ARREST
De feiten
De feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:
I — De feiten en de schriftelijke behandeling
A — De feiten en de prejudiciële vraag
Hermann Fink, van Duitse nationaliteit, had aan Giovanni Cardati, een te Ravenna wonende Italiaan, een op naam van de firma Fink staande auto met een Duits kenteken toevertrouwd, om daarover op zijn veelvuldige zakenreizen in Italië te kunnen beschikken. In maart 1978 werd Carciati aangehouden toen hij deze auto bestuurde; er werd procesverbaal wegens smokkel tegen hem opgemaakt terzake van het als ingezetene, binnen het Italiaanse douanegebied, onder zich houden en gebruiken van een motorvoertuig met een buitenlands kenteken, zulks in strijd met de bepalingen inzake tijdelijke invoer.
In de loop van het geding tagen Carciati besloot het Tribunale te Ravenna bij beschikking van 26 november 1979 de procedure te schorsen en het Hof van Justitie krachtens artikel 177 EEG-Verdrag te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de verenigbaarheid van de Italiaanse regeling, waarbij Italiaanse ingezetenen wordt verboden gebruik te maken van motorvoertuigen die vallen onder de regeling inzake tijdelijke invoer, en waarin strafsancties worden gesteld op overtreding van dit verbod, met de bepalingen inzake het vrije verkeer van goederen. De door de verwijzende rechter gestelde vraag luidt als volgt:
„Zijn de artikelen 25, 216, 282, 287 en 339 van het Decreet van de president van de Italiaanse republiek (DPR) nr. 43 van 23 januari 1973 junctis goedkeuringswet nr. 1163 van 27 oktober 1957 ter uitvoering van het Douaneverdrag van New York van 4 juni 1954 en de artikelen 67, 69, 70 en 71 van DPR nr. 633 van 26 oktober 1972 in strijd met de gemeenschapsregeling inzake het vrije verkeer van goederen?”
B — De toepasselijke wetgeving
a) De internationale verdragen
De douane- en belastingfaciliteiten voor reizen per particuliere auto zijn internationaal vastgelegd in twee — in het kader van de Verenigde Naties gesloten — overeenkomsten.
Het Douaneverdrag van New York van 4 juni 1954 (UNTS, deel 282, blz. 249) bepaalt dat voertuigen, welke toebehoren aan personen die hun normale verblijfplaats in het buitenland hebben, met vrijstelling van douanerechten en -heffingen en van alle rechten en heffingen ter zake van de invoer worden toegelaten, wanneer zij door de eigenaars van die voertuigen of door andere personen die hun normale verblijfplaats in het buitenland hebben, ter gelegenheid van een tijdelijk bezoek worden ingevoerd en gebruikt. Artikel 2, lid 1, van het Verdrag bepaalt:
„Elke Verdragsluitende Staat zal, onder voorwaarde van wederuitvoer en met inachtneming van de andere bepalingen van dit Verdrag, met tijdelijke vrijstelling van rechten en heffingen ter zake van de invoer en zonder toepassing van invoerverboden en invoerbeperkingen voertuigen toelaten, welke toebehoren aan personen die hun normale verblijfplaats hebben buiten het gebied van die Staat, en hetzij door de eigenaars van die voertuigen, hetzij door andere personen die hun normale verblijfplaats hebben buiten het gebied van die Staat, worden ingevoerd en worden gebezigd voor hun persoonlijk gebruik ter gelegenheid van een tijdelijk bezoek”.
Dit Verdrag is door alle Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen geratificeerd.
De overeenkomst van Genève van 18 mei 1956 (UNTS, deel 339, blz. 3) inzake de belastingheffing van wegvoertuigen voor persoonlijk gebruik in internationaal verkeer bepaalt dat voertuigen die zijn ingeschreven op het grondgebied van een der overeenkomstsluitende partijen, en in een andere staat zijn ingevoerd met vrijstelling van rechten en heffingen, zijn vrijgesteld van belastingen en heffingen die verschuldigd zijn wegens het rijden met of het houden van voertuigen, doch met uitzondering van tolgelden en belastingen en heffingen op het verbruik. Deze overeenkomst bevat niet zelf de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor de vrijstelling, maar verwijst naar de bepalingen van het Douaneverdrag van New York. Zij is geratificeerd door alle Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen, met uitzondering van België en Italië.
Deze verdragen zijn alleen van toepassing op buitenlandse voertuigen, ingevoerd en gebruikt door personen die woonachtig zijn in het buitenland.
b) De Italiaanse regeling inzake tijdelijke invoer van motorvoertuigen
DPR nr. 43 van 23 januari 1973 bevat de gecoördineerde tekst van de douanevoorschriften. Artikel 216 betreft de tijdelijke invoer van voertuigen voor persoonlijk gebruik en bepaalt met name dat de op smokkel gestelde straffen bij gebruik op het gebied van de staat van voertuigen die met tijdelijke invoer zijn toegelaten, van toepassing blijven waneer niet of niet meer is voldaan aan de in het Douaneverdrag van New York gestelde voorwaarden.
DPR nr. 633 van 12 oktober 1972 betreft de instelling en de regeling van de belasting over de toegevoegde waarde.
c) Het voorstel voor een gemeenschapsrichtlijn
De Commissie heeft op 30 oktober 1975 bij de Raad een voorstel ingediend voor een richtlijn betreffende de belastingvrijstellingen bij invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap (PB C 267 van 1975, blz. 8). Dit voorstel is thans bij de Raad in studie.
Het heeft ten doel, het intracommunautaire verkeer te bevorderen. Het bevat, in vergelijking met de internationale verdragen een aantal verbeteringen, met name de uitbreiding van de vrijdom tot het beroepsmatig gebruik van personenvoertuigen, de afschaffing van tijdelijke invoervergunningen, de vaststelling van gemeenschappelijke regels ter bepaling van de woonplaats en de vaststelling van een uniforme duur van de vrijdom (6 maanden per tijdvak van 12 maanden).
Artikel 3 van het voorstel bepaalt dat de particulier die het voertuig invoert zijn hoofdverblijfplaats dient te hebben in een andere Lid-Staat van de Gemeenschap dan die van tijdelijke invoer, en dat de vervoermiddelen niet mogen worden gecedeerd noch verhuurd in de Lid-Staat van tijdelijke invoer, noch uitgeleend aan een ingezetene van deze Lid-Staat. De enige uitzondering betreft personenauto's, welke toebehoren aan een vervoeronderneming met maatschappelijke zetel binnen de Gemeenschap, die kunnen worden teruggebracht naar de Lid-Staat van de plaats van oorspronkelijke huur door een personeelslid van de verhuuronderneming, ook als dit personeelslid ingezetene is van de Lid-Staat van tijdelijke invoer.
C — Het procesverloop
De verwijzingsbeschikking is op 21 december 1979 ter griffie van het Hof ingekomen.
Krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de Italiaanse regering, te dezen vertegenwoordigd door D. d'Avanzo, avvocato dello Stato, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, te dezen vertegenwoordigd door E. De March, lid van de juridische dienst, als gemachtigde.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan en de zaak naar de Eerste kamer te verwijzen.
II — Bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen
A — De ontvankelijkheid
De Commissie merkt op, dat het Hof in het kader van artikel 177 EEG-Verdrag weliswaar niet bevoegd is zich uit te spreken over de verenigbaarheid van nationale wettelijke bepalingen met het gemeenschapsrecht, maar dat het inmiddels vaste jurisprudentie is, dat het Hof uit de bewoordingen van de door de nationale rechter gestelde vraag, en in het licht van de door deze verstrekte gegevens, de elementen kan afleiden die in aanmerking komen voor de uitlegging van het gemeenschapsrecht.
Volgens de Commissie kan uit de stukken worden afgeleid, dat voor de uitspraak in het hoofdgeding beslissend is in hoeverre een nationale regeling, waarbij aan ingezetenen wordt verboden gebruik te maken van voertuigen die vallen onder een regeling inzake tijdelijke invoer en die strafsancties stelt op overtreding van dit verbod, verenigbaar is met de bepalingen inzake het vrije verkeer van goederen.
B — De zaak ten gronde
De Commissie en de Italiaanse regering wijzen er in hun opmerkingen op dat de in Italië geldende tijdelijke invoerregeling niet onverenigbaar is met de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van goederen.
De Commissie constateert dat het verbod voor ingezetenen om een voertuig met een buitenlands kenteken te gebruiken slechts een middel is om belastingfraude te voorkomen en vooral om te waarborgen dat de belasting inderdaad wordt betaald in het land waarvoor de goederen zijn bestemd. Het enige beginsel inzake het vrije verkeer van goederen dat de Lid-Staten moeten eerbiedigen, is het in de artikelen 13 en 95 EEG-Verdrag neergelegde verbod van discriminatie tussen nationale produkten en ingevoerde produkten. Daaruit volgt dat de in de verwijzingsbeschikking van het Tribunale di Ravenna genoemde Italiaanse bepalingen niet in strijd zijn met de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van goederen. Voorts wijst de Commissie erop, dat de harmonisatie van de tijdelijke invoerregelingen waarop het voorstel voor een communautaire richtlijn betrekking heeft, niet zozeer begunstiging van het goederenverkeer als wel de vergemakkelijking van het verkeer van personen en diensten ten doel heeft, dat wil zeggen van de ingezetenen van een Lid-Staat die voornemens zijn hun voertuig in een andere Lid-Staat te gebruiken en die door de nationale belastingregelingen voor ernstige moeilijkheden zouden kunnen komen te staan (handelsagenten, grensarbeiders, enz.).
De Italiaanse regering constateert dat het enkele feit, dat alle Lid-Staten van de EEG zijn toegetreden tot het internationale verdrag dat thans geldt voor het verkeer van particuliere voertuigen tussen de Lid-Staten van de Gemeenschap, duidelijk aantoont dat de Italiaanse rechter ten onrechte aanneemt dat de Italiaanse regeling strijdig is met de terzake geldende gemeenschapsbepalingen.
Bepalingen van strafrechtelijke aard (en dus ook de bepalingen van de artikelen 25, 216, 282 en 339 van DPR nr. 43 van 1973) behoren tot de uitsluitende bevoegdheid van de Lid-Staten, die het soevereine recht hebben, de elementen van een strafbaar feit, waaronder smokkel, alsmede de kwalificatie en de omvang van de daaraan verbonden sancties vast te stellen.
Ter terechtzitting van 19 juni 1980 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door de Italiaanse regering, te dezen vertegenwoordigd door D d'Avanzo, avvocato dello Stato, en de Commissie, te dezen vertegenwoordigd door E. de March, lid van de juridische dienst, als gemachtigde.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 10 juli 1980 conclusie genomen.
In rechte
Bij beschikking van 17 december 1979, ingekomen ten Hove op 21 december 1979, heeft het Tribunale te Ravenna krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een vraag gesteld over de verenigbaarheid van een aantal Italiaanse wettelijke bepalingen met de gemeenschapsregeling inzake het vrije verkeer van goederen.
De feiten die tot het geding voor het Tribunale te Ravenna hebben geleid zijn de volgende: G. Cardati, een te Ravenna wonende Italiaan, werd door de Guardia di Finanza aangehouden toen hij op Italiaans grondgebied reed in een auto met een Duits kenteken. Hij verklaarde dat een onderdaan van de Bondsrepubliek Duitsland hem deze auto had toevertrouwd, om daarover op zijn veelvuldige zakenreizen in Italië te kunnen beschikken. Tegen Carciati werd proces-verbaal wegens smokkel opgemaakt, terzake van het, als Italiaans ingezetene, binnen het nationale douanegebied onder zich houden en gebruiken van een auto met een buitenlands kenteken, zulks in strijd met de bepalingen inzake tijdelijke invoer.
In de loop van het geding besloot het Tribunale te Ravenna het Hof van Justitie de volgende prejudiciële zaak voor te leggen :
„Zijn de artikelen 25, 216, 287 en 339 van het Decreet van de president van de Italiaanse republiek (DPR) nr. 43 van 23 januari 1973, junctis goedkeuringswet nr. 1163 van 27 oktober 1957 ter uitvoering van het Douaneverdrag van New York van 4 juni 1954 en de artikelen 67, 69, 70 en 71 van DPR nr. 633 van 26 oktober 1972 in strijd met de gemeenschapsregeling inzake het vrije verkeer van goederen?”
Ofschoon het Hof niet bevoegd is in procedures krachtens artikel 177 EEG-Verdrag uitspraak te doen over de verenigbaarheid van nationale rechtsvoorschriften met het gemeenschapsrecht, kan het, wanneer een verwijzingsbeschikking onjuist is geformuleerd, de vraag betreffende het gemeenschapsrecht zodanig herformuleren dat het daarover uitspraak kan doen. In casu moet antwoord worden gegeven op de vraag of de verdragsbeginselen inzake het vrije verkeer van goederen in de weg staan aan een nationale regeling die, enerzijds, bij normale invoer van voertuigen betaling van de belasting over de toegevoegde waarde voorschrijft en, anderzijds, de ingezetenen van de betrokken staat onder strafbedreiging verbiedt gebruik te maken van voertuigen die onder de tijdelijke invoerregeling, dus met vrijstelling van de genoemde belasting, zijn ingevoerd.
Artikel 2 van het — door alle Lid-Staten van de Gemeenschap geratificeerde — Douaneverdrag van New York van 4 juni 1954, regelt de invoer van motorvoertuigen met tijdelijke vrijstelling van rechten en heffingen. Artikel 2, lid 1, bepaalt dat elke verdragsluitende staat „met tijdelijke vrijstelling ... voertuigen (zal) toelaten, welke toebehoren aan personen die hun normale verblijfplaats hebben buiten het gebied van die staat, en hetzij door de eigenaars van die voertuigen, hetzij door andere personen die hun normale verblijfplaats hebben buiten het gebied van die staat, worden ingevoerd en worden gebezigd voor hun persoonlijk gebruik ter gelegenheid van een tijdelijk bezoek”.
Artikel 216 van DPR nr. 43 van 23 januari 1973 (Gecoördineerde tekst van de douanevoorschriften) regelt de tijdelijke invoer van wegvoertuigen voor persoonlijk gebruik onder verwijzing naar het Douaneverdrag van New York; artikel 216, tweede alinea, bepaalt dat de op smokkel gestelde straffen van toepassing zijn, wanneer niet of niet meer is voldaan aan de in genoemd verdrag gestelde voorwaarden. Deze bepaling bevat ook het bedrag van de boete die wordt opgelegd aan degene die buitenlandse goederen onder zich houdt zonder de rechtmatige herkomst daarvan aan te tonen (artikel 282 juncto artikel 25), of aan buitenlandse goederen, die met vrijdom of verlaging van rechten zijn ingevoerd, geheel of ten dele een andere bestemming geeft dan waarvoor de vrijdom of de verlaging is verleend (artikel 287).
DPR nr. 633 van 26 oktober 1972 inzake de instelling en regeling van de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt met betrekking tot de niet-betaalde rechten aan welker bedragen de strafsanctie evenredig is, dat bedoelde belasting onder meer wordt geheven op de importen, onverschillig door wie ze worden verricht, en geeft vervolgens in de artikelen 67-70 een specifieke regeling van de belasting op de invoer.
Opmerking verdient dat de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde bij invoer van goederen uitdrukkelijk is voorzien in artikel 2 van de tweede richtlijn van de Raad van 11 april 1967 — 67/228/EEG — betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting (PB 1967, blz. 1303). Artikel 14 van de zesde richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 — 77/388/EEG — (PB L 145 van 1977, blz. 1) bepaalt dat de Lid-Staten, onverminderd andere communautaire bepalingen en onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen, vrijstelling verlenen voor de invoer van goederen die worden aangegeven in het kader van een douaneregeling voor tijdelijke invoer.
De Lid-Staten behouden dus een grote vrijheid van handelen inzake tijdelijke invoer, juist teneinde belastingfraude te voorkomen. Daaruit volgt dat wanneer de daartoe genomen maatregelen niet excessief zijn, zij ook verenigbaar zijn met het beginsel van het vrije verkeer van goederen.
Het door een Lid-Staat aan ingezetenen opgelegde verbod om met tijdelijke vrijstelling ingevoerde motorvoertuigen te gebruiken, vormt een doeltreffend middel om belastingfraude te voorkomen en te waarborgen dat de belasting wordt betaald in het land van bestemming der goederen. Het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap, dat door de Commissie op 30 oktober 1975 is ingediend (PB C 267 van 1975, blz. 8), erkent de noodzaak van een dergelijke maatregel, door in artikel 3 (betreffende de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen voor particulier gebruik) te bepalen: a) de particulier die deze goederen invoert dient: aa) zijn hoofdverblijfplaats te hebben in een andere Lid-Staat van de Gemeenschap, dan die van de tijdelijke invoer, ... b) de vervoermiddelen mogen niet worden gecedeerd noch verhuurd in de Lid-Staat van tijdelijke invoer noch uitgeleend aan een ingezetene van deze Lid-Staat”.
Zodra de verenigbaarheid van bepalingen als die van de betrokken nationale wetgeving met de voorschriften van de communautaire rechtsorde is vastgesteld, bestaan er geen argumenten op grond waarvan de bevoegdheid van een Lid-Staat, strafsancties te stellen op niet-naleving van de nationale regeling, in twijfel kan worden getrokken.
Op de vraag van het Tribunale te Ravenna moet derhalve worden geantwoord dat de bepalingen van het EEG-Verdrag inzake het vrije verkeer van goederen niet beletten dat bij een nationale regeling aan de ingezetenen van een Lid-Staat onder strafbedreiging wordt verboden, gebruik te maken van motorvoertuigen die onder een tijdelijke invoerregeling zijn geïmporteerd en derhalve zijn vrijgesteld van betaling van de belasting over de toegevoegde waarde.
Kosten
De kosten door de Italiaanse regering en de Commissie wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
uitspraak doende op de door het Tribunale te Ravenna bij beschikking van 26 november 1979 gestelde vraag, verklaart voor recht:
De bepalingen van het EEG-Verdrag inzake het vrije verkeer van goederen beletten niet dat bij nationale regeling aan de ingezetenen van een Lid-Staat onder strafbedreiging wordt verboden, gebruik te maken van motorvoertuigen die onder een tijdelijke invoerregeling zijn geïmporteerd en derhalve zijn vrijgesteld van betaling van de belasting over de toegevoegde waarde.
Voetnoten
- 1Trb. 1955, 123 en 1956, 110.
- 2Trb. 1957, 115.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
6Rechtspraak
6Europese Unie
6Hof van Justitie127/8606.07.1988
Zesde richtlijn 77/388 art. 14, EEG-Verdrag art. 177
Conclusie van advocaat-generaal VerLoren van Themaat249/8410.07.1985
Zesde richtlijn 77/388 art. 14, richtlijn 83/182 art. 5
Hof van Justitie134/8311.12.1984