ARREST
Ten aanzien van de feiten
Overwegende dat de feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG ingediende opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:
I — De feiten en het procesverloop
De verhandeling van varkens is in Noord-Ierland geregeld bij de „Pigs Marketing Scheme (Northern Ireland) 1933”, die krachtens de „Agricultural Marketing Act (Nothern Ireland) 1964” wordt beheerd door de Pigs Marketing Board voor Noord-Ierland. Ingevolge deze regeling zijn de producenten inzonderheid verplicht varkens met een levend gewicht van meer dan 77 kg (of een geslacht gewicht van meer dan 56,5 kg), ook bekend als „baconvarkens”, enkel aan of door bemiddeling van de Pigs Marketing Board te verkopen. Aan deze bepaling wordt uitvoering gegeven door de „Movement of Pigs Regulations (Northern Ireland) 1972”, die elk vervoer verbiedt van „baconvarkens” die niet zijn bestemd voor een inkoopcentrum van de Board voor welke bestemming de producent een vervoerdocument moet kunnen tonen. Overtreding kan worden bestraft met een gevangenisstraf tot drie maanden en/of een boete van 200 pond; bovendien kunnen de varkens in beslag worden genomen.
Op 12 januari 1977 hield een politieagent in Maytone, nabij Markethill, County Armagh (Noord-Ierland), een vrachtwagen voor veevervoer met 75 baconvarkens (varkens met een gewicht van meer dan 77 kg) aan.
De bestuurder van de vrachtwagen was niet in het bezit van een vervoervergunning afgegeven door de Pigs Marketing Board krachtens artikel 4 van de Movement of Pigs Regulations.
De vrachtwagen met inhoud werd in beslag genomen en op 28 januari 1977 werd voor de Magistrate's Court van County Armagh een gerechtelijke procedure ingeleid. In het kader hiervan werd de eigenaar van de varkens, Raymond Redmond, op 7 juli 1977 door de Pigs Marketing Board gedagvaard; de dagvaarding werd gevolgd door een vordering tot verbeurdverklaring van de varkens.
Redmond stelde voor het Magistrate's Court dat de nationale bepalingen op grond waarvan hij werd vervolgd in strijd waren met een aantal bepalingen van het EEG-Verdrag en van uitvoeringsverordeningen vastgesteld in de sector van de produktie en de handel in land-bouwprodukten, inzonderheid in de sector varkensvlees.
In zijn vonnis van 19 september 1977 overwoog de Resident Magistrale van County Armagh, gelet op Redmonds verweer, dat aan het Hof van Justitie de vraag moest worden voorgelegd of een veroordeling krachtens de in Noord-Ierland geldende wettelijke regeling verenigbaar was met het gemeenschapsrecht. De rechter besloot derhalve de procedure krachtens artikel 177 EEG-Verdrag te schorsen en het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing over deze vraag te verzoeken.
In zijn vonnis overwoog de Resident Magistrate dat in verband met de voor hem aangevoerde bepalingen van gemeenschapsrecht de navolgende vragen rezen:
„Is de Board een „onderneming”? Is hij een „nationale marktordening”? Is hij een „staatsmonopolie van commerciële aard”? Is hij alle drie dan wel een combinatie van twee ervan?
1. Indien hij een „onderneming” is, is hij dan een onderneming in de zin van de artikelen 85 en 86? Zo ja, dan zijn de werkzaamheden van de Board, gelet op de bepalingen van de betrokken regeling (Scheme), duidelijk in strijd met deze artikelen, met name artikel 85, lid 1, sub a, b en c.
2. Indien hij een „nationale marktordening” is, valt deze dan onder artikel 2 van verordening nr. 26, zodat de daarin vervatte uitzonderingen op de Board van toepassing zijn? Naar mijn mening is deze bijzondere verordening alleen van toepassing op nationale marktordeningen die bij overeenkomst zijn ingesteld en geenszins dwingend zijn. De Board beheert de regeling door dwang en beperkingen, bij voorbeeld: „een producent die noch een geregistreerde producent noch een van registratie vrijgestelde persoon is, mag geen varkens verkopen”. Maar zelfs indien de Board onder artikel 2 van verordening nr. 26 valt, wegens strekking en doeleinden daarvan, is geenszins bewezen en heeft ook onderzoek van mijn kant niet aangetoond, dat hij op grond van een beschikking van de Commissie is vrijgesteld van de toepassing van artikel 85 EEG-Verdrag.
3. Indien de Board een staatsmonopolie van commerciële aard' is, valt hij dan onder artikel 37, lid 1, EEG-Verdrag, zodat de bescherming van artikel 44 Toetredingsakte kan worden ingeroepen, waarin een overgangsperiode tot 31 december 1977 is voorzien?
4. Indien hij een, staatsmonopolie van commerciële aard' in de zin van artikel 37 EEG-Verdrag is en de periode voor de aanpassing niet voor 31 december 1977 is verstreken, is hij dan tot die datum onttrokken aan de onmiddellijke werking van de artikelen 85 en 86? Of kan men stellen dat onder, ondernemingen' in de zin van de artikelen 85 en 86 ook staatsmonopolies vallen? De Board betoogt dat het begrip, ondernemingen' niet wordt omschreven, doch wel in andere zin wordt gebruikt dan staatsmonopolies'.
5. Vallen de activiteiten van de Board onder artikel 85, lid 3, zodat zij zijn uitgezonderd van de bepalingen van lid 1? Dit punt werd niet opgeworpen. Indien de Board ingevolge lid 3 is vrijgesteld van de toepassing van artikel 85, dan kan het argument betreffende de „overgangsperiode” buiten beschouwing blijven.
6. Speelt artikel 8 EEG-Verdrag een rol in de onderhavige zaak, welk artikel luidt als volgt: De gemeenschappelijke markt wordt gedurende een overgangsperiode van twaalf jaar geleidelijk tot stand gebracht. Aan iedere etappe is een geheel van maatregelen verbonden welke gezamenlijk moeten worden aangevangen en voortgezet.””
Bij brief van 10 maart 1978 deelde de Resident Magistrate het Hof mede dat de feiten en de in zijn vonnis van 19 september 1977 in verband daarmee gestelde vragen incidenteel nog de volgende vragen deden rijzen:
Zijn de artikelen 30, 31, 32, 34, 37, 40, 41, 42, 43, 85, 86 en 90 EEG-Verdrag rechtstreeks toepasselijk in die zin, dat zij voor particulieren rechten doen ontstaan welke zij voor de rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk geldend kunnen maken?
2. Zijn de verordeningen nrs. 121/67, 2759/75 en alle andere verordeningen betreffende de gemeenschappelijke ordening van de markt in varkensvlees, welke krachtens het EEG-Verdrag zijn vastgesteld, rechtstreeks toepasselijk in die zin, dat zij voor particulieren rechten doen ontstaan welke zij voor de rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk geldend kunnen maken?
3. Is de „Pigs Marketing Scheme” in Noord-Ierland, alleen op grond van de juiste uitlegging van de artikelen en de verordeningen of van enig relevante communautaire regeling, in strijd met de bepalingen van het gemeenschapsrecht?
4. Kan een Lid-Staat op grond van bovengenoemde artikelen, verordeningen of enige andere bepaling gemachtigd zijn: een nationale marktordening te handhaven terwijl de gemeenschappelijke marktordening van kracht is? producenten op zijn grondgebied te dwingen zich te laten registreren bij de „Pigs Marketing Board” (Northern Ireland) voordat zij varkens kunnen verkopen? producenten op zijn grondgebied te dwingen, contracten te sluiten met de Board en alleen varkens te verkopen aan de Board tegen prijzen en in aantallen die door de Board zijn vastgesteld? de Board toe te staan, door middel van een uitdrukkelijke of stilzwijgende interventiemaatregel alle onder de „Scheme” vallende varkens op te kopen?
5. Vormen de vorengenoemde verplichtingen met betrekking tot de algehele regeling van het aantal gefokte varkens, de verkoop en de prijscontrole een inbreuk op het gemeenschapsrecht, voor zover zij maatregelen van gelijke werking als een kwantitatieve exportbeperking vormen, gelet op het feit dat de betrokken Noordierse wettelijke regeling als voornaamste doel en gevolg heeft de voorkoming van de export van varkens naar de Republiek Ierland?
6. Gold voor het Verenigd Koninkrijk op de datum van toetreding een gemeenschappelijke marktordening op het gebied van de landbouw, met name wat betreft varkensvlees en varkens, en zo ja, gold deze vanaf 1 februari 1973?
7. Was de regeling van het Verenigd Koninkrijk gerechtigd in mei 1972 de „Movement of Pigs Regulations (Nothern Ireland) 1972” in te voeren?”
Het vonnis van de Resident Magistrate van County Armagh van 19 september 1977 en zijn brief van 10 maart 1978 zijn op 16 maart 1978 ingeschreven ter griffie van het Hof.
Overeenkomstig artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG zijn op 31 mei 1978 schriftelijke opmerkingen ingediend door de Commissie van de Europese Gemeenschappen; op 9 juni door Raymond Redmond, verweerder in het hoofdgeding; op 15 juni door de Pigs Marketing Board (Nothern Ireland), verzoeker in het hoofdgeding; en op 16 juni 1978 door de regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.
Het Hof heeft, op rapport van de rechter-rapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het heeft echter de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Pigs Marketing Board uitgenodigd vóór de terechtzitting een aantal vragen te beantwoorden. Aan deze uitnodiging is binnen de aangegeven termijnen gevolg gegeven.
II — Bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen
De Pigs Marketing Board (Northern Ireland), verzoeker in het hoofdgeding, merkt ten aanzien van de procedure op, dat verscheidene van de aan het Hof gestelde vragen geen betrekking hebben op de uitlegging van het gemeenschapsrecht, doch op de uitlegging en de geldigheid van bepalingen van nationaal recht dan wel op de toepassing van het Verdrag op een bepaalde situatie; hij meent dat het Hof moet weigeren op dergelijke vragen te antwoorden. Wegens de aard van de procedure voor de nationale rechter was deze bovendien niet volledig en nauwkeurig op de hoogte van de werkelijke feiten. Ten slotte is het paradoxaal dat het Hof wordt verzocht een uitspraak te doen inzake de rechten die verweerder in het hoofdgeding aan het gemeenschapsrecht zegt te ontlenen, terwijl volgens de nationale rechter de Gemeenschap potentieel het slachtoffer was van een frauduleuze handeling. De vraag rijst derhalve of op het gemeenschapsrecht gebaseerde rechten kunnen ontstaan ten gunste van justitiabelen die daarvan gebruik maken om de Gemeenschap te benadelen of althans dit proberen; op dergelijke rechten kan slechts een beroep worden gedaan door degenen die, om een „equity”-begrip te gebruiken, schone handen hebben („come with clear hands”).
Voor een duidelijk inzicht in de aan de orde gestelde problematiek dient het Hof de situatie van de varkenshouderij en de verwerkende industrie in Noord-Ierland alsmede de desbetreffende wettelijke regelingen aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen.
In Noord-Ierland vormt de produktie van varkensvlees een zeer belangrijke bron van inkomsten in de landbouwsector; zij vertegenwoordigt ongeveer 16 % van de landbouwinkomsten en ongeveer 18 % van de waarde van de landbouwex-port van het land. Wegens de moeilijkheden waarmee zij te kampen heeft (het ontbreken van een echte binnenlandse markt, hoge kosten van de primaire produktie, grote afstand tot de voornaamste uitvoermarkten, hoge vrachtkosten), bestaat er voor deze bedrijfstak sinds 1933 een commercialisatieregeling, de „Pigs Marketing Scheme”; deze is in 1964 vervangen door de „Agricultural Marketing Act (Northern Ireland)”, gewijzigd bij de „Agriculture (Miscellaneous Provisions) Act (Northern Ireland) 1970”. Meer dan 80 % van het geproduceerde varkensvlees wordt gerookt en tot bacon verwerkt. De Pigs Marketing Scheme geldt enkel voor Noord-Ierland en de aldaar geproduceerde baconvarkens; zij heeft geen betrekking op de invoer in Noord-Ierland of op andere soorten varkens. Zij wordt beheerd door de Pigs Marketing Board (organisatie voor de verhandeling van varkens voor Noord-Ierland), een coöperatief orgaan, hoofdzakelijk bestaande uit en gecontroleerd en beheerd door producenten, terwijl enkele bevoegdheden aan de minister zijn voorbehouden (tegenwoordig het Department of Agriculture Northern Ireland, via hetwelk de staatssecretaris voor Noord-Ierland zijn uitvoerende bevoegdheid op landbouwgebied uitoefent). De Board houdt een register van varkensproducenten, waarin elke producent kan worden ingeschreven, terwijl de producenten van andere dan baconvarkens van inschrijving zijn vrijgesteld. Niet-ingeschreven en niet van inschrijving vrijgestelde producenten mogen geen varkens, van welk soort dan ook, verkopen. Een ingeschreven producent mag slechts baconvarkens verkopen aan of door bemiddeling van de Board. De voornaamste activiteiten van de Board bestaan in het kopen en verkopen van varkens. De Board wordt gefinancierd uit een speciaal fonds, dat met eigen inkomsten wordt gevoed; hij krijgt geen regeringssubsidie. De Board heeft een aantal investeringen gedaan voor de verwerkingsactiviteiten, doch deze worden beheerd door een afzonderlijke onderneming, de Pigs Marketing Board (Investments) Ltd.
De Board koopt varkens van de producenten en verkoopt deze vervolgens door; de aan- en verkoopprijzen worden door de markt bepaald. Hij maakt in geringe mate gebruik van zelf ingestelde fondsen (Special Account Funds), om prijsschommelingen op korte termijn op te vangen. Hij oefent geen enkele invloed uit op de omvang van de varkens-produktie, die enkel door rentabiliteitsoverwegingen wordt bepaald. De verkoop door bemiddeling van de Board vindt plaats op basis van een lijst van producentenprijzen, die door de Board wordt gepubliceerd; deze prijzen worden door de markt bepaald. De Board tracht de verkoop te regelen, de kosten te drukken en de verhandeling te verbeteren door middel van het Pig Contract Scheme (stelsel van samenwerkingsfabrieken in Noord-Ierland, tegen prijzen waarover met deze is onderhandeld. Hij oefent ook nog andere activiteiten uit, met name met het oog op kwaliteitsverbetering en de bevordering van diversificatie en onderzoek.
De Movement of Pigs Regulations zijn vastgesteld ter handhaving van het recht van de Board om varkens aan te kopen, en om fraude tegen te gaan.
Met het oog op de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector varkensvlees, zoals met name tot stand gebracht bij verordening nr. 2759/75 van de Raad van 29 oktober 1975 (PB 282 van 1975, blz. 1), rijzen in het hoofdgeding voornamelijk de volgende vragen van gemeenschapsrecht:
a) Is in de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval sprake van onverenigbaarheid met de werking van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector varkensvlees?
b) Welke werking hebben in het onderhavige geval de artikelen 34 en 37 EEG-Verdrag en artikel 44 Toetredingsakte?
c) Zijn de mededingingsregels van belang, en zo ja, in welk opzicht?
Bij het onderzoek van deze vragen dient rekening te worden gehouden met het feit dat de Board een onderneming is in de zin van artikel 90, lid 1, van het Verdrag, waaraan een Lid-Staat een bijzonder, doch geen uitsluitend recht heeft verleend: het recht om te eisen dat in Noord-Ierland geproduceerde baconvarkens worden verhandeld door bemiddeling van de Board, heeft geen betrekking op de invoer en omvat niet de gehele varkensproduktie. Het Verdrag verbiedt een Lid-Staat niet per se om een onderneming dergelijke bijzondere monopolierechten te verlenen, behoudens de bepalingen van artikel 37 indien deze van toepassing zouden zijn.
De aan het Hof gestelde vragen hebben trouwens slechts betrekking op artikel 4, lid 1, van de Movement of Pigs Regulations (Northern Ireland) 1972; het is dus niet noodzakelijk de gehele Pigs Marketing Scheme te onderzoeken.
Waar in verordening nr. 2759/75 een desbetreffende bepaling ontbreekt, zijn nationale maatregelen in de sector varkensvlees slechts als onverenigbaar met de gemeenschappelijke ordening der markten te beschouwen indien zij, na een diepgaand onderzoek van de feiten, in strijd blijken te zijn met de aard of de doelstellingen van de communautaire regeling in deze sector, of indien zij ten minste een belemmering vormen voor de goede werking daarvan. Dit is niet het geval met de Pigs Marketing Scheme.
Voor wat de intracommunautaire handel betreft, vormt het gemeenschappelijke interventiestelsel het meest fundamentele kenmerk van de bij verordening nr. 2759/75 ingevoerde marktordening; waar in het Verenigd Koninkrijk een nationaal interventiestelsel voor de sector varkensvlees ontbreekt, kan er van onverenigbaarheid met het communautaire stelsel geen sprake zijn. Bovendien worden zowel de omvang van de verkopen als de in Noord-Ierland voor varkensvlees ontvangen prijzen in laatste instantie bepaald door de wet van vraag en aanbod. De werking van de Special Account Funds heeft geen enkel gevolg voor het prijsvormingsproces in de Gemeenschap en beïnvloedt niet het communautaire interventiestelsel. De Pig Contract Scheme vormt slechts een lofwaardige poging om de producenten aan te moedigen nauwkeurige prognoses te stellen en zo tot een regelmatig en efficiënt aanbod te komen. Aangezien de Board werkzaam is op een vrije markt, waar hij marktprijzen ontvangt en betaalt en de verkopen door individuele besluiten van de producenten worden bepaald, kan de werking van de Marketing Scheme de gemeenschappelijke marktordening voor varkensvlees voor wat de intracommunautaire handel betreft, niet beïnvloeden. Voor het overige is nooit gesteld dat de Scheme het handelsverkeer met derde landen zou beïnvloeden.
Onder deze omstandigheden kan enkel nog de vraag rijzen of in een klein, afgelegen en minder bevoorrecht deel van de Gemeenschap het bestaan van een wettelijk organisme, via hetwelk de plaatselijke producenten hun varkens moeten verkopen, onverenigbaar is met de gemeenschappelijke ordening in de sector varkensvlees.
Gelet op de rechtspraak van het Hof van Justitie dient te worden opgemerkt dat de Board, waar deze geen uitsluitend recht heeft om baconvarkens in Noord-Ierland te verhandelen, de invoer uit andere Lid-Staten niet kan verhinderen, dat er geen nationale marktorganisatie in de ware zin van het woord bestaat, aangezien de Scheme slechts in een enkele streek van het Verenigd Koninkrijk functioneert en slechts geldt voor een klein gedeelte van de Britse varkensindustrie; dat de Scheme geen „geheel van wettelijke middelen” vormt: er is geen sprake van een kwantitatieve produktiebeperking, een nationaal interventiestelsel of een verkoopheffing, een binnenlandse belastingregeling, een minimumprijsregeling, een quotastelsel, staatsinterventie op de markt of produktiebeperkende maatregelen. Het speciale verhandelingsrecht van de Board is geen nationale marktorganisatie, doch uitsluitend een regionale maatregel. Daarom is de Scheme niet onverenigbaar met de gemeenschappelijke ordening in de sector varkensvlees.
Ook dient men te overwegen dat het aanmoedigen van producentengroeperingen of -associaties kenmerkend is voor het gemeenschapsbeleid, dat producentengroeperingen van zeer verschillende aard zeer talrijk zijn in de sector varkensvlees en dat het enige verschil tussen de Board en andere coöperaties in de sector varkensvlees hierin bestaat, dat de laatste een dwingend voorgeschreven privaatrechtelijke organisatiestructuur hebben, terwijl de Board een publiekrechtelijke organisatie is met volstrekt democratische waarborgen, aangezien zij volledig wordt beheerd dóór producenten vóór producenten. Waar een communautaire wettelijke regeling betreffende de vorm van landbouworganisaties in de sector varkensvlees ontbreekt, zou het, gelet op de bijzondere economische, sociale en politieke omstandigheden in Noord-Ierland, niet juist zijn als het Hof van Justitie een producentengroepering van bijzondere aard zoals de Board a priori ongeoorloofd zou achten.
Voor wat het vrije verkeer van goederen en de artikelen 34 en 37 van het Verdrag betreft, dient men te bedenken dat de Movement of Pigs Regulations noodzakelijk waren omdat andere maatregelen ter handhaving van de Scheme wegens het terrorisme in Noord-Ierland onbruikbaar waren.
Overigens kunnen noch de speciale rechten van de Board om bepaalde varkens te kopen, noch de ter handhaving van die rechten vastgestelde vervoerregeling worden geacht onder artikel 34 te vallen. Het Verdrag staat de Lid-Staten toe een aantal ondernemingen „bijzondere of uitsluitende rechten” te verlenen; dan mogen zij ook monopolies instellen, met inachtneming van de bepalingen van artikel 37. De toekenning van een bijzonder recht in de vorm van een monopolie voor bepaalde, op het nationale grondgebied geproduceerde goederen, kan derhalve als zodanig niet worden beschouwd als een krachtens artikel 34 verboden kwantitatieve uitvoerbeperking; het is niet meer dan een „bijzonder recht” in de zin van artikel 90, lid 1. Zelfs ruim opgevat, strekt het begrip kwantitatieve beperking of maatregel van gelijke werking zich niet uit tot door een Lid-Staat verleende plaatselijke monopolies voor op het nationale grondgebied geproduceerde goederen.
In elk geval dient men toe te geven dat de Movement of Pigs Regulations ten dele een nationaal monopolie van commerciële aard vormen in de zin van artikel 37 van het Verdrag, en dat zij krachtens artikel 44 Toetredingsakte in hun huidige vorm niet ongeldig waren op het tijdstip van de in het hoofdgeding berechte overtreding. Waar de gewraakte nationale maatregel verband houdt met een nationaal monopolie, moet zij worden getoetst aan artikel 37, en niet aan de artikelen 30-34. De Movement Regulations moesten mitsdien krachtens artikel 44 Toetredingsakte eerst op 31 december 1977 worden aangepast; artikel 37 kon derhalve vóór 1 januari 1978 geen individuele rechten verlenen welke de rechterlijke instanties van de nieuwe Lid-Staten moeten waarborgen.
Wat de derde in het hoofdgeding opgeworpen vraag betreft, is duidelijk dat de mededingingsregels bedoeld in de artikelen 85 en 86 van het Verdrag, niet van toepassing zijn op de Movement Regulations.
De door de Resident Magistrate van County Armagh gestelde vragen zouden derhalve moeten worden beantwoord als volgt:
a) Een nationale maatregel in de sector varkensvlees, waarbij een Lid-Staat aan een onderneming het bijzondere recht verleent om te eisen dat in een streek bepaalde varkens door bemiddeling van deze onderneming worden verhandeld, is niet als zodanig onverenigbaar met verordening nr. 2759/75 noch met artikel 34 van het Verdrag.
b) Een nationale maatregel in de sector varkensvlees, die een integrerend deel uitmaakt van een nationaal monopolie van commerciële aard in een nieuwe Lid-Staat, kan eerst per 1 januari 1978 in strijd zijn met het Verdrag en individuele rechten doen ontstaan welke door de nationale rechter moeten worden gehandhaafd.
c) De artikelen 85 en 86 van het Verdrag zijn niet van toepassing op de bepalingen waarnaar de nationale rechter verwijst.
Raymond Redmond, verweerder in het hoofdgeding, wijst erop dat de Movement of Pigs Regulations in Noord-Ierland na de ondertekening van de Toetredingsakte op 1 mei 1972 van kracht zijn geworden, en dat na deze datum noch de regering van het Verenigd Koninkrijk noch een niet-soeverein parlement zoals het parlement van Noord-Ierland gerechtigd was maatregelen vast te stellen of goed te keuren, die de verwezenlijking van de doelstellingen van het EEG-Verdrag in gevaar zouden kunnen brengen of een gemeenschappelijke marktordening zouden kunnen beïnvloeden.
Regulation nr. 4, waarbij het vervoer van varkens in Noord-Ierland wordt verboden, maakt echter rechtstreeks inbreuk op het Verdrag, aangezien deze bepaling hoofdzakelijk ten doel heeft de uitvoer van varkens van Noord-Ierland naar de Republiek Ierland te verbieden.
Artikel 4, lid 3, van verordening nr. 2759/75 voorziet in interventiebureaus, zodat de Pigs Marketing Board in Noord-Ierland niet tegelijkertijd interventiemaatregelen kan vaststellen. Ook al is de Board enkel werkzaam op een gedeelte van het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk, toch is hij een nationale marktorganisatie: Noord-Ierland is een autonoom gebied van het Verenigd Koninkrijk, dat geografisch gescheiden is van het hoofdland en apart wordt bestuurd. Deze nationale organisatie is gehandhaafd ondanks de invoering van een gemeenschappelijke marktordening. De Noordierse regeling dwingt de producenten zich te laten inschrijven bij de Board voordat zij varkens kunnen verkopen, en verplicht hen overeenkomsten te sluiten met de Board en alleen aan de Board varkens te verkopen tegen prijzen en in aantallen die door de Board worden vastgesteld. Deze regeling vormt derhalve een aanvullende maatregel, die stilzwijgend is verboden door de verordeningen betreffende de gemeenschappelijke ordeningen der markten in de sector varkensvlees.
De Noordierse regeling is ook in strijd met andere bepalingen van verordening nr. 2759/75: met artikel 10, betreffende de prijzen van levende varkens; met artikel 11, waaruit de bedoeling blijkt van een gecentraliseerde en niet een nationale controle; met artikel 17, lid 1, volgens hetwelk de in de verordening genoemde tarieven worden opgenomen in het gemeenschappelijk douanetarief; met artikel 17, lid 2, waarin de toepassing van enige kwantitatieve beperking of maatregel van gelijke werking wordt verboden; met artikel 18, volgens hetwelk alleen de Raad maatregelen kan vaststellen om de uitvoer van varkens naar derde landen stop te zetten.
Varkensproducenten in Noord-Ierland kunnen niet vrij varkens kopen en verkopen en uitvoeren, doch moeten daarbij gebruik maken van de bemiddeling van de Board; door een dergelijk stelsel op te leggen vormt de Noordierse regeling een maatregel of een reeks van maatregelen van gelijke werking als een kwantitatieve uitvoerbeperking en is aldus in strijd met het gemeenschapsrecht.
De Pigs Marketing Board kan geen beroep doen op artikel 44 Toetredingsakte: hij vormt geen nationaal monopolie in de zin van artikel 37, lid 1, EEG-Verdrag en volgens artikel 37, lid 2, dient elke Lid-Staat zich in elk geval ervan te onthouden nieuwe maatregelen te treffen die tegen de in lid 1 vermelde beginselen indruisen of de draagwijdte van de artikelen inzake de afschaffing der douanerechten en kwantitatieve beperkingen tussen de Lid-Staten beperken; deze laatste bepaling verhinderde al in 1972 de invoering, van een wettelijke regeling als de Movement of Pigs Regulations.
De Board valt in feite onder de meer bijzondere bepalingen van titel II van het Verdrag, inzonderheid die van artikel 39 betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
Zelfs indien de Board een nationaal monopolie was, zou het Verenigd Koninkrijk in elk geval inbreuk hebben gemaakt op artikel 37 van het Verdrag, doordat het dit monopolie niet geleidelijk heeft aangepast, doch het juist heeft versterkt door na de datum van ondertekening van de Toetredingsakte de Movement of Pigs Regulations vast te stellen.
De Pigs Marketing Board valt onder artikel 60 Toetredingsakte: volgens lid 1 van dit artikel trad de regeling die in de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling van toepassing was inzake kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking, met ingang van 1 februari 1973 in werking in de nieuwe Lid-Staten; vanaf die datum gold voor Noord-Ierland de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector varkensvlees en hiermee is de Pigs Marketing Board onverenigbaar.
De uitoefening door de Pigs Marketing Board van zijn bevoegdheden inzake de verhandeling van varkens vormt een onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van artikel 85 EEG-Verdrag.
De Pigs Marketing Scheme legt onbillijke aankoop- of verkoopprijzen op, voor zover deze worden vastgesteld door een Board met een machtspositie in een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt: Noord-Ierland, een autonoom en geografisch afgezonderd deel van het Verenigd Koninkrijk, is een wezenlijk deel van het Verenigd Koninkrijk. De Scheme is derhalve in strijd met artikel 86 EEG-Verdrag.
Ten slotte stelt verweerder in het hoofdgeding dat het Verenigd Koninkrijk, door in Noord-Ierland de Pigs Marketing Scheme toe te passen, ook maatregelen heeft vastgesteld of gehandhaafd die in strijd zijn met artikel 90 EEG-Verdrag.
De regering van het Verenigd Koninkrijk wijst erop dat de Pigs Marketing Board (Northern Ireland) een van de tien organisaties voor de handel in landbouwprodukten in het Verenigd Koninkrijk is; deze organisaties, die onderling zeer verschillend zijn voor wat hun bevoegdheden, functies en werkzaamheden betreft, spelen een uiterst belangrijke rol in de economie van het land. Toen het Verenigd Koninkrijk tot de Gemeenschap toetrad, was het duidelijk dat de regels van ten minste een aantal van deze organisaties moesten worden aangepast, ten einde ze in overeenstemming te brengen met de eisen van het gemeenschapsrecht; de vijf organisaties voor de handel in melk hebben reeds zulk een aanpassing ondergaan. Wat de Pigs Marketing Board betreft, zijn er besprekingen geweest met de Commissie, al staat het buiten twijfel dat de regels betreffende het vervoer van varkens een materie vormen die beslist moet worden aangepast.
Ten aanzien van de aan het Hof gestelde vragen dient te worden opgemerkt, dat het in het hoofdgeding gerezen probleem een tamelijk beperkte draagwijdte heeft en dat vele door de Resident Magistrate opgeworpen punten niet werkelijk uit de feiten voortvloeien. Het enige in casu re-levante punt is immers de verenigbaarheid van de Movement of Pigs Regulations (Northern Ireland) 1972, in het bijzonder Regulation nr. 4, met het gemeenschapsrecht. Het antwoord hangt af van de vraag of de Board al dan niet als een nationaal monopolie in de zin van artikel 37 van het Verdrag is te beschouwen. Is de Board niet een nationaal monopolie, dan is Regulation nr. 4 een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve uitvoerbeperking in de zin van artikel 34 van het Verdrag en was zij derhalve ingevolge artikel 42 Toetredingsakte ongeldig op het tijdstip van de overtreding die in het hoofdgeding wordt berecht; is de Board echter wel een nationaal monopolie, dan is artikel 37 van het Verdrag van toepassing en was het Verenigd Koninkrijk krachtens artikel 44 Toetredingsakte niet verplicht de beperking voor 31 december 1977 af te schaffen.
De door de Resident Magistrate in zijn vonnis van 19 september 1977 opgeworpen vragen zijn geenszins vragen van uitlegging, doch vragen van toepassing.
De in de brief van 10 maart 1978 omschreven vragen zijn enkel „indicenteel” gesteld, zodat ze niet op geldige wijze naar het Hof zijn verwezen. Om de nationale rechter in staat te stellen vonnis te wijzen, is het dus niet nodig ook deze vragen te beantwoorden.
Inzonderheid zijn van de bepalingen waarnaar in de eerste vraag wordt verwezen, alleen de artikelen 34 en 37, lid 1, van het Verdrag voor het hoofdgeding van belang. Artikel 34 is duidelijk rechtstreeks toepasselijk, terwijl dit voor artikel 37, lid 1, pas vanaf einde 1977 geldt.
De tweede vraag is in casu van geen enkel belang, al is de rechtstreekse toepasselijkheid van de verordeningen boven elke twijfel verheven.
De derde vraag is een vraag van toepassing en niet van uitlegging, en heeft een veel ruimere strekking dan voor de oplossing van het hoofdgeding noodzakelijk is.
Vraag 4, sub a, is een vraag van uitlegging, doch vloeit niet voort uit de feiten. De alinea's b, c en d van vraag 4 zijn vragen van toepassing, waarop het Hof in een procedure krachtens artikel 177 geen antwoord kan geven.
De vijfde en zesde vraag zijn geen uitleg-gingsvragen en zijn niet van belang voor de beslissing in het hoofdgeding.
De zevende en laatste vraag betreft de uitlegging van de Toetredingsakte; het is duidelijk dat zij bevestigd moet worden beantwoord.
De aan het Hof voorgelegde vragen doen zeer ingewikkelde en belangrijke problemen rijzen voor het Verenigd Koninkrijk en de Gemeenschap in haar geheel. Het Hof zou zich derhalve ertoe moeten beperken de nationale rechter de elementen te verschaffen voor uitlegging van artikel 37 in verband met de Movement of Pigs Regulations.
De Commissie van de Europese Gemeenschappen betwijfelt of het nodig is alle gestelde vragen te beantwoorden om de nationale rechter in staat te stellen tot een beslissing te komen; bovendien hebben een aantal vragen betrekking op de verenigbaarheid van bepalingen van nationaal recht met gemeenschapsrecht. Overeenkomstig de doelstellingen van artikel 177 zou het Hof, ten aanzien van de maatregelen welke in Noord-Ierland de verkoop en het vervoer van varkens beperken, zich derhalve moeten uitspreken over de uitlegging:
a) van de bepalingen van het EEG-Verdrag betreffende de landbouw en meer in het bijzonder van verordening nr. 2759/75;
b) van de bepalingen van het EEG-Verdrag betreffende de afschaffing van kwantitatieve beperkingen tussen de Lid-Staten;
c) van de mededingingsregels van het Verdrag.
Ten aanzien van de structuur en de werkzaamheden van de Pigs Marketing Board moet met name worden opgemerkt dat de staat hieraan regelgevende bevoegdheden heeft gedelegeerd en alle producenten van de gereglementeerde, in casu baconvarkens, heeft verplicht zich bij de Board te doen registreren en hun produkten enkel door bemiddeling van of op aanwijzing van de Board te verhandelen. De wettelijke omschrijving van „baconvarkens” verplicht de producenten praktisch alle voor de slacht bestemde varkens via de Board te verhandelen. Naast het monopolie voor de aankoop van baconvarkens heeft de Board aanzienlijke belangen bij de verwerking ervan en beheerst hij in feite bijna de helft van de baconfabrieken in Noord-Ierland. De Board verkrijgt zijn inkomsten uit bedragen die worden ingehouden op de verkoopprijs van de verhandelde varkens. De Board heeft een „speciale rekening” waarop voorschotten kunnen worden geboekt en ten laste waarvan uitkeringen worden gedaan aan producenten ter stabilisering van de prijzen wanneer deze beneden een bepaald niveau dalen. De producentenprijzen zijn gebaseerd op de opbrengst op de markt. De Board stelt de aan de producenten te betalen prijzen vast op grond van ramingen van zijn jaarlijkse netto-inkomsten uit de verkoop van varkens. De prijzen variëren naar gelang de verschillende kwaliteitscriteria; er worden bonussen toegekend voor de verkoop van varkens in een bepaalde periode. De Board kent leveringspremies toe om de verkoop op een bepaald peil te houden en de aangesloten producenten die een betrekkelijk constant aantal varkens leveren, te belonen. Opmerking verdient het verschil tussen contractuele en niet-contractuele prijzen alsmede het recht van de Board om het met de producenten overeengekomen aantal te beperken. De verkopen van de Board aan de vleesverwerkende industrie worden geregeld door een quoteringsstelsel, dat een eerlijke verdeling tussen deze bedrijven beoogt te verzekeren; de quota worden door het ministerie vastgesteld. De prijzen worden vastgesteld bij overeenkomst tussen de Board en de vereniging van vleesverwerkende bedrijven in Ulster. Het Ministerie van Landbouw is op verschillende manieren betrokken bij de werkzaamheden van de Board; het wijst drie van de elf leden van de Board aan; in de verschillende comités zit op zijn minst één van de door de minister aangewezen leden en ook het quorum van de Board moet ten minste één van de aangewezen leden omvatten; de notulen van de vergaderingen worden aan de minister gezonden; de aanstelling en arbeidsvoorwaarden van hogere ambtenaren van de Board zijn onderworpen aan de goedkeuring van de minister; de salariëring van de leden van de Board wordt door de minister vastgesteld; investeringen van de Board boven een bepaald bedrag zijn onderworpen aan ministeriële goedkeuring en worden beheerd door een onderneming waarvan twee van de directeuren door de minister worden aangesteld; de door de producenten aan de Board betaalde contributies voor het beheer van de Scheme moeten door de minister worden goedgekeurd; bij de controle van de werking van de Scheme kunnen ambtenaren van het ministerie worden ingezet.
De gemeenschappelijke marktordening voor varkensvlees daarentegen omvat hoofdzakelijk een prijsstelsel voor de interne markt en een protectie- en reguleringsstelsel, gebaseerd op heffingen en restituties, voor de handel tussen de Gemeenschap en derde landen.
De Gemeenschap bevordert de vorming van producentengroeperingen en associaties, waar dit noodzakelijk wordt geacht voor een versterking van de marktpositie van producenten van bepaalde produkten of in bepaalde gebieden van de Gemeenschap. In dit verband moet worden opgemerkt dat in de communautaire opvatting van een producentengroepering regeringsdeelneming in het beheer of wettelijke verbindendverklaring van de regels ervan is uitgesloten; de producenten hebben het recht zich uit de groepering terug te trekken.
Getoetst aan de bepalingen van gemeenschapsrecht, moet de Noordierse handelsregeling voor varkens, die, krachtens bij wet verleende bevoegdheden, aangevuld met strafbepalingen, in wezen door de Board wordt beheerd, worden beschouwd als een nationale marktorganisatie die in beginsel is met de gemeenschappelijke ordening van de markt in de sector varkensvlees.
Volgens 's Hofs definitie van een nationale marktorganisatie bestaat dergelijk stelsel uit „een geheel van rechtsinstrumenten waarmee de marktregulering voor de betrokken produkten onder toezicht van de overheid wordt gebracht”; volgens het Hof kan een organisatie die slechts in een gedeelte van een Lid-Staat werkzaam is, niettemin een nationale marktorganisatie zijn. Mitsdien konden enkel de gemeenschapsautoriteiten in voorkomend geval beslissen over voorlopige handhaving van een nationale organisatie-, interventie- of controleregeling; ten aanzien van varkensvlees heeft de Gemeenschap geenszins beslist om het Noordierse stelsel, al was het maar voorlopig, te handhaven.
Het Hof heeft ook beslist dat „wanneer de Gemeenschap krachtens artikel 40 EEG-Verdrag een regeling voor de totstandbrenging van een gemeenschappelijke marktordening in een bepaalde sector heeft vastgesteld, de Lid-Staten zich dienen te onthouden van elke maatregel met de strekking daarvan af te wijken of er inbreuk op te maken”.
Evenals de andere gemeenschappelijke marktordeningen is die voor varkensvlees gebaseerd op de idee van een in alle opzichten open markt, waartoe elke producent vrije toegang heeft en waarvan de werking enkel door de in die marktordening voorziene instrumenten wordt geregeld. De Pigs Marketing Scheme, in combinatie met de Movement of Pigs Regulations, berooft de producent echter van de vrije toegang tot binnen- en buitenlandse afzetgebieden; hij mag niet rechtstreeks uitvoeren en blijkbaar zelfs niet aan de interventiebureaus verkopen wanneer de gemeenschapsautoriteiten zouden besluiten het interventiemechanisme in werking te stellen. Wat de prijzen betreft, kunnen gemeenschappelijke marktprijzen iedere betekenis verliezen voor een producent wiens prijzen door de Board worden vastgesteld op grond van diens raming van zijn jaarlijkse netto-inkomsten uit de verkoop van varkens. Het effect van de schommelingen van de produktieprijs wordt ongedaan gemaakt door de werking van de „speciale rekening”; de werking van het „dubbele prijs-stelsel” kan worden gebruikt om een te groot geachte produktie te beperken. Vanuit welk gezichtspunt men deze mechanismen ook bekijkt, men kan ze enkel beschouwen als een, van de gemeenschappelijke ordening afwijkend, aanvullend stelsel ter controle en ondersteuning van de prijzen, dat niet door een zuiver vrijwillige producentenassociatie is opgezet, doch zijn oorsprong vindt in en wordt afgedwongen door maatregelen van de nationale autoriteiten.
Zelfs indien men de Board als een organisatie van het bedrijfsleven in de zin van artikel 2 van verordening nr. 2759/75 zou kunnen erkennen, dan nog blijft het door hem toegepaste stelsel zuiver nationaal en komt het niet voort uit communautaire bepalingen of aanmoedigingsmaatregelen.
Een stelsel dat de verkoop van varkens door de producenten beperkt, vormt bovendien een krachtens artikel 34 EEG-Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking van de uitvoer tussen Lid-Staten. Ofschoon de Board vrij is exportmarkten te zoeken en in feite ook uitvoert, kan de producent dat zelf niet, tenzij door bemiddeling van de Board. Deze verplichting om niet op andere wijze te verkopen dan door bemiddeling van de Board, staat gelijk met een formeel verbod van rechtstreekse uitvoer door de producenten.
De invloed van de regering op de Board en de grote belangen van de Board in de verwerkende industrie hebben tot gevolg, dat de Board zal trachten de werkgelegenheid in de verwerkende industrie in Noord-Ierland te beschermen door de export van levende dieren op een moment waarop de ingeschreven producenten door uit te voeren betere prijzen zouden kunnen verkrijgen, te beperken.
Volgens artikel 42 Toetredingsakte moesten maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen uiterlijk op 1 januari 1975 worden afgeschaft.
Gezien het bijzondere probleem dat de nationale rechter moet oplossen, en de onverenigbaarheid van de betrokken maatregelen met de gemeenschappelijke marktordening voor varkensvlees en met artikel 34 van het Verdrag, behoeven de andere vragen niet te worden beantwoord.
Mitsdien zouden de door de Resident Magistrate van County Armagh gestelde vragen moeten worden beantwoord als volgt:
Zowel artikel 34 EEG-Verdrag als verordening nr. 2759/75 impliceren de afschaffing van een verplichting voor varkens-producenten om enkel aan of door bemiddeling van een nationale verhandelingsorganisatie te verkopen; derhalve moeten bepalingen van nationaal recht, waarbij zulk een verplichting wordt afgedwongen, buiten toepassing worden gelaten.
III — Mondelinge behandeling
De Pigs Marketing Board (Northern Ireland), verzoeker in het hoofdgeding, ten deze vertegenwoordigd door C. Bellamy, advocaat bij de Engelse en Noordierse balie; R. Redmond, verweerder in het hoofdgeding, ten deze vertegenwoordigd door R. C. Hill, Q.C., advocaat bij de Ierse en Noordierse balie; de regering van het Verenigd Koninkrijk, ten deze vertegenwoordigd door P. Denys Scott; en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R. Wainwright, hebben ter terechtzitting van 4 oktober 1978 mondelinge opmerkingen gemaakt en vragen van het Hof beantwoord.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 7 november 1978 conclusie genomen.
Ten aanzien van het recht
Overwegende dat de Resident Magistrate van Armagh bij vonnis van 19 september 1977, tezamen met een begeleidende brief van 10 maart 1978 ingekomen ten Hove op 16 maart 1978, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag verscheidene vragen heeft gesteld over de uitlegging van verordening nr. 2759/75 van de Raad van 21 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector varkensvlees (PB L 282 van 1975, blz. 1), van enkele verdragsbepalingen betreffende de afschaffing van kwantitatieve beperkingen (artikelen 30 e.v.), het gemeenschappelijk landbouwbeleid (met name artikel 40), de nationale monopolies en ondernemingen waaraan bijzondere of uitsluitende rechten zijn verleend (artikelen 37 en 90), alsmede van de mededingingsvoorschriften (artikelen 85 en 86) en verordening nr. 26 van de Raad van 4 april 1962 inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwprodukten (PB van 1962, blz. 993);
Overwegende dat deze vragen zijn gerezen in een strafprocedure tegen een varkensproducent wegens overtreding van de in Noord-Ierland geldende wettelijke regeling voor het in de handel brengen van varkensvlees — de „Pigs Marketing Scheme” —, welke regeling wordt beheerd door de bij dezelfde wettelijke regeling opgerichte Pigs Marketing Board (hierna te noemen „de Board”) die deels is samengesteld uit producenten en deels uit vertegenwoordigers van het Ministerie van Landbouw en die onder toezicht van dit ministerie staat;
dat blijkens de in het verwijzingsvonnis vervatte gegevens de Pigs Marketing Scheme van toepassing is op mestvarkens (zogenaamde „baconvarkens”), die in de betrokken wettelijke regeling worden omschreven als varkens met een levend gewicht van meer dan 77 kg;
dat de producenten deze varkens slechts aan of door bemiddeling van de Board mogen verkopen;
dat de Board het uitsluitend recht heeft baconvarkens in de handel te brengen, alsmede de bevoegdheid de aan de producenten te betalen prijzen en alle andere verkoopvoorwaarden vast te stellen;
dat de betrokken wettelijke regeling de verkoop van dergelijke varkens — behoudens uitzonderingen — door andere personen dan bij de Board ingeschreven producenten verbiedt, alsmede elke verkoop door deze producenten anders dan aan of door bemiddeling van de Board;
dat deze bepalingen zijn aangevuld met de Movement of Pigs Regulations 1972, waarin het vervoer van baconvarkens die niet voor een aankoopcentrum van de Board zijn bestemd en niet door een door de Board afgegeven vervoervergunning worden begeleid, wordt verboden;
dat overtreding van de vorenomschreven bepalingen wordt bestraft met een geldboete en/of gevangenisstraf en/of verbeurdverklaring van de betrokken varkens;
Overwegende dat uit het verwijzingsvonnis blijkt dat verweerder in het hoofdgeding op 12 januari 1977 75 baconvarkens heeft vervoerd zonder in het bezit te zijn van een door de Board afgegeven vergunning, en op klachte van de Board bij de Resident Magistrate van Armagh strafrechtelijk wordt vervolgd wegens overtreding van Regulation 4 (1) van de Movement of Pigs Regulations (Northern Ireland) 1972 en van artikel 17 (4 A) van de Agricultural Marketing Act (Northern Ireland) 1964, zoals nadien gewijzigd;
dat de Board tezelfdertijd verbeurdklaring van de waar heeft gevorderd, doch deze vordering later heeft ingetrokken nadat verweerder erin had toegestemd de overtreding te bekennen „plead guilty”);
dat verweerder te zijner verdediging voor de Resident Magistrate heeft aangevoerd dat de hem tegengeworpen bepalingen van de Pigs Marketing Scheme en de Movement of Pigs Regulations onverenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht, inzonderheid met de verordeningen inzake de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector varkensvlees en de bepalingen van het Verdrag betreffende de mededinging;
dat de Board de verenigbaarheid van de Pigs Marketing Scheme met het gemeenschapsrecht heeft verdedigd met een beroep op artikel 37 EEG-Verdrag, betreffende nationale monopolies van commerciële aard, en artikel 44 Toetredingsakte, dat voor de aanpassing van dergelijke monopolies aan de vereisten van de gemeenschappelijke markt voorziet in een termijn welke op 31 december 1977 verstrijkt;
dat de Resident Magistrate met het oog op dit geschilpunt van mening was dat, aangezien de klacht was gebaseerd op strafrechtelijke bepalingen bij toepassing waarvan de verdachte tot een boete of tot gevangenisstraf dan wel tot beide kan worden veroordeeld, het van belang was te weten of zodanige veroordeling al dan niet verenigbaar zou zijn met het gemeenschapsrecht;
dat, om duidelijkheid omtrent deze vraag te verkrijgen, de Resident Magistrate bij vonnis van 19 september 1977 heeft besloten de zaak krachtens artikel 177 EEG-Verdrag naar het Hof van Justitie te verwijzen, ten einde te worden voorgelicht over de vraag of de veroordeling van de verdachte overeenkomstig de in Noord-Ierland geldende wettelijke regeling verenigbaar zou zijn met het gemeenschapsrecht;
dat de Resident Magistrate in zijn vonnis de volgende vragen heeft gesteld:
Is de Board een „onderneming”? Is hij een „nationale marktordening”? Is hij een „staatsmonopolie van commerciële aard”? Is hij alle drie dan wel een combinatie van twee ervan?
1.Indien hij een „onderneming” is, is hij dan een onderneming in de zin van de artikelen 85 en 86? Zo ja, dan zijn de werkzaamheden van de Board, gelet op de bepalingen van de betrokken regeling (Scheme), duidelijk in strijd met deze artikelen, met name artikel 85, lid 1, sub a, b en c.
2.Indien hij een „nationale marktordening” is, valt deze dan onder artikel 2 van verordening nr. 26, zodat de daarin vervatte uitzonderingen op de Board van toepassing zijn?
Naar mijn mening is deze bijzondere verordening alleen van toepassing op nationale marktordeningen die bij overeenkomst zijn ingesteld en geenszins dwingend zijn. De Board beheert de regeling door dwang en beperkingen, bij voorbeeld: „een producent die noch een geregistreerde producent noch een van registratie vrijgestelde persoon is, mag geen varkens verkopen”. Maar zelfs indien de Board onder artikel 2 van verordening nr. 26 valt, wegens strekking en doeleinden daarvan, is geenszins bewezen en heeft ook onderzoek van mijn kant niet aangetoond dat hij op grond van een beschikking van de Commissie is vrijgesteld van de toepassing van artikel 85 EEG-Verdrag.
3.Indien de Board een „staatsmonopolie van commerciële aard” is, valt hij dan onder artikel 37, lid 1, EEG-Verdrag, zodat de bescherming van artikel 44 Toetredingsakte kan worden ingeroepen, waarin een overgangsperiode tot 31 december 1977 is voorzien?
4.Indien hij een „staatsmonopolie van commerciële aard” in de zin van artikel 37 EEG-Verdrag is en de periode voor de aanpassing niet voor 31 december 1977 is verstreken, is hij dan tot die datum onttrokken aan de onmiddellijke werking van de artikelen 85 en 86? Of kan men stellen dat onder „ondernemingen” in de zin van de artikelen 85 en 86 ook staatsmonopolies vallen? De Board betoogt dat het begrip „ondernemingen” niet wordt omschreven, doch wel in andere zin wordt gebruikt dan „staatsmonopolies”.
5.Vallen de activiteiten van de Board onder artikel 85, lid 3, zodat zij zijn uitgezonderd van de bepalingen van lid 1 ?
Dit punt werd niet opgeworpen. Indien de Board ingevolge lid 3 is vrijgesteld van de toepassing van artikel 85, dan kan het argument betreffende de „overgangsperiode” buiten beschouwing blijven.
6.Speelt artikel 8 EEG-Verdrag een rol in de onderhavige zaak, welk artikel luidt als volgt:
1.„ De gemeenschappelijke markt wordt gedurende een overgangsperiode van twaalf jaar geleidelijk tot stand gebracht.
2.Aan iedere etappe is een geheel van maatregelen verbonden welke gezamenlijk moeten worden aangevangen en voortgezet”;
Overwegende dat, in hoger beroep van dit vonnis, de Board de Northern Ireland Court of Appeal te Belfast heeft verzocht vast te stellen of de Magistrate's Court gerechtigd was de zaak naar het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te verwijzen, en of in de procedure voor de Magistrate's Court inderdaad een vraag betreffende de uitlegging van het Verdrag was gerezen; zo ja, of een uitspraak ten aanzien van dit punt noodzakelijk was om de Magistrate in staat te stellen vonnis te wijzen; en ten slotte, of de Magistrate's Court op de juiste wijze gebruik had gemaakt van zijn bevoegdheid om de zaak naar het Hof van Justitie te verwijzen;
dat de Court of Appeal, na de gronden waarop de Resident Magistrate had besloten de prejudiciële procedure van artikel 177 in te leiden, in de herinnering te hebben geroepen, heeft overwogen dat het tot de discretionaire bevoegdheid van genoemde rechter behoorde om de rechtsvragen die voor de uitoefening van zijn eigen rechtsmacht bepalend zijn, te doen verduidelijken, en bij arrest van 8 maart 1978 het beroep van de Board heeft verworpen;
dat de Resident Magistrate op 10 maart 1978 zijn vonnis van 19 september 1977 aan het Hof van Justitie heeft toegezonden, met een begeleidende brief waarin hij verklaarde dat „de vraag is gerezen … of de nationale rechter bevoegd is een uitspraak te doen overeenkomstig bepaalde Noordierse wettelijke bepalingen”, en dat de feiten en de in het vonnis van 19 september 1977 gestelde vragen „incidenteel nog de volgende vragen doen rijzen”:
1.Zijn de artikelen 30, 31, 32, 34, 37, 40, 41, 42, 43, 85, 86 en 90 EEG-Verdrag rechtstreeks toepasselijk in die zin, dat zij voor particulieren rechten doen ontstaan welke zij voor de rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk geldend kunnen maken?
2.Zijn de verordeningen nrs. 121/67, 2759/75 en alle andere verordeningen betreffende de gemeenschappelijke ordening van de markt in varkensvlees, welke krachtens het EEG-Verdrag zijn vastgesteld, rechtstreeks toepasselijk in die zin, dat zij voor particulieren rechten doen ontstaan welke zij voor de rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk geldend kunnen maken?
3.Is de „Pigs Marketing Scheme” in Noord-Ierland, alleen op grond van de juiste uitlegging van de artikelen en de verordeningen of van enige relevante communautaire bepaling, in strijd met de bepalingen van het gemeenschapsrecht?
4.Kan een Lid-Staat op grond van bovengenoemde artikelen, verordeningen of enige andere bepaling gemachtigd zijn:
a)een nationale marktordening te handhaven terwijl de gemeenschappelijke marktordening van kracht is?
b)producenten op zijn grondgebied te dwingen zich te laten registreren bij de „Pigs Marketing Board (Northern Ireland)”, voordat zij varkens kunnen verkopen?
c)producenten op zijn grondgebied te dwingen, contracten te sluiten met de Board en alleen varkens te verkopen aan de Board tegen prijzen en in aantallen die door de Board zijn vastgesteld?
d)de Board toe te staan, door middel van een uitdrukkelijke of stilzwijgende interventiemaatregel alle onder de „Scheme” vallende varkens op te kopen?
5.Vormen de vorengenoemde verplichtingen met betrekking tot de algehele regeling van het aantal gefokte varkens, de verkoop en de prijscontrole een inbreuk op het gemeenschapsrecht, voor zover zij maatregelen van gelijke werking als een kwantitatieve exportbeperking vormen, gelet op het feit dat de betrokken Noordierse wettelijke regeling als voornaamste doel en gevolg heeft de voorkoming van de export van varkens naar de Republiek Ierland?
6.Gold voor het Verenigd Koninkrijk op de datum van toetreding een gemeenschappelijke marktordening op het gebied van de landbouw, met name wat betreft varkensvlees en varkens, en zo ja, gold deze dan vanaf 1 februari 1973?
7.Was de regering van het Verenigd Koninkrijk gerechtigd in mei 1972 de „Movement of Pigs Regulations (Northern Ireland) 1972” in te voeren?
Overwegende dat de regering van het Verenigd Koninkrijk zowel in haar schriftelijke opmerkingen als in haar mondelinge verklaringen voor het Hof een aantal overwegingen naar voren heeft gebracht met betrekking tot de door de Resident Magistrate gestelde vragen;
dat, enerzijds, de in het vonnis van 19 september 1977 vervatte vragen merendeels geen vragen van uitlegging zouden zijn, doch vragen over de toepassing van gemeenschapsrecht, die als zodanig niet door het Hof van Justitie kunnen worden beantwoord;
dat, anderzijds, de vragen in de begeleidende brief van 10 maart 1978, ten aanzien waarvan de Magistrate zelf opmerkt dat zij slechts „incidenteel” zijn gerezen, niet konden worden geacht op geldige wijze naar het Hof te zijn verwezen;
dat, bij het grote aantal vragen en gelet op de ingewikkeldheid en het belang van de zaak, de regering van het Verenigd Koninkrijk maar moeilijk zou kunnen vaststellen welke precies de rechtsproblemen zijn die in het geding voor de Resident Magistrate zijn gerezen;
dat de regering derhalve het Hof heeft verzocht vooraf aan te geven welke vragen het als relevant beschouwt, ten einde haar in staat te stellen haar mondelinge opmerkingen voor te bereiden;
dat voorshands enkel een onderzoek van de artikelen 34 en 37 van het Verdrag — betreffende, respectievelijk, kwantitatieve uitvoerbeperkingen en de regeling van de staatsmonopolies — haar noodzakelijk voorkwam ter oplossing van de voor de nationale rechter gerezen problemen;
Overwegende dat in het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen de nationale rechter en het Hof van Justitie overeenkomstig artikel 177 EEG-Verdrag, de nationale rechter, die als enige rechtstreeks kennis heeft van de feiten van het geding en van de door partijen aangevoerde argumenten en die uitspraak in de zaak zal moeten doen, het best in staat is om, met volledige kennis van zaken, het belang van de in het aanhangige geding opgeworpen rechtsvragen alsmede de noodzaak van een prejudiciële beslissing, die hem in staat moet stellen vonnis te wijzen, te beoordelen;
dat het evenwel aan het Hof van Justitie blijft voorbehouden om, wanneer de vragen onjuist zijn geformuleerd of buiten het kader van de hem bij artikel 177 verleende opdracht vallen, uit de door de nationale rechter verschafte gegevens en met name de motivering van het verwijzingsbesluit de elementen van gemeenschapsrecht te putten welke, mede gelet op het voorwerp van het geschil, uitlegging — of in voorkomend geval een beoordeling van de geldigheid — vereisen;
dat ten deze moet worden opgemerkt dat de Resident Magistrate in zijn vonnis van 19 september 1977 duidelijk zijn aarzeling ten aanzien van de kwalificatie van de betrokken regeling — gelet op het gemeenschapsrecht — heeft doen uitkomen en heeft aangetoond dat de oplossing van deze prealabele vraag afhangt van de keuze tussen de verschillende bepalingen waarop de partijen zich beroepen;
dat de in de brief van 10 maart 1978 gestelde vragen kennelijk zijn ingegeven door hetgeen de Board in tussentijd voor de Court of Appeal te Belfast had gesteld, namelijk dat de Resident Magistrate een onjuist gebruik had gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid met betrekking tot de opgeworpen rechtsvragen en de noodzaak deze naar het Hof van Justitie te verwijzen;
dat een vergelijking met het vonnis van 19 september 1977 in elk geval aantoont dat de aanvullende vragen enkel ten doel hebben de eerder gestelde vragen toe te lichten en te preciseren;
dat men mitsdien de twee reeksen vragen in hun onderlinge samenhang dient te lezen om de in het strafgeding voor de Resident Magistrate gerezen uitleggingsproblemen te onderkennen;
dat met betrekking tot de door de Britse regering gesignaleerde moeilijkheid om in de grote verscheidenheid van vragen van de Resident Magistrate die te onderscheiden welke als beslissend zouden zijn te beschouwen, het Hof heeft gemeend vooraf geen aanwijzingen aan een van de partijen in de procedure te kunnen geven, zonder gevaar zichzelf, lang voor de einduitspraak, op een bepaald standpunt vast te leggen en, wat meer is, de andere partijen in hun mogelijkheden van verweer te beperken;
De kwalificatie van de Pigs Marketing Scheme, gelet op de bepalingen van het Verdrag en het afgeleide recht
Overwegende dat de Resident Magistrate voorafgaandelijk alle noodzakelijke elementen wenst te verkrijgen om het gemeenschapsrecht te kunnen uitleggen en de Pigs Marketing Scheme overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag en het afgeleide recht te kunnen kwalificeren, ten einde vast te stellen aan de hand van welke bepalingen hij uitspraak zal kunnen doen over de verenigbaarheid van genoemde regeling met het gemeenschapsrecht;
dat ten deze drie mogelijkheden in het oog zijn gevat: in de eerste plaats dat de Pigs Marketing Scheme en het beheersorgaan daarvan, de Board, zijn te beschouwen als een „nationaal monopolie van commerciële aard” in de zin van artikel 37 van het Verdrag — zodat ingevolge artikel 44 Toetredingsakte de verdragsbepalingen betreffende kwantitatieve beperkingen althans tot 31 december 1977 niet van toepassing zouden zijn op de activiteiten daarvan —; in de tweede plaats als een „onderneming”, zodat de verdragsbepalingen betreffende de mededinging van toepassing zouden zijn, zij het onder voorbehoud van bijzondere voorrechten welke uit artikel 90 kunnen voortvloeien; of, ten slotte, als een „nationale marktorganisatie”, wat het probleem zou doen rijzen van de verenigbaarheid van zulk een organisatie met de bestaande gemeenschappelijke marktordening in de betrokken sector;
Overwegende dat een antwoord op deze kwalificatievraag moet worden afgeleid uit de algemene structuur van het EEG-Verdrag en uit de functie die de bepalingen betreffende de landbouw daarin hebben;
dat ten deze vooreerst moet worden opgemerkt dat de Pigs Marketing Scheme betrekking heeft op een sector van economische activiteit — namelijk de produktie en verhandeling van een bijzondere categorie varkens —, die valt onder een gemeenschappelijke marktordening welke op het tijdstip van de toetreding van het Verenigd Koninkrijk werd geregeld door verordening nr. 131/67 van 13 juni 1967 (PB van 1967, blz. 2283) en ten tijde van de feiten in geding door verordening nr. 2759/75 van 29 oktober 1975, die op dit moment nog steeds van kracht is;
dat niet is bestreden dat deze gemeenschappelijke marktordening krachtens de algemene bepalingen van de Toetredingsakte en de bijzondere bepaling van artikel 60, lid 1, sedert 1 februari 1973 op het gehele grondgebied van het Verenigd Koninkrijk van toepassing is;
dat uit artikel 38, lid 2, EEG-Verdrag volgt dat, in geval van onderlinge verschillen, de verdragsbepalingen betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid voorrang hebben op de andere regels voor de instelling van de gemeenschappelijke markt;
dat derhalve de bijzondere bepalingen tot instelling van een gemeenschappelijke marktordening in de betrokken sector voorrang hebben ten opzichte van de regeling van artikel 37 ten gunste van nationale monopolies van commerciële aard;
dat bijgevolg geen beroep kan worden gedaan op de door artikel 44 Toetredingsakte voorziene bijzondere termijn, ten einde een nationale regeling en de activiteiten van een nationaal orgaan als de Board met betrekking tot een sector waarvoor een gemeenschappelijke marktordening bestaat, te dekken;
dat het mitsdien van geen belang is of de Pigs Marketing Scheme en de Board het karakter hebben van een „nationaal monopolie” in de zin van artikel 37, aangezien de toepassing van deze bepaling na 1 februari 1973 in alle geval was uitgesloten als gevolg van de uitbreiding tot het Verenigd Koninkrijk van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector varkensvlees;
Overwegende dat de Board in zijn bij het Hof ingediende opmerkingen heeft verklaard zich te beschouwen als een onderneming met „bijzondere of uitsluitende rechten” in de zin van artikel 90 van het Verdrag, zulks gelet op de aard van zijn werkzaamheden en de hem door de Noordierse wettelijke regeling toegekende bevoegdheden;
dat ingevolge genoemd artikel 90, juncto artikel 37 betreffende nationale monopolies, zijn werkzaamheden aan de toepassing van de algemene regels betreffende de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector varkensvlees zouden zijn onttrokken;
Overwegende dat, in aanvuling op wat hiervóór met betrekking tot artikel 37 is overwogen, ten deze moet worden opgemerkt dat artikel 90, lid 1, uitdrukkelijk bepaalt dat de Lid-Staten ten aanzien van de betrokken ondernemingen „geen enkele maatregel nemen of handhaven welke in strijd is met de regels van dit Verdrag”;
dat derhalve kwalificatie van de Board als onderneming met bijzondere of uitsluitende rechten in de zin van artikel 90 niet tot gevolg zou hebben dat zijn werkzaamheden zijn onttrokken aan de toepassing van de bepalingen van het gemeenschapsrecht en inzonderheid die betreffende het vrije verkeer van goederen en de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkt;
Overwegende dat ten slotte de vraag is gerezen of de werkzaamheden van de Board als een bijzondere regeling kunnen worden erkend, in zoverre de Pigs Marketing Scheme een „nationale marktorganisatie” zou vormen;
dat in de procedure voor de Resident Magistrate deze opvatting in het bijzonder schijnt te zijn ontleend aan artikel 2 van verordening nr. 26 inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging en de handel in landbouwprodukten;
Overwegende dat — zoals het Hof in zijn arrest van 10 december 1974 heeft benadrukt (zaak 48/74, Charmasson, Jurispr. 1974, blz. 1383) — in het stelsel van het Verdrag de nationale marktorganisaties slechts als overgangsregeling werden aanvaard en overeenkomstig het bepaalde in artikel 43, lid 3, door gemeenschappelijke marktordeningen moeten worden vervangen;
dat, behalve voor de produkten ten aanzien waarvan in artikel 60, lid 2, Toetredingsakte, voorbehoud is gemaakt, krachtens dezelfde akte deze vervanging — zoals hiervóór is verklaard — per 1 februari 1973 ook heeft plaatsgevonden voor het Verenigd Koninkrijk;
dat met betrekking tot de verwijzing naar de nationale marktorganisaties in verordening nr. 26, dient te worden opgemerkt dat de bepalingen van deze verordening, die is gedateerd op 4 april 1962, rekening houden met de situatie tijdens de overgangsperiode en dat in de vijfde overweging van de considerans van deze verordening al het nodige voorbehoud wordt gemaakt met het oog op de latere verwezenlijking van een gemeenschappelijk landbouwbeleid;
dat derhalve ook de vraag of de Pigs Marketing Scheme (Northern Ireland) als een „nationale marktorganisatie” zou kunnen worden gekwalificeerd, zonder belang is;
Toetsing van de Pigs Marketing Scheme aan de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector varkensvlees
Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat de beslissende vragen voor de oplossing van de bij de Resident Magistrate aanhangige zaak betrekking hebben op de verenigbaarheid met de bepalingen inzake het vrije verkeer van goederen en de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector varkensvlees, van een handelsregeling, ingesteld bij wettelijke regeling van een Lid-Staat en beheerd door een orgaan dat in staat is dankzij de hem ter beschikking staande dwangmiddelen de betrokken marktsector te controleren, bij voorbeeld door de afzet van de waar te binden aan de voorwaarde dat de producent bij het orgaan is ingeschreven; door elke verkoop anders dan aan of door bemiddeling van het orgaan en op de door hem vastgestelde voorwaarden te verbieden; en door elk vervoer van de waar zonder vergunning van het orgaan te verbieden;
Overwegende dat om deze vragen te beantwoorden eerst de verhouding moet worden verduidelijkt tussen enerzijds de door de Resident Magistrate genoemde verordeningen, te weten de verordeningen nrs. 121/67 en 2759/75, en anderzijds de bepalingen van het Verdrag betreffende de afschaffing van kwantitatieve beperkingen, inzonderheid de artikelen 30 en 34;
dat artikel 19 van verordening nr. 121/67, die bij de toetreding van het Verenigd Koninkrijk van toepassing was, uitdrukkelijke bepalingen bevat betreffende de afschaffing van douanerechten en kwantitatieve beperkingen;
dat deze bepalingen niet zijn overgenomen in verordening nr. 2759/75, waarin alle op dit gebied bestaande voorschriften zijn samengevat; dat echter, zoals de Commissie heeft uiteengezet, deze weglating berust op een overweging van methodologische aard, namelijk om in de gecodificeerde tekst van de landbouwverordeningen alle bepalingen die een doublure zijn van verdragsbepalingen te schrappen;
dat bijgevolg in het stelsel van de thans geldende verordening nr. 2759/75 de verdragsbepalingen betreffende de afschaffing van tarief- en handelsbelemmeringen voor het intracommunautaire handelsverkeer, en inzonderheid de artikelen 30 en 34 betreffende de afschaffing van kwantitatieve in- en uitvoer-beperkingen en van alle maatregelen van gelijke werking, als een integrerend onderdeel van de gemeenschappelijke ordening der markten zijn te beschouwen;
Overwegende dat — zoals het Hof in zijn arrest van 18 mei 1977 (zaak 111/76. Van den Hazel, Jurispr. 197, blz. 901) heeft verklaard — wanneer de Gemeenschap krachtens artikel 40 van het Verdrag een regeling voor de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in een bepaalde sector heeft vastgesteld, de Lid-Staten zich dienen te onthouden van elke maatregel met de strekking daarvan af de wijken of er inbreuk op te maken;
dat ten einde deze overweging op het geval van de Pigs Marketing Scheme toe te passen, moet worden bedacht dat de gemeenschappelijke marktordening voor varkensvlees evenals de andere gemeenschappelijke marktordeningen is gebaseerd op het beginsel van een open markt waartoe elke producent vrije toegang heeft en waarvan de werking uitsluitend door de in deze ordening voorziene instrumenten wordt geregeld;
dat derhalve met de beginselen van deze marktordening onverenigbaar zijn alle nationale bepalingen of praktijken die de invoer- of uitvoerstromen zouden kunnen wijzigen of de prijsvorming op de markt zouden kunnen beïnvloeden door de producenten te verhinderen om in de staat waarin zij zijn gevestigd, of in een andere Lid-Staat, vrij te kopen en te verkopen op de door de gemeenschapsregeling vastgestelde voorwaarden, en rechtstreeks te profiteren van interventiemaatregelen en van alle andere maatregelen tot regulering van de markt, die in de gemeenschappelijke marktordening zijn voorzien;
dat een zodanig optreden op de markt, buiten de voorzieningen van de gemeenschapsregeling om en door een orgaan dat door een Lid-Staat is ingesteld, niet kan worden gerechtvaardigd met het nastreven van bijzondere doelstellingen van een — nationaal dan wel regionaal — economisch beleid, waar immers blijkens de derde overweging van verordening nr. 2759/75 de functie van de gemeenschappelijke marktordening juist erin bestaat dergelijke doelstellingen op gemeenschapsniveau te verwezenlijken, op voorwaarden die voor de Gemeenschap in haar geheel aanvaardbaar zijn, en rekening houdend met de behoeften van alle gebieden ervan;
dat, afgezien van interventies welke door de gemeenschapsverordening uitdrukkelijk zijn voorzien, elke ingreep van een Lid-Staat of van regionale of ondergeschikte instanties in de marktmechanismen de werking van de gemeenschappelijke marktordening dreigt te belemmeren en ongerechtvaardigde voordelen kan scheppen voor bepaalde groepen producenten of consumenten, ten nadele van de economie van andere Lid-Staten of van anders economische groeperingen binnen de Gemeenschap;
dat ten deze het argument van de Board, dat zijn prijspolitiek afhankelijk is van de marktontwikkeling en derhalve volstrekt niet verstorend werkt op de prijsvorming overeenkomstig de verordening, niet kan worden aanvaard;
dat dit immers geenszins uitsluit dat de litigieuze nationale regeling de producenten volstrekt afhankelijk maakt van de Board en hun de toegang tot de markt op de voorwaarden welke in het Verdrag en de op grond daarvan ingestelde gemeenschappelijke ordening zijn voorzien, ontzegt;
dat ten deze moet worden gewezen op artikel 2 van verordening nr. 2759/75, volgens hetwelk maatregelen kunnen worden genomen ten einde de initiatieven van het betrokken bedrijfsleven aan te moedigen om de aanpassing van het aanbod aan de eisen van de markt te vergemakkelijken, onder meer door een betere organisatie van de produktie, de verwerking en de commercialisatie van de betrokken produkten;
dat echter deze bepaling de vaststelling van dergelijke maatregelen slechts toestaat in het kader van een communautaire procedure, ten einde te waarborgen dat, met eerbiediging van de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag, het algemeen belang van de Gemeenschap wordt gevrijwaard;
dat derhalve op de vragen van de Resident Magistrate moet worden geantwoord, dat een nationale of regionale handelsregeling, ingesteld bij wettelijke regeling van een Lid-Staat en beheerd door een orgaan dat in staat is dankzij de hem ter beschikking staande dwangmiddelen de betrokken marktsector of een gedeelte daarvan te controleren, bij voorbeeld door de afzet van de waar te binden aan de voorwaarde dat de producent bij het betrokken orgaan is ingeschreven, door elke verkoop anders dan aan of door bemiddeling van dat orgaan en op de door hem vastgestelde voorwaarden te verbieden, en door elk vervoer van de betrokken waar zonder vergunning van bedoeld orgaan te verbieden, is te beschouwen als onverenigbaar met de vereisten welke voortvloeien uit artikel 30 en 34 EEG-Verdrag alsmede uit verordening nr. 2759/75 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector varkensvlees;
dat in antwoord op de door de Resident Magistrate gestelde vragen nog moet worden gepreciseerd, dat alle genoemde bepalingen rechtstreeks toepasselijk zijn en als zodanig aan de particulieren rechten verlenen welke de rechterlijke instanties van de Lid-Staten dienen te handhaven;
dat dit enerzijds voortvloeit uit de aard van de artikelen 30 en 34 van het Verdrag en anderzijds uit artikel 189, volgens hetwelk verordeningen „rechtstreeks toepasselijk zijn in elke Lid-Staat”;
dat, zoals uit het voorafgaande volgt, bedoelde bepalingen volgens de tekst van de Toetredingsakte en inzonderheid de artikelen 2, 42 en 60, lid 1, deze werking per 1 februari 1973 op het gehele grondgebied van het Verenigd Koninkrijk hebben verkregen;
dat ten deze het feit dat een van de elementen van de Pigs Marketing Scheme — namelijk de Movement of Pigs Regulations — in 1972, na de datum van ondertekening van de Toetredingsakte, is ingevoerd, geen wijziging brengt in deze situatie, aangezien de voorrang van het gemeenschapsrecht ten opzichte van bepalingen van nationaal recht geldt ongeacht de respectieve data van de betrokken bepalingen;
Overwegende dat de Resident Magistrate met betrekking tot de beperkingen welke voor het vervoer van varkens uit de toepassing van de Movement of Pigs Regulations voortvloeien, nog in het bijzonder vraagt of deze beperkingen eventueel kunnen worden gerechtvaardigd met de daardoor geboden controlemogelijkheden, zulks in verband met de blijkbaar intensieve smokkelactiviteit aan de grens tussen Noord-Ierland en de Republiek Ierland wegens het koersverschil van het „groene pond” en de daarmee samenhangende toekenning van monetaire compenserende bedragen;
dat de Board van zijn kant het verband tussen dit aspect van de Pigs Marketing Scheme en het bestrijden van smokkelhandel heeft beklemtoond;
Overwegende dat niet kan worden aanvaard dat een vervoerverbod dat onverenigbaar is zowel met de vrijheid van het handelsverkeer tussen Lid-Staten als met de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector varkensvlees, wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat een dergelijke beperking als bijkomstig voordeel heeft de grenscontrole en het tegengaan van bepaalde frauduleuze handelingen te vergemakkelijken;
dat, zo de monetaire oorzaak van dergelijke misbruiken niet kan worden weggenomen, hiertegen enkel mag worden opgetreden met middelen welke verenigbaar zijn met de normale werking van de gemeenschappelijke markt;
dat derhalve ter rechtvaardiging van het voor de Resident Magistrate bestreden stelsel, geen beroep kan worden gedaan op overwegingen betreffende het bestrijden van fraude;
Overwegende dat, gelet op het voorgaande, het niet noodzakelijk lijkt te antwoorden op de vragen van de Resident Magistrate betreffende de uitlegging van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag en het verband van deze bepalingen met artikel 37;
Ten aanzien van de kosten
Overwegende dat de kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen;
dat de procedure ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen;
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door de Magistrate's Court van County Armagh bij vonnis van 19 september 1977 en bij brief van 10 maart 1978 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1. Een nationale of regionale handelsregeling, ingesteld bij wettelijke regeling van een Lid-Staat en beheerd door een orgaan dat in staat is dankzij de hem ter beschikking staande dwangmiddelen de betrokken marktsector of een gedeelte daarvan te controleren, bijvoorbeeld door de afzet van de waar te binden aan de voorwaarde dat de producent bij het betrokken orgaan is ingeschreven, door elke verkoop anders dan aan of door bemiddeling van dat orgaan en op de door hem vastgestelde voorwaarden te verbieden, en door elk vervoer van de betrokken waar zonder vergunning van bedoeld orgaan te verbieden, is te beschouwen als onverenigbaar met de vereisten welke voortvloeien uit de artikelen 30 en 34 EEG-Verdrag alsmede uit verordening nr. 2759/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector varkensvlees.
2. De bepalingen van de artikelen 30 en 34 EEG-Verdrag en van verordening nr. 2759/75 zijn rechtstreeks toepasselijk en verlenen aan de particulieren rechten welke de rechterlijke instanties van de Lid-Staten dienen te handhaven.
3. De genoemde bepalingen hebben volgens de tekst van de Toetredingsakte en inzonderheid de artikelen 2, 42 en 60, lid 1, deze werking per 1 februari 1973 op het gehele grondgebied van het Verenigd Koninkrijk verkregen.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
18Rechtspraak
6Europese Unie
6Hof van JustitieC-758/2401.08.2025
Asielbeleid
Conclusie van de advocaat-generaalC-618/1111.06.2013
Maatstaf van heffing van btw over diensten inzake uitzending van commerciële reclame
Hof van JustitieBeschikkingC-18/0506.07.2006