Arrest van het Hof van 15 februari 1977, 69/76 en 70/76 · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Voltallige zitting 69/76, 70/76 ECLI:EU:C:1977:25 15 februari 1977

Zoeken

Arrest van het Hof van 15 februari 1977, 69/76 en 70/76EEG-Verdrag art. 177

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-69-76-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Voltallige zitting
Zaken
69/76, 70/76
ECLI
ECLI:EU:C:1977:25
Datum
15 februari 1977

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Prejudiciële verwijzing
Verwijzende rechter
C-69/76, C-70/76 Bundesfinanzhof (Duitsland) beslissing van 1 juni 1976 VII R 107/73 ; VII R 83/74
Zaak ingediend op
19 juli 1976
Advocaat-generaal
Warner conclusie van 19 januari 1977
Opmerkingen
Commissie
Nationale beslissing na het arrest
C-69/76, C-70/76 Bundesfinanzhof beslissing van 3 mei 1977 VII R 107/73 ; VII R 83/74

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Duits
Jurisprudentie
Jurispr. 1977, blz. 231
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Donner
Repertorium van het Hof

Tekst

51 paragrafen

ARREST

Ten aanzien van de feiten

Overwegende dat de feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs EEG-Statuut ingediende opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

I — Feiten en procesverloop

De hoofdgedingen gaan over de tariefindeling van een door de firma Dittmeyer als persresiduen van sinaasappelen (en pompelmoezen) aangemelde waar, die zij in 1970 deed inklaren. Het betreft een in blik verpakt of bevroren produkt, dat bij de vervaardiging van vruchtesap wordt verkregen en uit vruchtdelen bestaat die bij het persen in het sap geraken en daarna worden uitgezeefd. Het produkt dient als toevoegsel voor verdund vruchtesap om dit een meer natuurlijk en voller aanzicht te geven.

Het douanekantoor bracht de waar overeenkomstig de aanmelding aanvankelijk onder post 23.06 van het gemeenschappelijk douanetarief (GDT) van de EEG, luidende: „produkten van plantaardige oorsprong van de soorten, welke worden gebruikt als voedsel voor dieren, elders genoemd noch elders onder begrepen”.

Nadat bij onderzoek door een douanelaboratorium was gebleken dat het een pulpachtig sinaasappelprodukt betrof, wijzigde de douane de indeling en bracht zij het betrokken produkt naar de wijze van verduurzaming en de presentatie onder de voor fruit vastgestelde tariefposten:

08.10 „fruit, ook indien gekookt, bevroren, zonder toegevoegde suiker” respectievelijk:20.06 „op andere wijze bereide of verduurzaamde vruchten, ook indien met toegevoegde suiker of alcohol”.

Verzoekster kwam tegen deze wijzigingsbeschikking in beroep, stellende dat de betrokken produkten niet als vruchten in de zin van bovengenoemde tariefposten waren te beschouwen, aangezien zij geen wezenlijke delen van de natuurlijke vrucht bevatten, met name geen delen van de buitenschil en praktisch ook geen sap meer, dat voor de menselijke consumptie wel het voornaamste bestanddeel is.

Na verwerping van verzoeksters beroep door het Finanzgericht, dienen beide hoofdgedingen thans voor het Bundesfinanzhof. Met haar cassatieberoep tracht verzoekster de betrokken waar ingedeeld te krijgen onder post 23.06 op grond dat het produkt uit resten en afval van de voedselindustrie bestaat en als zodanig onder post 23.06 A valt.

Deze indeling volgt haars inziens uit de wijze van vervaardiging en de samenstelling van de waar. Persresiduen worden verkregen bij de produktie van vruchtesappen, dat wil zeggen bij het uitpersen en uitzuigen van de doorgesneden vruchten. Zij bestaan in hoofdzaak uit celweefsel van het vruchtvlees en in zeer geringe mate ook uit de witte binnenschil (albedo). Deze residuen komen bij het persen eerst in het sap en moeten later worden uitgezeefd. Dit uitzeefsel wordt met de slakkenpers meestal nog eens geperst om de laatste sapresten op te vangen. In vele bedrijven wordt het uitzeefsel voor deze laatste bewerking nog met water aangelengd. Wat daarna als uitgeloogd en uitgesperst residu overblijft, is praktisch sapen smaakloos, en wordt grotendeels vernietigd, zodat men hier alleszins kan spreken van „afval van de voedselindustrie”. Voor een deel wordt het residu echter ook als diervoeder gebruikt, in de zin van post 23.06 A. Alleen voor een zeer gering deel wordt, zoals bij verzoekster, het residu gebruikt voor zuiver optische verbetering van het sap. Dit verandert echter niets aan de eigenlijke hoedanigheid van het residu als afval van de voedselindustrie, respectievelijk diervoeder. Immers, bij de tariefindeling wordt uitgegaan van het normale gebruik en niet van het oneigenlijke gebruik in uitzonderingsgevallen.

Bij beschikkingen van 1 juni 1976, heeft het Bundesfinanzhof (VIIe Kamer) besloten het geding te schorsen en het Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de navolgende vragen:

I — Dient post 20.06 [08.10] van het gemeenschappelijk douanetarief aldus te worden uitgelegd dat het indelingselement „vruchten” mede produkten kan omvatten, die weliswaar uit delen van vruchten bestaan maar toch de bepalende kenmerken van een vrucht praktisch geheel missen; kunnen inzonderheid produkten, bestaande uit sinaasappeldelen die bij het persen van de sinaasappelen eerst in het sap geraken en later worden uitgezeefd, ook dan onder post 20.06 [08.10] worden gebracht, indien zij nagenoeg geen vruchtvlees of vruchtesap bevatten, doch grotendeels uit celvlies en de witte binnenschil bestaan?

II — Zo neen, dient dan post 23.06 van het gemeenschappelijk douanetarief aldus te worden uitgelegd dat bovenbedoelde waar, ook al wordt zij in het algemeen en ook in het speciale geval niet als diervoeder gebruikt, niettemin onder deze post kan worden gebracht?

III — Zo neen, kan dan de waar krachtens de algemene toepassingsbepaling 5 (thans algemene toepassingsbepaling 4) onder een van beide genoemde posten worden gebracht?

De verwijzingsbeschikkingen zijn ingeschreven ter griffie van het Hof op 19 juli 1976.

Bij beschikking van 15 september 1976 heeft het Hof besloten de onderhavige zaken te voegen voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling.

Overeenkomstig artikel 20 van 's Hofs EEG-Statuut zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de Commissie der Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur P. Kalbe, als gemachtigde.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaatgeneraal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

Verzoekster in het hoofdgeding werd echter gevraagd ter terechtzitting een monster van de betrokken waar over te leggen in de verpakking waarin deze aan de douaneautoriteiten was aangeboden.

II — Samenvatting van de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen

Verzoekster in het hoofdgeding heeft enkel verwezen naar haar in de nationale procedures gebezigde argumenten, welke hierboven zijn samengevat.

Met betrekking tot de uitlegging van de posten 08.10 en 20.06 merkt de Commissie op dat hoofdstuk 8 en hoofdstuk 20 van het GDT, met uitzondering van de posten 08.13 en 20.04, geen tariefspecificaties voor vruchtdelen bevatten. De nomenclatuur gaat. immers uit van het beginsel dat een vrucht, met al haar bestanddelen, moet worden ingedeeld onder de toepasselijke tariefpost voor de vrucht als zodanig en dat de afzonderlijke delen van die vrucht eveneens onder die voor de gehele vrucht geldende tariefpost blijven vallen voorzover zij elk voor zich niet de specifieke kenmerken vertonen van een onder een andere post vallend produkt.

De Commissie verwijst naar de toelichtingen bij de Nomenclatuur van Brussel, welke onder de algemene opmerkingen bij hoofdstuk 8 zeggen: „vorenbedoelde produkten mogen geheel zijn, in stukken gesneden, ontpit, tot pulp geplet, geraspt, geschild, gepeld of ontbolsterd” en onder die bij hoofdstuk 20: „bovengenoemde produkten kunnen in hun geheel, in stukken of als pulp voorkomen”, terwijl bij post 20.06 wordt opgemerkt: „deze post omvat hele vruchten, stukken van vruchten en vruchtepulp …”.

Volgens de Internationale Douaneraad is deze regel niet alleen van toepassing op de delen die als stukken nog de wezenlijke bestanddelen van de gehele vrucht bevatten, maar ook op afzonderlijke elementen van de vrucht als zodanig.

In de indelingsadviezen van genoemde Raad worden vruchten en hun afzonderlijke delen zonder onderscheid steeds onder posten van de hoofdstukken 8 en 20 ingedeeld, met inbegrip van vruchtepulp welke te vergelijken is met de produkten in casu.

De door de Commissie gevolgde praktijk bij de tariefindeling stemt volledig overeen met die van het Comité Nomenclatuur van het GDT. Met name in de tariefbeslissing van 7 mei 1971 worden sinaasappeldelen zoals hier in het geding, uitdrukkelijk gerangschikt onder de posten 08.10 of 20.06 (zie bijlage III van de memorie).

Omtrent de uitlegging van post 23.06 merkt de Commissie op dat de meeste in hoofdstuk 23 bedoelde produkten (resten en afval van de voedselindustrie; bereid voedsel voor dieren) een gemeenschappelijke en bijna exclusieve bestemming hebben: zij worden, hetzij als zodanig, hetzij vermengd met andere stoffen, gebruikt voor de voeding van dieren (zie toelichtingen bij de Nomenclatuur van Brussel, algemene opmerkingen bij hoofdstuk 23).

In de toelichtingen bij post 23.06 wordt gezegd (eerste alinea): „hieronder vallen, voor zover zij niet onder een post met een meer specifieke omschrijving vallen en zij geschikt zijn om als dierlijk voedsel te worden gebruikt, plantaardige produkten, plantaardige afval en resten, alsmede bijprodukten van de industriële verwerking van deze plantaardige produkten waarbij bepaalde bestanddelen daaraan zijn onttrokken”.

Onder produkten „welke worden gebruikt als voedsel voor dieren” moeten ook waren worden gerekend waarvan het rationeel-economisch denkbaar is dat zij „geschikt zijn om als dierlijk voedsel te worden gebruikt”, ongeacht of zij — in een enkel geval — inderdaad als dierlijk voedsel dan wel voor een ander doel worden gebruikt (zie bij voorbeeld de toelichtingen bij post 23.06, tweede alinea, sub 5).

In casu kan het betrokken produkt echter om de volgende redenen niet onder post 23.06 worden ingedeeld: bij elke indeling gaat men uit van het type, de aard, de hoedanigheden en de kenmerken van het ingevoerde produkt op het moment van inklaring. Voorzover in de tekst van het GDT niet anders wordt bepaald, doen de vroegere kenmerken of de latere gebruiksmogelijkheden van het produkt niet ter zake.

Bij de toetsing aan de tekst van post 23.06 gaat het dus niet om de uit het sap afgezeefde sinaasappeldelen in hun oorspronkelijke staat of als deel van het later aangemaakte sap, maar uitsluitend om het produkt waartoe die delen voor de speciale doeleinden van verzoekster werden verwerkt: alleen dat produkt is door verzoekster ingevoerd. Dit produkt is geen dierlijk voedsel maar een voedingsmiddel, dat onder specifieke hygienische voorwaarden overeenkomstig de levensmiddelenwetgeving wordt vervaardigd met het uitsluitende doel te dienen als menselijk voedingsmiddel met een eigen economische betekenis en waarde. Het is bovendien bevroren of gepasteuriseerd en in blik verpakt, dat wil zeggen met zekere kosten geprepareerd en verduurzaamd teneinde het produkt naderhand voor specifiek gebruik in de drankenindustrie geschikt te maken.

Wat nu de indeling van de onderhavige produkten betreft, komt de Commissie tot de volgende conclusies:

Het begrip „vruchten” in de posten 08.10 en 20.06 omvat zowel gehele vruchten als vruchten in stukken en derhalve de verschillende bestanddelen ervan.

Bij ontleding van een vrucht in haar bestanddelen vallen die bestanddelen niet meer onder de overeenkomstige post van de betrokken hoofdstukken, indien zij ten gevolge van deze bewerking als zelfstandige produkten de kenmerken van een andere bijzondere post vertonen.

De onderhavige sinaasappeldelen — als een voor specifiek gebruik in de drankenindustrie vervaardigd bevroren of gepasteuriseerd en in blik verpakt produkt — voldoen niet aan de voorwaarden voor indeling onder tariefpost 23.06.

Deze produkten moeten, indien bevroren, onder post 08.10 en, indien gepasteuriseerd en in blik verpakt, onder post 20.06 worden ingedeeld, zelfs indien zij nagenoeg geen vruchtvlees of vruchtesap bevatten, doch grotendeels uit celvlies en witte binnenschil bestaan.

Deze bevinding volgt uit de objectieve uitlegging van de tekst der tariefposten en is niet gebaseerd op de algemene toepassingsbepaling nr. 4.

III — Mondelinge behandeling

Verzoekster in het hoofdgeding, ten deze vertegenwoordigd door de heer Ingang, en de Commissie der Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur P. Kalbe, hebben ter terechtzitting van 8 december 1976 mondelinge opmerkingen gemaakt.

Verzoekster in het hoofdgeding beklemtoonde dat het betrokken produkt geen vruchtvlees bevat maar uitsluitend bestaat uit celvlies en witte binnenschil, dat wil zeggen een in feite waardeloos residu. Zij verwees hierbij naar de posten 08.13 en 20.04 betreffende schillen. Voor deze laatste produkten gelden lagere invoerrechten, waaruit moet worden geconcludeerd dat het niet specifieke bestanddeel van een vrucht anders moet worden behandeld.

Dit geldt volgens verzoekster ook in het onderhavige geval: het betrokken produkt moet anders worden ingedeeld en onder een lager tarief vallen dan de specifieke vruchtdelen.

Ten slotte wees verzoekster in het hoofdgeding erop dat volgens de toelichtingen bij de Nomenclatuur van Brussel op post 23.06, tweede alinea, sub 5, afvallen van fruit (zoals schillen en klokhuizen van appelen, peren enz…) en droesem van fruit afkomstig van het persen van vruchten, behoren tot het soort produkten die worden gebruikt als dierlijk voedsel. In casu gaat het om een op droesem lijkende massa, daar de specifieke bestanddelen van de vrucht hierin niet of nauwelijks meer aanwezig zijn. Deze moet dus evenals droesem worden ingedeeld onder post 23.06.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 19 januari 1977 conclusie genomen.

Ten aanzien van het recht

1.

Overwegende dat het Bundesfinanzhof bij twee beschikkingen van 1 juni 1976, ingekomen ter griffie van het Hof op 19 juli 1976, krachtens artikel 177 een drietal overeenkomstige vragen heeft gesteld over de tariefindeling van een produkt, in het ene geval in gepasteuriseerde en in het andere in bevroren toestand, „dat bij de vervaardiging van vruchtesap wordt verkregen en uit delen van vruchten bestaat die bij het persen in het sap geraken en later worden uitgezeefd”;

2.

dat in de eerste plaats wordt gevraagd of post 08.10 van het gemeenschappelijk douanetarief „fruit, ook indien gekookt, bevroren, zonder toegevoegde suiker”, respectievelijk post 20.06 van dit tarief, „op andere wijze bereide of verduurzaamde vruchten, ook indien met toegevoegde suiker of alcohol”, aldus dienen te worden uitgelegd dat het indelingselement „vruchten” mede produkten kan omvatten, die weliswaar uit delen van vruchten bestaan maar toch de bepalende kenmerken van een vrucht praktisch geheel missen; inzonderheid of produkten, bestaande uit sinaasappeldelen die bij het persen van de sinaasappelen eerst in het sap geraken en later worden uitgezeefd, ook dan onder post 08.10 respectievelijk 20.06 kunnen worden gebracht, indien zij nagenoeg geen vruchtvlees of vruchtesap bevatten, doch grotendeels uit celvlies en albedo (de witte binnenschil) bestaan;

dat voor het geval de eerste vragen ontkennend worden beantwoord, in de tweede plaats wordt gevraagd of post 23.06 van het gemeenschappelijk douanetarief dan aldus dient te worden uitgelegd dat bovenbedoelde waar, ook al wordt zij in het algemeen en ook in het speciale geval niet als diervoeder gebruikt, niettemin onder deze post kan worden gebracht;

dat voor het geval de eerste en de tweede vragen ontkennend worden beantwoord, in de derde plaats wordt gevraagd of dan de waar krachtens de algemene toepassingsbepaling 5 (thans algemene toepassingsbepaling 4) onder een van beide genoemde posten kan worden gebracht;

3.

Overwegende dat uit het dossier blijkt dat over produkten als hier bedoeld een advies is uitgebracht door het Comité Nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief, dat werd ingesteld bij verordening (EEG) nr. 97/69 van de Raad van 16 januari 1969, betreffende de maatregelen die moeten worden getroffen voor de uniforme toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 14, blz. 1);

dat dit advies, „tariefbeslissing” genoemd, betrekking heeft op: „Produkten, sinaasappelcellen genaamd, in de vorm van een dikke, geelachtige, niet gekookte vruchtenmoes met een neutrale smaak of met een zwakke bittere sinaasappelsmaak, zonder toegevoegde suiker. Ze worden verkregen door het zeven van vruchtvleeshoudend sinaasappelsap; bovendien bevatten zij een bepaalde hoeveelheid min of meer fijn gemaakte velletjes, die vooral afkomstig zijn van het witte gedeelte van de schil. Zij zijn bestemd om aan geconcentreerd sinaasappelsap of aan limonade te worden toegevoegd”;

dat volgens het advies „deze produkten in gepasteuriseerde staat onder post 20.06 B II vallen, en in bevroren toestand onder post 08.10 B”, hetgeen als volgt wordt gemotiveerd: de betrokken produkten zijn hoofdzakelijk samengesteld uit delen van genoemde vruchten, te weten vruchtenmoes, celwand en een bepaalde hoeveelheid vooral van het witte gedeelte van de schil afkomstige velletjes;

dat volgens het advies „indeling onder post 23.06 is uitgesloten met name omdat bedoelde produkten door hun wijze van vervaardiging en van conservering, geen residu in de zin van deze post vormen”;

4.

Overwegende dat de adviezen van het Comité Nomenclatuur belangrijke middelen vormen ter verzekering van een uniforme toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief door de douaneautoriteiten van de Lid-Staten en als zodanig als waardevolle hulpmiddelen bij de uitlegging van het tarief kunnen worden beschouwd;

dat echter deze adviezen rechtens niet bindend zijn, zodat in voorkomend geval moet worden onderzocht of de inhoud ervan met de bepalingen zelf van het gemeenschappelijk douanetarief in overeenstemming is en de draagwijdte ervan niet wijzigt;

dat de vragen van de nationale rechter kennelijk zijn ingegeven door ernstige twijfel aan de vereinigbaarheid van het advies met de genoemde tariefposten;

5.

Overwegende dat de hoofdstukken 8 en 20 van het tarief volgens de bewoordingen ervan niet allen gehele produkten omvatten, doch ook vruchten die in stukken zijn gesneden, ontpit, tot pulp geplet, geraspt, geschild, gepeld of ontbolsterd;

dat hoofdstuk 8 eveneens betrekking heeft op schillen van citrusvruchten en van meloenen, terwijl ook ettelijke onderverdelingen van hoofdstuk 20 uitdrukkelijk of stilzwijgend betrekking hebben op schillen;

dat in al deze gevallen de bedoelde vruchten echter nog door hun bijzonderheden en hun voorkomen als delen van vruchten herkenbaar zijn en als vruchtbestanddelen een onderdeel vormen van de vraag naar verse of bereide vruchten;

dat het begrip vrucht niet dusdanig mag worden verruimd dat hieronder ook produkten komen te vallen waaraan de wezensbestanddelen van het natuurlijke produkt ontbreken;

dat derhalve produkten als omschreven door het verwijzende college, te weten persresiduen die slechts uit celweefsel van het vruchtvlees en gedeeltelijk uit de witte binnenschil bestaan, — dat wil zeggen volgens de gangbare opvatting geen wezenlijke delen van een vrucht —, niet zijn te beschouwen als vruchten in de zin van de hoofdstukken 8 en 20, aangezien elke vrucht althans bestaat uit een buitenschil en vruchtvlees;

6.

Overwegende dat voor deze bevinding ook pleit dat het gemeenschappelijk douanetarief een apart hoofdstuk, nr. 23, bevat voor „resten en afval van de voedselindustrie; bereid voedsel voor dieren”;

dat weliswaar in bovengenoemde „tariefbeslissing” een indeling onder de posten van dit hoofdstuk wordt uitgesloten met name omdat bedoelde produkten door hun wijze van vervaardiging en van conservering geen residu in de zin van deze posten vormen, maar dat het door het nationale college bedoeld produkt blijkens het dossier een residu bij de vervaardiging van vruchtesap is, daar het bij het persen van gesneden vruchten of het afzuigen van sap eerst in het sap geraakt en daarna moet worden uitgezeefd;

dat aan een indeling onder hoofdstuk 23 niet in de weg staat dat het produkt niet bestemd is als voedsel voor dieren, aangezien dit hoofdstuk luidens de titel en de bewoordingen van verschillende onderverdelingen niet alleen betrekking heeft op voedsel voor dieren;

dat een indeling van het produkt onder de posten van hoofdstuk 8 en hoofdstuk 20 de begrippen „eetbare vruchten” of „bereidingen van vruchten” te zeer dreigt te verruimen, terwijl gelet op de door het nationale college verstrekte gegevens een indeling onder de posten van hoofdstuk 23 „resten en afval” daarentegen redelijk lijkt;

7.

Overwegende dat de derde vraag welke slechts is gesteld voor het geval de eerste en de tweede vraag ontkennend worden beantwoord, derhalve zonder voorwerp is geraakt;

8.

Overwegende dat mitsdien op de gestelde vragen moet worden geantwoord dat post 23.06 van het gemeenschappelijk douanetarief aldus dient te worden uitgelegd dat hieronder mede produkten kunnen vallen, die weliswaar uit delen van vruchten bestaan maar toch de bepalende kenmerken van een vrucht praktisch geheel missen, inzonderheid produkten, bestaande uit sinaasappeldelen die bij het persen van de sinaasappelen eerst in het sap geraken en later worden uitgezeefd en die nagenoeg geen vruchtvlees of vruchtesap bevatten, doch grotendeels uit celvlies en albedo (de witte binnenschil) bestaan;

Ten aanzien van de kosten

9.

Overwegende dat de kosten, door de Commissie der Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen;

dat de procedure ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen;

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE

uitspraak doende op de door het Bundesfinanzhof bij beschikkingen van 1 juni 1976 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Post 23.06 van het gemeenschappelijk douanetarief dient aldus te worden uitgelegd dat hieronder mede produkten kunnen vallen, die weliswaar uit delen van vruchten bestaan maar toch de bepalende kenmerken van een vrucht praktisch geheel missen, inzonderheid produkten, bestaande uit sinaasappeldelen die bij het persen van de sinaasappelen eerst in het sap geraken en. later worden uitgezeefd en die nagenoeg geen vruchtvlees of vruchtesap bevatten, doch grotendeels uit celvlies en albedo (de witte binnenschil) bestaan.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

1
EEG-Verdrag art. 1771 voorkomen

Rechtspraak

2

Europese Unie

2

Bekijk de 2 documenten