Arrest
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 11 maart 1986, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen dat de Helleense Republiek de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, door de financiële bijdragen voor de maand juni 1983 te laat op de rekening van de Commissie te boeken en door te weigeren, wegens deze vertraagde boeking de voorziene rente te betalen.
Artikel 10, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 2891/77 van de Raad van 19 december 1977 houdende toepassing van het besluit van 21 april 1970 betreffende de vervanging van de financiële bijdragen van de Lid-Staten door eigen middelen van de Gemeenschappen (PB 1977, L 336, biz. 1) luidt: „De BTW-middelen of, in voorkomend geval, de op het BNP gebaseerde financiële bijdragen worden... op de eerste werkdag van iedere maand voor een twaalfde van de uit dien hoofde uit de begroting voortvloeiende bedragen geboekt.”
Artikel 11 van deze verordening bepaalt: „Elke vertraging bij het boeken op de in artikel 9, lid 1, bedoelde rekening, verplicht de betrokken Lid-Staat tot het betalen van rente ten belope van de hoogste discontovoet die op de vervaldatum in de Lid-Staten wordt toegepast. Deze rente wordt met 0,25 punt per maand vertraging verhoogd. De aldus verhoogde rente geldt voor de gehele periode van de vertraging.”
Nadat het directoraatgeneraal Begrotingen van de Commissie had vastgesteld, dat de financiële bijdragen van de Helleense Republiek voor de maand juni 1983 niet op de eerste werkdag van die maand (1 juni) op de rekening van de Commissie waren geboekt, doch pas twee dagen later, op 3 juni, verzocht het de Helleense Republiek om rekening nr. 242174 „Commission of the European Communities — GAO” bij de Bank van Griekenland te crediteren met het krachtens artikel 11 van verordening nr. 2891/77 verschuldigde bedrag aan rente (1265542,18 DR).
De Griekse autoriteiten stelden daarop, dat de betrokken vertragingsrente niet verschuldigd was omdat de vertraging bij het boeken het gevolg was van een algemene staking van het bankpersoneel op 1 en 2 juni en deze staking als een geval van overmacht moest worden beschouwd. De Commissie kon zich hiermee niet verenigen en zond de Griekse regering eerst een ingebrekestelling en vervolgens een met redenen omkleed advies. Daar de regering verklaarde bij haar standpunt te blijven, heeft de Commissie zich met het onderhavige beroep tot het Hof gewend.
Voor de feiten en de argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dit noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De Commissie geeft toe, dat in geval van overmacht de vertraagde boeking van de financiële bijdragen voor de betrokken Lid-Staat niet tot gevolg heeft, dat hij de in artikel 11 van verordening nr. 2891/77 bedoelde vertragingsrente moet betalen. In het onderhavige geval zou echter de door de Griekse regering aangevoerde staking niet een buiten haar invloedssfeer liggende omstandigheid zijn geweest en zouden de gevolgen van de staking niet onvermijdbaar zijn geweest, daar het uitbreken ervan van te voren bekend of althans voorzienbaar was geweest.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof heeft het begrip overmacht, de bijzonderheden van de specifieke gebieden waarop het wordt gebruikt buiten beschouwing gelaten, in wezen betrekking op van buiten komende omstandigheden die de verwezenlijking van het betrokken feit onmogelijk maken. Ook al onderstelt het geen volstrekte onmogelijkheid, het dient wel te gaan om abnormale moeilijkheden die onafhankelijk zijn van de wil van de betrokkene en die ondanks alle dienstige voorzorgsmaatregelen onvermijdelijk blijken te zijn (aldus laatstelijk het arrest van 12 juli 1984, zaak 209/83, Valsabbia, Jurispr. 1984, blz. 3089).
Aan die voorwaarden is in casu niet voldaan. Uit het dossier blijkt immers, dat in ieder geval vanaf 25 mei in de pers stakingen van verschillende beroepsgroepen, waaronder het bankpersoneel, waren aangekondigd voor 26 en 27 mei. Op 29 mei berichtte de pers over een onverminderde actiebereidheid van de werknemers en meldde zij, dat de vakbonden voor 1 en 2 juni tot staking hadden opgeroepen. De staking, die inderdaad op deze dagen plaatshad, was derhalve voorzienbaar, zodat de vertraging bij het boeken van de betrokken financiële bijdragen had kunnen worden vermeden.
Zonder dat onderzocht behoeft te worden, of de Lid-Staten in geval van overmacht al dan niet zijn gehouden tot betaling van de in artikel 11 van verordening nr. 2891/77 bedoelde rente, moet derhalve worden vastgesteld, dat in casu de door de Griekse regering aangevoerde staking niet als een geval van overmacht kan worden beschouwd.
Mitsdien moet worden vastgesteld dat de Helleense Republiek, door de financiële bijdragen voor de maand juni 1983 te laat op de rekening van de Commissie te boeken en te weigeren de in artikel 11 van verordening nr. 2891/77 voor het geval van vertraging van de boeking voorziene rente te betalen, de krachtens het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Kosten
Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Helleense Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verklaart:
1) Door de financiële bijdragen voor de maand juni 1983 te laat op de rekening van de Commissie te boeken en te weigeren de in artikel 11 van verordening nr. 2891/77 voor het geval van vertraging van de boeking voorziene rente te betalen, is de Helleense Republiek de krachtens het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten van de procedure.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
3Rechtspraak
1Europese Unie
1Conclusie van de advocaat-generaalC-213/1909.09.2021