Beschikking van het Hof van 30 juni 1997, C-66/97 · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Voltallige zitting C-66/97 ECLI:EU:C:1997:334 30 juni 1997

Zoeken

Beschikking van het Hof van 30 juni 1997, C-66/97EG-Verdrag art. 59 en art. 92

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-66-97-beschikking

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Voltallige zitting
Zaak
C-66/97
ECLI
ECLI:EU:C:1997:334
Datum
30 juni 1997

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Prejudiciële verwijzing niet-ontvankelijk
Verwijzende rechter
Tribunal Cível da Comarca de Lisboa, 1.º Juízo (Portugal) beslissing van 29 januari 1997
Zaak ingediend op
17 februari 1997
Advocaat-generaal
Ruiz-Jarabo Colomer

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Portugees
Jurisprudentie
Jurispr. 1997, blz. I-3757
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Moitinho de Almeida
Repertorium van het Hof

Tekst

44 paragrafen

Beschikking van het Hof

30 juni 1997

In zaak C-66/97,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Tribunal Cível da Comarca de Lisboa, in het aldaar aanhangig geding tussen

Banco de Fomento e Exterior SA

A. M. Martins Pechim,

M. L. Barros Raposo Pechim,

Confecções Têxteis de Vouzela Ld. (CTV),

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 59, 90 en 92 EG-Verdrag,

geeft

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, G. F. Mancini, J. C. Moitinho de Almeida (rapporteur), J. L. Murray en L. Sevón, kamerpresidenten, C. N. Kakouris, P. J. G. Kapteyn, C. Gulmann, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet, G. Hirsch, P. Jann, H. Ragnemalm, M. Wathelet en R. Schintgen, rechters,

advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer

griffier: R. Grass

de advocaat-generaal gehoord,

de navolgende

Beschikking

1.

Bij beschikking van 29 januari 1997, ingekomen bij het Hof op 17 februari daaraanvolgend, heeft het Tribunal Cível da Comarca de Lisboa krachtens artikel 177 EG-Verdrag vijf prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 59, 90 en 92 EG-Verdrag.

2.

Die beschikking is gegeven in een voor het Tribunal Cível da Comarca de Lisboa aanhangig geding, dat reeds aanleiding heeft gegeven tot de verwijzing van vijf identieke prejudiciële vragen, die het onderwerp waren van een beschikking van het Hof van 13 maart 1996 (zaak C-326/95, Banco de Fomento e Exterior, Jurispr. 1996, blz. I-1385).

3.

Er zij aan herinnerd, dat het hoofdgeding betrekking heeft op een door de Banco de Fomento e Exterior SA (hierna: „BFE”) ingeleide procedure tot executie van een schuldvordering op de echtelieden Pechim en Confecções Têxteis de Vouzela Ld. a.

4.

In voornoemde zaak C-325/95 betoogden verweerders in het hoofdgeding, dat de door de BFE ingeleide procedure onregelmatig was, op grond dat besluitwet nr. 41957 van 13 november 1958 (Diário do Governo, 2 e kwartaal 1958, blz. 558; hierna: „besluitwet”), die de BFE talrijke voorrechten verleent, onder meer om schuldvorderingen volgens de op fiscaal gebied vastgestelde executieprocedure te kunnen innen en daartoe het aan de boeken van de bank ontleende schuldbewijs als executoriale titel te beschouwen, onverenigbaar zou zijn met de gemeenschapsregels betreffende het vrij verrichten van diensten en het mededingingsrecht. Zij hadden bijgevolg de nationale rechter in overweging gegeven, het Hof de navolgende prejudiciële vragen te stellen:

1)„ Moet de Banco de Fomento e Exterior worden beschouwd als een ‚onderneming’en inzonderheid als een ‚openbaar bedrijf’, met name in de zin van de artikelen 90 en 92 EG-Verdrag?

2)Kunnen de voorrechten die de Banco de Fomento e Exterior vergeleken met haar concurrenten geniet, worden aangemerkt als ‚staatssteun’ in de zin van artikel 92 EG-Verdrag?

3)Moeten die voorrechten worden beschouwd als beperkingen van het vrij verrichten van diensten binnen de Gemeenschap in de zin van artikel 59 EG-Verdrag?

4)Hebben de genoemde artikelen 59, 90, lid 1, en 92, lid 1, EG-Verdrag rechtstreekse werking en kunnen zij door de geëxecuteerde in de onderhavige procedure worden ingeroepen?

5)Zijn de bepalingen van het EG-Verdrag dwingend en zetten zij ermee strijdige bepalingen van nationaal recht opzij?”

5.

In zijn eerste verwijzingsbeschikking had de nationale rechter besloten de behandeling van de zaak te schorsen met het oog op een onderzoek van de door verweerders in het hoofdgeding voorgestelde prejudiciële vragen.

6.

In voornoemde beschikking Banco de Fomento e Exterior had het Hof eraan herinnerd, dat volgens artikel 177, tweede alinea, EG-Verdrag, wanneer een prejudiciële vraag wordt opgeworpen voor een rechterlijke instantie van één der Lid-Staten, deze instantie, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof van Justitie kan verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen.

7.

Volgens de rechtspraak van het Hof is het wegens het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te komen, noodzakelijk dat deze een omschrijving geeft van het feitelijk en juridisch kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteenzet waarop die vragen zijn gebaseerd (zie onder meer arrest van 26 januari 1993, gevoegde zaken C-320/90, C-321/90 en C-322/90, Telemarsicabruzzo e. a., Jurispr. 1993, blz. I-393, r. o. 6; beschikkingen van 19 maart 1993, zaak C-157/92, Banchero, Jurispr. 1993, blz. I-1085, r. o. 4; 9 augustus 1994, zaak C-378/93, La Pyramide, Jurispr. 1994, blz. I-3999, r. o. 14, en 23 maart 1995, zaak C- 458/93, Saddik, Jurispr. 1995, blz. I-511, r. o. 12).

8.

Het Hof had voorts beklemtoond, dat de in verwijzingsbeschikkingen verstrekte gegevens niet enkel dienen om het Hof in staat te stellen een bruikbaar antwoord te geven, doch ook om de regeringen der Lid-Staten en de andere belanghebbende partijen de mogelijkheid te bieden, overeenkomstig artikel 20 van 's Hofs Statuut-EG opmerkingen te maken. Het had eraan herinnerd, dat het erop diende toe te zien, dat deze mogelijkheid gewaarborgd blijft, in aanmerking genomen dat ingevolge genoemde bepaling alleen de verwijzingsbeschikkingen ter kennis van de belanghebbende partijen worden gebracht (arrest van 1 april 1982, gevoegde zaken 141/81, 142/81 en 143/81, Holdijk e. a., Jurispr. 1982, blz. 1299, r. o. 6, en beschikking Saddik, reeds aangehaald, r. o. 13).

9.

Weliswaar heeft het Hof erkend, dat het vereiste dat de nationale rechter een omschrijving geeft van het feitelijk en juridisch kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, minder absoluut is wanneer de vragen betrekking hebben op specifieke technische punten en het Hof ook dan een nuttig antwoord kan geven wanneer de nationale rechter de juridische en feitelijke context niet in bijzonderheden heeft uiteengezet (arrest van 3 maart 1994, zaak C-316/93, Vaneetveld, Jurispr. 1994, blz. I-763, r. o. 13).

10.

In voornoemde beschikking Banco de Fomento e Exterior stelde het Hof echter vast, dat dit in de hem toen voorgelegde zaak niet het geval was, aangezien de verwijzingsbeschikking niets bevatte wat aan de zojuist genoemde vereisten voldeed.

11.

Zo wees het Hof erop, dat de verwijzingsbeschikking geen enkele aanwijzing van de nationale rechter bevatte omtrent de situatie feitelijk en rechtens in de bij hem aanhangige zaak en omtrent de redenen waarom hij de antwoorden op de door verweerders in het hoofdgeding geformuleerde prejudiciële vragen noodzakelijk achtte voor de oplossing van het geschil. Het feitelijk en juridisch kader zou slechts door onderzoek van de memories van partijen in het hoofdgeding hebben kunnen worden vastgesteld.

12.

In de onderhavige verwijzingsbeschikking maakt de nationale rechter allereerst melding van de door verweerders in het hoofdgeding aangevoerde middelen, met name: 1) dat de besluitwet waarop de BFE zich beroept, niet meer van kracht is; 2) dat de BFE zich niet van de op fiscaal gebied vastgestelde executieprocedure kan bedienen om eventuele schuldvorderingen op verweerders in het hoofdgeding te innen; 3) dat, zelfs indien de besluitwet als nog steeds van kracht zou worden beschouwd, het feit dat de BFE voor het innen van de schuldvordering waarvan executie wordt verlangd de op fiscaal gebied vastgestelde executieprocedure volgt, de gemeenschapsregels betreffende het vrij verrichten van diensten en het mededingingsrecht zou schenden; 4) en, ten slotte, dat uit de statuten van de BFE blijkt, dat haar geen enkele taak van openbaar belang is opgedragen, maar enkel middelen ter beschikking zijn gesteld, om op de financiële markt onder dezelfde omstandigheden als een handelsbank te kunnen optreden.

13.

Met betrekking tot dit laatste middel wijst de verwijzende rechter erop, dat verweerders in het hoofdgeding hebben opgemerkt, dat de BFE niettemin over een aantal voorrechten beschikt, die haar in staat stellen op de Portugese en de Europese financiële markt een bijzondere positie in te nemen. Zo zou de BFE onder meer recht hebben op vrijstelling van belastingen en heffingen, speciale kredietfaciliteiten, gebruik van gegevens van overheidsdiensten, vereenvoudigde procedures bij vestiging van bijkantoren, toepassing van de fiscale executieregeling voor het innen van schuldvorderingen (en dus vrijstelling van de aan de procedure verbonden voorschotten, kosten en diverse uitgaven) en toekenning van executoriale kracht aan door haar uitgegeven documenten, fiscale voordelen om het verkrijgen van kredieten te vergemakkelijken, en toepassing van de overheidsregeling inzake onteigening voor eigen gebruik. Zij concluderen daaruit, dat de nationale rechter zich krachtens artikel 90, lid 1, artikel 92, lid 1, en artikel 59 EG-Verdrag in de onmogelijkheid bevindt om de besluitwet (inzonderheid de artikelen 2, 3, 22, 40, 42, 43, 44 en 45) toe te passen.

14.

De nationale rechter zet vervolgens uiteen, dat de BFE heeft gesteld, dat de bij de besluitwet toegekende voordelen in overeenstemming zijn met de Portugese wet, die „de verschillende behandeling van vergelijkbare, maar niet gelijke situaties toestaat en beschermt”, en dat zij niet in strijd zijn met het EG-Verdrag.

15.

Ten slotte verklaart de verwijzende rechter, dat de feiten vaststaan, en dat nog enkel op die feiten de „toepasselijke wettelijke regels” moeten worden toegepast.

16.

Met betrekking tot de onderhavige verwijzingsbeschikking dient te worden vastgesteld, dat zij nog steeds geen voldoende aanwijzingen bevat die aan de voormelde vereisten voldoen, en zich, zoals de vorige, ertoe beperkt de door verweerders in het hoofdgeding voorgestelde vragen weer te geven.

17.

Er zij op gewezen, dat de verwijzende rechter zich niet uitspreekt over de door verweerders in het hoofdgeding opgeworpen vraag, of de besluitwet, onder meer wat de bijzondere procedure voor het innen van schuldvorderingen betreft, nog steeds van kracht is, en dat hij, door eenvoudig naar de „toepasselijke wettelijke regels” te verwijzen, ook niet voldoende het nationale rechtskader aangeeft, waarin de door hem gestelde vragen moeten worden geplaatst.

18.

Dienaangaande zij erop gewezen, dat de verwijzende rechter, in het kader van de eerste twee prejudiciële vragen, geen melding heeft gemaakt van de kenmerken van de activiteit van de BFE, de taak die haar is opgedragen en de vorm waarin zij is opgericht. Hij heeft ook geen inlichtingen verstrekt omtrent het aan de BFE verleende voorrecht om schuldvorderingen volgens de op fiscaal gebied vastgestelde executieprocedurc te kunnen innen, en onder meer niet vermeld, of een dergelijk voorrecht enkel aan de BFE is toegekend.

19.

Mitsdien moet krachtens artikel 92 van het Reglement voor de procesvoering worden vastgesteld, dat de aan het Hof gestelde prejudiciële vragen kennelijk niet-ontvankelijk zijn.

Kosten

20.

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE

beschikt:

Het door het Tribunal Cível da Comarca de Lisboa ingediende verzoek om een prejudiciële beslissing is niet-ontvankelijk.

Luxemburg, 30 juni 1997.

De griffier

R. Grass

De president

G. C. Rodríguez Iglesias

Voetnoten

  • *1Procestaal: Portugees.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

7
EG-Verdrag art. 595 voorkomens
EG-Verdrag art. 925 voorkomens
EG-Verdrag art. 904 voorkomens
EG-Verdrag art. 1773 voorkomens

Rechtspraak

1

Europese Unie

1

Hof van JustitieC-181/9728.01.1999

Vierde deel EG-Verdrag

Bekijk het document