ARREST
TEN AANZIEN VAN DE FEITEN
I — De aan het geding ten grondslag liggende feiten
Uit de verwijzingsbeslissing van het Scheidsgerecht van het Beambtenfonds voor het Mijnbedrijf te Heerlen, Nederland (hierna te noemen het „Scheidsgerecht”) alsmede uit het door genoemd college toegezonden dossier blijkt dat aan het onderhavige geding de volgende feiten ten grondslag liggen :
Verzoekster, oud 70 jaar, weduwe van een Nederlandse mijn-beambte, is in het genot van een pensioen ten laste van de pensioenkas van de Nederlandse instelling van sociale zekerheid het Beambtenfonds voor het Mijnbedrijf (hierna te noemen: BFM), verweerster in het voor het Scheidsgerecht aanhangige geschil.
Zolang zij in Nederland woonde, was zij op grond van haar aanspraak op pensioen bij de Ziekenkas Gepensionneerden van het Beambtenfonds ingeschreven.
Op 31 augustus 1963 verhuisde zij naar de Bondsrepubliek Duitsland. Afgaande op haar door gedaagde in deze zin verstrekte inlichtingen, verzocht zij als lid van voormelde ziekenkas te worden geschrapt. Haar werd geantwoord dat haar lidmaatschap van de ziekenkas sedert voormelde datum was geëindigd, daar in het buitenland woonachtige gepensionneerden niet bij deze kas verzekerd kunnen blijven.
Vervolgens deed zij op grond van andere inlichtingen een verzoek om wederom bij de kas te worden ingeschreven. Gedaagde heeft op grond van het vroegere artikel 18b van het „Reglement van het Beambtenfonds voor het Mijnbedrijf” (hierna te noemen : „RBFM”), dat met het tegenwoordige artikel 18, lid 1, overeenstemt, op dit verzoek afwijzend beschikt.
Tegen deze beschikking is verzoekster bij het Scheidsgerecht in beroep gekomen.
II — Vragen door het Scheidsgerecht gesteld en de overwegingen waarop zijn verwijzingsbeschikking berust
In zijn beslissing van 10 december 1965 verzoekt het Scheidsgerecht aan het Hof zich over de volgende vragen te willen uitspreken :
Is de regeling, voorkomende in hoofdstuk II van het Reglement van het Beambtenfonds voor het Mijnbedrijf, aan te merken als een wettelijke regeling, gelijk nader omschreven in artikel 1 onder b van verordening no. 3 en genoemd in artikel 4 van die verordening, en kan voornoemde ziektekostenregeling met name gerangschikt worden onder de in bijlage B, genoemd in artikel 3 van die verordening, vermelde : „ziekteverzekering van de mijnwerkers (uitkeringen en verstrekkingen bij ziekte en moederschap)”, zodat de verordening no. 3 (alsmede dan ook de verordening no. 4) van toepassing zijn op de beambten bij het Nederlandse mijnbedrijf, op wie voormelde ziektekostenregeling van toepassing is?
2. Zo deze vraag bevestigend wordt beantwoord, kan men dan aannemen dat de appellante in dit geding recht heeft op de verstrekkingen, als bedoeld in artikel 22 van de verordening no. 3 en met name genoemd aan het slot van artikel 22, lid 2, nu krachtens artikel 18 b), lid 1, van het reglement, gelijk dat destijds luidde, alleen recht bestaat om onder nader te stellen voorwaarden te worden toegelaten tot verzekering van het recht op vergoeding voor geneeskundige behandeling, verstrekking van geneesmiddelen en verpleging uit de ziekenkas?”
Voornoemde beslissing van het Scheidsgerecht berust met name op de volgende overwegingen :
Door te bepalen dat het Scheidsgerecht uitspraak zal doen „met inachtneming van de voorschriften van dit reglement waarvan niet mag worden afgeweken”, beoogt artikel 89, lid 3, van het RBFM (zie hieronder 3) te verhinderen dat het gerecht zich uitsluitend door overwegingen van billijkheid zal laten leiden. Anderzijds mag genoemd artikel niet worden uitgelegd als een verbod voor het Scheidsgerecht om in voorkomende gevallen andere wettelijke bepalingen, zoals de verordeningen nos. 3 en 4, toe te passen.
In casu verschillen partijen van mening ten aanzien van de vraag of laatstgenoemde teksten op het geval van verzoekster toepasselijk zijn; het Hof is derhalve bevoegd bij wege van prejudiciële heslissing over de aldus opgeworpen vragen te beslissen.
Weliswaar kan het Scheidsgerecht niet worden beschouwd als een rechterlijke instantie in de zin der Nederlandse wet, doch het is geenszins uitgesloten dat het wèl moet worden beschouwd als een zodanige instantie in de zin van artikel 177 van het E.E.G.-Verdrag; overigens staat het aan het Hof deze vraag te beantwoorden.
III — Beknopte weergave van de bepalingen betreffende de rechtspraak van het Scheidsgerecht
Voor de rechtspraak van het Scheidsgerecht gelden met name de volgende bepalingen :
Reglement van het Beambtenfonds voor het Mijnbedrijf
Tegen beslissingen van het bestuur omtrent aanspraken van leden en gewezen leden of van hun nagelaten betrekkingen kan de belanghebbende in beroep komen bij een door de minister, onder wie het Mijnwezen ressorteert, te benoemen Scheidsgerecht.
…
Het Scheidsgerecht zal, met inachtneming van de voorschriften van dit reglement waarvan niet mag worden afgeweken, tussen partijen in hoogste ressort uitspraak doen. Waar dit reglement aan het bestuur bevoegdheden toekent, waarvan de gebruikmaking te zijner discretie is, zijn de desbetreffende beslissingen aan het oordeel van het Scheidsgerecht onttrokken.
Elk beroep moet schriftelijk worden ingesteld binnen twee maanden na dagtekening van de mededeling van de beslissing waartegen het is gericht.
Het beroepschrift houdt in de datum van de in het eerste lid bedoelde mededeling en een uiteenzetting van de bezwaren tegen de beslissing, alsmede een duidelijke vordering.
Het beroepschrift moet door degene, die beroep instelt, of namens hem door een gemachtigde worden ondertekend.
Het instellen van beroep heeft geen schorsende werking ten aanzien van de oorspronkelijke beslissing.
De beslissing in beroep, waarbij wordt afgeweken van die, waartegen beroep is ingesteld, treedt in de plaats daarvan.
Het Scheidsgerecht bestaat uit drie leden en drie plaatsvervangende leden.
De minister, onder wie het Mijnwezen ressorteert, wijst een van de leden als voorzitter aan.
Het Scheidsgerecht wijst aan, welk lid de voorzitter bij verhindering of ontstentenis vervangt.
Het Scheidsgerecht benoemt al of niet uit zijn midden een secretaris.
De plaatsvervangende leden nemen, zo dikwijls het nodig is, de taak van een lid waar.
De minister, onder wie het Mijnwezen ressorteert, stelt, het bestuur van het fonds gehoord, een reglement voor het Scheidsgerecht vast …
Het Scheidsgerecht bepaalt bij elke uitspraak of, en tot welk bedrag de kosten van die uitspraak zullen worden gedragen door degene, die het beroep heeft ingesteld.
Voor het overige komen de kosten van het Scheidsgerecht ten laste van het fonds.
Het bestuur van het fonds is, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden, bevoegd dit reglement te wijzigen.
…
Het besluit behoeft de goedkeuring van de algemene vergadering en van de minister, onder wie het Mijnwezen ressorteert.
Dit reglement met de daarbij behorende „overgangsbepalingen” behoeven de goedkeuring van de minister onder wie het Mijnwezen ressorteert.”
Reglement voor het Scheidsgerecht
Tijd en plaats van de zittingen van het Scheidsgerecht worden door de voorzitter vastgesteld en door of namens hem aan de leden of, zo nodig, aan hun plaatsvervangers medegedeeld.
Het Scheidsgerecht stelt een rooster inzake de plaatsvervanging van zijn leden vast.
Leden en plaatsvervangende leden van het Scheidsgerecht nemen geen deel aan de behandeling van een beroep, hetwelk hen persoonlijk, hun echtgenoten of bloed- of aanverwanten tot in de derde graad aangaat.
(Deze bepalingen kennen met name aan de voorzitter de bevoegdheid toe beroepen niet-ontvankelijk te verklaren wanneer aan bepaalde voorwaarden niet is voldaan. Zij voorzien mede dat belanghebbenden tegen een zodanige beslissing bij het Scheidsgerecht verzet kunnen doen.)
Wordt het beroep niet bij beschikking van de voorzitter afgedaan of is een beschikking ten gevolge van gegrond verklaard verzet vervallen, dan zendt de secretaris ten spoedigste een afschrift van het beroepschrift aan het bestuur van het fonds.
Binnen veertien dagen na ontvangst hiervan zendt het bestuur een afschrift van zijn beslissing, waartegen het beroep is gericht bij het Scheidsgerecht in, onder bijvoeging, in afschrift of in originali, van alle zich onder zijn berusting bevindende stukken, welke op de zaak betrekking hebben.
Binnen dezelfde termijn kan het bestuur bezwaren tegen het beroepschrift bij het Scheidsgerecht indienen. Een afschrift van het schrijven, waarin die bezwaren zijn vervat, wordt door de secretaris gezonden aan de appellant.
Het Scheidsgerecht stelt de appellant of zijn gemachtigde desverlangd in de gelegenheid inzage of afschrift te nemen van de in het tweede lid bedoelde stukken.
Alvorens omtrent een beroep te beslissen, geeft het Scheidsgerecht aan partijen gelegenheid haar bezwaren in een zitting mondeling toe te lichten.
…
…
Acht het Scheidsgerecht het wenselijk, dat de partijen in persoon ter zitting verschijnen, dan worden deze daartoe door de secretaris opgeroepen.
Het Scheidsgerecht kan door de secretaris getuigen en deskundigen doen oproepen om in een zitting te worden gehoord. Het Scheidsgerecht kan aan deskundigen een onderzoek opdragen.
Partijen zijn bevoegd getuigen en deskundigen ter zitting mede te brengen.
Het Scheidsgerecht neemt zijn beslissingen in voltallige zitting.
Deze beslissingen worden genomen met meerderheid van stemmen.
De beslissingen zijn met redenen omkleed en worden door de voorzitter en de secretaris ondertekend.
…
Het Scheidsgerecht is bevoegd nadere regelen van procedure vast te stellen in alle gevallen, waarin de bij dit reglement vastgestelde regelen van procedure niet voorzien.”
IV — Procedure
Overwegende, dat — overeenkomstig artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de E.E.G. — door verweerster in de hoofdzaak, de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Commissie van de E.E.G. schriftelijke opmerkingen zijn ingezonden;
dat de mondelinge behandeling ter terechtzitting van 3 mei 1966 heeft plaatsgehad;
dat de Advocaat-Generaal op 18 mei 1966 zijn conclusies heeft genomen;
V — Samenvatting van de ingevolge artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de E.E.G. ingezonden schriftelijke opmerkingen
Overwegende, dat de overeenkomstig artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de E.E.G. ingezonden opmerkingen als volgt kunnen worden samengevat :
1. Opmerkingen van verweerster in de hoofdzaak
A — Ten aanzien van de bevoegdheid van het Scheidsgerecht zich tot het Hof te wenden.
Verweerster in de hoofdzaak meent dat het Scheidsgerecht niet is een rechterlijke instantie in de zin van artikel 177 van het E.E.G.-Verdrag.
Zij stelt voorts dat het Scheidsgerecht niet aangemerkt kan worden als een rechterlijke instantie in de zin van de Nederlandse wet, doch erkent dat dit feit op zichzelf niet beslissend is.
Anderzijds is zij van oordeel dat de door het Scheidsgerecht gegeven beslissingen geen uitspraken zijn van scheidsmannen, zoals bedoeld in het derde boek, eerste titel, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, doch bindende adviezen. Zodanig advies „moet worden beschouwd als een contractueel bedongen aanvulling van een tussen partijen bestaande overeenkomst door een derde, in casu het Scheidsgerecht. In formeel-wettelijke zin is het bindend advies geen rechtspraak; in materiële zin is het ongetwijfeld wel als rechtspraak aan te merken”.
Van belang is nog dat iedere partij zijn in artikel 170 van de Grondwet verankerd recht behoudt om de onderhavige geschillen aan de burgerlijke rechter voor te leggen. Derhalve „draagt het bindend advies altijd een voorlopig karakter in deze zin, dat voor deszelfs nakoming eventueel een vonnis van de gewone burgerlijke rechter nodig is … Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad zal die rechter dan hebben te oordelen of het redelijk is de wederpartij aan het bindend advies gebonden te achten, hetzij uit hoofde van de inhoud van het advies zelf, hetzij uit hoofde van de wijze van totstandkoming. De gewone rechter oefent dus controle uit op het totstandgekomen bindend advies, zij het dat deze controle van marginale aard is”. De burgerlijke rechter zal zich bij zijn beoordeling moeten afvragen of „de scheidslieden zich bij het geven van hun advies niet hebben begeven buiten het terrein, waarop zij geacht moeten worden ingevolge uitdrukkelijke of stilzwijgende opdracht van partijen bevoegd te zijn”.
Anders dan het Scheidsgerecht is verweerster in de hoofdzaak van oordeel dat artikel 89 van het RBFM (zie hierboven I, 3) niet inhoudt dat het gerecht bevoegd zou zijn het gemeenschapsrecht toe te passen; op grond van bovenstaande uiteenzetting zouden partijen eventueel gerechtigd zijn deze vraag aan de burgerlijke rechter voor te leggen.
B — Ten aanzien van de eerste vraag van het Scheidsgerecht
a) Verweerster in de hoofdzaak meent dat hoofdstuk II van het RBFM niet kan worden gelijkgesteld met een „wettelijke regeling” in de zin van verordening no. 3. Zij voert hiertoe met name het volgende aan : Bedoelde regeling is opgesteld door het Bestuur en heeft vervolgens de goedkeuring van de algemene vergadering en van de bevoegde minister verkregen. Het reglement gaat ervan uit, dat alle beambten, werkzaam bij een Nederlandse mijnonderneming, lid zijn van de ziekenkas. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 33 van de verordening van de Mijnindustrieraad d.d. 8 september 1952. Het feit dat deze verordening door een publiekrechtelijk orgaan is vastgesteld kan evenwel niet beslissend worden geacht. Het lidmaatschap van de ziekenkas is voor de beambten in beginsel verplicht, doch zulks geldt niet voor de gepensioneerden. Men kan zich niet beroepen op het feit dat de ziektekostenregeling van de mijnwerkers (zie hieronder b) in de plaats is getreden van de wettelijke ziektekostenverzekering. Normaliter zouden deze werknemers alsmede de mijnbeambten (zie hieronder b) wier inkomen een bepaalde grens niet overschrijdt aan de verplichte wettelijke verzekering onderworpen zijn; de mijnwerkers vallen evenwel onder de uitzondering van artikel 20 van de Ziektewet daar op hen de onderhavige regeling van toepassing is. De overige mijnbeambten — waartoe de echtgenoot van eiseres in de hoofdzaak behoorde — zouden, zelfs indien zij niet aan het BFM onderworpen waren, niet verplicht verzekerd zijn ingevolge de wet; het lidmaatschap van de ziekenkas kan voor hen dan ook niet als een substituut worden gezien voor de gewone wettelijke regeling.
b) Het begrip „mijnwerkers” omschreven in bijlage B van verordening no. 3, hoofdstuk „Nederland”, sub i), omvat niet de beambten. Dit wordt nog bevestigd door het feit dat de Tweede Aanvullende Overeenkomst behorende bij het Nederlands-Duitse Verdrag inzake de sociale verzekering van 29 maart 1951 de mijnbeambten afzonderlijk naast de mijnwerkers noemt. Een ander argument voor de hier verdedigde opvatting is het feit dat bij het ontwerpen van de verordening no. 3 wel een vertegenwoordiger van de mijnwerkers was betrokken, doch dat zulks niet het geval was voor de beambten.
C — Ten aanzien van de tweede vraag van het Scheidsgerecht
Verweerster in de hoofdzaak meent dat voor het geval het Hof de eerste vraag bevestigend beantwoordt, vraag 2 toch in elk geval ontkennend beantwoord zal moeten wórden, daar artikel 22 (2) van verordening no. 3 in casu niet toepasselijk is. Zij voert daartoe met name de volgende argumenten aan :
Dit artikel betreft de „verstrekkingen in natura”, deze worden echter door de ziekenkas van het BFM niet gegeven. Integendeel, de verzekerden ontvangen slechts geldelijke vergoedingen voor de door hen zelf gemaakte kosten.
Het lidmaatschap van de ziekenkas gepensioneerden berust uitsluitend op een overeenkomst tussen het Bestuur van het BFM en de verzekerde; het lidmaatschap is derhalve facultatief en draagt een privaatrechtelijk karakter.
Het lidmaatschap van de ziekenkas is niet inherent aan het recht op pensioen ten laste van het BFM; ook de gepensioneerde mijnbeambten die geen zodanige pensioenaanspraken hebben, kunnen lid zijn van de ziekenkas gepensioneerden. Artikel 22 (2) van verordening no. 3 eist echter juist dat het recht op verstrekkingen in natura verbonden is aan het recht op pensioen.
Verordening no. 3 regelt de sociale verzekering van migrerende werknemers en van hun gezinsleden. Tot deze categorie kan niet worden gerekend de weduwe van een overleden werknemer die zelf nimmer werkneemster is geweest en na het verkrijgen van aanspraak op weduwenpensioen haar woonplaats naar een andere Lid-Staat overbrengt, doch niet met de bedoeling om daar te gaan werken.
Ware dit anders dan zou men zich in zodanig geval kunnen gaan vestigen in die Lid-Staat, of achtereenvolgens in die Lid-Staten, waar de beste verzorging gegeven wordt.
Ten slotte — en in het algemeen — is het uitgesloten, althans in Nederland, een particuliere ziektekostenverzekering af te sluiten welke bij overbrenging van de woonplaats buitenslands niet zou worden beëindigd.
2. Opmerkingen van de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden heeft alleen haar standpunt bepaald met betrekking tot de vraag, of het Scheidsgerecht bevoegd is zich tot het Hof van Justitie te wenden.
De Nederlandse Regering is van mening, dat het Hof — zonder zich te begeven in de vraag, in. hoeverre scheidsgerechten in het algemeen bevoegd zijn het Hof te adiëren — het onderhavige Scheidsgerecht als rechterlijke instantie in de zin van artikel 177 zal kunnen beschouwen; zij beroept zich daartoe op de navolgende overwegingen :
Het RBFM, krachtens hetwelk het Scheidsgerecht werd ingesteld, is overeenkomstig de in Nederland bestaande bepalingen goedgekeurd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, alsmede — in verband met artikel 39 van de Invaliditeitswet — door de minister van Economische Zaken; op grond van genoemd artikel zijn degenen, wier invaliditeits- en ouderdomspensioenen door een andere publiekrechtelijke regeling worden beheerst, niet verplicht verzekerd in de zin van genoemde wet; zulks geldt ook indien door de bevoegde autoriteiten is verklaard dat bedoelde regeling — die voor de algemene bepalingen in de plaats treedt — aan de wettelijke vereisten voldoet en voldoende waarborgen voor de uitkering der pensioenen biedt.
Het verdient in dit verband opmerking, dat de door het RBFM bedoelde personen tot aansluiting bij het BFM verplicht zijn. Uit een en ander volgt, dat het RBFM als een publiekrechtelijke regeling moet worden beschouwd; „de taak van het Scheidsgerecht vertoont dan ook veel overeenstemming met die van een gewone overheidsrechter.”
Het is juist, dat het Scheidsgerecht niet is een college van scheidsmannen in de zin van artikel 620 van het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat zijn uitspraken derhalve niet executoir kunnen worden verklaard en dat belanghebbenden zich, ten einde tot tenuitvoerlegging te geraken, tot de burgerlijke rechter moeten wenden. Deze laatste beperkt zich echter tot een „marginale toetsing”; bovendien is dit geval van weinig praktische betekenis; veroordelende uitspraken zijn wel steeds gericht tot het BFM, dat zich zonder meer naar dezelve gedraagt.
Het Scheidsgerecht is ten slotte gebonden aan het objectieve recht en mag derhalve niet oordelen ex aequo et bono.
3. Opmerkingen van de Commissie van de E.E.G.
A — De bevoegdheid van het Scheidsgerecht zich tot het Hof te wenden
Naar de opvatting van de Commissie is het Scheidsgerecht hiertoe bevoegd daar het „gezien zijn instelling, zijn werkwijze en zijn taak de ge wone kenmerken vertoont van een orgaan dat belast is met de beslechting van geschillen en meer in het bijzonder van die welke zich voordoen bij de toepassing van de stelsels van sociale zekerheid” ;
Het Scheidsgerecht is onafhankelijk van het BFM, daar zijn rechtsprekende bevoegdheden duidelijk gescheiden zijn van de administratieve functies van het fonds. Het draagt een permanent karakter, daar het Reglement waarbij het werd ingesteld slechts kan worden vastgesteld en gewijzigd met toestemming van de bevoegde minister, die de leden van het college aanwijst en zijn procesreglement vaststelt.
„De omstandigheid dat de leden van het Scheidsgerecht niet noodzakelijkerwijze beroepsrechters of zelfs juristen schijnen te zijn — hoewel in casu de uitspraak is gedaan door juristen — is van geen belang”; dit is een normaal verschijnsel op het gebied van de sociale zekerheid.
De door het Scheidsgerecht gevolgde procesregels „vertonen een onmiskenbaar rechterlijk karakter… en zijn beslissingen hebben de vorm van vonnissen”.
Het Scheidsgerecht doet uitspraak volgens de regels van het recht en niet naar billijkheid.
„Het is in feite een verplichte instantie voor de beslechting van alle geschillen met betrekking tot de ziektekostenverzekering van de beambten der mijnen”. Immers, alle beambten zijn automatisch aangesloten bij de ziekenkas evenals bij de pensioenkas, welke beide door het Fonds worden beheerd.
Gelijk hierna sub B zal worden uiteengezet, vervangt het RBFM de algemene wetgeving op dit gebied en dient het daarom te worden beschouwd als een wetgeving van sociale zekerheid in de zin van de verordeningen nos. 3 en 4.
„Het Scheidsgerecht is ingesteld om in enig en laatste ressort uitspraak te doen over de geschillen inzake de toepassing van deze bijzondere wetgeving en is in feite de enige rechter op dit gebied. Het treedt in feite, zo niet in rechte, in de plaats van de gewone rechterlijke instanties waaraan normaliter de rechtspraak op dit gebied is toevertrouwd. Indien het verzoek van het Scheidsgerecht niet-ontvankelijk zou zijn, zou het Hof in feite niet meer in staat zijn toe te zien op de juiste uitlegging van de communautaire bepalingen over de sociale zekerheid in hun toepassing door het BFM op de beambten van de Nederlandse mijnen, niet alleen voor wat betreft de ziekenkas, maar ook ten aanzien van de andere verzekering die het BFM beheert, te weten de pensioenkas.
Uit alle bovenaangegeven kenmerken blijkt, dat de aard van de uitspraak van het Scheidsgerecht niet beslissend is. „Trouwens, volgens ingewonnen inlichtingen leiden de beslissingen van het Scheidsgerecht in feite nooit tot geschillen voor een andere rechterlijke instantie”.
B — Ten aanzien van de eerste door het Scheidsgerecht gestelde vraag
a) Vormt de litigieuze regeling een „wetgeving” in de zin van verordening no. 3 ?
Volgens de Commissie dient met betrekking tot deze vraag eerst te worden onderzocht of onder het begrip „statutaire bepalingen” vermeld in artikel 1, b, van verordening no. 3, „een regeling wordt begrepen als de onderhavige, waarbij de voorwaarden voor een bijzonder stelsel van ziekteverzekering worden omschreven voor de tot een bepaalde bedrijfstak behorende personen, terwijl deze regeling wordt getroffen en dit stelsel wordt uitgevoerd door een privaatrechtelijk lichaam dat niet door de overheid is opgericht, maar wel aan haar toezicht is onderworpen”.
1. Aan de hand van de stukken toont de Commissie aan, dat de opstellers van het „Europees Verdrag inzake de sociale zekerheid” — een voorloper van verordening no. 3 — zich spoedig genoopt zagen behalve de wetten en reglementen ook de „statutaire bepalingen” te vermelden. Klaarblijkelijk beoogde men door deze vermelding rekening te houden met de bijzonderheden van de wetgevingen der Lid-Staten, welke in zoverre overeenstemmen dat de term statutaire bepalingen „de reglementen” aanduidt „van de rechtspersonen … die zijn belast met de uitvoering van de verschillende takken van de sociale zekerheid”. De Commissie geeft voorbeelden aan waaruit zou blijken dat „de statutaire bepalingen van des te groter belang zijn naarmate de uitvoering van de sociale zekerheid is gedecentraliseerd en naarmate de wetten of reglementen aan de uitvoerende organen, waarin de verzekerden veelal zijn vertegenwoordigd, bepaalde bevoegdheden toekennen inzake de aanpassing of aanvulling van deze overheidswetgeving”.
2. Men dient zich niet te laten leiden door het privaatrechtelijk karakter van het BFM. Artikel 1 (e) van verordening no. 3 verstaat onder „orgaan”, elk lichaam of autoriteit welke tot taak heeft de gehele wetgeving of een deel daarvan uit te voeren". Dit is in overeenstemming met het interne recht van de Lid-Staten, „waar vele privaatrechtelijke lichamen zijn belast met de uitvoering van een tak van de wetgeving inzake de sociale zekerheid, en dikwijls ook met de aanpassing en de uitwerking van de op deze tak betrekking hebbende regeling”; de Commissie geeft hiervan enkele voorbeelden.
3. Daarentegen is het van beslissend belang of de onderhavige bepalingen de wet aanvullen dan wel vervangen; het RBFM nu treedt in de plaats van de wettelijke voorschriften betreffende de ziekteverzekering (verstrekkingen in natura), gelijk de Nederlandse Regering eveneens heeft opgemerkt. In dit verband dient er nog op te worden gewezen, dat het RBFM niet zonder toestemming van de overheid kan worden gewijzigd en dat, om rekening te houden met het bestaan van deze bijzondere regeling, de algemene regeling moest worden aangepast. Bovendien is verordening no. 3 blijkens haar artikel 2 (2) „van toepassing op de algemene en bijzondere stelsels van sociale zekerheid”. Deze overwegingen vinden eveneens steun in het feit dat de Nederlandse Regering het RBFM als een Nederlandse wettelijke regeling heeft beschouwd in de zin van het Verdrag tussen Nederland en de Bondsrepubliek Duitsland inzake sociale verzekering, gelijk uit bepaalde aan deze overeenkomst toegevoegde aanvullende teksten blijkt. Ten slotte, als men de opvatting aanvaardt dat het Reglement van het RBFM niet het karakter heeft van een wettelijke regeling in de zin van verordening no. 3, dan zou men bezwaarlijk anders kunnen oordelen over de gelijksoortige stelsels van sociale zekerheid, die het Algemeen Mijnwerkersfonds beheert, welk Fonds verordening no. 3 wel degelijk toepast.
4. Daar het RBFM in zijn geheel aan de goedkeuring van de overheid is onderworpen, „vormen al zijn bepalingen statutaire bepalingen in de zin van verordening no. 3, met inbegrip van die welke voor de betrokkenen gunstiger zijn dan de algemeen regeling”. Reeds om deze reden moet het bezwaar worden afgewezen dat het RBFM slechts in de plaats treedt van de algemene regeling voor zover de toetreding daartoe voor de werknemer verplicht zou zijn, indien hij. geen lid van het BFM was. „Maar er zijn nog andere redenen om dit bezwaar te verwerpen. Men kan niet alleen die voorschriften van het BFM als statutaire bepaling aanmerken die op het verplichte lidmaatschap betrekking hebben, onder uitsluiting van de voorschriften over het vrijwillig lidmaatschap, indien dezelfde onderscheiding niet kan worden aanvaard voor de wetgeving waarvoor het reglement van het RBFM in de plaats treedt. Het lijkt evenwel niet mogelijk om een nationale wetgeving van het toepassingsgebied van verordening no. 3 uit te sluiten alleen omdat deze bepaalt dat de toetreding tot een stelsel slechts vrijwillig kan geschieden”; het tegendeel blijkt zowel uit artikel 9 van verordening no. 3 als uit 's Hofs arrest in de zaak 75-63 (Unger; Jurisprudentie, Deel X, blz. 369). „De algemene wetgeving kan deels een verplicht, deels een vrijwillig karakter dragen. Niet het al dan niet vrijwillig karakter van het lidmaatschap is bepalend, maar het verplicht karakter van de invoering van een stelsel en de verplichte uitsluiting van het mijnpersoneel van het algemene stelsel, ook wanneer het een vrijwillige verzekering betreft. In het onderhavige geval is de invoering van de vrijwillige verzekering, voorzien in het oude artikel 18, b), lid 1, van het RBFM, slechts een onderdeel van een stelsel dat het BFM krachtens de ministeriële goedkeuring van het reglement verplicht toepast”.
5. Samenvattend is de Commissie van oordeel, dat de litigieuze bepalingen een „wetgeving” vormen in de zin van verordening no. 3.
b) Betekenis voor het onderhavige geval van bijlage B tot de verordening no. 3
De Commissie merkt op dat, indien men aanneemt dat de regeling in het tweede hoofdstuk van het RBFM als wetgeving in de zin van verordening no. 3 moet worden beschouwd, haar rangschikking in bijlage B van deze verordening van secundair belang is. Immers daar deze bijlage slechts een declaratoir karakter heeft (arrest 24-64, Dingemans, Jurisprudentie, Deel X, blz. 1321), kan men niet beginnen met de vaststelling, dat zij een bepaalde regeling dekt, om daaruit dan af te leiden dat deze een „wetgeving” vormt; slechts de tegenovergestelde conclusie kan worden aanvaard.
In ieder geval bewijst het feit, dat in genoemde bijlage sub i) van het hoofdstuk „Nederland”„de ziekteverzekering van de mijnwerkers (uitkeringen en verstrekkingen bij ziekte en moederschap)” is opgenomen, dat de auteurs van de verordening deze op de litigieuze regeling wilden zien toegepast.
Het is juist, dat de Nederlandse tekst niet van „werknemers” maar van „mijnwerkers” spreekt, welke uitdrukking in de terminologie van het Nederlandse recht vaak in een engere zin wordt gebruikt en dan de mijnbeambten uitsluit; indien men aan dit feit een doorslaggevende betekenis zou moeten toekennen — quod non — zouden de mijnbeambten vallen onder rubriek a) van voornoemd hoofdstuk der bijlage. Doch ook in dit geval zou men minstens mogen aannemen dat de auteurs van verordening no. 3 de bedoeling hebben gehad deze op het soort regelingen als de onderhavige toe te passen, daar het reglement voor de ziekteverzekering voor mijnarbeiders door een soortgelijk orgaan als het BFM werd vastgesteld, hetwelk reglementen uitvaardigt die hetzelfde karakter dragen als het RBFM.
Gelijk uit het door het Scheidsgerecht overlegde dossier blijkt, is de Nederlandse minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bovendien van oordeel dat het RBFM door het bepaalde sub i), waarvan hierboven sprake was, wordt gedekt.
Ten slotte betoogt de Commissie in bijzonderheden, dat de bedoeling van de auteurs om verordening no. 3 eveneens op het RBFM te doen slaan volgt uit de onderlinge samenhang der bepalingen dezer verordening en van haar bijlage D enerzijds en een Duits-Nederlandse overeenkomst anderzijds.
Samenvattend is de Commissie van oordeel, dat de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord.
C — Ten aanzien van de tweede door het Scheidsgerecht gestelde vraag
De Commissie wijst erop, dat het meningsverschil niet betreft de eventuele houding van het mogelijk krachtens artikel 22 (2) van verordening no. 3 tot uitkering van ziektegelden aan verzoekster verplichte Duitse orgaan. „De vraag is dus niet juist gesteld; zoals zij thans is geformuleerd zou zij zonder meer in ontkennende zin moeten worden beantwoord, aangezien het recht op verstrekkingen afhankelijk is van een lidmaatschap in het bevoegde land, welk lidmaatschap nu juist werd geweigerd”. In werkelijkheid „gaat het om de vraag of artikel 22 van verordening no. 3 (verstrekkingen in natura van de ziekteverzekering aan gepensioneerden die hun woonplaats niet in het bevoegde land hebben) toepasselijk is, ofschoon het RBFM als voorwaarde voor de aansluiting bij de vrijwillige ziekteverzekering stelt dat de betrokkene in Nederland zijn woonplaats heeft, of anders gezegd, of deze voorwaarde kan worden tegengeworpen aan personen die aan verordening no. 3 rechten ontlenen”.
Volgens de Commissie zou het geheel in de geest zijn van het E.E.G.-Verdrag, van verordening no. 3 en van 's Hofs rechtspraak dat de aldus gestelde vraag bevestigend wordt beantwoord. „De afschaffing van alle voorwaarden betreffende de woonplaats … is dus een van de grondbeginselen voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers en hun gezinnen. De toepassing van de nationale wetgeving dient niet te worden beperkt door overwegingen die zijn gebaseerd op de versnippering van de E.E.G. in verschillende nationale gebieden”.
„Het is boven elke twijfel verheven, dat aan „niet-gepensioneerde werknemers” een voorwaarde betreffende de verblijfplaats voor de aansluiting bij een ziekenkas niet kan worden tegengeworpen” (artikelen 12, en 17 (3) van de verordening). „Ten aanzien van de ziekteverzekering van gepensioneerden dient te worden onderscheiden of het recht op pensioen al dan niet van rechtswege het recht op ziekteverzekering met zich brengt”. In het eerste geval leiden de bepalingen van artikel 12, junctis 10 en 22, zonder enige twijfel tot de slotsom, dat de verblijfplaats op een ander gebied dan dat van de bevoegde staat aan de betrokkenen niet kan worden tegengeworpen. In het tweede geval, waarover het thans gaat, zou weliswaar uit een tot artikel 22 beperkte interpretatie tot het tegenovergestelde kunnen worden besloten, daar deze bepaling slechts ziet op het recht (van de aangesloten gepensioneerde) op verstrekkingen van de ziekenkas, maar niet op het recht op het lidmaatschap daarvan.
Deze opvatting moet echter worden afgewezen, met name op de volgende gronden :
„Wanneer artikel 22 uitdrukkelijk de uitoefening van rechten regelt voor het geval dat de woonplaats zich buiten het land bevindt waar het bevoegde orgaan is gevestigd, dan betekent zulks dat deze rechten niet kunnen worden verminderd, geschorst of ingetrokken uit hoofde van de woonplaats van de rechthebbende”.
„De ziekteverzekering van een gepensioneerde dient als een onmisbare aanvulling van de pensioenverzekering te worden beschouwd. Men zou toch moeilijk kunnen aannemen dat zijn recht om zich — zelfs vrijwillig — bij een ziekenkas aan te sluiten, zou vervallen op het moment waarop hij gepensioneerd wordt in verband met zijn leeftijd of zijn gezondheidstoestand en waarop de zekerheid van het recht op verstrekkingen in natura door de ziekteverzekering nog onmisbaarder lijkt dan toen hij nog werkzaam was, niet alleen omdat het ziekterisico is gestegen, maar ook omdat de geldelijke gevolgen van het ontbreken van een verzekering tegen dit risico zwaarder drukken op het verminderde inkomen van de gepensioneerde”.
„De gelijkstelling van de gepensioneerde met de niet-gepen-sioneerde werknemer is één van de fundamentele beginselen van het in verordening no. 3 neergelegde stelsel: artikel 4 vermeldt immers de werknemers op wie de wettelijke regeling van een of meer Lid-Staten van toepassing „is geweest”; de rechten van de gepensioneerden zijn trouwens slechts het logisch uitvloeisel van hun aansluiting bij de wettelijke regeling die op hen toepasselijk was vóór hun pensionering”. Ongetwijfeld doelt artikel 48, lid 3, van het E.E.G.-Verdrag op deze rechten wanneer het aan de werknemers het recht toekent „op het grondgebied van een Lid-Staat verblijf te houden, na er een betrekking te hebben vervuld”.
Wanneer de auteurs van de verordening de betaalbaarstelling in het buitenland van bepaalde verstrekkingen hebben willen uitsluiten, hebben zij zulks uitdrukkelijk bepaald, gelijk blijkt uit artikel 10 (2). „Deze uitzonderingen zijn overigens niet aan de vrije beoordeling der Lid-Staten overgelaten: zij dienen in bijlage E van verordening no. 3 te worden vermeld en aan deze bijlage kan niets worden toegevoegd zonder de instemming van de bij deze verordening ingestelde Administratieve Commissie”.
Samenvattend is de Commissie van oordeel dat de tweede vraag eveneens bevestigend dient te worden beantwoord.
TEN AANZIEN VAN HET RECHT
I — Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek om uitlegging
Overwegende dat de verweerder in de hoofdzaak aanvoert, dat het „Scheidsgerecht van het Beambtenfonds voor het Mijnbedrijf”, hierna te noemen „Scheidsgerecht”, niet een rechterlijke instantie in de zin van artikel 177 van het E.E.G.-Verdrag vormt en derhalve niet bevoegd is het Hof een verzoek om uitlegging op grond van genoemd artikel voor te leggen;
Overwegende dat het Scheidsgerecht naar Nederlands recht regelmatig is ingesteld;
dat immers deze instelling is voorzien bij „Reglement van het Beambtenfonds voor het Mijnbedrijf” (RBFM), hetwelk de betrekkingen tussen het Beambtenfonds en zijn verzekerden regelt;
Overwegende dat blijkens de Invaliditeitswet de daarbij voorziene verzekeringsplicht niet van toepassing is op degenen, voor wie de voorwaarden voor een pensioen bij invaliditeit en ouderdom zijn vastgesteld bij een andere regeling, bestemd voor het algemene stelsel in de plaats te treden, indien het bevoegde gezag verklaart dat deze regeling aan de wettelijke vereisten voldoet en dat de uitkering van de pensioenen voldoende is gewaarborgd;
dat soortgelijke voorzieningen ook voor andere takken van Nederlandse sociale verzekering bestaan;
dat dan ook voornoemd reglement en de eventueel daarin aan te brengen wijzigingen, behalve de goedkeuring van de minister, belast met de zaken betreffende het mijnwezen, de goedkeuring behoeven van de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid;
Overwegende vervolgens, dat de benoeming van de leden van het Scheidsgerecht, de aanwijzing van zijn voorzitter en de vaststelling van het reglement voor het Scheidsgerecht behoren aan de minister, belast met de zaken betreffende het mijnwezen;
Overwegende dat door het Scheidsgerecht, als permanente instantie belast met de kennisneming van de geschillen waarvan artikel 89 van het RBFM een algemene omschrijving geeft, ten aanzien van de procesvoering op tegenspraak overeenkomstige regels moeten worden in acht genomen als die geldende voor de gebruikelijke rechtspleging;
dat ten slotte de personen, bij het RBFM bedoeld, verplicht lid zijn van het Beambtenfonds en wel op grond van een verordening van het publiekrechtelijk lichaam, de Mijnindustrieraad;
dat genoemde personen ten aanzien van de geschillen welke tussen hen en hun verzekeraar ontstaan, gehouden zijn zich te wenden tot het Scheidsgerecht als de voor deze geschillen bevoegde rechter;
dat het Scheidsgerecht verplicht is naar recht te oordelen;
dat in het onderhavige geval de vraag, of de verordening no. 3 van de Raad der E.E.G. van toepassing is op regelingen zoals het RBFM, afhankelijk is van de uitlegging dezer verordening en derhalve aan de orde zal moeten komen in verband met de eerste vraag door het Scheidsgerecht gesteld;
Overwegende dat onder deze omstandigheden het Scheidsgerecht kan worden beschouwd als een rechterlijke instantie in de zin van artikel 177; dat derhalve het verzoek om uitlegging ontvankelijk is;
II — Ten aanzien van de hoofdzaak
1. Aangaande de eerste vraag gesteld door het Scheidsgerecht
Overwegende dat het Scheidsgerecht het Hof verzoekt uit te spreken of de regeling, voorkomend in hoofdstuk II van het RBFM betreffende de door het BFM beheerde ziekenkas, een wettelijke regeling is in de zin van verordening no. 3, of zij door de bijlage B, hoofdstuk „Nederland”, letter i) van deze verordening wordt bestreken en of deze bijlage derhalve van toepassing is op de Nederlandse mijnbeambten, bedoeld bij voornoemde regeling;
Overwegende dat volgens artikel 177 van het E.E.G.-Verdrag het Hof zich slechts kan uitspreken over vragen van uitlegging en geldigheid, rijzende ten aanzien van het Verdrag en van door de instellingen van de Gemeenschap verrichte handelingen, doch dat het niet bevoegd is dezelven op een concreet geval toe te passen;
dat het Hof zich er derhalve toe moet beperken om rekening houdende met de door het Scheidsgerecht verstrekte gegevens, uit de gestelde vragen die punten af te leiden welke de uitlegging van het Verdrag en van verordening no. 3 betreffen;
a) Overwegende dat in de eerste plaats de vraag aan de orde is, of een regeling betreffende ziekteverzekering van werknemers en hun nabestaanden, vastgesteld en uitgevoerd door een privaatrechtelijke instelling, een wettelijke regeling in de zin van verordening no. 3 kan zijn; Overwegende dat volgens artikel 1 (b) van verordening no. 3 onder „wetgeving” of „wettelijke regeling” zijn te verstaan „de … wetten, reglementen en statutaire bepalingen van elke Lid-Staat met betrekking tot de in artikel 2, lid 1 en 2, van deze verordening vermelde regelingen en takken van sociale zekerheid”, met name derhalve de regelingen en takken van verzekering betreffende verstrekkingen in geval van ziekte; dat de vermelding van „statutaire bepalingen” duidelijk strekt om de regelingen en takken van sociale zekerheid te bestrijken welke anders dan van overheidswege worden beheerd en die te haren opzichte een zekere autonomie genieten; Overwegende dat volgens artikel 1, letter (e) der verordening no. 3 „onder orgaan (wordt) verstaan het lichaam of de autoriteit welke tot taak heeft de gehele wetgeving of een deel daarvan uit te voeren”; dat de nevenstelling der benamingen „lichaam” en „autoriteit” aantoont, dat verordening no. 3 tevens het oog heeft op statutaire bepalingen welke de werkzaamheid van privaatrechtelijke organen beheersen, zulks temeer nu verordening no. 3 deze bij geen enkele bepaling uitdrukkelijk uitsluit; Overwegende dat het begrip „statutaire bepalingen” dus ziet op regelen welke, ook al worden zij in privaatrechtelijke vorm vastgesteld en door privaatrechtelijke organen uitgevoerd, deel uitmaken van het stelsel van sociale zekerheid van een Lid-Staat, aangezien zij bestemd zijn de wetten en reglementen betreffende de sociale zekerheid aan te vullen of te vervangen; dat verordening no. 3 klaarblijkelijk ten doel heeft de niet door de overheid beheerde stelsels welke, tenminste in meerdere Lid-Staten, een belangrijk gedeelte van de sociale zekerheid omvatten, niet uit te sluiten van de toepasselijkheid harer bepalingen; Overwegende dat de verweerder in de hoofdzaak evenwel van mening is, dat het voorgaande niet van toepassing is voorzoveel de belanghebbenden, bij ontbreken van een regeling als hier bedoeld, niet verzekeringsplichtig zouden zijn uit hoofde van het algemene stelsel van sociale zekerheid; dat immers in zoverre bedoelde regeling niet mag worden geacht het algemene stelsel te vervangen; dat de verweerder in de hoofdzaak bovendien aanvoert, dat het voorgaande niet van toepassing kan zijn op de nabestaanden van een werknemer, wier aansluiting bij het orgaan, waarbij genoemde werknemer verzekerd was, slechts een facultatief karakter draagt; Overwegende dat het verweer, dat de heer Vaassen niet onderworpen zou zijn geweest aan het algemene stelsel van sociale zekerheid, niet ter zake dienende is, aangezien de kwestie, welke het Scheidsgerecht er toe heeft geleid zich tot het Hof te wenden, kennelijk gelegen is in de vraag of de omstreden regeling al dan niet deel uitmaakt van een bijzonder stelsel in de zin van Verordening no. 3 artikel 2, lid 2; dat zulk een stelsel ongetwijfeld aanwezig is, wanneer een bijzondere groep werknemers uit hoofde van publiekrechtelijke voorschriften onderworpen is aan een verzekering van een bijzonder type; dat de verweerder in de hoofdzaak trouwens de kern van de zaak juist schijnt te hebben gevat, waar hij in zijn memorie uiteenzet, enerzijds dat de verplichte verzekering van alle Nederlandse mijnbeambten voortvloeit uit artikel 33 der verordening van de Mijnindustrieraad van 8 september 1952, betreffende de arbeidsvoorwaarden van de aspirantbeambten en beambten werkzaam in het mijnbedrijf (Nederlandse Staatscourant d.d. 23 september 1952, no. 185) en anderzijds dat deze verordening, daar zij door een bevoegd publiekrechtelijk gezag is vastgesteld, zelf van publiekrechtelijke aard is; dat het evenwel tot de taak behoort van de nationale rechter om zo nodig na toepassing van artikel 177 van het Verdrag, zoals in dit geval is geschied, vast te stellen of de voorwaarden, vereist voor het bestaan van een bijzonder stelsel, in feite zijn vervuld, en dat de desbetreffende statutaire bepalingen dus kunnen worden geacht wettelijke regelingen in de zin van artikel 1, b, der verordening no. 3 te zijn; Overwegende voorts dat, wanneer eenmaal van het bestaan van een bijzonder stelsel blijkt, de verordeningen nos. 3 en 4 van toepassing zijn op dat stelsel in zijn geheel, met inbegrip van eventuele bepalingen betreffende de vrijwillige of facultatieve aansluiting van voormalige verzekerden en hun nabestaanden;
b) Overwegende dat in het tweede onderdeel van zijn vraag het Scheidsgerecht het Hof verzoekt uit te spreken of een Nederlands stelsel van ziekteverzekering, ingesteld ten behoeve van de beambten van het mijnbedrijf en hun betrekkingen, wordt omvat door de bijlage B, hoofdstuk „Nederland”, letter i), van verordening no. 3, luidend als volgt: „de ziekteverzekering van de mijnwerkers (uitkeringen en verstrekkingen bij ziekte en moederschap)”; Overwegende dat volgens de verweerder in de hoofdzaak deze vraag ontkennend zou moeten worden beantwoord; dat immers in de Nederlandse tekst van de geciteerde bepaling voor het in de Franse tekst voorkomende woord „travailleurs” de term „mijnwerkers” wordt gebezigd welke, anders dan de term „werknemers”, slechts slaat op de handarbeiders, met uitsluiting derhalve van de beambten; Overwegende dat, zelfs al zou deze uitlegging van de term „mijnwerkers” juist zijn, hetgeen betwistbaar lijkt, de stelling van de verweerder in de hoofdzaak in geen geval kan slagen; dat het hoofdstuk „Nederland” van de bijlage B der verordening no. 3 onder letter a de ziekteverzekering in het algemeen vermeldt en onder letter i de ziekteverzekering van de mijnwerkers; dat dan ook een bijzonder stelsel van ziekteverzekering, zo niet door het gestelde onder letter i, dan toch in ieder geval door hetgeen onder letter a gemelde, zou worden bestreken, welke laatste zonder onderscheid ziet op alle „werknemers” („Arbeidskrafte” en „Arbeitnehmer”; „travailleurs”; „lavoratori”) in de zin der artikelen 48 tot 51 van het Verdrag, welke termen ook de beambten omvatten; dat de bijlage B, hoofdstuk „Nederland”, van reglement no. 3 derhalve zowel het algemene als de bijzondere stelsels van sociale zekerheid betreffende de ziekteverzekering omvat;
2. Aangaande de tweede vraag gesteld door het Scheidsgerecht
Overwegende dat bij zijn tweede vraag, gesteld voor het geval dat het antwoord op de eerste vraag bevestigend zou luiden, het Scheidsgerecht het Hof verzoekt uit te spreken of de nabestaande van een arbeider „recht heeft op de verstrekkingen als bedoeld in artikel 22 van de verordening no. 3 en met name genoemd aan het slot van artikel 22, lid 2”,
zelfs wanneer hij zich bevindt op het gebied van een andere Lid-Staat dan die waar zich het ziekteverzekeringsorgaan in kwestie bevindt;
en zelfs indien de door dit orgaan toegepaste wetgeving ten aanzien van deze nabestaande slechts voorziet in de toelating „tot verzekering van het recht op vergoeding van geneeskundige behandeling, verstrekking van geneesmiddelen en verpleging uit de ziekenkas”;
a) Overwegende ten aanzien van het eerste hierboven vermelde onderdeel der vraag, dat uit het zinsverband van de beslissing tot verwijzing blijkt, dat het Scheidsgerecht in feite wenst te vernemen of verordening no. 3 er zich tegen verzet, dat een orgaan een nabestaande van een werknemer toelating tot de facultatieve ziekteverzekering weigert enkel op grond van verblijf in een andere Lid-Staat dan die, waar bedoeld orgaan zich bevindt; Overwegende dat in artikel 22, lid 2 en 3, van verordening no. 3, de toekenning wordt geregeld van verstrekkingen bij ziekte aan de „rechthebbende op een pensioen of een rente”, verschuldigd op grond van de wettelijke bepalingen van een of meer Lid-Staten, wanneer genoemde rechthebbende verblijf houdt op het grondgebied van een Lid-Staat, waar zich geen der tot uitkering van zijn pensioen of rente verplichte organen bevinden; dat deze bepalingen in ieder geval van toepassing zijn, wanneer de ziekteverzekering dwingend verbonden is aan het recht op pensioen of rente, dat wil zeggen in gevallen, waarin zij in zekere zin een bestanddeel van het pensioen- of rentestelsel vormt; dat zij naar haar aard veronderstellen, dat zodanige aansluiting bij een ziekteverzekering niet kan worden beëindigd op grond van het feit dat belanghebbende zijn woonplaats overbrengt naar een ander land dan dat waar zich de tot uitkering der verstrekkingen verplichte organen bevinden; dat zulks trouwens ook blijkt uit artikel 10 (1) van verordening no. 3, hetwelk luidt : „de pensioenen of renten … verkregen op grond van de wettelijke regelingen van een of meer van de Lid-Staten kunnen niet worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende woonachtig is op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan die, op welks gebied het orgaan dat de uitkering verschuldigd is, zich bevindt”; Overwegende dat artikel 22 echter niet uitdrukkelijk melding maakt van het geval dat de rechthebbende op het pensioen of de rente slechts de vrijheid heeft zich al dan niet aan te sluiten bij een stelsel van ziekteverzekering; dat derhalve moet worden onderzocht of het artikel zich, ondanks zijn stilzwijgen, ook uitstrekt tot zulk een geval; Overwegende dat de bepalingen van verordening no. 3, artikel 4, lid 2, van toepassing zijn „op de nagelaten betrekkingen van de werknemers of van de daarmee gelijkgestelden … op wie de wettelijke regeling van een of meer Lid-Staten van toepassing is geweest”; dat blijkens de algemene bewoordingen dezer bepalingen de toepassing der verordening zich niet beperkt tot werknemers of nagelaten betrekkingen van werknemers welke in meerdere Lid-Staten werkzaam zijn geweest of welke werkzaam zijn of waren in één Lid-Staat, terwijl zij verblijven of verbleven in een andere; dat de verordening derhalve evenzeer van toepassing is wanneer niet de werknemer zelf, doch een zijner nagelaten betrekkingen zijn woonplaats vestigt in een andere Lid-Staat; dat deze uitlegging ligt in de lijn van de artikelen 48 tot 51 van Verdrag alsmede van verordening no. 3, door welke niet slechts de migrerende werknemer stricto sensu bescherming wordt geboden, maar ook wordt voorkomen dat, op het stuk van sociale zekerheid, aan werknemers of hun nabestaanden territorialiteitsbepalingen kunnen worden tegengeworpen; Overwegende dat bovendien uit artikel 9, lid 1, van verordening no. 3 blijkt, dat deze zonder onderscheid van toepassing is op „verplichte, vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering”; dat met name uit artikel 10, lid 2, van genoemde verordening juncto haar bijlage E valt af te leiden dat, zo vaak het de bedoeling is territorialiteitsbepalingen der nationale wetgevingen in stand te laten, zulks uitdrukkelijk wordt bepaald; dat derhalve, ook al draagt de aansluiting van een tot pensioen of rente gerechtigde werknemer of nabestaande bij een ziekteverzekering slechts een facultatief karakter, verordening no. 3 de nationale organen verbiedt de aansluiting te beëindigen op grond van overbrenging der woonplaats naar een ander land dan dat, waarin het betreffende orgaan zich bevindt;
b) Overwegende dat bij het verzoek om uitlegging voorts wordt gevraagd of de vermelding van „verstrekkingen in natura” in artikel 22 tevens van toepassing is op verstrekkingen van geneeskundige behandeling, van geneesmiddelen en van verpleging in de vorm van terugbetaling van gemaakte kosten; Overwegende dat hoofdstuk 1 van titel III der verordening no. 3, getiteld „ziekte, moederschap”, waarvan het bewuste artikel 22 deel uitmaakt, tegenover elkaar stelt de „verstrekkingen in natura” en de „uitkeringen”, doch deze beide begrippen niet nader omschrijft; dat het begrip „verstrekking in natura” echter stellig niet uitsluit, dat zodanige verstrekking bestaat in betalingen, gedaan door het daartoe verplichte orgaan; dat immers het doen van zodanige betalingen door de organen gebruikelijk is in gevallen, welke door artikel 19, lid 5, der verordening no. 3 uitdrukkelijk als „verstrekkingen in natura” worden aangeduid, namelijk de verschaffing van „prothesen” en van „kunstmiddelen” van grotere omvang"; dat bovendien de bepalingen van het bewuste hoofdstuk 1 geen verschil maken naar gelang bedoelde betalingen worden gedaan aan de belanghebbende zelf of aan een derde; dat ten slotte uit artikel 18 van de verordening valt af te leiden, dat de „uitkeringen” hoofdzakelijk bestemd zijn tot compensatie van de loonderving van de zieke werknemer en derhalve een geheel ander geval beogen dan het onderhavige; Overwegende dat uit een en ander volgt, dat artikel 22 eveneens van toepassing is, wanneer verstrekkingen als die welke het Scheidsgerecht op het oog heeft, worden verschaft in de vorm van terugbetaling van gemaakte kosten;
III — Ten aanzien van de kosten
Overwegende dat ten aanzien van de kosten, door de Commissie van de E.E.G. wegens de door haar bij het Hof ingediende opmerkingen gemaakt, geen last tot terugbetaling kan worden gegeven;
dat de procedure voor wat partijen betreft als een in de loop van het geding voor het Scheidsgerecht gerezen incident moet worden beschouwd, weshalve deze laatste instantie over de kosten zal moeten beslissen;
Dictum
verklaart
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende inzake de prejudiciële vragen, die het Scheidsgerecht van het Beambtenfonds voor het Mijnbedrijf bij verwijzingsbeschikking d.d. 10 december 1965 aan het Hof ter beoordeling heeft voorgelegd :
voor recht :
1. Voorschriften betreffende de ziekteverzekering van werknemers en hun nabestaanden welke door een privaatrechtelijk lichaam worden vastgesteld en uitgevoerd, maken als „statutaire bepalingen” deel uit van de „wetgeving” genoemd in de artikelen 1 (b) en 4 van verordening no. 3, wanneer deze voorschriften de wetten en reglementen tot instelling van een algemeen of bijzonder stelsel van sociale zekerheid aanvullen of daarvoor in de plaats treden;
2. Bijlage B, hoofdstuk „Nederland”, van verordening no. 3 is mede van toepassing op de algemene en speciale stelsels van sociale zekerheid betreffende de ziekteverzekering der mijnbeambten ;
3. Op grond van de bepalingen van verordening no. 3 is het een orgaan verboden om aan de nabestaande van een werknemer, die krachtens de wetgeving van een Lid-Staat gerechtigd is tot een pensioen of een rente, aansluiting — vrijwillige aansluiting inbegrepen — bij het door dit orgaan beheerde stelsel te weigeren op grond, dat genoemde rechthebbende verblijf houdt op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan die waar bedoeld orgaan zich bevindt;
4. Artikel 22 van verordening no. 3 is eveneens van toepassing op verstrekkingen van geneeskundige behandeling, van geneesmiddelen en van verpleging in de vorm van terugbetaling van gemaakte kosten;
en :
5. Verstaat, dat het Scheidsgerecht van het Beambtenfonds voor het Mijnbedrijf over de kosten van dit geding uitspraak zal hebben te doen.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Rechtspraak
4Europese Unie
4Hof van JustitieC-274/1421.01.2020
Begrip ‚rechterlijke instantie’, criteria
Hof van JustitieC-203/1406.10.2015
Bevoegdheid van het Hof
Conclusie van advocaat-generaal SaggioC-110/9807.10.1999