Arrest van het Hof van 19 juni 1973, 77/72 · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Voltallige zitting 77/72 ECLI:EU:C:1973:65 19 juni 1973

Zoeken

Arrest van het Hof van 19 juni 1973, 77/72EEG-Verdrag art. 13 en art. 92

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-77-72-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Voltallige zitting
Zaak
77/72
ECLI
ECLI:EU:C:1973:65
Datum
19 juni 1973

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Prejudiciële verwijzing
Verwijzende rechter
Pretura circondariale di Treviso, sezione distaccata di Conegliano (Italië) beslissing van 20 november 1972 554
Zaak ingediend op
27 november 1972
Advocaat-generaal
Roemer
Nationale beslissing na het arrest
Pretura di Conegliano Veneto beslissing van 22 september 1973

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Italiaans
Jurisprudentie
Jurispr. 1973, blz. 611
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Mertens de Wilmars
Repertorium van het Hof

Tekst

107 paragrafen

ARREST

Ten aanzien van de feiten

I — De feiten en het procesverloop

Overwegende dat de feiten en het procesverloop kunnen worden samengevat als volgt:

Nadat verzoeker in het hoofdgeding van verweerster een grote hoeveelheid in kartonnen verpakking geleverde eieren had gekocht, bleek dat op de factuur behalve de prijs van eieren en verpakking een bedrag van 2908 lire in rekening werd gebracht wegens een over het uit Duitsland ingevoerde verpakkingsmateriaal berekende belasting van 1,75 % genaamd „Contributo Ente nazionale per la cellulosa e per la carta”.

Hij vorderde tevergeefs terugbetaling van deze — zijns inziens met het Verdrag onverenigbare — belasting en wendde zich vervolgens tot de Pretore te Conegliano met een verzoek om uitvaardiging van dwangbevel.

Bij beschikking van 20 november 1972 wendde de Pretore zich tot het Hof van Justitie. Hij wenste te weten:

1. of artikel 92, lid 1, van het Verdrag, waarin steunmaatregelen bij wege van financiering welke de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt kan vervalsen worden verboden een in de rechtsorde van de Lid-Staten rechtstreeks toepasselijke bepaling is, welke voor particulieren subjectieve rechten doet ontstaan die de nationale rechter heeft te waarborgen;

2. zo ja, met ingang van welke datum bedoelde rechten zijn ontstaan (i.e. met ingang van de dag van inwerkingtreding van het Verdrag van Rome dan wel bij afloop van de overgangsperiode of wel per 31 december 1969);

3. of een heffing (of geldelijke last) tot een percentage van de waarde van het uit andere Lid-Staten ingevoerde produkt, schending inhoudt van artikel 13, lid 2, of enig ander voorschrift van het Verdrag van Rome, dat speciale belastingen op importen uit de andere Lid-Staten verbiedt;

4. of de artikelen 30 en 86 van het Verdrag binnen de Lid-Staten rechtstreeks toepasselijke voorschriften zijn;

5. of een heffing op de uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten ter financiering van de activiteit van een publiekrechtelijk lichaam, niet zijnde de staat, schending van de artikelen 30 en 86, lid 1, van het Verdrag kan inhouden.

De verwijzingsbeschikking is op 27 november 1972 ter griffie van het Hof ingeschreven.

Overeenkomstig artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door verzoeker in het hoofdgeding, ten deze vertegenwoordigd door professor G. M. Ubertazzi en F. Capelli, de regering van de Italiaanse Republiek, ten deze vertegenwoordigd door de ambassadeur A. Maresca, als gemachtigde, bijgestaan door G. Zagari, sostituto dell'Avvocato Generale dello Stato, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur, G. Marchesini.

Op rapport van de Rechter-Rapporteur en de Advocaat-Generaal gehoord heeft het Hof van instructiemaatregelen afgezien.

Ter openbare terechtzitting van 5 april 1973 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door verzoeker in het hoofdgeding, de Italiaanse Regering en de Commissie.

De Advocaat-Generaal heeft ter terechtzitting van 7 mei 1973 zijn conclusie genomen.

II — Opmerkingen gemaakt krachtens artikel 20 van het Statuut

Overwegende dat de voor het Hof gemaakte opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

A — Opmerkingen van de Commissie

Na een bespreking te hebben gewijd aan bevoegdheden, doelstellingen en financieringsmiddelen van de ENCC heeft de Commissie opgemerkt dat zij ingevolge's Hofs arrest van 25 juni 1970, gewezen in de zaak 47-69 (regering van de Franse Republiek/Commissie) krachtens artikel 93, lid 2, onder meer in verband met de litigieuze parafiscale heffing, procedures aanhangig heeft gemaakt. Doordat thans ook de nieuwe Lid-Staten daarbij zijn betrokken, zijn deze procedures nog steeds hangende.

1. en 2. Eerste en tweede vraag; uitlegging van artikel 92

De Commissie stelt voor de vraag betreffende de rechtstreekse werking van artikel 92 in ontkennende zin te beantwoorden. De toepassingsvoorwaarden (lid 1), afwijkingen (lid 1), toegelaten uitzonderingen (lid 2) en mogelijk toegelaten uitzonderingen (lid 3) in de zin van dit artikel vergen van geval tot geval een ingewikkeld en in hoge mate technisch onderzoek dat, al naar het geval, tot intrekking of tot wijziging van de betrokken steunregeling kan leiden.

De tegenwerping dat de toegekende steun met het Verdrag in strijd moet worden geacht zolang afwijking niet is toegestaan faalt omdat men, nog afgezien van het toelaten ener uitzondering, om uit te maken of een overheidsmaatregel onder deze bepaling valt steeds eerst moet nagaan of de voorwaarden van artikel 92 zijn vervuld.

Stelselmatige uitlegging van de artikelen 92, 93 en 94 leidt tot een zelfde conclusie. In artikel 92 wordt een algemeen beginsel omschreven dat nader wordt uitgewerkt in de artikelen 93 en 94 volgens welke het onderzoek ten gronde zaak is van de Commissie dan wel, in het geval bedoeld in artikel 93, tweede lid, derde alinea, van de Raad. Voorts is bij controle op de steunmaatregelen de medewerking der Lid-Staten en van alle belanghebbenden nodig (artikel 93). De voorwaarden waarvan de rechtstreekse werking van een bepaling afhangt — zoals die zijn omschreven door het Hof van Justitie in de zaak 6-64 (arrest van 15 juli 1964), Costa/Enel, Jurispr. 1964, blz. 1207) en door de Advocaat-Generaal Gand in de zaak 57-65 (arrest van 16 juni 1966, Lütticke/Hauptzollamt Saarlouis, Jurispr. 1966, blz. 357) — zijn dus niet vervuld.

's Hofs jurisprudentie inzake artikel 93 voert tot dezelfde slotsom. De rechtstreekse werking die in het arrest van 15 juli 1964 (voormelde zaak 6-64, Costa/ Enel) aan deze bepaling — met uitzondering van lid 3, laatste zin — is ontzegd, kan evenmin worden toegekend aan artikel 92, dat in artikel 93 slechts wordt uitgewerkt.

Bovendien gaat het ten deze om een steunmaatregel die bij de inwerkingtreding van het Verdrag reeds bestond, terwijl de inspanningen welke men zich heeft getroost om aan artikel 92 rechtstreekse werking te zien toegekend, slechts de nieuwe steunmaatregelen — ingevoerd zonder aangifte bij de Commissie dan wel bij de Commissie aangegeven doch in strijd met artikel 93 in fine ingevoerd voordat zij een beslissing had genomen — betroffen.

De Commissie stelt derhalve voor de vraag in ontkennende zin te beantwoorden.

Ofschoon de tweede vraag slechts is gesteld voor het geval dat het antwoord op de eerste vraag bevestigend mocht luiden, merkt de Commissie op dat de vermelding van het einde van de overgangsperiode op het gebied der steunmaatregelen volkomen irrelevant is. Mogelijke subjectieve rechten kunnen slechts ontstaan:

wat reeds bestaande steunmaatregelen betreft: vanaf de datum vastgesteld in de beschikking der Commissie ex artikel 93, lid 2, eerste alinea;

wat nieuwe steunmaatregelen betreft: vanaf het tijdstip waarop daaraan met schending van de verplichting tot aangifte dan wel voordat een eindbeslissing is genomen uitvoering is gegeven.

3. Derde vraag: de uitlegging van artikel 13, lid 2

Zoals deze vraag is geformuleerd moet zij volgens de Commissie bevestigend worden beantwoord. Zij komt echter pas goed tot haar recht wanneer men haar iets verder uitwerkt: houdt de oplegging van een last ad valorem die qua percentage, grondslag en wijze van heffing voor nationale en ingevoerde produkten dezelfde is, schending in van artikel 13, lid 2, of van enig ander voorschrift dat speciale belastingen op de importen uit andere Lid-Staten verbiedt? Aldus gesteld moet de vraag in ontkennende zin worden beantwoord.

Wanneer de steunverlening aan de nationale industrie de fiscale last geheel of ten dele compenseert, kan men zich in theorie afvragen of zich geen „verkapte” schending voordoet van artikel 13, lid 2 (bij volledige compensatie) of van artikel 95 (bij gedeeltelijke compensatie), doch zulk een vergelijking is onmogelijk omdat het effect van de steunverlening voor ieder nationaal produkt afzonderlijk niet kan worden vastgesteld.

Schending van artikel 95 kan ook gelegen zijn in het feit dat het ingevoerde produkt naar zijn waarde als eindprodukt wordt belast en het vergelijkbare Italiaanse produkt slechts naar de waarde van de grondstof. Discriminatie zou dan, ofschoon het om verschillende produkten in onderscheiden produktiestadia gaat, niet zijn uitgesloten.

4. en 5. Vierde en vijfde vraag: de uitlegging van de artikelen 30 en 86

Wat de vierde vraag betreft: de Commissie is van mening dat zowel artikel 30 als artikel 86 rechtstreeks werkt. De mogelijkheid van schending dezer beide artikelen door de litigieuze belasting (vijfde vraag) moet worden verworpen. Van schending van artikel 30 is geen sprake omdat de litigieuze belasting nationale en ingevoerde produkten gelijkelijk treft.

Schending van artikel 86 is uitgesloten omdat niet de betrokken onderneming (ENCC), doch de overheid voor deze belastingheffing aansprakelijk is. Zelfs artikel 90, lid 1, moet buiten beschouwing blijven, omdat het de toekenning van bijzondere rechten aan bepaalde ondernemingen niet verbiedt.

Ook de op het gebied van de invoer gelegen activiteiten van het Ente nazionale en het uitsluiten van de steunverlening voor grondstoffen en rechtstreeks door verbruikers ingevoerde produkten vallen niet onder artikel 86; rechtstreekse invoer is niet onmogelijk gemaakt en de discriminatie speelt zich af op het terrein van de hulpverlening, zodat zij uit de gezichtshoek van artikel 92 moet worden bezien.

B — Opmerkingen van de Italiaanse Regering
1. Uitlegging van artikel 13, lid 2

De Italiaanse Regering stelt voor de vraag inzake de uitlegging van artikel 13, lid 2, ontkennend te beantwoorden.

De ENCC-heffing treft ingevoerde en nationale produkten zonder onderscheid, valt onder het algemeen stelsel der binnenlandse belastingen en is niet als een heffing van gelijke werking als een douanerecht te beschouwen.

De Italiaanse Regering beroept zich hier op de beiden arresten van 1 juli 1969 (zaak 24-68, Commissie/Italiaanse Republiek, Jurispr. 1969, blz. 193; gevoegde zaken 2 en 3-69, Sociaal Fonds voor Diamantarbeiders, Jurispr. 1969, blz. 211) alsmede op het arrest van 14 december 1972 in de zaak 29-72 (Marimex/Italiaanse belastingadministratie, nog niet gepubliceerd).

2. De uitlegging van artikel 30

Dezelfde overwegingen gelden mutatis mutandis voor de uitlegging van artikel 30 van het Verdrag, waarin kwantitatieve invoerbeperkingen en maatregelen van gelijke werking worden verboden. Wanneer de last op ingevoerde waren tot een meer algemeen belastingstelsel behoort dat ook op nationale waren van toepassing is, is niet langer sprake van ontwrichting van de invoer of van een maatregel tot beperking van het vrije verkeer van goederen.

3. De uitlegging van artikel 92

De vraag naar de uitlegging van artikel 92 is ontoelaatbaar voor zover zij de verenigbaarheid van de litigieuze steunregeling met dat artikel betreft, omdat zij ertoe strekt voor afloop van de administratieve — precontentieuze — fase bedoeld in artikel 93 een uitspraak van het Hof inzake de verenigbaarheid dezer steunmaatregel met het Verdrag uit te lokken.

De door het ENCC toegekende steun is in ieder geval niet onverenigbaar met artikel 92, omdat zij verlaging van de produktiekosten van de pers mogelijk maakt en derhalve zou neerkomen op een — sociale — steun aan de verbruikers als bedoeld in artikel 92, lid 2. Deze steun maakt ook de industriële ontwikkeling van de pers mogelijk zonder de voorwaarden van het handelsverkeer zodanig te veranderen dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad; de maatregel valt dus onder de uitzondering van artikel 92, lid 3.

4. De uitlegging van artikel 86

Wat de uitlegging van artikel 86 betreft: de ENCC is een lichaam in staatsdienst en behartigt algemene belangen; een belasting ter financiering van zijn activiteiten kan dus op geen enkele wijze met artikel 86 van het Verdrag in strijd komen.

C — Opmerkingen van verzoeker in het hoofdgeding

Verzoeker in het hoofdgeding bespreekt achtereenvolgens

1. de problemen verband houdende met artikel 13 (derde vraag van de nationale rechter) en die welke het toepassingsgebied van de artikelen 13 en 95 betreffen,

2. de problemen inzake de uitlegging van artikel 30 (eerste gedeelte van de vierde en vijfde vraag),

3. het vraagstuk van de rechtstreekse toepasselijkheid van artikel 92 (eerste en tweede vraag) en, ten slotte,

4. de uitlegging van artikel 86 (tweede gedeelte van de vierde en de vijfde vraag).

1. De uitlegging van artikel 13, tweede alinea (derde vraag)

Volgens verzoeker in het hoofdgeding is de litigieuze belasting te beschouwen als een — door artikel 13, lid 2, verboden — heffing van gelijke werking als een douanerecht en niet als een binnenlandse belasting in de zin van artikel 95 van het Verdrag.

Ondanks de bewoordingen „binnenlandse belastingen van welke aard ook” betreft artikel 95 slechts geldelijke verplichtingen welke door de overheid aan particulieren worden opgelegd zonder dat er een daarmede verband houdend voordeel tegenover staat. Dit is een wezenskenmerk van belastingen stricto sensu — en alleen daarom gaat het in artikel 95 (arrest van het Hof van 4 april 1968, zaak 31-67, Stier/Hauptzollamt Hamburg, Jurispr. 1968, blz. 356) —.

Daaruit volgt dat het artikel 95 niet geldt voor „parafiscale” heffingen, ingesteld tot dekking van uitkeringen ten behoeve van bepaalde, door hun beroep, economische en sociale omstandigheden of gebruikmaking van een bepaalde dienst gekenmerkte groepen.

In zijn arrest van 1 juli 1969 (gevoegde zaken 2 en 3-69, Sociaal Fonds voor Diamantarbeiders, Jurispr. 1969, blz. 211) heeft het Hof trouwens stilzwijgend uitgemaakt dat artikel 95 niet geldt voor parafiscale heffingen — waartoe de ENCC-heffing nu juist behoort —.

In de tweede plaats geldt artikel 95 volgens verzoeker slechts voor belastingen die voor restitutie (teruggave bij uitvoer) in aanmerking komen. Evenwel geldt de vrijstelling van artikel 2 van het ministerieel besluit van 3 juli 1940 — betreffende de ENCC —, volgens hetwelk de heffing niet wordt toegepast op voor export bestemde produkten, slechts wanneer nationale papierwaren terstond naar het buitenland gaan. Bij latere uitvoer door een Italiaanse verbruiker vindt er geen volledige restitutie plaats.

Voorts moet voor toepassing van artikel 95 de belasting op nationale produkten met die op ingevoerde produkten worden vergeleken om vast te stellen of et sprake is van discriminatie. In casu is dat echter niet mogelijk: zowel de oorzaak als de grondslag en resultaten van de heffing zijn verschillend. Wordt de litigieuze belasting, wat de nationale produkten betreft, bij eigendomsovergang van producent op verbruiker geheven, de ingevoerde goederen worden bij de grensovergang belast, om het even of er eigendomsovergang plaatsvindt of niet.

Voorts vormt bij nationale produkten de factuurprijs de grondslag der belastingheffing (artikel 1 van het decreet van 3 juli 1940), terwijl de belasting bij ingevoerde produkten de normale prijs van het produkt (artikel 7 van genoemd decreet) betreft, ook wanneer deze niet met de factuurprijs overeenkomt. Ook het laatste voor vergelijking in aanmerking komend gegeven, het resultaat der belastingheffing, is voor nationale en in het buitenland gevestigde fabrikanten niet hetzelfde. De nationale fabrikanten krijgen compensatie in de vorm van ENCC-steun, dus uit een specifieke bestemmingsheffing. Bij de buitenlandse ondernemers staat echter tegenover de betaalde belasting geen enkel voordeel; zij dient er juist toe om de concurrentiepositie van de Italiaanse ondernemingen op hun kosten te verstevigen.

Tegen het negatieve effect van de ENCC-heffing weegt zelfs de afwenteling van deze last op de verbruiker niet op.

Verzoeker in het hoofdgeding concludeert dat de litigieuze belasting niet op grond van een discriminerend percentage onwettig is, doch op grond van haar wezenlijke kenmerken — welke mede brengen dat artikel 95 er niet op kan worden toegepast —.

De heffing heeft dus een zelfde werking als een douanerecht: zij wordt bij grensoverschrijding opgelegd, maakt de desbetreffende produkten duurder en wordt niet in het uitsluitend belang van de importeur toegepast.

Op het verbod van zulke heffingen van gelijke werking kan geen uitzondering worden gemaakt op grond van het feit dat de toepassing in het kader van een — eventueel zelfs geoorloofde — steunregeling plaatsvindt.

Verzoeker in het hoofdgeding geeft dus in overweging de derde vraag als volgt te beantwoorden: „Artikel 12 geldt ook voor door de douane toegepaste heffingen welke naar hun aard belastingen zijn, zelfs al dienen ze om een met artikel 92 van het Verdrag verenigbare steunmaatregel te financieren.”

2. De uitlegging van artikel 30 (eerste gedeelte van de vierde en de vijfde vraag)

Voor zover de ENCC-heffing niet onder het verbod van artikel 13 mocht vallen, moet zij als een — door artikel 30 verboden — maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking worden beschouwd.

Het door de Italiaanse wetgever ingevoerde stelsel leidt tot tweeërlei belasting: een cellulosebelasting die per 100 kg wordt geheven en een belasting op papierwaren, geheven over de normale prijs. Ter vermijding van fraude zijn er met betrekking tot het formaat en afstempeling der cellulosebladen technische maatregelen genomen, waardoor rechtstreeks verbruik van ingevoerde bladen kan worden voorkomen. Voorts geldt de vrijstelling van kranten-en tijdschriftenpapier slechts voor speciaal voorgeschreven formaten en verpakkingen die als evenzovele belemmeringen van het vrije verkeer van goederen zijn te beschouwen.

Bovendien waren de activiteiten van ENCC in de sector courantenpapier blijkens verschillende jaarrapporten erop gericht de markt door controle op de invoer en ter verzekering van een geregelde bevoorrading met courantenpapier te ordenen.

Wat de rechtstreekse werking van artikel 30 betreft: ondanks haar algemene formulering voldoet deze bepaling aan alle voorwaarden waarvan de rechtstreekse werking van een verdragsvoorschrift afhankelijk is gesteld. De enige moeilijkheid is in de bepaling van de aanvangsdatum dezer rechtstreekse werking gelegen.

Volgens de versnellingsbeschikking van de Raad van 26 juli 1966 (beschikking nr. 66/532, PB nr. 2971/66 van 21 september 1966) moesten alle kwantitatieve beperkingen per 1 juli 1968 zijn afgeschaft. Dit geldt ook voor maatregelen van gelijke werking. Meent men deze oplossing niet te kunnen aanvaarden, dan moet aan artikel 30 in ieder geval vanaf het einde van de overgangsperiode rechtstreekse werking worden toegekend, immers volgens artikel 32 moesten maatregelen van gelijke werking als contingenten uiterlijk aan het einde van de overgangsperiode zijn afgeschaft. Deze termijn moet dan a fortiori ook gelden voor goederen die zich in het vrije verkeer bevinden.

Verzoekers voorkeur gaat uit naar de eerste oplossing.

Hij stelt het Hof dus voor te verklaren voor recht dat artikel 30 van het Verdrag sedert 1 juli 1968, althans sedert 1 januari 1970, rechtstreeks werkt en het artikel in die zin te verstaan dat het een verbod inhoudt van staatsmaatregelen die zonder dat daartoe objectieve gronden bestaan voor een bepaald produkt al dan niet rechtstreeks nadere voorwaarden behelzen — zoals wanneer een publiekrechtelijk lichaam door middel van con-tingentering de toegang van produkten uit de andere Lid-Staten verhindert of bemoeilijkt —.

3. De uitlegging van artikel 92 (eerste en tweede vraag)

Verzoeker bespreekt eerst de verschillende soorten ENCC-interventies.

Blijkt uit de doelstellingen omschreven in artikel 2 van de wet nr. 1453 van 13 juni 1935 tot oprichting van de ENCC ten duidelijkste dat dit lichaam als een instrument van autarktisch beleid was bedoeld, uit latere stukken verneemt men welke specifieke soorten bijstand er door de ENCC zijn verleend. Het ging vooral om steunverlening aan de papierfabrikanten, aan de pers — door interventie bij de aankoop van grondstoffen en vrijstelling van belasting over het papier —, aan kleine en middelgrote bedrijven — door rechtstreekse invoer tegen verlaagde prijs ter voorziening in hun papierbehoeften — en aan de papierindustrie in het algemeen — door verzekering van afzetmogelijkheden —.

Voorts bekostigt de ENCC een aantal programma's voor onderzoekingen binnen de land- en bosbouwsector en op het terrein der papierindustrie.

Al deze steunmaatregelen vallen ten duidelijkste onder het verbod van artikel 92. De ENCC is een publiekrechtelijk lichaam en de ENCC-steun moet dus worden geacht door de staat, althans met „staatsmiddelen” te zijn verleend. Het gaat erom bepaalde produkties en bepaalde ondernemingen, namelijk de Italiaanse cellulose producerende landbouwbedrijven, de Italiaanse papierindustrie en de Italiaanse uitgeverijen, te begunstigen.

Deze steun verlaagt de produktiekosten der nationale fabrikanten, helpt de papierindustrie aan afzetmogelijkheden — door berekening van lagere prijzen dan op de wereldmarkt worden berekend —, verlaagt — wat de Italiaanse pers betreft — de kosten van de uitgevers van kranten en tijdschriften en verbetert — wat de niet-Italiaanse pers betreft — hun concurrentiepositie op de buitenlandse markt.

Zij hebben een ongunstige invloed op de handel tussen Lid-Staten, niet alleen doordat zij de mededinging tegenwerken, doch ook door hun wijze van financiering. Deze financiering — door middel van retributies — was reeds aan de orde in 's Hofs arrest nr. 47-69 van 25 juni 1970 (Regering van de Franse republiek/ Commissie, Jurispr. 1970, blz. 487); het Hof beschouwde haar als protectionistisch omdat zij mede geschiedde ten laste van niet-Italiaanse ondernemingen — die er anderzijds wel de nadelen van ondervonden —. Deze protectionistische werking is overigens door de Italiaanse wetgever zelf meermalen erkend.

Wat de rechtstreekse werking van artikel 92, lid 1, betreft: verzoeker verwijst naar de zaak Costa/Enel, waarin het Hof aan artikel 93, lid 3, in fine rechtstreekse werking heeft toegekend. Dat dit voorschrift slechts voor nieuwe steunmaatregelen (genomen na de inwerkingtreding van het Verdrag) geldt, neemt niet weg dat het Hof met betrekking tot toen reeds bestaande steunmaatregelen aan artikel 92 rechtstreekse werking kan toekennen.

Artikel 92 voldoet aan alle voorwaarden om als rechtstreeks werkend te worden beschouwd. Het daarin omschreven verbod is niet tot de Lid-Staten gericht. Het is in bijzonder strenge bewoordingen vervat en voldoende duidelijk en welbepaald.

Het enige bezwaar waarop de toekenning van rechtstreekse werking aan artikel 92 zou kunnen afstuiten is gelegen in het feit dat er voor afschaffing van bij inwerkingtreding van het Verdrag bestaande steunmaatregelen door de Commissie een besluit moet worden genomen.

Dit bezwaar moet echter worden bezien in samenhang met alle consequenties welke het niet toekennen van rechtstreekse werking aan dit voorschrift zou hebben.

Gaat men van de hierbedoelde veronderstelling uit, dan kunnen met het Verdrag strijdige steunregelingen voor onbepaalde tijd in stand blijven, zo wanneer — als in casu — de steunmaatregelen in strijd met artikel 93 niet bij de Commissie worden aangemeld zodat de Commissie ze niet heeft kunnen opsporen. Deze situatie zou zich met artikel 93, lid 1, niet verdragen.

Bovendien behelst artikel 93, lid 1, voor „bestaande” steunmaatregelen dezelfde aanmeldingsplicht als lid 3 voor nieuwe steunmaatregelen.

Staat deze aanmeldingsplicht vast, dan heeft dat zonder meer tot gevolg dat aangemelde steunmaatregelen als geoorloofd zijn te beschouwen zolang de Commissie ze niet verbiedt, terwijl op niet-aangemelde steunmaatregelen het onmiddellijk en onvoorwaardelijk verbod van artikel 92 van toepassing zou zijn.

Ten slotte volgt ook uit artikel 8, lid 7, van het Verdrag, luidende als volgt: „… het einde van de overgangsperiode [vormt] het uiterste tijdstip waarop alle regels in werking moeten treden en waarop alle maatregelen welke het tot stand brengen van de gemeenschappelijke markt mede brengt, moeten zijn verwezenlijkt” dat artikel 92 bij het einde van de overgangsperiode rechtstreeks is gaan werken.

De termijn van twaalf jaren van artikel 8, lid 1, is de uiterste termijn voor inwerkingtreding van de afschaffingsvoorschriften van artikel 92.

Dit blijkt ook bij bestudering van lid 3, letter c, van deze bepaling, volgens hetwelk sommige steunmaatregelen overeenkomstig de bepalingen voor het afschaffen van de douanerechten — dat wil zeggen uiterlijk bij het einde van de overgangsperiode — geleidelijk worden verminderd.

Ten slotte eindigen bij afloop van bedoelde periode de bevoegdheden welke de Commissie aan artikel 93 ontleent — met uitzondering van die welke in lid 3 zijn omschreven —. Artikel 92 wordt dus vanaf dat ogenblik rechtstreeks toepasselijk omdat het aldaar omschreven algemeen beginsel dan zonder uitzondering geldt. Wanneer de Commissie zich over steunmaatregelen heeft uit te spreken kan zij slechts vaststellen of zij met het Verdrag verenigbaar zijn; zij kan echter niet alsnog steunmaatregelen waarmede dit niet het geval is rechtmatig verklaren.

Ten slotte ligt deze oplossing ook stilzwijgend in de gehele systematiek van het Verdrag besloten. Het Hof van Justitie heeft ervoor te waken dat de uitvoering der mededingingsvoorschriften — die voor de ordening van een gemeenschappelijke markt zo kenmerkend zijn — niet sine die wordt uitgesteld.

Toegepast op het onderhavige geval leiden deze beginselen tot de volgende conclusies:

De Italiaanse staat heeft de ENCC-steunregeling nimmer bij de Commissie aangemeld. De Commissie kon daardoor pas in 1972 ambtshalve een procedure aanhangig maken.

Door schending van de Verdragsbepalingen handelen de Italiaanse staat en de ENCC eveneens in strijd met het subjectief recht van verzoeker — en van alle Italiaanse importeurs — zich geen met het Verdrag strijdige lasten te zien opgelegd. Dit subjectief recht bestaat vanaf het einde van de overgangsperiode — 31 december 1969 — . Door de rechtstreekse werking afhankelijk te stellen van een door de Commissie in september 1972 aanhangig gemaakte procedure ex artikel 93 of van de dag der door de Commissie te nemen beschikking zou men het wederrechtelijk gedrag van de Italiaanse staat en van de ENCC wettigen.

Zouden zij de Commissie tijdig hebben ingelicht, dan zouden de ENCC-heffingen, althans voor importen, reeds zijn afgeschaft. Waar het Hof aan artikel 92 per 31 december 1969 rechtstreekse werking heeft toegekend, mogen de importeurs betalingen die nadien hebben plaatsgevonden terugvorderen, met name wanneer de Commissie de litigieuze steunmaatregel met artikel 92 onverenigbaar mocht achten en een door de Italiaanse Regering tegen zodanige beslissing ingesteld beroep door het Hof mocht worden verworpen.

Zou de Commissie in het geheel geen procedure aanhangig hebben gemaakt, dan zou het op de weg van de nationale rechter liggen de verenigbaarheid van de steunmaatregel met de Verdragsbepaling te onderzoeken. Dit zou ook gelden voor nieuwe steunmaatregelen, die bij invoering (na 31 december 1969) onder een rechtstreeks werkend verbod vallen, tenzij ze volgens artikel 93, lid 3, zijn aangemeld, in welk geval blijkens 's Hofs arrest in de zaak Costa/Enel het aanhangig maken van de procedure door de Commissie voor de rechtstreekse werking bepalend is.

Verzoeker concludeert dat artikel 92 rechtstreeks toepasselijk moet worden verklaard: per 31 december 1969 voor bestaande met het Verdrag onverenigbare steunmaatregelen en voor niet-aangemelde nieuwe steunmaatregelen en vanaf de inleiding van de procedure ex artikel 93, lid 3, voor nieuwe, wèl aangemelde steunmaatregelen.

4. De uitlegging van artikel 86 (tweede gedeelte van de vierde en vijfde vraag)

Met betrekking tot de uitlegging van artikel 86 merkt verzoeker op dat een machtspositie op de gemeenschappelijke markt op zichzelf nog niet een door artikel 86 verboden misbruik oplevert. Van misbruik is sprake wanneer zulk een machtspositie met behulp van een retributie wordt gehandhaafd of verstevigd.

Ten aanzien van het recht

1.

Overwegende dat de Pretore te Conegliano bij beschikking van 20 november 1972, ingekomen ter griffie op 27 november 1972, het Hof krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag een aantal vragen heeft gesteld inzake de uitlegging van de artikelen 92, lid 1, 13, lid 2, 30 en 86 van het Verdrag;

2.

dat de Pretore blijkens het dossier deze vragen heeft gesteld omdat op de litigieuze factuur — ter verklaring van de post „ENCC-heffing” (Ente nazionale per la cellulosa e per la carta) — vermeld was „ENCC-heffing over de waarde van de hiervoor omschreven uit de Bondsrepubliek afkomstige produkten”, er van uitgaande dat hier sprake was van een geldelijke last, op uit een Lid-Staat afkomstig verpakkingsmateriaal bij invoer in Italië geheven;

3.

dat hij met name beantwoording noodzakelijk heeft geacht van de vragen of de hierbedoelde retributie als een heffing van gelijke werking als douanerechten in de zin van artikel 13, lid 2, van het Verdrag, moet worden beschouwd, of het verbod van steunmaatregelen van artikel 92, lid 1, van het Verdrag geacht moet worden rechtstreeks te werken, of het heffen van speciale belastingen op uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten een maatregel van gelijke werking als een — in artikel 30 van het Verdrag verboden — kwantitatieve invoerbeperking kan opleveren en ten slotte of het gebruiken van middelen verkregen door een heffing op de invoer van produkten uit de andere Lid-Staten ter financiering van de activiteiten van een publiekrechtelijk lichaam schending van artikel 86 van het Verdrag kan behelzen;

De eerste en de tweede vraag

4.

Overwegende dat het er in deze vragen om gaat of artikel 92, lid 1, van het Verdrag in de nationale rechtsorde der Lid-Staten rechtstreeks werkt, zodat er voor de nationale rechter een beroep op kan worden gedaan;

5.

Overwegende dat dit eerste lid bij uitlegging niet afzonderlijk mag worden beschouwd, doch moet worden bezien in het kader van het stelsel dat door de artikelen 92 tot 94 te zamen in het leven is geroepen;

6.

dat waar met betrekking tot voornemens tot invoering of wijziging van steunmaatregelen in artikel 93, lid 3, laatste volzin, formele maatstaven worden opgesteld die door de nationale rechter kunnen worden gehanteerd, hetzelfde niet geldt voor bestaande steunregelingen als bedoeld in artikel 93, lid 1;

dat de bepalingen van artikel 92, lid 1, met betrekking tot deze steunmaatregel bedoeld zijn om in de rechtsorde der Lid-Staten effect te sorteren — zodat daarop voor de nationale rechter een beroep kan worden gedaan —, wanneer zij zijn uitgewerkt in handelingen van algemene strekking als bedoeld in artikel 94 of, in bepaalde casusposities, in besluiten als bedoeld in artikel 93, lid 2;

De derde vraag

7.

Overwegende dat wordt gevraagd of het opleggen van een geldelijke last tot een percentage van de waarde van het uit andere Lid-Staten ingevoerde produkt schending inhoudt van artikel 13, lid 2, van het Verdrag of van een ander Verdragsvoorschrift waarbij de heffing van bijzondere belastingen op importen van herkomst uit de andere Lid-Staten wordt verboden;

8.

Overwegende dat bij gebreke van nauwkeurige inlichtingen inzake doelstelling, aard en wijze van heffing der omstreden belasting dient te worden vastgesteld dat het Hof, omdat het zich in de uitoefening zijner bevoegdheden ingevolge artikel 177 moet beperken tot uitlegging van de betrokken bepalingen van het Gemeenschapsrecht, nationale rechtshandelingen en rechtsvoorschriften niet mag beoordelen omdat het antwoord dan wellicht onvoldoende recht zou doen wedervaren aan de omstandigheden van het geval;

9.

Overwegende dat de bij inwerkingtreding van het Verdrag tussen de Lid-Staten bestaande invoerrechten volgens artikel 13, lid 1, in de loop van de overgangsperiode overeenkomstig de artikelen 14 en 15 geleidelijk worden afgeschaft;

dat de artikelen 14 en 15 de daartoe nodige voorzieningen behelzen, des dat bij afloop van de overgangsperiode alle tussen de Lid-Staten geheven invoerrechten zijn verdwenen;

dat het tweede lid van artikel 13 het eerste lid aanvult met de bepaling dat heffingen van gelijke werking als invoerrechten, tussen de Lid-Staten van toepassing, in de loop van de overgangsperiode geleidelijk worden opgeheven;

10.

dat derhalve met de bepalingen betreffende de afschaffing van de douanerechten tussen de Lid-Staten, welke de eerste afdeling van hoofdstuk I „de douane-unie” vormen, is beoogd ervoor te zorgen dat de doelstelling van artikel 9 van het Verdrag bij het einde van de overgangsperiode zal zijn verwezenlijkt;

dat ook al worden in deze bepalingen tijdens de overgangsperiode aanpassingen en afwijkingen tot op zekere hoogte toegelaten, bedoelde rechten en belastingen niettemin blijkens de tekst in ieder geval aan het einde van genoemde periode geheel moesten zijn opgeheven;

11.

dat artikel 13, lid 2, derhalve voor alle heffingen van gelijke werking als douanerechten uiterlijk bij het einde van de overgangsperiode een duidelijk, nauwkeurig omschreven verbod tot toepassing dier belastingen inhoudt, waaraan de staten geen enkel voorbehoud hebben verbonden in die zin dat het slechts tot uitvoering zou kunnen komen door een positieve nationale rechtshandeling dan wel door tussenkomst van de instellingen der Gemeenschap;

dat dit verbod naar zijn aard zeer wel rechtstreekse gevolgen teweeg kan brengen in de rechtsbetrekkingen tussen de Lid-Staten en hun justitiabelen;

12.

Overwegende dat dit verbod betrekking heeft op iedere bij of wegens invoer geheven belasting welke bepaaldelijk een ingevoerd produkt en niet een soortgelijk nationaal produkt treft en derhalve, door wijziging van de kostprijs, uiteindelijk op het vrije verkeer van goederen een zelfde beperkende invloed heeft als een douanerecht;

dat zo ook geldelijke lasten bestemd ter financiering van de activiteiten van een publiekrechtelijk lichaam heffingen van gelijke werking in de zin van artikel 13, lid 2, van het Verdrag kunnen opleveren;

dat daarentegen niet als heffingen van gelijke werking zijn te beschouwen geldelijke lasten welke deel uitmaken van een algemeen systeem van binnenlandse heffingen waardoor nationale produkten èn ingevoerde produkten volgens dezelfde criteria stelselmatig worden getroffen;

13.

Overwegende dat er aanleiding kan bestaan om bij de uitlegging van de term „heffing van gelijke werking als een invoerrecht” met de bestemming der opgelegde geldelijke lasten rekening te houden;

dat wanneer zulk een geldelijke last of belasting namelijk uitsluitend bestemd is ter bekostiging van activiteiten die met name ten behoeve van de belaste nationale produkten worden verricht, het resultaat kan zijn dat de algemene belasting welke volgens dezelfde criteria op het ingevoerde en op het nationale produkt wordt geheven nochtans voor eerstbedoelde produkten een duidelijke bijkomende geldelijke last en voor laatstbedoelde in feite de tegenhanger voor genoten voordelen of ontvangen steun vormt;

14.

Overwegende dat dientengevolge een belasting behorende tot een algemeen systeem van binnenlandse heffingen waardoor nationale produkten en ingevoerde produkten volgens dezelfde criteria stelselmatig worden getroffen, nochtans een heffing van gelijke werking als een invoerrecht kan zijn wanneer zij uitsluitend bestemd is ter bekostiging van activiteiten die met name ten behoeve van het erdoor getroffen nationale produkt worden verricht;

De vierde en vijfde vraag

15.

Overwegende dat op grond van het hiervoor overwogene op deze — kennelijk aanvullende — vragen niet behoeft te worden ingegaan;

Ten aanzien van de kosten

16.

Overwegende dat de kosten, door de regering van de Italiaanse Republiek en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen aan het Hof gemaakt niet terugvorderbaar zijn en dat de procedure ten aanzien van partijen in het hoofdgeding als een voor de nationale rechter gerezen incident moet worden beschouwd, zodat deze over de kosten heeft te beslissen;

Dictum

Gezien de stukken;

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende op de door de Pretore te Conegliano bij beschikking van 20 november 1972 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Een belasting behorende tot een algemeen systeem van binnenlandse heffingen waardoor nationale produkten en ingevoerde produkten volgens dezelfde criteria stelselmatig worden getroffen, kan nochtans een heffing van gelijke werking als een invoerrecht zijn wanneer zij uitsluitend bestemd is ter bekostiging van activiteiten die met name ten behoeve van het erdoor getroffen nationale produkt worden verricht.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

6
EEG-Verdrag art. 13uitgelegd4 voorkomens
EEG-Verdrag art. 923 voorkomens
EEG-Verdrag art. 302 voorkomens
EEG-Verdrag art. 862 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1771 voorkomen
EEG-Verdrag art. 91 voorkomen

Rechtspraak

2

Europese Unie

2

Conclusie van advocaat-generaal TesauroC-347/9523.01.1997

EG-Verdrag art. 12 en art. 9

Conclusie van advocaat-generaal VerLoren van Themaat249/8410.07.1985

Zesde richtlijn 77/388 art. 14, richtlijn 83/182 art. 5

Bekijk de 2 documenten

Rechtsleer

7
VerLoren van Themaat, P.: S.E.W. ; Sociaal-economische wetgeving 1973 p.712-718 (NL)
Brinkhorst, H. J.: Note on cases 77/72 (Capolongo) and 70/72 (Kohlegesetz), Common Market Law Review 1974, Volume 11, Issue 2, p. 206-210 (EN)
Meier, Gert: Außenwirtschaftsdienst des Betriebs-Beraters / Recht der Internationalen Wirtschaft 1974 p.45-46 (DE)
Avunduk, Omer: Una nuova nozione di tassa di effetto equivalente, Il Foro padano 1974 IV Col.11-16 (IT)
Kovar, Robert: Journal du droit international 1974 p.398-407 (FR)
Bekijk de 2 andere verwijzingen
Tinnion, John: Parafiscal Charges in the National Courts, European Law Review 1977 p.359-363 (EN)
VerLoren van Themaat, P.: Annotaties Hof van Justitie EG (Ed. W.E.J. Tjeenk Willink - Zwolle) 1995 p.119-124 (NL)