoriteit heeft aangetoond, dat hij een even groot of groter aantal eenheden volwassen runderen houdt dan het aantal op de dag der indiening van het verzoek gehouden melkkoeien en tevens dat de in artikel 6 bedoelde verbintenis is nagekomen”.
De uitvoering zou volgens artikel 9 worden geregeld overeenkomstig de zogenaamde beheerscomitéprocedure.
De Commissie heeft aan deze verordening uitvoering gegeven in haar verordening (EEG) 2195/69 houdende vaststelling van uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van premies voor het slachten van koeien en premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelprodukten.
Volgens de zevende overweging van de considerans der verordening moet het dienstig worden geacht te verzekeren dat het eerste deel van de premie wordt teruggevorderd wanneer aan de voorwaarde betreffende het aantal aan te houden eenheden volwassen runderen niet is voldaan.
Volgens artikel 1, lid 2, der verordening is als een „eenheid volwassen rund” te beschouwen
„het rund, huisdier, dat tenminste twaalf maanden oud is”, terwijl „vrouwelijke dieren, die nog niet hebben gekalfd en die voor melkproduktie bestemd zijn, zijn uitgesloten”.
Voor de berekening van het aantal eenheden moeten volgens artikel 2 de volgende omrekeningscoëfficiënten worden gebruikt:
a) runderen beneden vier maanden: 0 eenheid volwassen rund;
b) runderen van vier maanden of meer doch minder dan 12 maanden: 0,4 eenheid volwassen rund.
Het resterende bedrag van de premie … wordt ingevolge artikel 15 betaald in vier jaarlijks gelijke bedragen, en wel uiterlijk in de vijftiende, zevenentwintigste, negenendertigste en eenenvijftigste maand na de datum van ondertekening van de verbintenis.
Artikel 16 bepaalt:
„indien de begunstigde niet ten genoegen van de bevoegde autoriteit heeft aangetoond dat hij het aantal … bedoelde eenheden volwassen runderen houdt, vorderen de Lid-Staten het bedrag … (100 r.e. per melkkoe binnen drie maanden na het aangaan van de verbintenis) terug.
2. De feiten
De heer Collic is landbouwer in het departement Finistère (Frankrijk). Op 9 december 1969 heeft hij met het oog op de toekenning van de non-commercialisatiepremie voor melk en zuivelprodukten een verklaring ondertekend volgens welke er op zijn bedrijf per 31 augustus 1969 veertien melkkoeien werden gehouden.
Het bevoegde Franse overheidsorgaan, het Fonds d'orientation et de régularisation des marchés agricoles (hierna te noemen „FORMA”) kende hem toen een non-commercialisatiepremie toe ten bedrage van 11663,79 Franse franken, welk bedrag hem is uitbetaald volgens betalingsopdrachten van 14 mei 1970, 25 augustus 1971 en 18 augustus 1972.
Bij op 5 juni 1971 en 30 mei 1972 vanwege de landbouwdirectie van het departement Finistère uitgevoerde controles was gebleken dat zich op het bedrijf van de heer Collic veertien stuks volwassen rundvee bevonden — en deswege waren vorenbedoelde betalingsopdrachten van 25 augustus 1971 en 18 augustus 1972 uitgegaan —.
Bij de derde controle, die op 13 september 1973 heeft plaatsgevonden, werd evenwel vastgesteld dat zich op het bedrijf van de heer Collie slechts 4,4 eenheden volwassen rundvee bevonden. Toen op 12 februari 1974 opnieuw tot controle werd overgegaan, bleek van de aanwezigheid van slechts 6,4 eenheden.
Op 29 april 1975 stelde FORMA een voor tenuitvoerlegging vatbare staat („état exécutoire”) op ten einde de totale premie van 11663,69 Franse franken te kunnen terugvorderen.
Bij een op 16 juni 1975 ter griffie van de Tribunal administratif te Rennes ingeschreven verzoekschrift kwam de heer Collie tegen bedoelde staat in verzet; hij wenste de staat te zien nietigverklaard, stellende dat ter berekening van de op zijn bedrijf aanwezige eenheden volwassen rundvee de minstens vier maanden oude, door hem opgefokte en vervolgens geslachte kalveren — met toepassing van een omrekeningscoëfficiënt van 0,4 — in aanmerking moesten worden genomen. De heer Collie blijkt op zijn bedrijf behalve de door FORMA erkende eenheden volwassen rundvee drie kudden van vijftig slachtkalveren, tenminste 15 dagen en ten hoogste vier en een halve maand oud, te hebben gehouden. Hij geeft toe dat hij ten tijde van de controlebezoeken niet voldeed aan de voorwaarde, in de communautaire regeling gesteld, doch is van mening dat ten deze de dag van het in de handel brengen der kalveren in aanmerking moet worden genomen.
FORMA betoogt dat er, ook al zou rekening worden gehouden met kalveren die tijdens de controles nog geen vier maanden oud waren, doch na vier en een halve maand oud te zijn geworden werden verhandeld, een aftrek zou moeten worden toegepast in dier voege dat alleen de tijd van hun verblijf op het bedrijf in aanmerking wordt genomen. De kalveren van vier. maanden en ouder waren slechts gedurende 15 dagen op het bedrijf geweest. Toepassing van de formule
leidt tot de uitkomst dat zijn slachtkalveren slechts 2,5 eenheden volwassen rundvee vertegenwoordigden.
De heer Collie acht deze aftrekmethode in strijd met de communautaire regeling.
3. Procesvoering
De Tribunal administratif te Rennes heeft het Hof bij vonnis van 7 juli 1976, zoals in een beschikking van 6 augustus 1976 gerectificeerd, drie prejudiciële vragen gesteld.
Het verwijzingsvonnis is op 25 augustus 1976 op het Hof binnengekomen. Overeenkomstig artikel 20 van het Statuut betreffende het Protocol van het Hof van Justitie van de EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend namens het Fonds d'orientation et de régularisation des marchés agricoles en de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
II — Samenvatting van de schriftelijke opmerkingen
De eerste vraag
„Mogen, gezien artikel 2 van verordening (EEG) 2195/69 de op het bedrijf aanwezige stuks rundvee naar gelang van de duur hunner aanwezigheid in aanmerking worden genomen?”
FORMA betoogt dat de controles voor betaling van de laatste vier premietermijnen telkens ter plaatse zijn uitgevoerd, overeenkomstig een door de Franse minister van Landbouw op 15 januari 1971 aan alle prefecten toegezonden rondschrijven.
Met betrekking tot de controle op het aantal door de premieontvanger gehouden stuks volwassen rundvee wordt in dit rondschrijven het volgende gezegd: „runderen die korter dan een jaar op het bedrijf zijn zullen naar gelang van de tijd hunner aanwezigheid in hun categorie in aanmerking worden genomen”.
Dit berekeningsprincipe pro rata temporis verdraagt zich naar geest en letter met artikel 2, lid 1, van verordening 2195/69. Men heeft in die verordening, al naar gelang van de leeftijd der dieren, verschillende omrekeningscoëfficiënten aangehouden, blijkbaar om redenen verband houdende met het benutten der voor voedergewassen bestemde bedrijfsoppervlakten.
Berekent men „O eenheid volwassen rund” voor kalveren beneden de leeftijd van vier maanden, dan worden veehouders die de door hen opgefokte kalveren na ongeveer vier maanden verkopen, van de premie uitgesloten, en wel zulks omdat die dieren niet met van het bedrijf afkomstig groenvoer worden gevoederd.
Deze uitlegging vindt steun in het feit dat voor dieren van vier tot twaalf maanden 0,4„eenheid volwassen rund” wordt berekend (bij deze dieren wordt in de regel van mengvoer gebruik gemaakt).
In artikel 2 van verordening 2195/69 wordt van berekening pro rata temporis uitgegaan; het gaat om dieren die op het bedrijf komen als ze nog geen 4 maanden oud zijn en daar na het bereiken van de leeftijd van vier maanden tot uiterlijk de leeftijd van twaalf maanden nog enige tijd blijven. Iedere andere toepassing zou de zin der regeling geweld aandoen.
De Commissie betoogt dat het premiestelsel voor het niet in de handel brengen van melk bedoeld was om de zuivelmarkt te saneren en meer rundvee voor vleesproduktie beschikbaar te doen komen. De premies komen enerzijds neer op een compensatie van het verlies van inkomsten uit de handel in melk en zuivelprodukten, en anderzijds op een tegemoetkoming in de investeringskosten die met de gewijzigde bestemming van de veestapel verband houden.
Artikel 2 van verordening 2195/69 heeft klaarblijkelijk ten doel ervoor te zorgen dat de ontvanger van de premie de met voedergewassen beteelde oppervlakte ook werkelijk voor de produktie van rundvlees bestemt. Dat is ook de reden waarom slachtkalveren volgens lid 1 a) van het artikel niet vallen onder de voor het opruimen van melkvee bedoelde, in „eenheden volwassen rund” uitgedrukte equivalenties: nuchtere kalveren krijgen vrijwel uitsluitend moedermelk, andere jonge dieren vervangende melk te drinken, hetgeen wel vier maanden duren kan.
Bij runderen tussen vier en twaalf maanden moet men natuurlijk oppassen dat de wijze van berekening niet tegen het beoogde doel — het aanhouden van een veestapel voor de vleesproduktie gedurende de gehele periode waarvoor men zich tot het niet in de handel brengen van melk verplicht heeft — indruist. Dc premiegerechtigde moet bij iedere betaling van de premie kunnen aantonen dat hij nog steeds voldoende stuks volwassen rundvee op zijn bedrijf houdt. Dat wil zeggen dat de ten deze bevoegde nationale instantie uiterlijk in de 15e, 27e, 39e en 51e maand na de ondertekening van de verbintenis een aantal volwassen runderen op het bedrijf moet kunnen aantreffen dat ten minste gelijk is aan het aantal melkkoeien dat aldaar tijdens de premieaanvraag werd gehouden.
Dat runderen die korter dan een jaar op het bedrijf verblijven in de regel naar gelang van de duur van hun aanwezigheid in aanmerking worden genomen, lijkt niet in strijd met de bedoeling der verordeningen, namelijk een werkelijke en duurzame omschakeling op de vleesproduktie te bevorderen. Integendeel, het leidt er juist toe dat artikel 2 van verordening 2195/69 ten volle toepassing vindt zolang de runderen werkelijk op het bedrijf verblijf houden.
De tweede vraag
„Moet bij de bepaling van de omrekeningscoëfficiënten worden uitgegaan van de leeftijd der runderen op het tijdstip van de controle dan wel op het tijdstip waarop ze in de handel worden gebracht, indien de ontvanger van de premies aantoont dat zijn runderen na meer dan vier maanden worden verhandeld?”
FORMA betoogt dat men bij toepassing van de omrekeningscoëfficiënt van artikel 2, lid 1, van verordening (EEG) 2195/69, volgens het voorschrift van de Franse minister van landbouw niet op de leeftijd der runderen bij controle, doch op het tijdstip van verhandeling heeft te letten.
Zou alleen de leeftijd op de controledatum in aanmerking worden genomen, dan zou men niet de hand houden aan de verplichting die krachtens artikel 8, lid 2, tweede alinea, van verordening 1975/69 gedurende het in die verordening omschreven tijdvak van vijf jaren op de veehouder is gelegd. Worden de eerste en de tweede vraag in deze zin beantwoord, dan raakt de derde vraag zonder voorwerp.
De Commissie betoogt dat de premie als een tegemoetkoming bij de herstructurering — en niet bij de verhandeling — van de veestapel is bedoeld, en daarom niet kan worden toegekend aan een producent die slechts van tijd tot tijd zulk rundvee op zijn bedrijf heeft lopen.
De regel pro rata temporis strekt ertoe de nakoming van deze verplichting door de tot ontvangst der premie gerechtigde producent te garanderen. Ten tijde van de controles moeten dan ook de in artikel 2, lid 1, van verordening 2195/69 omschreven omrekeningscoëfficiënten worden toegepast binnen de bij beantwoording van de eerste vraag aangegeven grenzen.
De derde vraag
„Zijn voor uitlegging van genoemde verordening, en met name van artikel 2, nadere gegevens vereist die voor de oplossing van het geschil van belang kunnen zijn?”
Noch FORMA noch de Commissie menen dat zulks het geval is.
III — Mondelinge behandeling
Tijdens de op 26 januari 1977 gehouden openbare behandeling zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door partijen in het hoofdgeding en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
De raadsman van de heer Collic heeft betoogd dat de tweeledige doelstelling — te weten compensatie wegens het niet in de handel brengen van melk en een tegemoetkoming bij de herstructurering van de veestapel — die volgens de Commissie aan de communautaire regeling ten grondslag ligt, met het premiebedrag moeilijk verenigbaar lijkt De heer Collic had veertien melkkoeien en heeft in totaal een premie van 11668 Franse franken ontvangen; dit bedrag kon mogelijk opwegen tegen de inkomstenderving die hij als gevolg van het niet verhandelen van zijn melk heeft geleden, doch hielp hem niet bij het bestrijden van de kosten, die aan de herstructurering van zijn veestapel noodzakelijkerwijze verbonden waren.
De regel pro rata temporis ligt niet besloten in de communautaire regeling, waarin slechts van een omrekeningscoëfficiënt sprake is.
Volgens verzoeker bedraagt de zogenaamde pro rata temporis-regel zich niet met de geest van de communautaire regeling. Tijdens de controle van 13 september 1973 hield hij op zijn bedrijf vier mestkoeien, een jonge stier van vier maanden en drie kudden van 21 slacht-kalveren — van vijftien dagen tot vier maanden —. Die kalveren behoorden volgens hem normaliter te worden me-degeteld: ze werden niet binnen de vier maanden geslacht, doch zouden nadien worden verhandeld en geslacht, en dus de vleesmarkt bevoorraden. Hij kan dat trouwens bewijzen. De communautaire regeling was stellig op rundveeproduktie — in de plaats van melkproduktie — gericht, zodat betrokkene zich door het houden van kalveren, bestemd om niet binnen de vier maanden te worden geslacht, van zijn verplichting kon kwijten.
De toepassing van de pro rata temporistegel vond volgens FORMA en de Commissie haar rechtvaardiging in het in aanmerking nemen van de gebruikte met voedergewassen beplante bedrijfsopper-vlakte. Deze overweging komt echter in de communautaire verordeningen noch rechtstreeks noch indirect ter sprake.
Verzoeker heeft zich voor de herstructurering van zijn bedrijf veel inspanningen getroost, maar zijn drie kudden fokvee, bestemd om na vier en een halve maand te worden verhandeld, zouden slechts voor 2,5„eenheid volwassen rund” kunnen worden geteld. Deze door FORMA toegepaste — en door de Commissie goedgekeurde — regel is bijzonder streng en verdraagt zich in feite niet met de geest van de communautaire regeling.
Wat de tweede vraag betreft: een billijke oplossing is alleen te vinden wanneer men de dag in aanmerking neemt waarop de runderen in de handel worden gebracht; op die manier kan worden aangetoond dat zij op dat ogenblik op de vleesmarkt terechtkomen.
In vraag drie gaat het er vooral om een uitspraak van het Hof uit te lokken over de vraag tot welke sancties de toepassing van artikel 8, lid 2, van verordening 1975/69 juncto artikel 15 van verordening 2195/69 kan leiden.
De heer Villey, raadsman van FORMA, betoogt dat men, gezien de overschotsituatie op de melkmarkt, de landbouwers door middel van de premie heeft willen aanmoedigen van melkproduktie op vleesproduktie over te schakelen. Het lag niet in de bedoeling de investeringsbehoeften waarvoor de landbouwers zich in verband hiermede geplaatst konden zien, volledig te subsidiëren. Het ging slechts om aanmoediging — en om steun —.
Het gaat er in werkelijkheid om hoe de controles moeten worden uitgevoerd en hoe er moet worden gewerkt met de omrekeningscoëfficiënten, omschreven in de verordening van 4 november 1969.
Volgens de communautaire verordeningen moest betrokkene op zijn bedrijf gedurende vijf jaar een minimumveestapel aanhouden. De verordeningen gaven voorschriften over de telling van het rundvee — aan de hand waarvan moest worden bepaald of bedoeld minimum inderdaad werd aangehouden —.
Hoe er met daar gegeven percentages moet worden gewerkt, is in de verordeningen niet geregeld. Er wordt niet gezegd in hoeverre er rekening mag worden gehouden met runderen die niet de volle vijf jaren c.q. een vol jaar op het bedrijf aanwezig zijn geweest. Maar omdat het tweede gedeelte van de premie per melkkoe — na vaststelling dat het minimum veebestand is aangehouden — in vier jaarlijkse termijnen betaalbaar is gesteld, ligt het voor de hand het tijdvak van vijf jaren waarvoor de verplichting geldt, in gelijke delen te splitsen en jaarlijks na te gaan hoe betrokkene zich van zijn verbintenis heeft gekweten. Omdat runderen beneden vier maanden niet meetellen, kan ook de tijd dat zulke runderen op het bedrijf zijn niet in aanmerking worden genomen. En waar runderen tussen vier en twaalf maanden voor 0,4„eenheid volwassen rund” tellen, zal logischerwijze ook moeten worden onderzocht of bedoelde verbintenis is nagekomen, waarbij de tijd in aanmerking moet worden genomen gedurende welke de runderen op het bedrijf aanwezig zijn geweest. Maar door volledige uitsluiting van runderen die een bepaald gedeelte van bedoelde periode van een jaar op het bedrijf zijn geweest, doch zich daar ten tijde van de controle niet meer bevinden, zou men juist degenen die — in de lijn van de hierbedoelde regeling — het vlees in de handel brengen, straffen.
Wat de tweede vraag betreft: als de pro rata temporis -Tegel in overeenstemming is met de geest de verordeningen, zullen de omrekeningscoëfficiënten moeten worden toegepast die gelden op het tijdstip waarop de controle wordt uitgevoerd (alleen dan kan ermee worden gewerkt), maar daarbij moeten dieren die ouder dan vier maanden waren toen zij in de handel werden gebracht, in aanmerking worden genomen.
Namens de Commissie heeft de heer Delmoly vragen van het Hof betreffende de praktijk in de Lid-Staten beantwoord. In Nederland en, in de regel, in Duitsland werken de bevoegde gezagsorganen met de zelfde pro rata temporis-regel als in Frankrijk. In België en Luxemburg hebben de autoriteiten blijkbaar mede volstaan de omrekeningscoëfficiënten op de controledata toe te passen. In die landen kent men geen fokkalveren ouder dan 4 maanden; oudere dieren zijn dus uiteraard „eenheden volwassen rund”, dat wil zeggen dieren bestemd om als volwassen runderen te worden geslacht.
Dat in de verschillende Lid-Staten niet dezelfde gedragslijn blijkt te worden gevolgd, houdt met bijzonderheden van de veefokkerij en de handel in die landen verband. Zo worden bepaalde kalversoor-ten in Frankrijk niet — als slachtvee — na ongeveer drie maanden geslacht, doch pas later, tussen drie en twaalf maanden (zo in Lyon en St. Etienne); er is in zoverre sprake van even zo vele kalversoor-ten, en ook voor het aanmoedigen van de opfok van zulke kalveren moest worden gezorgd. Bij een roulerend kalverbestand, dat wil zeggen wanneer de dieren — tussen vier en twaalf maanden — het bedrijf op verschillende data verlaten, zou volgens verzoeker een met acht maanden geslacht kalf op dezelfde wijze moeten worden geteld als een kalf dat na vier en een halve maand werd geslacht; maar zulk een resultaat zou niet in de lijn liggen van de bedoeling der regeling, waarmede men een zekere marktstabili-teit en een stabiel veebestand heeft willen bevorderen, in dier voege dat tevens rekening zou worden gehouden met de bijzonderheden van produktie en verhandeling.
Alleen in Frankrijk, Duitsland en Nederland is met het pro rata temporis-systeem gewerkt, maar deze staten zijn tezamen goed voor ongeveer 85 %, en daarmede voor het leeuwedeel, der uitgekeerde non-commercialisatiepremie.
De Commissie heeft slechts een gemakkelijk toe te passen minimumregel opgesteld, waarmede in sommige landen gewerkt is, doch niet alle gevallen konden worden bestreken. De Lid-Staten mochten de regel nader uitwerken ten einde het doel van de communautaire regeling — blijvende omschakeling op vleesprodukties en dus: een zekere stabiliteit van de rundveestapel — te verenigen met de eveneens bescherming verdienende bijzonderheden van produktie en commercialisatie in bepaalde fokgebieden.
De Commissie wijst erop dat in een Lid-Staat waar zonder meer met de omrekeningsmethode van de communautaire verordening wordt gewerkt, de leeftijd der runderen op de dag van controle moet worden aangehouden — hetgeen de eenvoudigste methode is —, doch dat de pro rata temporis-regel de kwestie op een andere manier regelt, immers per definitie uitgaat van de leeftijd waarop de runderen de bedrijven verlaten, waardoor met de verschillende produktiestructuren der onderscheiden landen rekening kan worden gehouden. Vólgens de Commissie behelst artikel 2 harer verordening een forfaitaire regel. Als het om de controles en tellingen gaat, kan er het beste door de nationale administraties voor aanpassing van de communautaire regel aan de bijzondere produktie- en verhandelingsmethoden in hun Staat worden gezorgd.
Overwegende dat de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 februari 1977 zijn conclusie heeft genomen;
Ten aanzien van het recht
Overwegende dat de Tribunal administratif te Rennes het Hof bij vonnis van 7 juli 1976, ingekomen op 25 augustus 1976, drie vragen gesteld heeft inzake van de uitlegging van verordening (EEG) 2195/69 van de Commissie van 4 november 1969 houdende vaststelling van uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van premies voor … het niet in de handel brengen van melk en zuivelprodukten (PB 1969, L 278, blz. 6);
dat die vragen worden gesteld in het kader van een geding tussen een landbouwer en het bevoegde nationale gezagsorgaan betreffende de rechtsgeldigheid van een door dat orgaan genomen besluit tot gedeeltelijke terugvordering van de premie welke het aan de landbouwer had toegekend;
dat blijkens artikel 8, lid 2, tweede alinea van verordening (EEG) 1975/69 van de Raad van 6 oktober 1969 (PB 1969, L 252, blz. 1) - tot invoering van bedoeld stelsel — de premie slechts wordt betaald wanneer de begunstigde op zijn bedrijf onder meer „een even groot of groter aantal eenheden volwassen runderen houdt dan het aantal op de dag van indiening van het verzoek gehouden melkkoeien”;
dat het bevoegde nationale gezagsorgaan blijkens het dossier bedoelde beslissing heeft genomen omdat bij twee controles zou zijn gebleken dat de landbouwer op zijn bedrijf niet het aantal „eenheden volwassen rund” hield waartoe hij op grond van genoemd artikel 8, lid 2, tweede alinea, van verordening 1975/69, zoals uitgewerkt in verordening 2195/69, artikelen 1 en 2, verplicht was;
Overwegende dat in de eerste plaats wordt gevraagd of volgens artikel 2 van verordening 2195/69 de op het bedrijf aanwezige runderen naar gelang van de duur hunner aanwezigheid mogen worden geteld;
dat in de tweede plaats wordt gevraagd of bij de bepaling van de omrekeningscoëfficiënt moet worden uitgegaan van de leeftijd der runderen op het tijdstip van de controle dan wel op het tijdstip waarop zij in de handel worden gebracht, wanneer de ontvanger van de premies aantoont dat zijn runderen bij het in de handel brengen ouder waren dan 4 maanden;
dat in de derde plaats wordt gevraagd of voor de uitlegging van de verordening, en met name van artikel 2, nadere voor de oplossing van het geschil nuttige gegevens nodig zijn;
Overwegende dat bij de beantwoording van de vragen, gezamenlijk beschouwd, te rade moet worden gegaan met de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, en wel met name met de maatregelen, door de Raad in zijn verordening 1975/69 genomen ten einde een betere oriëntatie van de rundveehouderij mogelijk te maken;
Overwegende dat er volgens artikel 2 van 's Raads verordening (EEG) 805/68 van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB 1968, L 148, blz. 24) communautaire maatregelen ter bevordering van een betere oriëntatie van de rundveehouderij kunnen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 43, lid 2, van het EEG-Verdrag;
Overwegende dat men in 1969 tot een vermindering van de hoeveelheid ter interventie aangeboden melk en tezelfder tijd tot uitbreiding van de rundvleesproduktie in de Gemeenschap heeft willen komen en derhalve in verordening 1975/69 heeft voorzien dat degenen die volledig en definitief van het in de handel brengen van bedoelde produkten afzagen, onder bepaalde voorwaarden voor een premie „voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelprodukten” in aanmerking konden komen;
dat die premie bedoeld was ter aanmoediging van bepaalde landbouwers die van het verhandelen van melk en zuivelprodukten op de produktie van rundvlees wilden overschakelen;
dat daartoe als voormeld in artikel 8, lid 2, tweede alinea, der verordening is bepaald dat toekenning van de premie medebrengt dat men verplicht is „een even groot of groter aantal eenheden volwassen runderen” te houden „dan het aantal op de dag van indiening van het verzoek gehouden melkkoeien”;
Overwegende dat de premie blijkens de verordening in haar geheel niet slechts bedoeld was om de begunstigde aan te moedigen zijn melkproduktie volledig te gebruiken voor de teelt van runderen met het oog op de vleesproduktie, doch ook om hem te bewegen een effectief gebruik van zijn bedrijfscapaciteit te maken;
Overwegende dat in artikel 1 van de uitvoeringsverordening der Commissie — 2195/69 — het begrip „eenheid volwassen rund” wordt omschreven als „het rund, huisdier, dat ten minste twaalf maanden oud is”, waarbij vrouwelijke dieren die nog niet hebben gekalfd en die voor melkproduktie bestemd zijn, zijn uitgesloten;
dat volgens artikel 2 dezer verordening voor de berekening van het aantal eenheden volwassen rund de volgende omrekeningscoëfficiënten worden gebruikt:
a)„ runderen beneden vier maanden: 0 eenheid volwassen rund;
b)runderen van vier maanden of meer doch minder dan twaalf maanden: 0,4 eenheid volwassen rund”;
Overwegende dat de helft van de premie moest worden betaald bij de ondertekening van de schriftelijke verbintenis tot het niet in de handel brengen van zuivelprodukten, terwijl het resterende bedrag volgens artikel 15 diende te worden betaald in vier jaarlijks gelijke bedragen, en wel uiterlijk in de 15e, 27e, 39e en 51e maand na de datum van ondertekening van de verbintenis;
dat er naar luid van artikel 16 der verordening door de Lid-Staten tot terugvordering van het eerste gedeelte der premie wordt overgegaan indien de begunstigde niet ten genoegen van de bevoegde autoriteit heeft aangetoond dat hij het voorgeschreven aantal „eenheden volwassen rund” aanhoudt;
dat blijkens artikel 2, volgens hetwelk runderen beneden vier maanden als „0 eenheid volwassen rund” zijn te beschouwen, als niet premiegerechtigd zijn te beschouwen de houders van slachtkalveren die omstreeks de leeftijd van vier maanden worden verkocht;
Overwegende dat blijkens de doelstellingen der betrokken verordening voor haar toepassing niet de doorslag geeft of bij een bepaalde gelegenheid het vereiste aantal eenheden volwassen rund op het bedrijf aanwezig is, doch of zij daar gedurende het gehele betrokken jaar worden gehouden;
dat het op de weg van het bevoegde gezagsorgaan ligt zich ervan te vergewissen dat gedurende de gehele referentieperiode het in s' Raads verordening 1975/69 verlangde aantal eenheden volwassen rund op het bedrijf is gehouden;
dat door de in artikel 16 van verordening 2195/69 gebezigde woorden „ten genoegen van de bevoegde autoriteit” aan die autoriteit met betrekking tot het door de premiegerechtigde te leveren bewijs een zekere speelruimte wordt gelaten;
dat daaruit volgt dat het bevoegde gezagsorgaan tijdens de controles niet slechts heeft vast te stellen hoeveel dieren er op bedoelde datum werkelijk op het bedrijf worden gehouden, doch ook al het bewijsmateriaal betreffende de door belanghebbende verhandelde dieren — en de duur van hun aanwezigheid op het bedrijf — heeft te onderzoeken;
dat het ondanks de elliptische formulering van artikel 2 van de verordening der Commissie voorkomt dat het bevoegde gezagsorgaan ter berekening van het aantal eenheden volwassen rund geen rekening mag houden met de periode gedurende welke de slachtkalveren nog geen vier maanden oud waren;
dat aan de nationale rechter derhalve dient te worden geantwoord dat het bevoegde gezagsorgaan volgens artikel 2 van verordening (EEG) 2195/69 bij de berekening van het aantal op het bedrijf aanwezige eenheden volwassen rund verplicht is die eenheden naar gelang van de duur hunner aanwezigheid te tellen;
dat het bevoegde gezagsorgaan daarbij de periode gedurende welke de runderen nog geen vier maanden oud zijn, buiten beschouwing moet laten;
Ten aanzien van de kosten
Overwegende dat de kosten, door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking komen;
dat de procedure ten aanzien van partijen in het hoofdgeding als een voor de Tribunal administratif te Rennes gerezen incident is te beschouwen, zodat deze laatste over de kosten heeft te beslissen;
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende inzake de vraag door de Tribunal administratif te Rennes bij vonnis van 7 juli 1976 gesteld, verklaart voor recht:
1. Het bevoegde gezagsorgaan is volgens artikel 2 van verordening (EEG) 2195/69 verplicht bij de berekening van het op het bedrijf aanwezige aantal eenheden volwassen rund die eenheden naar gelang van de duur hunner aanwezigheid te tellen;
2. Het bevoegde gezagsorgaan moet daarbij de periode gedurende welke de runderen nog geen vier maanden oud zijn, buiten beschouwing laten.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
5Rechtspraak
1Europese Unie
1Conclusie van advocaat-generaal Mancini252/8615.12.1987