Arrest van het Hof van 21 mei 1980, 73/79 · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Voltallige zitting 73/79 ECLI:EU:C:1980:129 21 mei 1980

Zoeken

Arrest van het Hof van 21 mei 1980, 73/79EEG-Verdrag art. 95 en art. 93

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-73-79-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Voltallige zitting
Zaak
73/79
ECLI
ECLI:EU:C:1980:129
Datum
21 mei 1980

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Beroep wegens niet-nakoming gegrond
Zaak ingediend op
2 mei 1979
Advocaat-generaal
Mayras

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Italiaans
Jurisprudentie
Jurispr. 1980, blz. 1533
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Koopmans
Repertorium van het Hof

Tekst

101 paragrafen

ARREST

De feiten

De feiten, het procesverloop en de conclusies, middelen en argumenten van partijen kunnen worden samengevat als volgt:

I — De feiten en het procesverloop

Bij besluit nr. 1195 van 22 juni 1968 van de Interministeriële Prijzencommissie (CIP) (Gazzetta Ufficiale nr. 162 van 27 juni 1968) heeft de Italiaanse Republiek een vereveningskas voor suiker („Cassa conguaglio zucchero”) ingesteld die belast is met vereveningsoperaties in verband met de inpassing van de Italiaanse suikersector in het communautaire kader en met de verwezenlijking van de gemeenschappelijke markt in de sector suiker.

Bij hetzelfde besluit zijn de voor de werking van de kas noodzakelijke bijdragen vastgesteld en is een bijzondere belasting ingevoerd, „prijstoeslag” („sovra-prezzo”) geheten, van LIT 23 per kg (dit bedrag is later verhoogd) voor op de markt gebrachte witte suiker, ongeacht de soort en de kwaliteit. Deze belasting wordt zowel op binnenlands geproduceerde als op uit het buitenland ingevoerde suiker geheven.

De opbrengst van „sovraprezzo” dient voor de financiering van steunmaatrege- len toegelaten krachtens artikel 34 van verordening nr. 1009/67 (later vervangen door artikel 38 van verordening nr. 3330/74 en aangevuld bij artikel 5 van verordening nr. 1110/77; PB L 308 van 1967, blz. 1; L 359 van 1974, blz. 1, en L 134 van 1977, blz.1).

Na een onderzoek van deze regeling achtte de Commissie ze onverenigbaar met de bepalingen van het EEG-Verdrag. Dat artikel 34 van verordening nr. 1009/67 en artikel 38 van verordening nr. 3330/74 ten gunste van Italië voorzien in een afwijking van het algemene — in artikel 92, lid 1, EEG-Verdrag vervatte — verbod van steunmaatregelen die de concurrentie vervalsen of dreigen te vervalsen, rechtvaardigt volgens de Commissie niet de instelling van een regeling die gedeeltelijk buiten het kader van de voornoemde artikelen 34 en 38 valt en een protectionistische werking heeft in de eigenlijke zin van het woord.

De Commissie vestigde mitsdien bij schrijven van 4 december 1974 de aandacht van de Italiaanse regering erop, dat indien de „sovraprezzo” geheel wordt gecompenseerd door de steunmaatregelen ten gunste van de nationale produktie voor de financiering waarvan hij is ingesteld, de prijstoeslag een bij artikel 9, lid 1, EEG-Verdrag verboden heffing van gelijke werking als douanerechten vormt, en dat, indien de „sovraprezzo” daarentegen slechts gedeeltelijk voor deze steunmaatregelen wordt gebruikt, hij een bij artikel 95 EEG-Verdrag verboden belasting vormt.

Zij verzocht derhalve de Italiaanse regering overeenkomstig artikel 169, eerste alinea, EEG-Verdrag haar opmerkingen te maken.

In haar brief van 21 maart 1975 herinnerde de Italiaanse regering vooreerst aan de juridische gronden en overwegingen die tot de oprichting van de vereveningskas en tot de instelling van een „sovraprezzo” op suiker hadden geleid. Zij erkende dat „bedoelde sovraprezzo was ingesteld met het oog op de bij artikel 34 van verordening nr. 1009/67 toegelaten verrichtingen ter compensatie van de prijzen, en alleszins moet worden beschouwd als een binnenlandse belasting” ; zij betwistte evenwel de stelling van de Commissie, dat de „sovraprezzo” op ingevoerde suiker verder reikte dan een eigenlijke steunmaatregel en een protectionistische werking had. De bijzondere maatregelen bedoeld in artikel 34 van verordening nr. 1009/67, zouden niet vallen in de categorie „steunmaatregelen” in de zin van artikel 92 en volgende EEG-Verdrag, maar moesten integendeel worden beschouwd als een mechanisme ter compensatie van het verschil tussen de produktiekosten voor suiker in Italië en die in de andere landen van de Gemeenschap.

Zelfs bij toetsing van het vraagstuk aan de regeling inzake steunmaatregelen, zou een protectionistische werking als dooide Commissie gesteld, uitgesloten zijn, aangezien er geen enkel verband bestond tussen de opbrengst van de belasting en het bedrag van de steunmaatregelen, welk bedrag uitdrukkelijk door de Raad was vastgesteld; bovendien was de Commissie niet bevoegd de met behulp van de aanpassingssteun ingestelde financieringsregeling te beoordelen, aangezien verordening nr. 1009/67 uitdrukkelijk een afwijking van artikel 92 EEG-Verdrag toestond.

De Italiaanse regering betoogde ten slotte dat van een onverenigbaarheid van de „sovraprezzo” met artikel 92 EEG-Verdrag geen sprake kon zijn, aangezien de „sovraprezzo” niet alleen diende ter financiering van de aanpassingssteun, maar ook van uiteenlopende verrichtingen in het kader van de prijzenregeling. Onverenigbaarheid met artikel 95 EEG-Verdrag ware volgens de Italiaanse regering eveneens uit te sluiten, omdat het bedrag en de inningswijze van de „sovraprezzo” voor binnenlandse en voor ingevoerde goederen gelijk waren.

Na van de opmerkingen van de Italiaanse regering kennis te hebben genomen, bevestigde de Commissie haar standpunt bij schrijven van 23 maart 1977. Zij nodigde de Italiaanse regering uit haar opmerkingen te maken over het feit dat — voor de verkoopseizoenen 1975-1976 en 1976-1977 — op uit andere Lid-Staten ingevoerde suiker de gehele last van de „sovraprezzo” werd gelegd (namelijk respectievelijk LIT 5600 en 7000 per 100 kg suiker), terwijl de Italiaanse suiker op deze bedragen een terugbetaling genoot (van respectievelijk LIT 2156,30 en 2706,06 per 100 kg tot een maximum van 1,33 miljoen ton) boven de produktieheffing (tot een maximum van 100000 ton).

In haar brief van 10 juni 1977 betwistte de Italiaanse regering de bewering van de Commissie, dat op binnenlandse produkten een minder zware last werd gelegd dan op ingevoerde. Zij merkte bovendien op, dat de verbruiker en niet de producent of de importeur de belasting droeg, en dat er geen verband bestond tussen de betaling van de „sovraprezzo” door de producent en de uitkering aan diezelfde producent van de hem toekomende aanpassingssteun. Bovendien was een groot gedeelte van bedoelde steun bestemd voor een ander produkt dan suiker (namelijk suikerbieten).

Op 27 juli 1978 bracht de Commissie het met redenen omklede advies bedoeld in artikel 169, eerste alinea, EEG-Verdrag uit, waarin zij concludeerde dat „de Italiaanse Republiek, door op suiker uit de andere Lid-Staten een bijzondere belasting te heffen die binnenlandse en ingevoerde produkten volgens gelijke criteria treft, maar gebruikt wordt voor de financiering van steunmaatregelen die wel de binnenlandse en niet de ingevoerde suiker ten goede komen, zodat de fiscale lasten op binnenlandse suiker gedeeltelijk geneutraliseerd worden, de krachtens artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen”. Terzelfdertijd nodigde zij de Italiaanse Republiek uit binnen een termijn van drie maanden de discriminatie tussen binnenlandse en uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten op te heffen.

In haar brief van 12 februari 1979 gaf de Italiaanse regering als haar mening te kennen, dat de uitlegging van de Commissie van de eerste alinea van artikel 95 EEG-Verdrag te ruim was en niet strookte met de geest van deze bepaling. Zij wees erop, dat bij een wijziging van de vastgestelde regeling ook de voordelen daarvan en met name de stipte uitkering van de aanpassingssteun zouden verdwijnen zonder dat daar enig gunstig gevolg zou uit voortvloeien.

Bij verzoekschrift, ingediend op 2 mei 1979, heeft de Commissie overeenkomstig artikel 169, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld bij het Hof van Justitie.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

II — Conclusies van partijen

Verzoekster concludeert dat het den Hove behage:

te verklaren dat de Italiaanse Republiek, door op in het binnenland geproduceerde en uit andere Lid-Staten ingevoerde suiker een ongelijke belasting te heffen, de krachtens artikel 95 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

verweerster in de kosten te verwijzen.

Verweerster concludeert dat het den Hove behage:

het beroep niet ontvankelijk en subsidiair ongegrond te verklaren;

verzoekster in de kosten te verwijzen.

III — Middelen en argumenten van partijen

De ontvankelijkheid

Verweerster betoogt dat de inbreuk die de Commissie haar verwijt, verband houdt met de financiering van steunmaatregelen. Deze inbreuk moet mitsdien worden onderzocht volgens de procedure bedoeld in artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag (arrest van 25 juni 1970, zaak 47/69, Frankrijk t. Commissie, Jurispr. 1970, blz. 487).

Dit beginsel geldt ook voor de beweerde schending van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag indien de binnenlandse heffing niet op zich als discriminerend wordt beschouwd, maar slechts voor zover zij dient voor de financiering van steun aan binnenlandse en niet aan ingevoerde produkten. Het beroep is mitsdien voorbarig en niet ontvankelijk.

Bovendien heeft de Commissie inmiddels de procedure van artikel 93, lid 2, ingeleid met het oog op een onderzoek van de gehele steunregeling in de sector suiker. Aangezien zij deze procedure heeft gekozen, kan zij niet tegelijkertijd een beroep krachtens artikel 169 instellen zonder het beginsel „ne bis in idem” te schenden.

In haar repliek betwist verzoekster de stelling, dat enkel in het kader van de procedure bedoeld in artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag, mag worden nagegaan of de financiering van een steunmaatregel geoorloofd is. Indien de financieringswijze van een steunmaatregel andere bepalingen van het EEG-Verdrag dan artikel 92 schendt, is de procedure van artikel 169 EEG-Verdrag toepasselijk en het feit dat deze inbreuk op een andere bepaling van het gemeenschapsrecht dan artikel 92 betrekking heeft op een onderdeel van een steunregeling, heeft geen invloed op de bevoegdheid van de Commissie deze inbreuk overeenkomstig artikel 169 te vervolgen.

Verzoekster baseert zich op de rechtspraak van het Hof (arrest van 22 maart 1977, zaak 74/76, Ianelli en Volpi, Jurispr. 1977, blz. 576; arrest van 13 maart 1979, zaak 91/78, Hansen, Jurispr. 1979, blz. 935; arrest van 26 juni 1979, zaak 177/78, Pigs and Bacon Commission, ibid. blz. 2161) en leidt daaruit twee gevolgtrekkingen af. De eerste luidt, dat indien de Commissie de nationale maatregelen in het kader van een procedure krachtens artikel 93, EEG-Verdrag zou bezien, zij een steunregeling die andere verdragsbepalingen of andere bepalingen van afgeleid recht schendt, niet verenigbaar met de gemeenschappelijke kan verklaren. De tweede luidt, dat een dergelijke maatregel zowel in het kader van een procedure bedoeld in artikel 93 EEG-Verdrag, als in het kader van een procedure krachtens artikel 169 kan worden onderzocht. Immers, aangezien de nationale maatregel onder de toepassing van andere bepalingen dan artikel 92 EEG-Verdrag valt, handelt een Lid-Staat die deze bepalingen schendt, al aanstonds onrechtmatig; zelfs indien deze Lid-Staat de eventueel door de Commissie krachtens artikel 93, lid 2, eerste alinea, vastgestelde beslissing opvolgt, verdwijnt de daaraan voorafgegane onrechtmatige gedraging niet. De procedure van artikel 169 kan in een dergelijk geval het passende middel zijn om de inbreuk te onderzoeken.

Daarom en aangezien men staat voor een steunregeling die andere bepalingen van het Verdrag of van het gemeenschapsrecht schendt, mist de bewering dat beide procedures elkaar wederzijds uitsluiten, elke grond. In casu worden met de beide door de Commissie ingeleide procedures verschillende doelstellingen nagestreefd. Met de procedure krachtens artikel 169 EEG-Verdrag beoogt de Commissie de „sovraprezzo” enkel voor zover hij een inbreuk vormt op artikel 95 EEG-Verdrag, te doen verdwijnen, terwijl zij zich met de procedure van artikel 93 de mogelijkheid voorbehoudt zich uit te spreken over de verenigbaarheid van de financieringswijze (voor zover deze geen schending vormt van artikel 95 EEG-Verdrag) met de bepalingen van artikel 92, om na te gaan of de zijdelingse steun die uit de financieringswijze kan ontstaan, verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt (arrest van 25 juni 1970, zaak 47/69; Frankrijk t. Commissie, Jurispr. 1970, blz. 495, r. o. II-13, 16 en 17).

In haar dupliek betoogt verweerster dat in casu, wegens de overbrekelijke band tussen bepaalde kenmerken van de steunmaatregel (met name de financieringswijze ervan) en zijn doelstelling, de steunmaatregel „in zijn geheel” volgens de procedure van artikel 93 EEG-Verdrag moet worden bezien (arrest van 22 maart 1977, zaak 74/76, lancili en Volpi, Jurispr. 1977, blz. 576).

De „sovraprezzo” is immers gedacht als een integrerend deel van de door de interministeriële prijzencommissie vastgestelde maximumprijs: hij moet worden opgeteld bij de interventieprijs voor Italië, de bijkomende lasten en de kosten in de verschillende distributiestadia.

Volgens verweerster moet de hoogte van de „sovraprezzo” voor ingevoerde suiker gelijk zijn aan die voor binnenlandse suiker. Een eventuele vermindering van de „sovraprezzo” voor ingevoerde suiker komt in de praktijk neer op een niet-toegelaten steun ten gunste van deze suiker.

Verweerster betwist dat met de procedure van artikel 169 en met die van artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag in casu verschillende doelstellingen worden nagestreefd. In werkelijkheid heeft de procedure, ingeleid krachtens artikel 93, lid 2, betrekking op „het geheel van de steunmaatregelen toegekend aan de verkopers van tot suiker verwerkte suikerbieten en aan de suikerfabrikanten”, dat wil zeggen het geheel van de steunmaatregelen die „wegens hun financiering” als onverenigbaar met het EEG-Verdrag worden bestempeld (zie brief van de Commissie van 23 maart 1979, nr. 3552, blz. 5). Deze procedure heeft dus betrekking op het geheel van de steunmaatregelen die vanuit het oogpunt van hun financiering worden bezien, en niet, zoals verzoekster thans betoogt, op „het overige gedeelte voor zover dit geen inbreuk vormt op artikel 95”.

Ten gronde

Verzoekster meent dat de Italiaanse Republiek, door op uit andere Lid-Staten afkomstige suiker een binnenlandse belasting te leggen die ingevoerde produkten systematisch en op grond van gelijke criteria treft, maar bestemd is voor de financiering van steunmaatregelen ten gunste van uitsluitend binnenlandse produkten en niet van ingevoerde suiker — waardoor de op nationale produkten wegende financiële lasten gedeeltelijk worden geneutraliseerd —, de krachtens artikel 95 EEG-Verdrag op haar rustende verplichting niet is nagekomen.

Het CIP-besluit nr. 1195 van 1968 dankt volgens verzoekster zijn ontstaan aan de gemeenschapsregeling en met name aan basisverordening nr. 1009/67 en de verordeningen nrs. 430/68 en 432/68 (PB L 89 van 1968, blz. 2 en 4), waarbij de prijzen voor het verkoopseizoen 1968-1969 zijn vastgesteld. Kennisnemend van deze regeling, is de CIP uitgegaan van de voor Italië vastgestelde afgeleide interventieprijs en heeft daarop de „sovra-prezzo” van LIT 23 per kg gelegd. Het CIP-besluit nr. 1195 van 1968, waarbij de „sovraprezzo” van LIT 23 per kg is vastgesteld, vormt volgens verzoekster het instrument voor de toekenning aan de suikerindustrie en aan de suikerbietenproducenten van de in artikel 34 van verordening nr. 1009/67 bedoelde steun. Dit is bevestigd door de Italiaanse Raad van State in zijn beslissing nr. 433 van 26 mei 1970.

Met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de steunregeling moet worden opgemerkt dat elke suikerfabrikant het bedrag van de „sovraprezzo” overmaakt na aftrek van de steun waarop hij recht heeft, terwijl het bedrag van de aan suikerbietenproducenten toekomende steun wordt verrekend en overgemaakt door de suikerfabrikant en niet door de vereveningskas.

Dat de „sovraprezzo” een bijzondere binnenlandse belasting vormt, wordt niet betwist. Bovendien is onbetwistbaar dat deze binnenlandse heffing uit andere Lid-Staten afkomstige suiker zwaarder treft dan de binnenlandse produktie.

Voor het verkoopseizoen 1974-1975 bedroeg de „sovraprezzo” op ingevoerde suiker LIT 24 per kg en op suiker van de nationale produktie slechts LIT 12,3054 per kg, zulks ingevolge het feit dat krachtens de regeling „aan de verwerkende industrie overeenkomstig artikel 34 van verordening nr. 1009/67 een steun wordt toegekend van LIT 1169,46 per 100 kg in Italië geproduceerde witte suiker tot een maximum hoeveelheid die niet groter is of niet als groter wordt beschouwd dan het basisproduktiequotum” (artikel 5, sub b, van CIP-besluit nr. 27/1974).

Een zelfde ongelijke fiscale behandeling tussen nationale en ingevoerde produkten treft men tijdens het op voornoemd verkoopseizoen volgende tijdvak ook aan in de regeling vastgesteld ter financiering van de bij artikel 38 van verordening nr. 3330/74 toegelaten aanpassingssteun.

Bovendien nam daarbij de voorheen bestaande discriminatie nog scherpere vormen aan, want de opbrengst van de „sovraprezzo” werd nu tijdens elk verkoopseizoen gebruikt voor de financiering van niet in de gemeenschapsregeling toegelaten steunmaatregelen ten gunste van nationale suiker.

Verzoekster betwist vervolgens de argumenten die de Italiaanse regering tijdens de administratieve procedure naar voren heeft gebracht.

Volgens de Italiaanse regering zouden de bijzondere maatregelen bedoeld in artikel 34 van verordening nr. 1009/67, niet vallen in de categorie „steunmaatregelen” bedoeld in artikel 92 en volgende EEG-Verdrag, maar „dragen zij veeleer het karakter van een mechanisme dat de verevening van de hogere Italiaanse produktiekosten moeten verzekeren en dat de instelling van een gemeenschappelijke marktordening die berust op gemeenschappelijke criteria en op eenvormige berekeningswijzen in de zin van artikel 40 EEG-Verdrag, mogelijk moet maken”.

In werkelijkheid vallen de bepalingen van artikel 34 van verordening nr. 1009/67 en artikel 38 van verordening nr. 3330/74 onder het begrip „steunmaatregelen van de staten” bedoeld in de artikelen 92 en 93 EEG-Verdrag. Dat blijkt uit de tekst van artikel 41 van verordening nr. 3330/74, waar uitdrukkelijk wordt gezegd dat in de verordening bepalingen voorkomen die afwijken van de artikelen 92 en 94 EEG-Verdrag. Het Hof zelf heeft die voorzieningen trouwens reeds ingedeeld in de categorie ”steunmaatregelen (arresten van 25 mei 1977, zaak 77/76, Cucchi, en zaak 105/76, Intcrzuccheri SpA, Jurispr. 1977, blz. 987 en 1029.

De Commissie betwist eveneens de opvatting, dat de „sovraprezzo” door de Italiaanse verbruiker en niet door de producent of de importeur wordt gedragen.

De Commissie meent immers dat de „passieve belastingplichtige” degene is die beantwoordt aan de criteria van de fiscale wetgeving en die daardoor rechtstreeks de debiteur wordt van de fiscus. In casu zijn enkel de suikerfabrikanten en importeurs de passieve belastingplichtigen.

De Commissie wijst eveneens de bewering van de Italiaanse regering af, dat er geen nauwe band bestaat tussen „de vervroegde betaling van de ‚sovraprezzo’ door de fabrikant (namens de verbruiker) en de uitkering van de aan dezelfde fabrikant verschuldigde aanpassingssteun, mede op grond dat een groot gedeelte van deze aanpassingssteun bestemd is voor een ander produkt dan suiker (namelijk suikerbieten)”.

Ervan uitgaande dat het gedeelte van de aanpassingssteun bestemd voor de suikerbietenproducenten, in het kader van het onderhavige geding buiten beschouwing is gelaten, merkt verzoekster op dat de vervroegde betaling door de producent in eigen naam en voor eigen rekening geschiedt (want tussen deze producent en de verbruiker bestaat geen rechtens significante verhouding) en dat het wel degelijk gaat om een „vervroegde betaling”, want het bedrag van de „sovraprezzo” wordt berekend over de hoeveelheid geproduceerde (of geïmporteerde) suiker, zodat een verevening met de op de markt gebrachte hoeveelheid noodzakelijk is. De opwerping van de Italiaanse regering dat tussen de betaling van de „sovraprezzo” en de uitkering van de aanpassingssteun geen enkele band bestaat, mist mitsdien elke grond.

Zowel uit de CIP-besluiten betreffende de verschillende verkoopseizoenen voor suiker als uit circulaires van de vereveningskas voor suiker blijkt, dat de fabrikant aan de kas een „sovraprezzo” betaalt waarvan de hem toekomende steun reeds is afgetrokken. Aangezien de „sovraprezzo” een schuld van de fabrikant jegens de vereveningskas vormt en de steun een schuldvordering van dezelfde fabrikant op deze kas, worden schuld en schuldvordering gecompenseerd (onverminderd evenwel de op de fabrikant rustende verplichting, aan de suikerbietenproducenten het hun toekomende gedeelte van de steun te betalen).

Ten slotte zou volgens de Italiaanse regering de „sovraprezzo” niet onverenigbaar zijn met artikel 95 EEG-Verdrag, omdat het geïnde bedrag en de wijze van inning voor nationale en ingevoerde produkten gelijk zouden zijn.

De gelijkheid van de belasting is evenwel maar schijn wanneer de heffing op nationale produkten niet in haar geheel moet worden betaald, maar verminderd wordt met een bedrag dat overeenstemt met de voor dit produkt toegekende steun.

Verweerster betoogt dat volgens de stelling van verzoekster de discriminatie in het bedrag van de aan nationale suiker toegekende steun schuilt. Deze steun is evenwel toegelaten krachtens artikel 38 van verordening nr. 3330/74. De steun aan de Italiaanse produktie kan dan ook niet anders dan een constant nettoverschil ten gunste van deze sector opleveren. Om aan te tonen dat voor nationale produkten een gunstiger belastingregeling geldt, mag dan ook het bedrag van de binnen de toegelaten grenzen toegekende steun logischerwijze niet worden afgetrokken van de „sovraprezzo” op binnenlandse suiker.

Volgens verweerster heeft de financieringswijze van de steun aan nationale suiker geen enkele protectionistische werking die verder reikt dan de steun zelf.

De relatieve positie van ingevoerde en nationale suiker zou in vergelijking met de huidige toestand geen wijziging ondergaan indien de „sovraprezzo” onder dezelfde voorwaarden voor beide produkten gehandhaafd bleef, doch de steun werd gefinancierd door middelen uit de staatsbegroting. Hieruit blijkt dat de financieringsregeling voor steun aan nationale suiker geen enkel protectionistisch of voor ingevoerde suiker nadelig effect heeft.

Verweerster erkent dat de „sovraprezzo” een binnenlandse belasting vormt in de zin van artikel 95 EEG-Verdrag. Vanuit de interne rechtsorde bezien, vormt de „sovraprezzo” evenwel een maatregel ter verevening van de hoge kosten: hij is in de prijs van het produkt begrepen en wordt uiteindelijk door de verbruiker gedragen.

Verzoekster beweert dat de opbrengst van de „sovraprezzo” is aangewend voor niet door de gemeenschapsregeling toegelaten steunmaatregelen. Verweerster merkt op dat dit vraagstuk het onderwerp vormt van andere procedures, met name van zaak 72/79 en van de procedure die is ingeleid ingevolge artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag.

Om aan te tonen dat tussen de „sovraprezzo” en de steunmaatregel een nauwe band bestaat, heeft verzoekster een beschrijving gegeven van de regeling voor inning van de belasting en de uitkering van de steun die op dit ogenblik zelfs niet meer van kracht is. Volgens verweerster geldt thans de navolgende regeling voor de betaling van de belasting.

Uit het CIP-besluit nr. 24 van 1 oktober 1976, punt 5, sub c (GURI nr. 264 van, 4 oktober 1976), blijkt dat de fabrikanten de „sovraprezzo” dienen te betalen voor de hoeveelheden suiker „ ... die voor 1 december 1976 uit de fiduciaire pakhuizen zijn weggehaald”, berekend tegen de dagkoers van de 15e van de maand volgende op de maand waarin de produkten zijn weggehaald.

Op basis van de voorlopige produktie — en behoudens verevening — betaalt de vereveningskas voor suiker uiterlijk op 20 december 1976 aan de suikerfabrikanten het gehele bedrag van de steun bestemd voor de suikerbietenproducenten en voor de verwerkende industrie (deze laatste dient vervolgens aan de suikerbietenproducenten uiterlijk op 31 december het hun toekomende gedeelte van de steun uit te keren).

De kas past vervolgens gedeeltelijke compensatie toe tussen het bedrag van de „sovraprezzo”, dat is betaald over de vóór 30 november 1976 op de markt gebrachte hoeveelheid suiker, en het bedrag van de steun. Het over de gehele verwachte produktie berekende steunbedrag is immers — behoudens verevening — noodzakelijk hoger dan het bedrag van de „sovraprezzo” geheven op de hoeveelheid suiker die uiterlijk in de loop van november op de markt is gebracht. Bovendien gaat het slechts om gedeeltelijke compensatie, want daarbij wordt enkel rekening gehouden met het gedeelte van de steun toegekend aan de verwerkende industrie, en niet met het voor de suikerbietenproducenten bestemde gedeelte.

De vereveningskas betaalt vóór 20 december het gedeelte van de steun dat buiten de compensatie blijft, met behulp van middelen die over het algemeen uit bankvoorschotten worden geput.

Over de hoeveelheden suiker die na december op de markt worden gebracht, dienen de suikerfabrikanten vervolgens vóór de 15e van de maand volgende op die waarin de waar de pakhuizen heeft verlaten, het gehele bedrag van de „sovraprezzo” te betalen.

Uit deze opmerkingen blijkt dat de vereveningskas uiterlijk op 20 december de aan de suikerfabrikanten toekomende steun integraal uitkeert (en tevens de gehele voor de suikerbietenproducenten bestemde steun betaalt), terwijl zij een gedeelte van de „sovraprezzo” (met name op de hoeveelheid na december op de markt gebrachte suiker) eerst later int.

In repliek betoogt verzoekster dat zij geenszins de opheffing van een door de Raad toegelaten steunmaatregel verlangt, maar enkel dat deze steun niet wordt gefinancierd door middel van heffingen die uitsluitend of gedeeltelijk ingevoerde produkten treffen.

De door verweerster aangevoerde argumenten kunnen in wezen worden teruggebracht tot de bewering, dat de bedoeling van een steunmaatregel de voor de financiering ervan gebruikte middelen rechtvaardigt.

Volgens verzoekster vindt haar opvatting steun in een vaste rechtspraak van het Hof. Zij herinnert er te dezen aan, dat het Hof in de arresten van 25 mei 1977 (zaken 77/76, Cucchi, en 105/76, Interzuccheri, reeds aangehaald) met betrekking tot de hier bedoelde steunregeling heeft overwogen dat:

„de in artikel 38 van verordening nr. 3330/74 vervatte machtiging tot steunverlening niet in die zin is te verstaan dat, ongeacht aard en modaliteiten, iedere wijze van financiering dier steunverlenig met het gemeenschapsrecht verenigbaar zou zijn;

dat de nationale gezagsorganen bij de financiering der verleende steun met name gehouden blijven tot nakoming van de verplichtingen die niet alleen uit het Verdrag, doch ook uit de overige bepalingen van verordening nr. 3330/74 voortvloeien”.

De door de Gemeenschap aan de Italiaanse staat gegeven machtiging heeft betrekking op de toekenning van steun aan nationale suikerfabrikanten en niet op het instellen van een discriminatoire belasting op ingevoerde produkten; hiervoor immers kan geen machtiging worden verleend, aangezien van het normatieve gedeelte van artikel 95 EEG-Verdrag geen afwijking mogelijk is. Verweerster heeft mitsdien in casu de doelstelling miskend van artikel 95, dat ertoe strekt elke fiscale discriminatie tussen binnenlandse en ingevoerde produkten van de Lid-Staten te voorkomen, zulks met het oog op de verwezenlijking van twee fundamentele doelstellingen van het EEG-Verdrag: de neutraliteit van de belastingen en de opheffing van belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen.

Verzoekster meent dat de bewering van verweerster, dat slechts een gedeeltelijke compensatie wordt toegepast tussen de „sovraprezzo” over op een bepaalde datum op de markt gebrachte hoeveelheden en het bedrag van de steun, niets verandert aan het feit dat deze belasting daadwerkelijk minder zwaar drukt op Italiaanse produkten. Het doet evenmin terzake of de compensatie tegelijkertijd of achteraf plaats heeft (arrest van 22 maart 1977, zaak 74/76, Ianèlli en Volpi, reeds aangehaald).

In haar dupliek betoogt verweerster, dat de hypothese van een wijziging in de financieringsregeling — namelijk handhaving van de „sovraprezzo” op hetzelfde bedrag, doch financiering van de steun met staatsmiddelen — juist aantoont dat het verwijt van schending van artikel 95 geen steek houdt. Immers een dergelijke wijziging in de financieringsregeling zou de positie van ingevoerde suiker wijzigen noch baten. Aangezien hieruit voor de ingevoerde suiker geen voordeel ontstaat, is ook aangetoond dat de bestaande regeling geen benadeling inhoudt en dat mitsdien van schending van artikel 95 geen sprake is.

Verweerster meent verder dat de arresten in de zaken 77/76 en 105/76 (Cucchi en Interzuccheri, reeds aangehaald), waarin enkel algemene beginselen worden bevestigd, geen bewijs inhouden dat in casu een fiscale discriminatie bestaat.

Verweerster blijft erbij dat de toegekende steun binnen de toegelaten kwantitatieve en financiële maxima blijft en dat de toekenning ervan niet afhangt van de betaling van de „sovraprezzo” op suiker noch van de daadwerkelijke opbrengst van die belasting.

IV — Mondelinge behandeling

Partijen zijn ter terechtzitting van 23 januari 1980 in hun pleidooien gehoord.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 24 januari 1980 conclusie genomen.

In rechte

1.

Bij verzoekschrift ingeschreven ter griffie op 2 mei 1979, heeft de Commissie krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof gevraagd vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door op in het binnenland geproduceerde en uit andere Lid-Staten ingevoerde suiker een bijzondere, niet eenvormige belasting te heffen, de krachtens artikel 95 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

2.

Blijkens het dossier is de als „sovraprezzo” aangeduide nationale belasting die het onderwerp vormt van het onderhavige geding, een belasting op in Italië op de markt gebrachte witte suiker. Zij bestaat uit een heffing per kg netto witte suiker ongeacht de soort en de kwaliteit, waarvan het bedrag voor in het binnenland geproduceerde en voor uit de andere Lid-Staten afkomstige suiker geliijk is. De belasting moet worden betaald aan de vereveningskas voor suiker, een openbare instelling die belast is met de vereveningsverrichtingen in verband met de inpassing van de Italiaanse suikersector in de sinds 1968 functionerende gemeenschappelijke ordening van de suikermarkt. De opbrengst van de „sovraprezzo” is hoofdzakelijk bestemd voor de financiering van de aanpassingssteun die overeenkomstig de desbetreffende gemeenschapsregeling aan de Italiaanse suikerindustrie en suikerbietenproducenten wordt verleend. De toekenning van deze aanpassingssteun berust thans op artikel 38 van verordening nr. 3330/74 van de Raad van 19 december 1974 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB L 359 van 1974, blz. 1).

3.

De Commissie meent dat de „sovraprezzo” strijdig is met artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag, voor zover deze belasting bestemd is voor de financiering van steun die uitsluitend aan nationale produkten en niet aan uit andere Lid-Staten afkomstige produkten ten goede komt. Ofschoon de belasting volgens dezelfde criteria op nationale en op ingevoerde suiker drukt, wordt de fiscale last op nationale suiker gedeeltelijk geneutraliseerd door de toekenning van de daarmee gefinancierde steun. Deze neutralisering treedt nog duidelijker aan de dag doordat de in Italië gevestige suikerfabrikanten de hun toekomende steun kunnen aftrekken van het bedrag van de te betalen „sovraprezzo”.

4.

De Italiaanse regering erkent dat de opbrengst van de „sovraprezzo” hoofdzakelijk, doch niet uitsluitend is bestemd voor de financiering van de bij de gemeenschapsregeling toegestane aanpassingssteun, maar preciseert dat sinds 1976 de door de vereveningskas toegepaste compensatie tussen het bedrag van de belasting en het bedrag van de steun aan de Italiaanse fabrikanten slechts een gedeeltelijke compensatie is.

5.

De Italiaanse regering voert aan dat het beroep niet ontvankelijk is, en betwist bovendien dat de ingestelde regeling onverenigbaar is met artikel 95 EEG-Verdrag.

De ontvankelijkheid

6.

Na eraan te hebben herinnerd dat de „sovraprezzo” op eenvormige wijze op nationale en ingevoerde produkten wordt toegepast, stelt de Italiaanse regering vast dat de Commissie de binnenlandse belasting niet als fiscaal discriminerend beschouwt, maar enkel voor zover zij dient ter financiering van de nationale produktie. Volgens de Italiaanse regering kan een onderzoek naar de rechtmatigheid van de financiering van een steunregeling enkel binnen het kader van de daartoe bestemde, bijzondere procedure van artikel 93 EEG-Verdrag geschieden. Volgens de rechtspraak van het Hof, met name het arrest van 25 juni 1970 (zaak 47/69, Frankrijk t. Commissie, Jurispr. 1970, blz. 487), zou de financiering van een steunmaatregel niet los van het onderzoek van de maatregel zelf kunnen worden bezien. Dientengevolge zouden de door de Commissie bedoelde nationale maatregelen niet kunnen worden onderzocht in het kader van een beroep krachtens artikel 169 EEG-Verdrag, maar enkel overeenkomstig de procedure van artikel 93 EEG-Verdrag.

7.

De Italiaanse regering voert verder nog aan, dat de Commissie de procedure van artikel 93 reeds heeft ingeleid met het oog op een onderzoek van de financieringsregeling voor het geheel van de aan suikerbietenproducenten en suikerfabrikanten toegekende steunmaatregelen en dat deze procedure ook betrekking heeft op de financiering van de aanpassingssteun door middel van de „sovraprezzo”. Deze procedure zou kunnen leiden tot wijziging of opheffing van de huidige financieringsregeling, waardoor het beroep krachtens artikel 169 zijn belang zou verliezen; dit beroep zou mitsdien niet ontvankelijk zijn.

8.

Het eerste middel betreffende de niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Uit een vergelijking tussen enerzijds de artikelen 92 en 93 EEG-Verdrag en anderzijds artikel 95, eerste alinea, blijkt dat deze bepalingen een zelfde doel nastreven, dat er met name in bestaat te verhinderen dat de beide vormen van interventie door een Lid-Staat — te weten de toekenning van steun enerzijds en het opleggen van een discriminatoire belasting anderzijds — zouden leiden tot vervalsing van de mededingingsvoorwaarden op de gemeenschappelijke markt. In een vergelijkbaar geval heeft het Hof in zijn arrest van 13 maart 1979 (zaak 91/78, Hansen, Jurispr. 1979, blz. 935) evenwel gepreciseerd, dat voor deze bepalingen verschillende toepassingsvoorwaarden gelden die specifiek zijn voor elk van de beide vormen van overheidsmaatregelen die zij beogen te regelen, en dat zij bovendien uiteenlopende rechtsgevolgen hebben, vooral omdat de toepassing van de artikelen 92 en 93, anders dan die van artikel 95, eerste alinea, veel ruimte laat voor een ingrijpen van de Commissie.

9.

Deze bevindingen nemen evenwel niet weg, dat een maatregel getroffen door middel van een discriminatoire belasting en die tevens als een onderdeel van een steunmaatregel in de zin van artikel 92 is te beschouwen, tegelijkertijd onder de bepalingen van artikel 95, eerste alinea, en onder die betreffende de steunmaatregelen van de staten valt. Hieruit volgt dat fiscaal discriminerende praktijken niet deswege aan de werking van artikel 95 EEG-Verdrag zijn onttrokken, omdat zij tevens als financieringswijze van een steunmaatregel kunnen worden aangemerkt en mitsdien het onderwerp kunnen vormen van een afzonderlijke procedure krachtens artikel 169, EEG-Verdrag.

10.

Gelet hierop moet het tweede middel betreffende de niet-ontvankelijkheid eveneens worden verworpen. Wanneer de Commissie een Lid-Staat praktijken verwijt die een schending vormen van artikel 95, en uit hoofde daarvan de procedure van artikel 169 inleidt, verliest deze procedure niet haar belang door het feit dat de Commissie, van oordeel dat diezelfde praktijken een onderdeel vormen van een met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steunregeling, de in de artikelen 92 en 93 bedoelde procedure inleidt.

11.

Overigens moet worden opgemerkt dat de procedure bedoeld in de artikelen 92 en 93, de Commissie — en onder bepaalde voorwaarden de Raad — weliswaar een ruime beoordelingsvrijheid laat bij het onderzoek naar de verenigbaarheid van een steunregeling van een Lid-Staat met de vereisten van de gemeenschappelijke markt, maar dat uit de algemene structuur van het Verdrag blijkt dat deze procedure nooit mag leiden tot een resultaat dat strijdig zou zijn met de specifieke bepalingen in het Verdrag, bij voorbeeld betreffende binnenlandse belastingen. Zo het Hof grond zou vinden om de toepassing van de „sovraprezzo” strijdig met de bepalingen van artikel 95 te verklaren, mag mitsdien de door de Commissie krachtens de artikelen 92 en 93 ingeleide procedure niet leiden tot een handhaving van deze heffing in zijn huidige vorm. Dientengevolge kan een krachtens artikel 169 tegen een Lid-Staat ingesteld beroep geen afbreuk doen aan het belang dat deze Lid-Staat kan hebben bij de handhaving van een steunregeling die na een krachtens de artikelen 92 en 93 ingeleide procedure verenigbaar is verklaard met de vereisten van de gemeenschappelijke markt.

Schending van artikel 95 EEG-Verdrag

12.

Ingevolge artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag is het de Lid-Staten verboden, op produkten van de overige Lid-Staten, al dan niet rechtstreeks, hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook te heffen, dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale produkten worden geheven.

13.

De Italiaanse regering betoogt vooreerst, dat de „sovraprezzo” in Italië geproduceerde en geïmporteerde suiker op gelijke wijze treft en dat de door de Commissie aangevoerde discriminatie in het bedrag van de aan nationale suiker toegekende steun schuilt. Deze steun zou evenwel zijn toegestaan krachtens artikel 38 van verordening nr. 3330/74; hij zou tot doel hebben de economische achterstand van de Italiaanse suikersector ten opzichte van die van de andere Lid-Staten goed te maken, teneinde te komen tot een volledige inpassing van de Italiaanse suikersector in de economie van de Gemeenschap. De bedoelde steun zou mitsdien een duidelijk en constant verschil ten voordele van de Italiaanse suiker moeten opleveren.

14.

Te dezen moet eraan worden herinnerd, dat het Hof in zijn arrest van 25 mei 1977 (zaak 105/78, Interzuccheri, Jurispr. 1977, blz. 1029) reeds heeft overwogen dat de machtiging van artikel 38 van verordening nr. 3330/74 om de daarin voorziene steun toe te kennen, niet in die zin is te verstaan, dat ongeacht aard en modaliteiten iedere wijze van financiering dier steunverlening met het gemeenschapsrecht verenigbaar zou zijn en dat de nationale gezagsorganen bij de financiering der verleende steun met name gehouden blijven tot nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag.

15.

De „sovraprezzo” is inderdaad een belasting die nationale en ingevoerde produkten volgens gelijke criteria treft. Er kan evenwel aanleiding bestaan, bij de uitlegging van de term „binnenlandse belastingen” in de zin van artikel 95 rekening te houden met de bestemming van de opbrengst van de belasting. Immers, wanneer de opbrengst van een dergelijke belasting bestemd is ter bekostiging van activiteiten die bijzonder de belaste nationale produkten ten goede komen, kan het resultaat zijn dat de volgens gelijke criteria geheven bijdrage toch een discriminatoire belasting vormt, voor zover de fiscale last op nationale produkten wordt geneutraliseerd door de voordelen ter financiering waarvan zij is ingesteld, terwijl die op ingevoerde produkten een nettobelasting vormt.

16.

Hieruit volgt dat een binnenlandse belasting produkten uit andere Lid-Staten onrechtstreeks zwaarder treft dan nationale produkten, wanneer deze belasting uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd is voor de financiering van steunmaatregelen die enkel de nationale produkten ten goede komen.

17.

Hiertegen brengt de Italiaanse regering in dat een dergelijke zienswijze tot een formalistische benadering van artikel 95 zou leiden. Haars inziens zou de Italiaanse Republiek de „sovraprezzo” immers in zijn huidige vorm kunnen handhaven, mits de opbrengst ervan in de Italiaanse schatkist wordt gestort en wordt opgenomen in de algemene begroting van de staat; de regering zou dan uit de begroting de middelen kunnen putten ter financiering van de bij artikel 38 van verordening nr. 3330/74 toegelaten steunmaatregelen. Maar ook in dat geval zouden de ingevoerde produkten in vergelijking met de huidige situatie geen enkel voordeel genieten, aangezien zij aan de „sovraprezzo” zouden blijven onderworpen zonder de aan de nationale produkten toegekende steun te genieten.

18.

Opgemerkt zij, dat de door de Italiaanse regering in het oog gevatte situatie niet vergelijkbaar is met die welke thans in geding is. Dit geding immers betreft de „sovraprezzo” als binnenlandse belasting die, ofschoon even hoog voor nationale en voor ingevoerde suiker, wordt aangewend voor de financiering van steunmaatregelen ten gunste van binnenlandse suiker. Zo de „sovraprezzo” niet een belasting ter financiering van steunmaatregelen ten gunste van de nationale produktie was, zou aan de vereisten voor de toepassing van artikel 95 niet zijn voldaan. In dat geval zou evenwel de toekenning van aanpassingssteun niet meer automatisch voortvloeien uit een vereveningsstelsel dat uitsluitend voor de sector van de produktie en import van suiker geldt, doch zou hij berusten op besluiten van de wetgever of de regering, waarbij de verschillende betrokken beroepsbelangen tegen elkaar waren afgewogen.

19.

Ten slotte wijst de Italiaanse regering erop, dat de „sovraprezzo” wordt geheven op de op de markt gebrachte suiker en dat de last die hij vertegenwoordigt, integrerend deel uitmaakt van de verkoopprijs van suiker. Naar haar mening vloeit hieruit voort, dat de betrokken belasting uiteindelijk dooide verbruiker van het produkt wordt gedragen en dat de suikerproducenten en -importeurs, wanneer zij de belasting voldoen, voor rekening van de verbruiker optreden.

20.

Gelijk de Commissie terecht opmerkt, wordt evenwel het rechtskarakter van de betrokken belasting niet gewijzigd doordat de eruit voortvloeiende financiële lasten op de verbruikers worden afgewenteld. De Italiaanse regering heeft overigens niet betwist, dat de „sovraprezzo” bij de suikerproducenten en -importeurs wordt geheven. Het argument van de Italiaanse regering, dat in Italië het bedrag van de „sovraprezzo” in de verkoopprijs van suiker, in de verschillende verhandelingsfasen, is begrepen, is voor de toepassing van artikel 95 EEG-Verdrag niet ter zake.

21.

Uit het voorgaande blijkt dat de door de Italiaanse regering naar voren gebrachte argumenten niet kunnen slagen.

22.

Mitsdien is de „sovraprezzo” te beschouwen als een belasting die, ofschoon volgens een zelfde tarief geheven op in Italië geproduceerde en uit andere Lid-Staten afkomstige suiker, niet op eenvormige wijze op deze produkten drukt, aangezien zij een ongelijke last legt op binnenlandse produkten, waaraan de heffing ten goede komt, en op ingevoerde produkten, die de last ervan dragen zonder de voordelen ervan te genieten.

23.

Derhalve moet worden vastgesteld, dat de Italiaanse Republiek, door op suiker een binnenlandse belasting te heffen waarvan de last ongelijk drukt op de in Italië geproduceerde en op uit andere landen geïmporteerde suiker, een krachtens artikel 95, EEG-Verdrag op haar rustende verplichting niet is nagekomen.

Kosten

24.

Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen voor zover zulks is gevorderd. Aangezien de verwerende partij in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende,verklaart:

1. Door op suiker een binnenlandse belasting te leggen waarvan de last ongelijk drukt op in Italië geproduceerde en op uit andere Lid-Staten ingevoerde suiker, is de Italiaanse Republiek een krachtens artikel 95 EEG-Verdrag op haar rustende verplichting niet nagekomen.

2. Verweerster wordt verwezen in de kosten van de procedure.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

11
EEG-Verdrag art. 9521 voorkomens
EEG-Verdrag art. 9311 voorkomens
verordening 3330/74 art. 3810 voorkomens
EEG-Verdrag art. 929 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1698 voorkomens
verordening 1009/67 art. 348 voorkomens
EEG-Verdrag art. 401 voorkomen
EEG-Verdrag art. 91 voorkomen
EEG-Verdrag art. 941 voorkomen
verordening 3330/74 art. 411 voorkomen
verordening 1110/77 art. 51 voorkomen

Rechtspraak

2

Europese Unie

2

Hof van JustitieC-347/9517.09.1997

Nationale heffing bij verkoop van zuivelproducten

Hof van JustitieC-28/9617.09.1997

Nationale heffing bij verkoop van vlees

Bekijk de 2 documenten

Rechtsleer

1
I.M.B.: Rassegna dell'avvocatura dello Stato 1980 I p.715-717