Arrest van het Hof van 14 december 1971, 7/71 · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Voltallige zitting 7/71 ECLI:EU:C:1971:121 14 december 1971

Zoeken

Arrest van het Hof van 14 december 1971, 7/71EEG-Verdrag art. 2 en art. 37

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-7-71-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Voltallige zitting
Zaak
7/71
ECLI
ECLI:EU:C:1971:121
Datum
14 december 1971

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Beroep wegens niet-nakoming gegrond
Zaak ingediend op
11 maart 1971
Advocaat-generaal
Roemer

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Frans
Jurisprudentie
Jurispr. 1971, blz. 1003
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Mertens de Wilmars
Repertorium van het Hof

Tekst

104 paragrafen

ARREST

Ten aanzien van de feiten

I — De feiten en het procesverloop

Overwegende dat de aan het geding ten grondslag liggende feiten en het procesverloop kunnen worden samengevat als volgt:

1. Ingevolge artikel 2, sub d), van het EGA-Verdrag moet de Gemeenschap „waken voor een regelmatige en billijke erts- en splijtstoffenvoorziening van alle gebruikers in de Gemeenschap”. Deze verplichting is nader geregeld in titel II, hoofdstuk VI (artikelen 52 tot en met 76), waar een gemeenschappelijke regeling wordt ingesteld voor de voorziening van ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen. De uitvoering is in handen gelegd van een Agentschap, „dat een optierecht heeft op ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen, voortgebracht op het grondgebied van de Lid-Staten, alsmede het uitsluitend recht heeft om contracten te sluiten voor de levering van ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen, herkomstig uit landen binnen of buiten de Gemeenschap” (artikel 52 EGA-Verdrag) en dat, na afweging van vraag en aanbod, aan de ontvangen bestellingen dient te voldoen en de leveringen zo nodig dient te verdelen (artikel 60). Het Verdrag regelt in de artikelen 57 tot en met 59 de uitoefening van het optierecht en in de artikelen 64 tot en met 66 de uitoefening van het uitsluitend recht van het Agentschap om contracten voor de levering van splijtstoffen uit derde landen te sluiten. Bovendien geeft het regelingen voor bepaalde wijzen van samenwerking tussen het Agentschap en de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten. Op grond van artikel 55 zijn de Lid-Staten verplicht aan het Agentschap alle inlichtingen te verstrekken of te doen verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van zijn optierecht en zijn uitsluitend recht om leveringscontracten te sluiten. Artikel 56 verplicht hen de vrije uitoefening van de functies van het Agentschap op hun grondgebied te waarborgen, en artikel 70, derde alinea, bepaalt dat de Lid-Staten zijn gehouden jaarlijks aan de Commissie een rapport toe te zenden over de ontwikkeling van de opsporing en winnig van delfstoffen, over de vermoedelijke reserves en over de op hun grondgebied verrichte of voorgenomen investeringen in de mijnbouw.

2. De auteurs van het Verdrag hebben voorzien in de mogelijkheid de door hen ingestelde regeling aan te passen of te wijzigen. Daartoe bepaalt artikel 76: „De bepalingen van dit hoofdstuk kunnen, met name ingeval door onvoorziene omstandigheden een toestand van algemene schaarste zou ontstaan, door de Raad met eenparigheid van stemmen worden gewijzigd op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de Vergadering; het initiatief daartoe kan van een Lid-Staat of van de Commissie uitgaan. De Commissie is gehouden ieder verzoek van een Lid-Staat in behandeling te nemen. Na verloop van zeven jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag kan de Raad deze bepalingen in hun geheel bevestigen. Bij gebreke van bevestiging worden nieuwe bepalingen met betrekking tot het onderwerp van dit hoofdstuk vastgesteld overeenkomstig de procedure, omschreven in de voorgaande alinea.” Bedoelde periode van zeven jaar liep af op 31 december 1964. Met het oog op deze afloopdatum diende de Commissie in de raadszitting van 28 november 1964 een voorstel tot wijziging van hoofdstuk VI in. Tijdens diezelfde zitting verklaarde de vertegenwoordiger van Frankrijk dat, wanneer de Raad niet voor eind 1965 een besluit zou nemen tot bevestiging van het gehele hoofdstuk VI, naar het oordeel van de Franse delegatie per 1 januari 1965 een toestand van grote rechtsonzekerheid zou ontstaan, waarvoor zo snel mogelijk in de loop van het jaar een regeling zou moeten worden getroffen.

3. Op 24 april 1969 gaf de Commissie in een brief aan het Franse Commissariaat voor Atoomenergie (CEA) met name het volgende te kennen: „Het is de Commissie gebleken dat het CEA rechtstreeks contracten heeft gesloten voor de invoer van 3555 kg tot 1,15 % verrijkt uranium van de Centrale te Kahl, van hoeveelheden plutonium uit Canada en van 116 kg plutonium van de ENEL, alsmede voor de levering van ongeveer 2000 kg tot 4,7 % verrijkt uranium aan het CNEN. De Commissie blijft op het standpunt staan dat hoofdstuk VI van het Euratom-Verdrag betreffende de voorziening nog steeds van kracht is. De Commissie stelt vast dat de rechtstreekse afsluiting van bovengenoemde contracten niet-nakoming oplevert van de verplichtingen, vervat in genoemd hoofdstuk VI, en met name van de artikelen 52 en 64, waarbij aan het Agentschap het uitsluitend recht wordt toegekend om contracten te sluiten voor de levering van splijtstoffen herkomstig van landen binnen of buiten de Gemeenschap, en van artikel 57 op grond waarvan het Agentschap een optierecht op deze stoffen heeft, alsmede van artikel 60 dat de gebruikers en producenten in de Gemeenschap verplicht hun behoeften respectievelijk aanbiedingen aan het Agentschap mede te delen.”

4. Het Commissariaat voor Atoomenergie antwoordde de Commissie op 30 mei 1969 dat het zich slechts hield „aan een op regeringsniveau vastgesteld en officieel aan de Euratom-instanties medegedeeld standpunt”. Op 5 januari 1970 gaf de Franse Regering, na een vermaning van de zijde van het Agentschap wegens een levering van splijtstoffen uit Groot-Brittannië, de Commissie nogmaals te kennen „dat de bepalingen van hoofdstuk VI van het Euratom-Verdrag volgens de bevoegde Franse autoriteiten op 31 december 1964 waren vervallen, nu de Raad van de Europese Gemeenschappen deze tot dusver niet overeenkomstig artikel 76 van dit Verdrag had bevestigd of gewijzigd”. De Commissie antwoordde de Franse Regering op 12 maart 1970 dat zij dit Franse standpunt niet deelde. Zij voegde daaraan toe dat de in artikel 70 voorgeschreven jaarlijkse rapporten haar niet meer werden toegezonden en dat behalve de in de brief van 24 april 1969 genoemde contracten ook nog een contract voor de invoer in Frankrijk van natuurlijk uranium uit Zuid-Afrika buiten het Agentschap om was gesloten. Van mening dat de Franse Republiek de krachtens het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet was nagekomen door de voorschriften van hoofdstuk VI niet in acht te nemen en het Commissariaat voor Atoomenergie uitdrukkelijk te gelasten zich niet in te laten met het Voorzieningsagentschap, besloot de Commissie met een verzoek aan de Franse Regering overeenkomstig artikel 141 van het Verdrag haar opmerkingen binnen 45 dagen in te dienen. De Franse Regering diende op 20 mei 1970 haar opmerkingen in, waarbij zij haar standpunt handhaafde en haar zienswijze over het vervallen van hoofdstuk VI uiteenzette. Bovendien betoogde zij dat het niet-toepassen dezer bepalingen door Frankrijk geen enkele praktische consequentie had: de toepassing door de andere Lid-Staten had van meet af aan een zuiver formeel karakter gehad, daar de meeste bepalingen niet waren aangepast aan de bestaande toestand. Terzijde gaf zij nog te kennen dat het contract met Zuid-Afrika een loonveredeling betrof en geen aankoop van splijtstoffen. Daar de opmerkingen van de Franse Regering de Commissie niet bevredigden, richtte zij op 14 oktober 1970 een met redenen omkleed advies tot de Franse Republiek met het verzoek de nodige maatregelen te nemen om het advies binnen 45 dagen op te volgen. Het advies maakte melding van de tevoren aangevoerde verzuimen, doch beperkte zich voor het contract met Zuid-Afrika tot het verwijt dat de Franse Regering dit niet bij het Agentschap had aangemeld. Toen de Franse Regering het advies niet opvolgde, stelde de Commissie op 10 maart 1971 beroep in bij het Hof. Het Hof heeft, op rapport van de Rechter-Rapporteur en gehoord de Advocaat-Generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Partijen zijn ter terechtzitting van 27 oktober 1971 in hun pleidooien gehoord. De Advocaat-Generaal heeft ter terechtzitting van 18 november 1971 conclusie genomen.

II — Conclusies van partijen

Overwegende dat verzoekster concludeert dat het den Hove behage:

„te verklaren dat de Franse Republiek de op haar rustende verplichtingen krachtens titel II, hoofdstuk VI, van het EGA-Verdrag, en met name de artikelen 55, 56, 57, 60, 64, 70 en 75, niet is nagekomen door voornoemde bepalingen niet in acht te nemen en zich tegen inachtneming hiervan door het Commissariaat voor Atoomenergie te verzetten, zulks met name doordat:

de Franse Regering heeft geweigerd na 1964 aan de Commissie jaarlijkse rapporten toe te zenden over de ontwikkeling van de opsporing en winning van delfstoffen, over de vermoedelijke reserves en over de op het Franse grondgebied verrichte of voorgenomen investeringen in de mijnbouw:

het Commissariaat voor Atoomenergie buiten het Agentschap om contracten heeft gesloten voor de invoer van 3555 kg tot 1,15 % verrijkt uranium van de Centrale te Kahl, van hoeveelheden plutonium uit Canada en van 116 kg plutonium van de Ente nazionale per l'elettricita (ENEL), alsmede voor de levering van ongeveer 2000 kg tot 4,7 % verrijkt uranium aan het Comitato nazionale per l'energia nucleare (CNEN);

het Commissariaat heeft geweigerd aan het Agentschap kennis te geven van het bestaan van een verbintenis tot opwerking van uit Zuid-Afrika ingevoerde stoffen, alsmede van de hoeveelheden materiaal die hiertoe worden overgedragen;

de Franse Republiek in de kosten te veroordelen.”

Overwegende dat verweerster concludeert dat het den Hove behage:

„— het beroep van de Commissie niet-ontvankelijk te verklaren, althans te verwerpen; — de Commissie in de kosten te veroordelen.”

III — Middelen en argumenten van partijen

Overwegende dat de middelen en argumenten van partijen kunnen worden samengevat als volgt:

A — Ten aanzien van de juistheid van de aangevoerde feiten

Verweerster betwist de juistheid van het eerstaangevoerde verzuim en stelt dat de in artikel 70 bedoelde inlichtingen die zij niet aan de Commissie zou hebben medegedeeld, telkenjare worden opgenomen in de rapporten van het Commissariaat voor Atoomenergie, welke aan de Commissie worden toegezonden.

Zij betwist niet dat de invoer-, uitvoeren opwerkingscontracten van het Commissariaat voor Atoomenergie buiten het Agentschap om waren gesloten.

Verzoekster repliceert dat de gegevens in de rapporten van het Commissariaat voor Atoomenergie niet alle verlangde inlichtingen bevatten.

B — Ten aanzien van het vervallen van hoofdstuk VI
1.

De Franse Republiek betoogt dat hoofdstuk VI, hetwelk zij niet in acht zou hebben genomen, was vervallen per 1 januari 1965 of althans na afloop van een redelijke termijn, binnen welke de in artikel 76 voorgeschreven procedure had moeten zijn afgesloten.

a) De uitlegging van artikel 76

De woorden „na verloop van zeven jaar” in artikel 76 laten ruimte voor drie interpretaties: het bevestigings- of wijzigings-besluit moet voor 31 december 1964 worden genomen, óf het moet uiterlijk op die datum worden genomen, óf het moet na die datum worden genomen, maar binnen een redelijk korte termijn omdat anders niet meer kan worden gesproken van „na verloop van zeven jaar”.

Volgens verweerster dient men zich aan de eerste interpretatie te houden, die bovendien in overeenstemming is met 's Hofs jurisprudentie, daar volgens arrest van 4 februari 1965 (zaak 20-64, Albatros, Jurisprudentie, Deel XI (1965) blz. 1) de soortgelijke woorden „aan het einde van de overgangsperiode” zouden betekenen „uiterlijk aan het einde van de overgangsperiode”.

Maar zelfs bij een ruimere interpretatie van de woorden „na verloop van” zouden de termijnen van het Verdrag zijn overschreden, omdat meer dan zes jaren waren verstreken zonder dat een besluit was genomen.

b) De gevolgen van de termijnoverschrijding

De overschrijding van de in artikel 76 gestelde termijn zou tweeërlei gevolgen hebben: een verzuim van de Raad en een onzekere situatie voor de Lid-Staten.

i) Verzuim van de Raad: de Raad was niet verplicht de bepalingen van hoofdstuk VI te bevestigen, maar bij niet-beves-tiging was hij — ingevolge de dwingende bewoordingen van artikel 76: „worden nieuwe bepalingen vastgesteld” — gehouden deze te wijzigen. Een besluit om de geldende bepalingen voorlopig te handhaven, voldoet niet aan de eisen van artikel 76. Het verzuim van de Raad staat dan ook vast en de Commissie had tegen deze instelling zeer wel de procedure wegens nalaten ex artikel 148 kunnen aanspannen.

ii) Situatie voor de Lid-Staten: volgens verweerster waren zij aan geen enkele duidelijke juridische verplichting onderworpen. Men mag het er niet voor houden dat het uitblijven van een bevestiging na zes jaar hetzelfde effect heeft alsof wel een bevestiging had plaatsgevonden. Op deze wijze zou een bevestigingsbesluit van elke betekenis worden beroofd, ook al zou de zonder bevestiging gehandhaafde toepasselijkheid als „voorlopig” worden aangemerkt tegenover de „definitieve” toepasselijkheid ingeval van een bevestigingsbesluit. Voorts zou een stilzwijgende bevestiging in strijd zijn met het streven van de Raad om de volgens de Commissie zelf niet meer aangepaste bepalingen te wijzigen. Verzoekster zelf had de Raad geen enkel voorstel gedaan tot bevestiging van de bepalingen van hoofdstuk VI. Voorzover zij deze bepalingen door middel van het onderhavige beroep zou willen doen bevestigen, stelt zij zichzelf ingebreke door geen enkel voorstel in die zin aan de Raad te hebben toegezonden. De Lid-Staten zijn dan ook niet meer verplicht de bepalingen van hoofdstuk VI toe te passen, temeer omdat in feite de kracht eraan is ontvallen. Volgens het Hof mag aan een Lid-Staat die zich wegens het verzuim van een instelling der Gemeenschap in een juridisch onzekere toestand bevindt, geen schending van het Verdrag worden verweten (arrest van 12 november 1969 in de zaak 26-69, olijfolie uit Tunesië, Jurisprudentie, Deel XVI, blz. 565). Het Hof is meermaals tot de logische gevolgtrekking gekomen dat bij verzuim van een instelling om een geboden besluit te nemen, men degeen tot wie het besluit moest zijn gericht, niet kan verwijten dat hij niet heeft gehandeld alsof het besluit wel was genomen.

iii) Door het talmen van de Raad was stellig een juridisch vacuüm ontstaan, hetgeen echter niet voldoende is om aan verweersters standpunt elke grond te ontnemen. Indien dit vacuüm ernstige gevolgen zou hebben, had men hierin kunnen voorzien met behulp van de theorie van het nuttig effect. Dit is echter niet het geval, enerzijds omdat zich in de praktijk geen bezwaren voordeden, nu de teksten die de Commissie gehandhaafd wil zien, geen enkele betekenis meer hebben, en anderzijds omdat de bepalingen die dit vacuüm vertonen, redelijkerwijs en logisch tot gevolg hebben dat aan de zuiver formele toepassing van niet-aangepaste bepalingen een eind wordt gemaakt en dat de Raad wordt verplicht nieuwe vast te stellen. Verweerster concludeert dat haar in deze onzekere situatie niet kan worden verweten dat zij niet heeft gehandeld alsof een uitgebleven bevestigingsbesluit van de Raad wel was genomen.

2.

Volgens de Commissie zijn de bepalingen van hoofdstuk VI nog steeds van kracht.

a) De uitlegging van artikel 76

De woorden „na verloop van” kunnen niet aldus worden uitgelegd dat een datum vóór31 december 1964 is bedoeld, want de verdragsauteurs hadden de voorzieningsregels gedurende een minimumperiode van zeven jaar op de proef willen stellen. De eis dat de Raad vóór en per 1 januari 1965 een nieuwe regeling zou vaststellen, betekent dat het initiatief voor een bevestiging of wijziging op een zodanig moment moet worden genomen dat de proefperiode van zeven jaar sterk zou zijn bekort.

Overigens is het onjuist de woorden „na verloop van” uit te leggen als „uiterlijk aan het einde van”.

Deze uitlegging die het Hof van Justitie in zijn arrest van 4 februari 1965 (zaak 20-64, Albatros, Jurisprudentie, Deel XI, blz. 1) heeft gegeven aan de woorden „aan het einde van de overgangsperiode” in artikel 37, EEG, kan niet worden toegepast op artikel 76, omdat de termijnafloop in dit artikel geen eindpunt is voor de uitvoering van verplichtingen ten laste van de Lid-Staten, maar het startpunt ter inleiding van een institutionele procedure om nieuwe bepalingen op te stellen, waarmee uiteraard de nodige tijd is gemoeid.

Tussen de verplichting de zevenjaarsperiode ten volle te doen werken, en de noodzaak zo dicht mogelijk bij de vervaldatum van 1 januari 1965 tot een beslissing te komen, meent de Commissie het midden te hebben gevonden door op 28 november 1964 haar voorstel aan de Raad te doen.

b) De gevolgen van de termijnoverschrijding

De Commissie verklaart dat zij, mede gezien de netelige problemen in verband met de toekomstige werkzaamheden van Euratom, over een eventueel verzuim van de Raad genuanceerder denkt dan de Franse Regering, doch dat de overschrijding van de in artikel 76 genoemde termijn ook volgens haar een toestand heeft geschapen, die niet beantwoordt aan een juiste toepassing van het Verdrag.

Zij kan zich echter niet verenigen met de conclusies die verweerster daaruit trekt.

i) De aldus ontstane situatie is niet onzeker in de zin van 's Hofs arrest van 9 juli 1970 in de zaak 26-69. Het gaat in casu slechts om een verschil van uitlegging over de gevolgen rechtens van het uitblijven van een raadsbesluit. De Commissie had dienaangaande reeds op 28 november 1964 duidelijk haar positie bepaald. De Franse Regering had harerzijds reeds in november 1965 een duidelijk standpunt ingenomen door eenzijdig te besluiten hoofdstuk VI niet meer toe te passen en zich aldus zelve recht te verschaffen.

ii) Het ontbreken van een besluit van de Raad mag volgens de Commissie niet gelijk worden gesteld met een stilzwijgend besluit tot niet-bevestiging. De fictio juris dat in een zo belangrijke aangelegenheid als de onderhavige een stilzwijgend besluit uit een redelijke termijn zou voortvloeien, is onaanvaardbaar. De in de tweede alinea van artikel 76 bedoelde alternatieve besluiten vereisen in ieder geval een uitdrukkelijk en formeel handelen van de Raad. Verweerster stelt ten onrechte dat, wanneer de verdragsauteurs hadden gewild dat de oude bepalingen van hoofdstuk VI ook na de in artikel 76 genoemde termijn van toepassing zouden blijven zij dat zeker duidelijk hadden gezegd. Dit argument keert zich tegen verweerster: indien de verdragsauteurs hadden gewild dat de oorspronkelijke bepalingen van hoofdstuk VI per 1 januari 1965 of na afloop van enige termijn niet meer van toepassing zouden zijn, hadden zij dat zeker met zoveel woorden gezegd. Alleen met de stelling van de voorlopige toepasselijkheid is een rechtscontinuïteit verzekerd in overeenstemming met het beginsel van artikel 2 van het Verdrag en met de logica van de voorzieningsregeling welke de verdragsauteurs onder gemeenschapstoezicht nauw wilden integreren. De oorspronkelijke bepalingen in artikel 222 van het Verdrag betreffende de periode vóór de infunctietreding van het Agentschap bevestigen de juistheid van deze interpretatie. Ook de systematiek van de procedureregeling volgens artikel 76, tweede alinea, pleit voor de stelling van de voorlopige toepasselijkheid. Terwijl immers de vaststelling van nieuwe regels eenstemmigheid in de Raad vereist, is voor de eventuele bevestiging een gewoon meerderheidsbesluit voldoende, hetgeen bewijst dat de bevestiging ratione materiae slechts op voorlopig van kracht gebleven bepalingen betrekking kan hebben en een door verloop van een termijn vervallen regeling niet kan doen herleven. Het bezwaar van verweerster dat de door de Commissie verdedigde voorlopige toepasselijkheid neerkomt op een stilzwijgend bekrachtigingsbesluit, moet worden verworpen. De voorlopige toepasselijkheid van hoofdstuk VI had op 1 januari 1965 een bij uitstek onbestendig karakter gekregen, dat op elk moment een wijziging kon ondergaan, terwijl een bevestiging elke latere wijziging zou hebben uitgesloten. Teneinde bovendien niet vooruit te lopen op de besluiten van de Raad, moest bij de toepassing van de voorlopige voorzieningsregeling met het oog op de toekomst zoveel mogelijk een slag om de arm worden gehouden.

3.

Verweerster brengt in haar memorie van dupliek daartegen het volgende in:

a) De uitlegging van artikel 76

Volgens verweerster sluiten de bewoordingen van artikel 76 uit dat de verdragsauteurs hierin het beginpunt voor de eventuele toepassing van een procedure tot wijziging van hoofdstuk VI hebben willen aangeven.

Aan een vaststelling van wijzigingen voor 31 december 1964, met inwerkingstelling op 1 januari 1965, had haars inziens niets in de weg gestaan. Trouwens ook in deze geest zou de Commissie haar voorstellen in november 1964 aan de Raad hebben voorgelegd.

b) De gevolgen van de termijnoverschrijding

i) Verweerster merkt nog op dat de Lid-Staten in deze abnormale toestand hun verplichtingen moesten afwegen: ofwel gingen zij ervan uit dat de vroegere regeling voor onbepaalde tijd van toepassing is gebleven, ofwel beschouwden zij op de voet van de Franse interpretatie de regeling als vervallen. In beide gevallen zouden zij het Verdrag echter slechts hebben uitgelegd en kan men in het ene zomin als in het andere geval stellen dat zij zichzelve recht hebben verschaft. Dit meningsverschil kan niet worden opgelost door een van beide meningen te verwerpen, want alleen de Raad kan zeggen of de oude bepalingen na ruim zes jaar moeten worden gehandhaafd. Men bevindt zich dus wel degelijk in een onzekere toestand en van een Lid-Staat is geen toepassing te vergen van een regel die bij ontbreken van bevestiging kennelijk niet meer geldt.

ii) De niet-toepassing van hoofdstuk VI vloeit voort uit het achterwege blijven van de in het Verdrag dwingend voorgeschreven bevestigingsprocedure. Het argument dat, wanneer de verdragsauteurs hadden gewild dat de oude bepalingen van toepassing bleven, zij dat zeker duidelijk zouden hebben gezegd, mag men niet omdraaien, daar de verplichte bevestigingsprocedure zich daartegen verzet.

C — Het belang der Commissie bij vervolging van het verzuim
1.

Verweerster betoogt dat de Commissie praktisch en juridisch geen belang heeft bij een vervolging van het verzuim,

a)De gevraagde veroordeling kan niet leiden tot een feitelijke toepassing van het Verdrag, daar de omstandigheden van de splijtstoffenvoorziening der Gemeenschap grondig verschillen van die welke men bij de opstelling van het Verdrag voor ogen had.

Terwijl de verdragsbepalingen uitgingen van een verwachte schaarste aan uranium, hetgeen de oprichting van het Agentschap had gerechtvaardigd, was er op de wereldmarkt een overschot aan natuurlijk uranium ontstaan. Daarnaast hadden de Verenigde Staten toestemming gegeven voor de uitvoer van verrijkt uranium voor burgerlijke doeleinden. Op grond van een en ander had de Gemeenschap een voorzieningsbeleid op lange termijn opgegeven, daar de Lid-Staten voor hun voorziening de voorkeur gaven aan de in 1958 gesloten overeenkomst tussen de Verenigde Staten en Euratom. Frankrijk wilde echter niet afhankelijk zijn van een buitenlands monopolie en had daarom besloten zelf een fabriek voor isotopenscheiding op te richten.

Sindsdien was het onmogelijk de oorspronkelijke bepalingen van hoofdstuk VI volledig toe te passen, daar de andere Lid-Staten wilden profiteren van de dumpingprijzen op de wereldmarkt eerder dan de tijdelijke overschotten, als gevolg van het Franse beleid van beveiliging der voorziening, tegen normale prijzen te kopen.

De Commissie zou daarop openlijk hebben afgezien van een feitelijke toepassing van hoofdstuk VI. Zij had de aankoop van natuurlijk uranium op de wereldmarkt aangemoedigd door in strijd met artikel 60 mede te delen dat de aankoopcontracten door haar „gesloten zouden worden geacht”, mits haar naderhand daarvan kennis werd gegeven.

Zij zou hebben afgezien van toepassing van de artikelen 70 en 72 (aanleggen van voorraden) van het Verdrag.

Het Agentschap had slechts een zuiver formele rol gespeeld bij de afsluiting van contracten voor de levering van verrijkt uranium, waarvoor de Amerikaanse Commissie voor Atoomenergie, als volstrekt monopoliehoudster voor dergelijke leveranties, toestemming had gegeven.

Nu de Commissie zelf ervan had moeten afzien hoofdstuk VI anders dan gedeeltelijk en zuiver formeel toe te passen, meent verweerster dat haar geen verzuim kan worden aangewreven. De houding van Frankrijk had trouwens geen enkele Lid-Staat enige concrete economische schade berokkend.

b)Evenmin is er enig juridisch belang bij een veroordeling van Frankrijk, aangezien een uitspraak van het Hof geen enkele wijziging kan brengen in de vaststelling, inwerkingtreding en toepassing van een nieuw hoofdstuk VI.

2.

Verzoekster antwoordt dat zij belang heeft bij vervolging van het gestelde verzuim:

a)Hoofdstuk VI zou nog wel degelijk passen op de bestaande voorzieningssituatie. De verkrijgbaarheid van ertsen en splijtstoffen blijft afhankelijk van politieke omstandigheden die — uit een oogpunt van integratie en onderhandelingspositie op een oligopolistische markt — handhaving van het Agentschap uiterst wenselijk maken.

Hoofdstuk VI en met name de gemeenschappelijke aankoopregeling zijn niet uitsluitend afgesteld op een toestand van schaarste (zie artikel 76, eerste alinea). Het gaat allereerst om de behoefte van de verbruikers om zich tegen de marktprijs te voorzien (artikel 67) en dit doel kan door deze regeling juist worden bereikt. Dank zij de overeenkomst van 1958 met de Verenigde Staten kon Europa behoorlijk van verrijkt uranium worden voorzien.

De oprichting door Frankrijk van een eigen fabriek voor isotopenscheiding — volgens verzoekster om de behoeften van zijn militaire programma te kunnen dekken — doet niets af aan de waarde die de gemeenschappelijke aankoopregeling nog steeds heeft als tussenschakel in het contact met het Amerikaans monopolie. Overigens vormt hoofdstuk VI een onmisbaar element in de trits: voorziening-controle-eigendomsrecht, voor de bijzondere splijtstoffen. Het Voorzieningsagentschap draagt actief bij tot een doeltreffende bestemmingscontrole overeenkomstig hoofdstuk VII van het Verdrag.

De Commissie had voorts wel degelijk een gemeenschappelijk voorzieningsbeleid op lange termijn opgesteld, al had zij in 1959 een aanbod van het Franse Commissariaat voor de levering van verrijkt uranium om prijsredenen niet kunnen accepteren.

b)Het Agentschap heeft er niet mee volstaan hoofdstuk VI louter formeel toe te passen.

—Het uitsluitend recht van het Agentschap om leveringscontracten te sluiten, houdt geenszins in dat de marktpartijen hun beoordelingsvrijheid hebben verloren. Overeenkomstig een praktisch algemene wens van de betrokken kringen was de verordening van 5 mei 1960 (PB 777/60), vastgesteld ter uitvoering van artikel 60 van het Verdrag, er vooral op gericht het Agentschap gegevens te laten inwinnen over de geraamde behoeften van de gebruikers en de geraamde voorraden van de producenten binnen en buiten de Gemeenschap, en om beide groepen terzake in te lichten.

—Voor leveringen van verrijkt uranium en thorium was, mede met het oog op een marktsituatie met een zeer ruim aanbod, in artikel 5 van de verordening van 5 mei 1960 een vereenvoudigde procedure neergelegd om de gebruikers rechtstreeks in contact te brengen met door hen gekozen leveranciers. Deze vereenvoudigde procedure — die tot dusver niet op bezwaren is gestuit — houdt geenszins een afstand door het Agentschap van zijn verantwoordelijkheden krachtens het Verdrag (artikelen 52, 60, 67 en 68) in, noch een volledige vrijheid van de gebruikers.

De onderhandelingsmogelijkheid van de gebruikers is gekoppeld aan een tweeledige voorwaarde: zij dienen de algemene voorwaarden van het Agentschap inzake de inhoud der contracten in acht te nemen en de contracten moeten worden medegedeeld aan het Agentschap dat, ofschoon niet formeel partij, wordt geacht deze te hebben gesloten, indien het niet binnen 8 dagen bezwaar heeft gemaakt.

Deze wezenlijke formaliteit, zonder welke de contracten van rechtswege nietig zijn, is te beschouwen als een vorm van uitoefening van het uitsluitend recht dat in artikel 52 van het Verdrag aan het Agentschap is toegekend.

—Ten aanzien van de bijzondere splijtstoffen heeft het Agentschap voornamelijk een taak van beheer van de leveringen in het kader van de overeenkomst Euratom — Verenigde Staten.

Op het verwijt van de Franse Regering dat vraag en aanbod hier niet zouden zijn afgewogen, zij geantwoord dat bij elke onderhandeling van de Gemeenschap over een herziening van de in de Amerikaanse overeenkomst vastgestelde maximumhoeveelheden het Agentschap tevoren telkens zorgvuldig navraag had gedaan bij de gebruikers in de Gemeenschap, die steeds in staat waren gesteld hun geraamde behoeften tijdig op te geven.

Over de te verkrijgen voorwaarden wordt derhalve in driehoeksverband onderhandeld (USAEC, Agentschap, gebruikers).

Anderzijds hadden de aanvragen der gebruikers het beschikbare maximum van de overeenkomst Euratom — Verenigde Staten niet overschreden. De Commissie merkt in dit verband op dat zij bezwaar heeft gemaakt tegen de afsluiting van overeenkomsten met de Amerikaanse leverancier met een looptijd van 20 tot 25 jaar zonder mogelijkheid van tussentijdse beeindiging.

—Hoofdstuk VI werd door het wijzigingsvoorstel der Commissie niet beroofd van zijn rechtskracht en betekenis. Het voorstel raakte trouwens ook niet aan de grondslag van het hoofdstuk.

—De juridische en commerciële voorzieningsvoorwaarden zijn door het Agentschap voortdurend verbeterd. Op het argument van de Franse Regering dat haar standpunt geen enkele schade had veroorzaakt, antwoordt de Commissie overigens dat het samenspel dat de Lid-Staten bij de oprichting der Gemeenschap voor ogen stond, met name in het beleid van de voorziening op markten buiten de Gemeenschap, door het Franse besluit was verbroken, hetgeen de betrokken ondernemingen in de andere Lid-Staten bovendien in een zeer ongelijke positie dreigde te plaatsen.

De Commissie concludeert dat de Franse Republiek door de opdracht aan haar onderdanen om hoofdstuk VI buiten toepassing te laten, een discriminatie teweeg heeft gebracht, waaraan de Commissie een einde diende te maken.

3.

De Franse Republiek gaat er bij haar weerlegging van verzoeksters bezwaren van uit dat het gemeenschappelijk voorzieningsstelsel niet is aangepast en dat de tussenkomst van het Agentschap een zuiver formeel karakter heeft.

a)Wat het eerste punt betreft, betoogt zij dat natuurlijk uranium nooit gemeenschappelijk is aangekocht en dat de voortdurende tussenkomst van het Agentschap bij alle contracten met de Amerikanen over bijzondere splijtstoffen nooit één gemeenschappelijk contract voor meerdere gebruikers had opgeleverd. Dit kwam door de voorwaarden van de USAEC (United States Atomic Energy Commission) die bij elke aankoop de naam van de gebruiker en het gebruiksdoel van de bijzondere splijtstof wilde weten.

Anderzijds bleek de werkwijze van het Agentschap ondeugdelijk als waarborg voor een regelmatige voorziening der Gemeenschap. Door stelselmatig goedkeuring te verlenen aan het afsluiten van voorzieningsovereenkomsten met een looptijd van 20 a 25 jaar door de gebruikers had het Agentschap het totale contingent dat de USAEC krachtens de overeenkomst Euratom — Verenigde Staten moest leveren, al snel opgebruikt. De Commissie had bij haar opmerking dat deze langlopende contracten tussentijds kunnen worden opgezegd, niet vermeld dat dit laatste alleen mogelijk is voor de gebruikers en niet voor het Agentschap zelf.

De door Euratom gelegde contacten en de handelwijze van het Agentschap bleken niet alleen voor de gebruikers maar ook voor de producenten in de Gemeenschap uiterst onvoordelig.

Immers, het Agentschap had in een situatie van vraagoverschrijdend aanbod op de markt de rechtmatige belangen der producenten in de Gemeenschap moeten behartigen door bij gelijke prijs aan hen de voorkeur te geven boven buitenlandse concurrenten. Het Agentschap had dit niet gedaan.

Ten slotte waren de bepalingen van hoofdstuk VI geenszins onmisbaar voor een deugdelijke controle als bedoeld in hoofdstuk VII, daar de bepalingen van dit hoofdstuk hiervoor toereikend waren.

b)Wat het tweede punt betreft, herhaalt verweerster dat het Agentschap zich niet meer aan hoofdstuk VI hield:

—Met betrekking tot verrijkt uranium, kwam de vereenvoudigde procedure erop neer dat vraag en aanbod, in strijd met artikel 60, niet meer werden afgewogen, en dat het niet meer mogelijk was bij gelijke prijzen de voorkeur te geven aan het aanbod van de produktie in de Gemeenschap. Het Agentschap had allerminst gehandeld naar zijn verdragsverplichting om te zorgen voor markttransparantie, doch door de vereenvoudigde procedure juist ondoorzichtigheid teweeggebracht. Overigens had het Agentschap volgens verweerster in de praktijk nimmer gebruik gemaakt van de verminderde controlebevoegdheid waarover het, met name door de mogelijkheid bepaalde contracten af te wijzen, ingevolge de verordening van 1960 nog beschikte.

Het Agentschap had in een nota van 30 november 1962 trouwens zelf toegegeven dat de verordening van 5 mei 1960 er vooral toe strekte de procedure en voorwaarden aan te geven om bij transacties over verrijkt uranium onder bepaalde marktomstandigheden vraag en aanbod niet te hoeven afwegen.

—Wat de bijzondere splijtstoffen betreft, had een afweging van vraag en aanbod evenmin plaatsgehad; zo had met name een Lid-Staat de mogelijkheid gekregen in de Verenigde Staten uranium voor opslagdoeleinden te betrekken, zonder dat het Agentschap de andere gebruikers die wellicht ook belangstelling zouden hebben voor een dergelijk contract, daarvan op de hoogte stelde.

—Ten slotte was de Gemeenschap dankzij de prospectieactiviteiten van sommige Lid-Staten niet meer afhankelijk van derde landen, zodat bepalingen die uitgaan van een toestand van schaarste en van de noodzaak van voorziening uit het buitenland, overbodig zijn.

Verweerster conludeert hieruit dat de Commissie geen belang heeft bij een actie, daar zij zelf niet nauwkeurig de hand houdt aan bepalingen die in feite niet-toepasselijk zijn geworden.

D — De vraag of het beroep te laat is ingesteld
1.

De Franse Republiek merkt op dat het beroep opvallend laat (in 1969) is ingesteld, daar de gestelde verzuimen reeds in 1965 waren geconstateerd. De verklaring hiervan is dat de Lid-Staten geen enkel nadeel hadden ondervonden en dat de Commissie thans door een beroep bij het Hof van Justitie hoopt te bereiken wat zij van de Raad als bevoegde instelling niet rechtstreeks gedaan had weten te krijgen.

2.

De Commissie antwoordt dat de procedure van artikel 141 niet aan termijnen is gebonden en dat bij de toepassing dier procedure een beoordelingsmarge is ingebouwd, waardoor opportuniteitsoverwegingen meespelen.

De Commissie had lange tijd gedacht met de procedure van artikel 76, tweede alinea, te zullen slagen. Pas bij een brief van 24 april 1967 had de Franse Regering haar weigering kenbaar gemaakt om de in artikel 70 bedoelde jaarlijkse rapporten toe te zenden.

Hoewel de Commissie van toen af aan gerechtigd was een geding aan te spannen, had zij dit wegens het geringe praktische belang van het verzuim niet gedaan. Maar toen de controlediensten in 1968 bemerkten dat buiten medeweten van het Agentschap transacties waren afgesloten, had zij besloten de procedure van het met redenen omkleed advies in te leiden.

E — Misbruik van procesrecht
1.

Volgens de Franse Republiek levert het beroep misbruik van procesrecht op; een verklaring hiervan is te vinden in met het Verdrag strijdige oogmerken.

a)De aangewezen weg zou een beroep wegens nalaten tegen de Raad zijn geweest. In plaats daarvan mag geen beroep tegen een Lid-Staat wegens schending van een niet-genomen bevestigingsbesluit worden ingesteld. Een dergelijk, misplaatst, beroep is deswege niet-ont-vankelijk.

De Commissie zou aan het beroep wegens verzuim de voorkeur hebben gegeven boven het beroep wegens nalaten, omdat zij daarmee iets anders kan bereiken. Bij een door het Hof vastgestelde nalatigheid is de Raad verplicht te handelen, terwijl een veroordeling van verweerster in het onderhavige geding inhoudt dat hoofdstuk VI, ook zonder bevestiging, van toepassing is gebleven. Dit is echter een ongeoorloofd oogmerk, omdat alleen de Raad zich vermag uit te spreken over de regeling die moet worden toegepast.

b)De Commissie tracht door haar beroep invloed uit te oefenen op de beslissing van de Raad. Verweerster zou willen dat nieuwe bepalingen, zij het minder dirigistisch dan volgens het voorstel der Commissie van 1964, worden vastgesteld; daarop had zij voortdurend aangestuurd.

c)De bedoelingen dienaangaande van de Commissie en van sommige Lid-Staten zijn minder duidelijk; het heeft er alle schijn van dat verzoekster en deze Staten de in het Verdrag gestelde termijn van zeven jaar ongezegd willen opschuiven, al erkennen zij dat het oorspronkelijke hoofdstuk VI niet is aangepast. Verschillende Lid-Staten zouden zijn gebaat bij handhaving van de status quo, waardoor zij — buiten een crisissituatie — zouden zijn ontslagen van de zorg voor de voorziening op lange termijn en in geval van een plotselinge crisis de mogelijkheid van bevestiging hebben. Een situatie die overigens in strijd is met de geest van artikel 70 van het Verdrag.

De Commissie zelf zou in de voorlopige handhaving van de situatie de mogelijkheid zien een monopolie in stand te houden, dat de meeste Westerse landen echter hebben opgegeven.

2.

Verzoekster verklaart voor repliek dat een beroep wegens verzuim van een Staat geenszins een beroep wegens nalaten uitsluit.

Zij zegt het er volstrekt niet op toe te leggen dat het Hof zich in de plaats stelt van de Raad, omdat de beslissing van het Hof slechts geldt zolang de Raad geen besluit heeft genomen. Zij is uitsluitend bedacht op de toepassing van het Verdrag.

3.

Volgens verweerster is echter een uitspraak van het Hof, dat hoofdstuk VI sinds 1 januari 1965„voorlopig” van kracht is gebleven en voor onbepaalde tijd nog zal blijven, iets geheel anders dan een besluit tot voorlopige toepassing, dat immers de rechten van de Raad onrechtmatig zou aantasten.

Ten aanzien van het recht

1.

Overwegende dat de Commissie bij verzoekschrift, ter griffie ingediend op 11 maart 1971, overeenkomstig artikel 141 van het EGA-Verdrag beroep heeft ingesteld bij het Hof teneinde te doen vaststellen dat de Franse Republiek de krachtens titel II, hoofdstuk VI, van dit Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door te weigeren de in artikel 70 van het Verdrag bedoelde jaarlijkse rapporten aan de Commissie toe te zenden en door buiten medeweten van het Voorzieningsagentschap contracten af te sluiten voor de invoer uit de Bondsrepubliek Duitsland, Canada en Italië en voor de levering aan Italië van bijzondere splijtstoffen, en ten slotte door te weigeren aan het Agentschap kennis te geven van het bestaan van een verbintenis tot het opwerken van uit Zuid-Afrika ingevoerd uranium en van de hoeveelheden welke met de desbetreffende overdracht zijn gemoeid.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

2.

Overwegende dat de regering van de Franse Republiek ter betwisting van de ontvankelijkheid van het beroep aanvoert dat het te laat zou zijn ingesteld;

3.

dat zij sinds 1965 bij voortduring de mening te kennen heeft gegeven dat de bepalingen van hoofdstuk VI van het Verdrag, welke zij zou hebben geschonden, waren vervallen, en dat zij zich sedertdien slechts overeenkomstig deze mening had gedragen;

4.

dat het de Commissie niet zou vrijstaan zich in 1971 tot het Hof te wenden ter zake van een sedert 1965 bestaande toestand waarvan zij sindsdien kennis had gedragen;

5.

Overwegende dat het instellen van het in artikel 141 bedoelde beroep tot vaststelling van het verzuim van een Staat niet aan een vaste termijn is gebonden, aangezien deze procedure naar haar aard en doelstelling voor de Commissie de bevoegdheid medebrengt te beoordelen welke de meest passende middelen en termijnen zijn om aan de eventuele verzuimen een einde te maken;

6.

dat het feit dat de Commissie haar beroep eerst na geruime tijd heeft ingesteld, niet tot gevolg kan hebben dat een voortgezet verzuim wordt gebeterd;

7.

dat overigens, blijkens de niet-weersproken verklaring der Commissie, de litigieuze transacties eerst op een later tijdstip aan het licht zijn gekomen na onderzoeken die voornamelijk in 1968 hebben plaatsgevonden;

8.

dat de Commissie het Commissariaat voor Atoomenergie op 24 april 1969 heeft gewezen op de te harer kennis gekomen feiten en op 12 maart 1970 de procedure van artikel 141 heeft ingeleid met verzoek aan de Franse Regering haar opmerkingen te maken over de verschillende nauwkeurig opgesomde verzuimen;

9.

Overwegende dat het beroep volgens de Franse Regering niet-ontvankelijk is, daar het tevens misbruik van procesrecht zou opleveren;

10.

dat de situatie die sinds 1 januari 1965 was ontstaan, doordat de Raad de bepalingen van hoodstuk VI van het Verdrag niet had bevestigd, noch bij gebreke van bevestiging nieuwe bepalingen had vastgesteld, had moeten leiden tot een tegen deze instelling gericht beroep wegens nalaten;

11.

dat de Commissie, door in plaats hiervan een beroep tot vaststelling van een verzuim tegen een Lid-Staat in te stellen, zou beogen te doen uitspreken „dat hoofdstuk VI ook zonder bevestiging door de Raad van toepassing is gebleven”, zulks terwijl juist termen aanwezig waren om „de krachtens het Verdrag op de Raad rustende verplichting tot handelen te beklemtonen”;

12.

Overwegende dat de omstandigheid dat de Raad geen beslissing heeft genomen in de vraag of na 31 december 1964 termen aanwezig waren de bepalingen van hoofdstuk VI te bevestigen dan wel door een andere voorzieningsregeling te vervangen, de Commissie niet ervan mag weerhouden toe te zien op de naleving van bepalingen die volgens haar van kracht zijn;

13.

dat derhalve, voor zover de Lid-Staten in de betrokken periode waren gebonden aan de bepalingen van hoofdstuk VI van het Verdrag — waarover het Hof zich hierna zal hebben uit te spreken —, een beroep waarmee wordt beoogd te doen vaststellen dat een Lid-Staat zich niet aan de uit die bepalingen voortvloeiende verplichtingen heeft gehouden, ertoe strekt de toepassing van het Verdrag te verzekeren en geen misbruik van procesrecht kan opleveren;

14.

Overwegende ten slotte, dat het bezwaar dat de Commissie zou trachten de toekomstige besprekingen van de Raad te beïnvloeden, niet terzake dienende is;

15.

dat het beroep ontvankelijk is;

Ten principale

a) Ten aanzien van de uitlegging van artikel 76 EGA-Verdrag
16.

Overwegende dat verweerster om te beginnen stelt dat ingevolge de tweede alinea van artikel 76 van het Verdrag — met name blijkens de aldaar gebruikte woorden „na afloop van” — de bepalingen van hoofdstuk VI zijn vervallen, nu de Raad niet op 31 december 1964 of althans binnen een redelijke tijd na deze datum genoemde bepalingen had bevestigd of nieuwe had vastgesteld;

17.

dat het niet-toepassen dier bepalingen derhalve geen verzuim als bedoeld in artikel 141 zou kunnen opleveren;

18.

Overwegende dat het vervallen van verdragsbepalingen niet wordt voorondersteld ;

19.

dat de Lid-Staten zijn overeengekomen voor onbeperkte tijd een Gemeenschap op te richten, voorzien van permanente instellingen die zijn bekleed met werkelijke bevoegdheden ten gevolge van het feit dat de Staten hun bevoegdheden hebben ingeperkt of aan de Gemeenschap hebben overgedragen;

20.

dat derhalve een onttrekking van de aldus verleende bevoegdheden en de terugkeer van de desbetreffende onderwerpen tot de uitsluitende bevoegdheid van de Lid-Staten slechts op grond van een uitdrukkelijke verdragsbepaling kunnen plaatsvinden;

21.

dat zulks niet in artikel 76 besloten ligt;

22.

dat deze bepaling, opgenomen in fine van hoofdstuk VI dat uitvoering geeft aan de algemene verplichting van de instellingen der Gemeenschap ingevolge artikel 2, sub d), om te waken voor een regelmatige en billijke erts- en splijtstofvoorziening van alle gebruikers in de Gemeenschap, juist ten doel heeft aanpassingen van het voorzieningsstelsel aan de ontwikkeling der omstandigheden mogelijk te maken en derhalve niet aldus mag worden geinterpreteerd dat zij ertoe strekt de Gemeenschap te beroven van een actiemiddel, bestemd om een der verdragsdoeleinden te bereiken;

23.

dat zelfs wanneer de Raad zich zou onthouden van de uitoefening zijner bevoegdheden ex artikel 76, tweede alinea, om de bepalingen van dit hoofdstuk aan te passen aan hetgeen op grond van de ervaring wenselijk is, zulks niet tot gevolg kan hebben dat de onderlinge banden die de Lid-Staten door hun overeenkomst tot stand brachten, worden geslaakt en dat de hieruit voor elk hunner voortvloeiende verplichtingen teniet worden gedaan;

24.

dat het vervallen van het gehele hoofdstuk VI zonder gelijktijdige inwerkingtreding van nieuwe bepalingen zou neerkomen op een verbreking van de continuïteit op een gebied waarvoor in het Verdrag, met name in artikel 2, een gemeenschappelijk beleid is voorgeschreven;

25.

dat de bewoordingen van artikel 76 weliswaar te kennen geven dat de Raad en de Commissie na verloop van zeven jaar de blijkens de ervaring noodzakelijke wijzigingen kunnen aanbrengen of de oorspronkelijke bepalingen kunnen bevestigen, doch niet meebrengen dat enig verband kan worden gelegd tussen het eventueel niet-uitoefenen van deze bevoegdheden en het onmiddellijk of na enige tijd vervallen van de oude bepalingen;

26.

dat artikel 76 immers nergens uitdrukkelijk bepaalt dat de in artikel 2 aan de Gemeenschap toebedeelde taak aan haar zal worden onttrokken en dat deze wederom onder de bevoegdheid van de Lid-Staten zal vallen;

27.

Overwegende dat evenmin steun is te vinden voor het bezwaar dat de instandhouding van de litigieuze bepalingen een bevestiging dier bepalingen oplevert in een vorm en op een wijze die zodanig verschillen van hetgeen in artikel 76, tweede alinea, uitdrukkelijk is bedoeld, dat dit voorschrift overbodig wordt;

28.

dat immers tot de beslissing om de bestaande regels hetzij te bestendigen hetzij door andere te vervangen, de bepalingen van hoofdstuk VI slechts tijdelijk worden gehandhaafd, zodat zij te allen tijde door een geheel van nieuwe bepalingen die een ander voorzieningsstelsel vormen, kunnen worden vervangen;

29.

dat het middel, ontleend aan artikel 76 van het Verdrag, derhalve moet worden verworpen;

b) Ten aanzien van de juistheid der gestelde verzuimen
30.

Overwegende dat de Commissie verweerster in de eerste plaats verwijt sinds 1965 te hebben nagelaten haar de in artikel 70 van het Verdrag voorgeschreven jaarlijkse rapporten toe te zenden;

31.

dat de inlichtingen die ingevolge dit artikel moeten worden medegedeeld, volgens de Franse Regering jaarlijks verschijnen in de rapporten van het Franse Commissariaat voor Atoomenergie, welke aan de Commissie worden toegezonden;

32.

dat verzoekster later heeft betoogd dat deze rapporten „niet alle verlangde inlichtingen bevatten”, zonder echter aan te geven in hoeverre de rapporten van het Commissariaat onvoldoende gegevens bevatten;

33.

Overwegende dat uit de aan het Hof overgelegde rapporten blijkt dat zij althans over de opsporing, de winning en de vermoedelijke ontwikkeling van de reserves, gegevens bevatten die de Commissie bij haar optreden konden voorlichten;

34.

dat de Commissie overigens niet heeft aangevoerd dat zij ooit aanvullende inlichtingen heeft verlangd;

35.

dat onder deze omstandigheden uit het door de Commissie gestelde rechtens niet genoegzaam kan worden geconcludeerd tot niet-nakoming van artikel 70;

36.

Overwegende dat de Franse Regering voorts wordt verweten verschillende verkopen of aankopen van bijzondere splijtstoffen te hebben verricht in strijd met het optierecht der Commissie en haar uitluitend recht om dergelijke leveringscontracten te sluiten, en tevens te hebben nagelaten een opwerkingscontract voor uranium uit Zuid-Afrika bij het Agentschap aan te melden;

37.

Overwegende dat, waar de Franse Regering niet heeft betwist dat de gewraakte transacties buiten het Agentschap om zijn verricht, moet worden vastgesteld dat de bijzondere rechten van het Agentschap niet in acht zijn genomen;

c) Ten aanzien van de andere omstandigheden van dien aard dat geen verzuim zou hunnen worden vastgesteld
38.

Overwegende dat de Franse Regering tevens betoogt dat, zelfs al zouden de bepalingen van hoofdstuk VI van kracht zijn gebleven, zij nooit anders dan een zuiver formele toepassing zonder feitelijke betekenis hebben gevonden;.

39.

dat de Franse Regering tegen de gestelde verzuimen die in hoofdzaak de aanen verkoop van bijzondere splijtstoffen betreffen, inbrengt dat de praktisch monopolistische positie van de voornaamste leverancier van de Gemeenschap' ten deze elke afweging van vraag en aanbod onmogelijk maakte, terwijl juist deze afweging de grondslag vormt van het optierecht van het Agentschap en zijn uitsluitend recht om leveringscontracten te sluiten;

40.

Overwegende wellicht dat wegens de structuur van de markt voor bijzondere splijtstoffen de afweging van vraag en aanbod door tussenkomst van het Agentschap ongetwijfeld niet tot vaststelling van een marktprijs in de betrokken periode heeft geleid;

41.

dat daaruit echter niet volgt dat de tussenkomst van het Agentschap als communautair orgaan dat voor alle gebruikers tezamen handelt, niet meer zou bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag;.

42.

dat door deze tussenkomst, met name in het kader van de Overeenkomst van. 8 november 1958 tot samenwerking tussen Euratom en de Verenigde Staten van Amerika, aan de gebruikers in de verschillende Lid-Staten gelijke toegang tot bijzondere splijtstoffen kon worden gewaarborgd;

43.

dat in ieder geval de omstandigheid dat in een bepaalde periode als gevolg van de marktsituatie wellicht minder sterk de noodzaak klemde om de in het Verdrag aangegeven voorzieningsregelingen toe te passen, niet voldoende is om aan de bepalingen van deze regelingen bindende kracht te ontnemen;

44.

Overwegende dat de Franse Regering eveneens betoogt dat door het achterwege blijven van een Raadsbesluit na de in artikel 76 van het Verdrag bedoelde periode van zeven jaar een onduidelijke rechtstoestand is ontstaan, daar het, gezien de verschillende mogelijkheden tot interpretatie van de tweede alinea van artikel 76, op zijn minst onzeker was of de bepalingen van hoofdstuk VI van kracht waren gebleven;

45.

dat de andere Lid-Staten overigens geen enkele schade van de gelaakte gedragingen zouden hebben ondervonden;

46.

dat deze omstandigheden een niet-nakomen in de zin van artikel 141 zouden uitsluiten;

47.

Overwegende dat ter rechtvaardiging van een verzuim niet geen beroep mag worden gedaan op een toestand van rechtsonzekerheid, waarin de Lid-Staat zich zou hebben bevonden en waartegen het Verdrag hem verweermiddelen verschaft;

48.

dat immers enerzijds de in artikel 192 vervatte algemene verplichting tot samenwerking de verwerende partij ertoe had moeten brengen aan de door haar gestelde onzekerheid een einde te maken met behulp van de middelen die het Verdrag biedt door, met name in artikel 148, aan elke betrokken Lid-Staat passende acties ter beschikking te stellen om tegen een eventueel stilzitten van de Raad op te treden;

49.

dat anderzijds juist in een procedure wegens verzuim van een Lid-Staat nauwkeurig de inhoud van de verplichtingen der Lid-Staten bij onenigheid over de interpretatie kan worden bepaald;

50.

dat ten slotte artikel 141 niet meebrengt dat voor het instellen van de procedure tot vaststelling van een verzuim de voorwaarde geldt dat de overige Lid-Staten schade hebben ondervonden;

51.

dat dit verweer moet worden verworpen;

Ten aanzien van de kosten

52.

Overwegende dat ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering de in het ongelijk gestelde partij in de kosten moet worden verwezen;

dat verweerster op de wezenlijke punten in het ongelijk is gesteld;

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende:

1. Door buiten het Voorzieningsagentschap om contracten te sluiten voor de invoer van 3555 kg tot 1,15 % verrijkt uranium van de centrale te Kahl, van hoeveelheden plutonium uit Canada en van 116 kg plutonium van de Ente nazionale per l'elettricita alsmede voor de levering van ongeveer 2000 kg tot 4,7 % verrijkt uranium aan het Comitato nazionale per l'energia nucleare, door na te laten aan het Agentschap kennis te geven van het bestaan van een verbintenis tot opwerking van uit Zuid-Afrika ingevoerd uranium, alsmede van de hoeveelheden die hiertoe werden overgedragen, is de Franse Republiek de verplichtingen welke krachtens titel II, hoofdstuk VI van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, met name de artikelen 52, 55, 57, 64 en 75, op haar rusten, niet nagekomen;

2. Ontzegt de vordering voor het overige;

3. Verwijst verweerster in de kosten van het geding.

Voetnoten

  • 1Ente nazionale per l'elettricita.
  • 2Comitato nazionale per l'énergia nucleare.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

2
EEG-Verdrag art. 21 voorkomen
EEG-Verdrag art. 371 voorkomen

Rechtspraak

5

Europese Unie

5

Conclusie van advocaat-generaal AlberC-276/9727.01.2000

Zesde richtlijn 77/388 art. 4 en art. 2

Conclusie van advocaat-generaal AlberC-358/9727.01.2000

Zesde richtlijn 77/388 art. 4 en art. 2

Bekijk alle 5

Bekijk de 5 documenten

Rechtsleer

7
Ruzié, David: La Semaine juridique - édition générale 1972 II 17115 (FR)
Hebert, Jean: Observations sur l'arrêt rendu le 14 décembre 1971 par la Cour de justice des Communautés européennes - dans l'affaire 7/71 opposant la Commission des Communautés européennes à la République française, Revue trimestrielle de droit européen 1972 p.299-342 (FR)
Gruber, E.: Das Urteil des Europäischen Gerichtshofes zur Fortgeltung der Versorgungsvorschriften des Euratomvertrages, Atomwirtschaft 1972 p.221-222 (DE)
Constantinesco, Vlad: Journal du droit international 1973 p.539-547 (FR)
Brush, Peter N.: Permanence of Powers: Commission of the European Communities v. France, California Western International Law Journal 1973-74 p.43-60 (EN)
Bekijk de 2 andere verwijzingen
Булюи, Жан ; Шевалие, Роже-Мишел: Производство по чл. 169 ДEИO (нов чл. 228) и чл. 141 ДEOAE - понятие за нарушение - съображения, оправдаващи нарушението, Най-важни решения на Cьда на Eвропейските общности (Ed. Институт по Европейско право - Sofia) 2007 р.125-129 (BG)
Blanquet, Marc: 34. Nature des compétences - Dessaisissement des États - Durée illimitée de la communauté. CJCE, 14 déc. 1971, n° 7/71, Commission c/ France, Les grands arrêts de la Cour de justice de l'Union européenne. Droit constitutionnel et institutionnel de l'Union européenne (Dalloz, 2e édition) 2023, p. 567-574 (FR)