Arrest van het Hof van 27 februari 1980, 55/79 · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Voltallige zitting 55/79 ECLI:EU:C:1980:56 27 februari 1980

Zoeken

Arrest van het Hof van 27 februari 1980, 55/79EEG-Verdrag art. 30 en art. 95

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-55-79-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Voltallige zitting
Zaak
55/79
ECLI
ECLI:EU:C:1980:56
Datum
27 februari 1980

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Beroep wegens niet-nakoming gegrond
Zaak ingediend op
9 april 1979
Advocaat-generaal
Reischl

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Engels
Jurisprudentie
Jurispr. 1980, blz. 481
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Pescatore
Repertorium van het Hof

Tekst

86 paragrafen

ARREST

De feiten

De feiten, het procesverloop en de conclusies, middelen en argumenten van partijen kunnen worden samengevat als volgt:

I — Overzicht van de feiten

Volgens artikel 32 van de Akte van 22 januari 1972 betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing der Verdragen (hierna: „Toetredingsakte”) moesten de invoerrechten tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Statcn en tussen de nieuwe Lid-Staten onderling volgens een bepaald ritme tussen 1 april 1973 en 1 juli 1977 geleidelijk worden afgeschaft. Ingevolge artikel 38, lid 1, Toetredingsakte was deze bepaling van toepassing op de douanerechten van fiscale aard.

Volgens artikel 38, lid 2, behielden de nieuwe Lid-Statcn de mogelijkheid om een douanerecht van fiscale aard of het fiscale element van zulk een recht te vervangen door een binnenlandse belasting die strookt met artikel 95 EEG-Verdrag.

Op grond van deze bepaling heeft de Ierse regering op 16 december 1975 de „Imposition of Duties (no. 221) (Excise Duties) Order, 1975” (Statutory Instrument no. 307, 1975) [belastingbesluit nr. 221 (accijns) van 1975] vastgesteld, waarbij de douanerechten van fiscale aard of het fiscale element van deze rechten op gedistilleerd, bier, wijn, tabak, cider, perenwijn, lucifers, tafelwater, aardolie, motorvoertuigen (inclusief onderdelen en accessoires) buiten- en binnenbanden per 1 januari 1976 werden omgezet in een accijns.

Artikel 4, lid 3, van het besluit, dat betrekking heeft op in Ierland gedistilleerde of geproduceerde gedistilleerde dranken waarop de in lid 2 van dat artikel voorziene accijns wordt geheven, brengt een kleine wijziging aan in artikel 28, lid 2, van de Finance Act 1970. Het bepaalt:

Wanneer gedistilleerde dranken waarop dit lid van toepassing is, vanuit een douane-entrepôt worden geleverd, kunnen de Revenue Commissioners (belastinginspectie), mits de door hen wenselijk geachte voorwaarden ter verzekering van de accijnsbetaling zijn nageleefd, toestaan dat betaling van deze accijns wordt uitgesteld tot uiterlijk — 25 maart van hetzelfde jaar, wanneer het gedistilleerd is geleverd in februari, of, de laatste dag van de maand, volgende op de maand waarin het gedistilleerd werd geleverd, in de overige gevallen.

c) Wanneer gedistilleerde dranken waarop dit lid van toepassing is, in maart vanuit een douane-entrepôt worden geleverd, kan geen uitstel van accijnsbetaling, als bedoeld in dit lid, worden toegestaan voor deze gedistilleerde dranken.”

Artikel 4, lid 4, van het besluit bepaalt dat bij uitstel van betaling een aanvullende accijns van £ 0,0334 per „proof gallon” alcohol moet worden toegepast.

Geïmporteerd gedistilleerd komt niet voor uitstel van betaling in aanmerking; evenmin is daarvoor aanvullende accijns verschuldigd.

Artikel 7, lid 5, van het besluit verklaart het bepaalde in artikel 8 van de Finance Act 1914 (Session 2) van toepassing op in Ierland gebrouwen bier.

Volgens deze bepaling wordt de accijns berekend over een standaardvat naar het soortelijk gewicht van de bierwort vóór gisting, en wordt onder de volgende voorwaarde uitstel van betaling verleend :

voor bier dat niet hieronder wordt genoemd, tot uiterlijk de 8e dag van de tweede maand volgende op die waarin de accijns is opgelegd (voor bier dat in november met accijns is belast, moet deze accijns uiterlijk 28 december worden betaald);

voor bier dat twee maanden in de brouwerij moet worden opgeslagen, tot uiterlijk de 25e dag van de vierde maand na de maand waarin de accijns is opgelegd;

voor lagerbier dat drie maanden in de brouwerij moet worden opgeslagen, tot uiterlijk de 25e dag van de vierde maand na de maand waarin de accijns is opgelegd.

Bij uitstel van betaling wordt geen aanvullende accijns geheven.

Bij ingevoerd bier wordt de accijns eveneens over een standaardvat berekend, doch hij is verschuldigd op het tijdstip van invoer of bij aflevering vanuit het entrepot. Uitstel van betaling kan niet worden verleend.

Volgens artikel 6 van het besluit wordt de accijns op „made wine” (vruchtenwijn; wijn die is bereid uit andere grondstoffen dan vers druivesap) opgelegd bij levering voor binnenlands gebruik, doch kan betaling worden uitgesteld tot de 15e dag van de maand, volgende op levering af fabriek. Bij uitstel van betaling wordt geen aanvullende accijns opgelegd.

Bij geïmporteerde vruchtenwijn wordt de accijns eveneens opgelegd bij aflevering voor binnenlands gebruik, maar uitstel van betaling mag niet worden verleend.

Nadat de Commissie door een klacht van een onderneming en een schriftelijke vraag van een lid van het Europese Parlement van deze bepalingen in kennis was gesteld, deelde zij de Ierse regering op 1 december 1975 mee, dat de Ierse belastingregeling, door voor in Ierland geproduceerde alcoholhoudende dranken uitstel van accijnsbetaling toe te staan en dit voor uit andere Lid-Staten ingevoerde alcoholhoudende dranken te weigeren, de ingevoerde produkten discrimineerde ten opzichte van binnenlandse dranken en daardoor in strijd was met het EEG-Verdrag.

Nadat de Ierse regering op 15 januari 1976 de gewraakte aspecten van de nationale belastingwetgeving had verduidelijkt, bevestigde de Commissie haar op 9 februari 1976 schriftelijk, dat de voor nationale produkten toegekende faciliteit in de vorm van uitstel van betaling kennelijk discriminerend was voor ingevoerde produkten.

Op 12 maart 1976 deelde de Ierse regering de Commissie mee, dat de mogelijkheid van uitstel van betaling haars inziens niet onverenigbaar was met het EEG-Verdrag.

Bij brief van 11 juni 1976 stelde de Commissie de Ierse regering in kennis van haar opvatting, dat de Ierse belastingregeling, door met betrekking tot de accijnsbetaling een zwaardere financiële last te leggen op de importeurs dan op de Ierse producenten van gedistilleerd, bier en wijn, ingevoerde produkten zwaarder belastte dan gelijksoortige nationale produkten, zulks in strijd met artikel 95, lid 1, EEG-Verdrag. Subsidiair stelde de Commissie dat deze wettelijke regeling in strijd was met artikel 30 EEG-Verdrag en artikel 2 van richtlijn nr. 70/50/EEG van de Commissie van 22 december 1969 gebaseerd op de bepalingen van artikel 33, lid 7, houdende opheffing van de maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen, niet bedoeld in andere krachtens het EEG-Verdrag vastgestelde bepalingen (PB L 13 van 1970, blz. 29). Overeenkomstig artikel 169, eerste alinea, EEG-Verdrag nodigde de Commissie de Ierse regering uit, haar opmerkingen met betrekking tot de verweten nict-nakoming kenbaar te maken.

In haar antwoord van 12 juli 1976 deelde de Ierse regering de Commissie mee, dat de Ierse instanties de betrokken wettelijke regeling zouden onderzoeken teneinde daarin bij de Finance Bill 1977 de nodige wijzigingen aan te brengen.

Op 28 april 1978 bracht de Commissie ten aanzien van Ierland het in artikel 169, lid 1, EEG-Verdrag bedoelde, met redenen omklede advies uit. Daarin bevestigde zij haar opvatting dat de Ierse wettelijke regeling in strijd was met artikel 95, lid 1, of althans met artikel 30 EEG-Verdrag. Ierland werd verzocht de nodige maatregelen te nemen om het met redenen omklede advies binnen een maand op te volgen.

In haar brief van 31 juli 1978 bleef de Ierse regering bij haar opvatting, dat met de gewraakte maatregelen geen inbreuk op haar verdragsverplichtingen werd gemaakt.

II — Schriftelijke procedure

Bij op 9 april 1979 ingediend verzoekschrift heeft de Commissie de aan Ierland terzake van de binnenlandse belasting op gedistilleerd, bier en vruchtenwijn, verweten niet-nakoming van de krachtens de artikelen 95, lid 1, of 30 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen krachtens artikel 169, tweede alinea, bij het Hof van Justitie aanhangig gemaakt.

De schriftelijke procedure heeft een normaal verloop gehad. Nadat de Commissie van repliek had afgezien, is de schriftelijke procedure afgesloten nadat de Ierse regering haar verweerschrift had ingediend.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

III — Conclusies van partijen

De Commissie concludeert dat het den Hove behage:

1. Vast te stellen dat de Ierse regering, door de nationale bepalingen en praktijken inzake de invordering van de accijns op gedistilleerd, bier en vruchtenwijn, niet af te schaffen of te wijzigen, inbreuk heeft gemaakt op artikel 95 of, subsidiair, op artikel 30 EEG-Verdrag;

2. De Ierse regering in de kosten te verwijzen.

De Ierse regering concludeert dat het den Hove behage:

1. het verzoek te verwerpen;

2. de Commissie in de kosten te verwijzen.

IV — Door partijen schriftelijk voorgedragen middelen en argumenten

De Commissie is van mening dat de Ierse wettelijke regeling, door uitstel van betaling toe te staan van de accijns op binnenslands geproduceerd gedistilleerd, bier en vruchtenwijn, en dit uitstel te weigeren aan de importeurs van dezelfde produkten, in strijd met artikel 95 EEG-Verdrag op produkten van de overige Lid-Staten indirect een hogere belasting heft dan op gelijksoortige nationale produkten, dan wel, in strijd met artikel 30 EEG-Verdrag, maatregelen bevat van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen.

De discriminerende werking van de Ierse wettelijke regeling

a) De Ierse alcoholproducenten kunnen voor elke accijnsbetaling gemiddeld iets meer dan zes weken krediet krijgen, op voorwaarde dat zij een aanvullende accijns betalen, waarvan het bedrag zeer laag is vergeleken met de commerciële rentetarieven die de importeurs van gedistilleerd moeten betalen om de accijnsbetaling te financieren.

b) De accijns op Iers en die op ingevoerd bier worden in verschillende stadia van het produktieproces geheven: die op nationaal bier vóór gisting, die op ingevoerd bier op het tijdstip dat het voor binnenlands verbruik wordt ingeklaard. Het tijdsverloop tussen het vóór-gistingsstadium, waarin de accijns wordt geheven, en de levering voor binnenlands verbruik bedraagt gewoonlijk niet meer dan tien dagen; aangezien de betaling van accijns op nationaal bier verschillende weken kan worden uitgesteld, heeft de nationale producent vergeleken met de importeur een aanzienlijk voordeel bij de accijnsbetaling.

c) De importeur van vruchtenwijn is duidelijk in het nadeel tegenover de nationale producent: hij moet de accijns vier of vijf weken eerder betalen dan laatstgenoemde.

d) Door voor de betaling van de accijns op de uit andere Lid-Staten ingevoerde gedistilleerde dranken, bier en vruchtenwijn strengere voorwaarden te stellen dan voor die op nationale produkten, verplicht de Ierse wettelijke regeling de importeurs in feite, de accijns bij vooruitbetaling te voldoen; dit levert een zwaardere financiële last op dan de nationale producenten hebben te dragen, ook al staat tegenover het aan dezen toegekende voordeel een nominale verhoging in de vorm van een aanvullende accijns. Deze discriminerende regeling moet logischerwijze leiden tot een beperking van de importen ten gunste van de nationale produktie.

Schending van artikel 95

a) Artikel 95 beoogt de fiscale belemmering bij de invoer van gelijksoortige of concurrerende produkten op te heffen. Het daarin vervatte discriminatieverbod geldt zonder uitzondering en heeft voorrang boven het eventueel op nationaal of communautair vlak gevoerde beleid. Artikel 95 is aan te merken als een fundamenteel beginsel van de douane-unie en laat geen enkele mogelijkheid voor voorwaardelijke toepassing of voor een toepassing die afhankelijk is van uitleggingscriteria die los van de communautaire regels zijn uitgewerkt. Het heeft ten doel het beginsel van de fiscale neutraliteit op communautair vlak te verzekeren. Bij een conflict moeten de nationale wetgevingen zich aan het gemeenschapsrecht aanpassen; zulks is in casu het geval.

b) Voor de opheffing van handelsbelemmeringen van fiscale aard behoeft niet het instrument van de harmonisatie te worden aangewend: het zou onjuist zijn het verbod van fiscale discriminatie dat voortvloeit uit artikel 95 — een bepaling met rechtstreekse werking —, afhankelijk te maken van de vaststelling van „uitvoeringsbepalingen” in harmonisatiericlulijnen als bedoeld in artikel 99 EEG-Verdrag.

c) Blijkens de rechtspraak van het Hof van Justitie vallen onder artikel 95 ook indirecte discriminaties tengevolge van onder meer de toepassing van verschillende voorwaarden voor de betaling van belastingen, die import moeilijker of duurder maken.

d) Ierland heft niet rechtstreeks hogere binnenlandse belastingen op produkten uit de overige Lid-Staten: op ingevoerde en gelijksoortige nationale produkten worden dezelfde tarieven toegepast. Daarentegen bevat de Ierse wettelijke regeling volgens de rechtspraak van het Hof ontegenzeglijk een indirecte discriminatie, omdat uitstel van accijnsbetaling uitsluitend aan de nationale producenten wordt verleend en niet aan de importeurs. Het gevolg van deze mogelijkheid om de betaling uit te stellen, is dat er een zwaardere financiële last op de importeurs drukt, die de accijns eerder dan hun nationale concurrenten moeten financieren. Gedurende de periode van uitstel beschikken de nationale producenten over nagenoeg rentevrij werkkapitaal, terwijl de importeurs werkkapitaal tegen de geldende rente op de vrije markt moeten aantrekken en hun kosten moeten verhalen op de koper. Dit leidt tot een prijsverhoging van geïmporteerde produkten, hetgeen deze minder concurrerend maakt dan gelijksoortige nationale produkten.

e) De praktijk van de Ierse regering, om uitstel van betaling toe te staan voor de accijns op in Ierland geproduceerde gedistilleerde dranken, bier en vruchtenwijn, doch dit te weigeren aan de importeurs, is in strijd met artikel 95 EEG-Verdrag, aangezien zij aldus op de produkten van de overige Lid-Staten zijdelings een hogere binnenlandse belasting heft dan op gelijksoortige nationale produkten.

Schending van artikel 30

a) Volgens de rechtspraak van het Hof kan slechts subsidiair beroep worden gedaan op artikel 30 EEG-Verdrag. Doel van artikel 30 is alle kwantitatieve beperkingen in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten en alle maatregelen van gelijke werking af te schaffen. Het geldt als een fundamenteel beginsel en is rechtstreeks toepasselijk in alle Lid-Staten. De in artikel 36 vervatte uitzonderingen op dit algemene verbod zijn in casu niet van toepassing.

b) Richtlijn nr. 70/50 van de Commissie definieert enkele maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen. Volgens de rechtspraak van het Hof is iedere handelsregeling der Lid-Staten, die de intracommunautaire handel, al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren, een maatregel van gelijke werking.

Artikel 30 EEG-Verdrag moet dus ruim worden geïnterpreteerd.

c) De Ierse bepalingen betreffende uitstel van betaling leiden ertoe dat de betaling van accijns op geïmporteerde gedistilleerde dranken, bier en vruchtenwijn, duurder wordt dan de betaling van accijns op gelijksoortige nationale produkten. De importeur van deze produkten is dientengevolge verplicht genoegen te nemen met een kleinere winstmarge dan wel de prijs van zijn produkten te verhogen: in beide gevallen bestaat het gevaar dat de invoer ongunstig wordt beïnvloed. Volgens de rechtspraak van het Hof is het bij schending van artikel 30 voldoende dat wordt aangetoond dat de importen al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kunnen worden belemmerd.

De Ierse regering is van mening dat de Commissie niet heeft aangetoond dat artikel 95 of artikel 30 in casu op enigerlei wijze van toepassing zou kunnen zijn; Ierland heeft noch in strijd met de letter, noch met de geest van het EEG-Verdrag gehandeld.

De feiten

a) De accijns op in Ierland gebrouwen bier wordt in een vroeg stadium in het produktieproces opgelegd op basis van het soortelijk gewicht van de bierwbrt vóór gisting; bij de in de litigieuze wetgeving voorziene periodes van uitstel wordt slechts rekening gehouden met de duur van de periode van opslag in de brouwerij, die per biersoort kan verschillen. Het ingevoerde bier wordt belast op het moment waarop het in het vrije verkeer wordt gebracht. Een binnenlandse brouwer die de accijns in een eerder stadium zou moeten voldoen, zou in het nadeel zijn ten opzichte van de importeur. Om van de mogelijkheid van betalingsuitstel gebruik te kunnen maken, moet de producent overigens niet enkel een aanvullende accijns van £ 0,0334 per „proof gallon” alcohol betalen, maar de Revenue Commissioners (belastinginspectie) ook een schriftelijke zerkerheid verschaffen dat de accijns zal worden betaald. Voor deze zekerheid is een zegelrecht verschuldigd van ca. £ 3 per £ 1000 accijns per jaar.

b) Het belang van vruchtenwijn is te verwaarlozen, zowel vergeleken met de invoer als met de nationale produktie van wijn in eigenlijke zin; voor de accijns op wijn nu wordt geen betalingsuitstel verleend.

c) Het besluit van 1975 is in Ierland vastgesteld in overeenstemming met het bepaalde bij artikel 38 Toetredingsakte; ten aanzien van geen der betrokken produkten is het discriminerend ten gunste van de nationale produktie.

Toepassing van artikel 95

a) Dat het accijnsniveau voor ingevoerde en nationale produkten hetzelfde is, kan niet worden betwist; rechtstreeks heft Ierland op ingevoerde produkten geen hogere belasting dan op de nationale produkten. Voor ingevoerde en nationale produkten gelden dezelfde belastingtarieven en -voorwaarden. Het enige verschil is dat bij nationale produkten gedurende een beperkte periode uitstel van betaling kan worden verleend, en ook dan nog op voorwaarde dat een fiscale „boete” wordt betaald.

b) Volgens de rechtspraak van het Hof is voor de toepassing van artikel 95 doorslaggevend of op geïmporteerde produkten een hogere belasting wordt geheven dan op nationale. Dat is hier duidelijk niet het geval.

c) In elk geval moet rekening worden gehouden met een aantal feitelijke gegevens: in het bijzonder met de boete die de producenten bij uitstel van betaling moeten betalen, en het feit dat zij zekerheid moeten stellen voor de accijnsbetaling. Bovendien geeft — vooral bij whisky — het verschil in wisselkoers tus- sen het Ierse en het Britse pond de Britse distillateurs een aanzienlijk kostenvoordeel. Voor gedistilleerde dranken gelden geen monetaire compenserende bedragen, waardoor het verschil in de grondstoffenkosten zou worden gecompenseerd. Aldus wordt zonder enige objectieve rechtvaardiging de distillateurs van Schotse whisky een kostenvoordeel geschonken.

Toepassing van artikel 30

a) Het op artikel 30 gebaseerde betoog kan niet zuiver subsidiair zijn: de artikelen 95 en 30 sluiten wat hun toepasselijkheid betreft, elkaar wederkerig uit; zij kunnen niet tegelijkertijd van toepassing zijn.

b) Artikel 30 betreffende kwantitatieve invoerbeperkingen en maatregelen van gelijke werking kan volgens de rechtspraak van het Hof in casu niet van toepassing zijn, omdat het begrip kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking niet maatregelen van zuiver fiscale aard omvat.

c) Het argument van de Commissie, dat is gebaseerd op de pretense schending van richtlijn nr. 70/50, is niet ontvankelijk, omdat het niet in het met redenen omklede advies voorkwam.

In elk geval kunnen naar positief gemeenschapsrecht de bepalingen van de richtlijn niet onafhankelijk van artikel 30 een basis opleveren voor een procedure krachtens artikel 169 EEG-Verdrag. Artikel 33, lid 7, van het Verdrag machtigt de Commissie richtlijnen vast te stellen inzake de procedure en het ritme van opheffing tussen de Lid-Staten van maatregelen van gelijke werking als contingenten, die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het Verdrag tussen de Lid-Staten bestaan. De Commissie ontleent aan artikel 33, lid 7, echter niet de bevoegdheid het begrip kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking uit te leggen of uit te breiden. Zulk een uitleggingsvraag kan alleen het Hof van Justitie beslissen.

In de considerans van de richtlijn erkent de Commissie zelf dat artikel 33, lid 7, EEG-Verdrag, waarop de richtlijn is gebaseerd, inzonderheid niet geldt voor artikel 95.

De pretense niet-nakoming

a) Geen van beide bepalingen waarop de Commissie zich beroept, is in casu van toepassing.

b) Wanneer alle relevante factoren en omstandigheden in aanmerking worden genomen bij het beoordelen van de gevolgen die deze artikelen hebben voor de bepalingen waarvan de geldigheid wordt bestreden, is het in elk geval duidelijk dat er eigenlijk geen discriminerende werking ten opzichte van geïmporteerde produkten bestaat.

De enige manier waarop het probleem waartoe de Ierse bepalingen volgens de Commissie aanleiding geven, kan worden opgelost, is door de desbetreffende nationale wettelijke en bestuursrechterlijke bepalingen en praktijken van de Lid-Staten overeenkomstig artikel 100 EEG-Verdrag te harmoniseren.

V — Mondelinge behandeling

De Commissie, te dezen vertegenwoordigd door A. McClellan en de Ierse regering, te dezen vertegenwoordigd door N. Fennelly, S. C, zijn ter terechtzitting van 9 oktober 1979 in hun pleidooien gehoord.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 28 november 1979 conclusie genomen.

In rechte

1.

Bij verzoekschrift van 9 april 1979 heeft de Commissie krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht, vast te stellen dat Ierland, door de bepalingen betreffende de betalingstermijnen voor accijns op gedistilleerde dranken, bier en vruchtenwijn (made wine) op discriminerende wijze toe te passen, de krachtens artikel 95, eerste alinea, subsidiair artikel 30 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

2.

De aan het beroep ten gronde liggende feiten worden door Ierland niet bestreden. Tussen partijen staat vast dat de in Ierland met name krachtens de Imposition of Duties (no 221) (Excise Duties) Order 1975 toepasselijke wettelijke bepalingen de producenten van gedistilleerde dranken, bier en vruchtenwijn, toestaan de betaling van de accijns naar gelang van het produkt vier tot zes weken uit te stellen, terwijl voor dezelfde produkten uit andere Lid-Staten de accijns op het tijdstip van invoer of van levering vanuit het douane-entrepôt moet worden voldaan.

3.

De Commissie erkent dat er voor wat de toepasselijke tarieven betreft, geen discriminatie bestaat. Zij meent evenwel dat het voor Ierse produkten toegestane uitstel van betaling tot na de datum waarop de produkten in het vrije verkeer zijn gebracht, neerkomt op een financieel voordeel voor de nationale producenten ten opzichte van de importeurs, die de accijns dienen te voldoen op het moment waarop de produkten worden ingeklaard. Dit leidt volgens de Commissie tot een benadeling van de met de overeenkomstige Ierse produkties concurrerende ingevoerde produkten.

4.

De Commissie verklaart dat zij de procedure krachtens artikel 169 heeft ingeleid, nadat zij klachten had ontvangen van importeurs die de Ierse autoriteiten tevergeefs om dezelfde betalingsfaciliteiten als de Ierse producenten hadden verzocht. Naar aanleiding van de door de Commissie hierover gemaakte opmerkingen, hebben de Ierse autoriteiten zich bereid verklaard dit verschil in behandeling binnen het kader van de harmonisatie van de belastingwetgevingen op te heffen, doch geweigerd de betrokken bepalingen op korte termijn te wijzigen. Wegens deze weigering heeft de Commissie zich tot het Hof gewend.

5.

In haar verweerschrift betoogt de Ierse regering dat de praktische heffingsmodaliteiten voor de accijns moeten kunnen worden aangepast aan de verschillende omstandigheden waarin de binnenslands geproduceerde en de ingevoerde dranken zich bevinden. Het beslissende criterium is haars inziens het toegepaste tarief van de accijns, terwijl de tekst van artikel 95 de Lid-Staten enkel verbiedt op produkten van de overige Lid-Staten „hogere” belastingen te heffen dan die welke op gelijksoortige nationale produkten worden geheven; deze bepaling zou geweld worden aangedaan indien men daarin elementen zou invoeren die uit de tekst niet blijken.

6.

Verder beroept de Ierse regering zich op de omstandigheid dat de Ierse producenten tegenover het hun met het betalingsuitstel toegekende voordeel dienovereenkomstige nadelen moeten aanvaarden. Zo moeten zij om uitstel van betaling te krijgen, een aanvullend recht betalen en bij de autoriteiten een zekerheid stellen. Bovendien zou men rekening moeten houden met het nadeel dat de Ierse whiskyproducenten in hun mededinging met Scotch whisky ondervinden van het verschil in de wisselkoers van het Ierse en het Britse „groene pond”.

7.

Tenslotte betoogt de Ierse regering nog eens, dat het door de Commissie gewraakte verschil in behandeling moet worden opgeheven door harmonisatie van de belastingwetgevingen en dat het niet onder het toepassingsgebied van artikel 95 valt.

8.

Dit verweer van de Ierse regering kan niet worden aanvaard. In een vaste rechtspraak (vgl. de arresten van 5 mei 1970, zaak 77/69, Commissie/België, Jurispr. 1970, blz. 237; 20 februari 1973, zaak 54/72, FOR/VKS, Jurispr. 1973, blz. 193; 17 januari 1976, zaak 45/75, Rewe, Jurispr. 1976, blz. 181; 22 juni 1976, zaak 127/75, Bobie, Jurispr. 1976, blz. 1979; 16 februari 1977, zaak 20/76, Schöttle, Jurispr. 1977, blz. 247; 22 maart 1977, zaak 74/76, lancili & Volpi, en zaak 78/76, Steinike & Weinlig, Junspr. 1977, blz. 557 en 595) heeft het Hof immers verklaard, dat bij de toepassing van het nondiscriminatievoorschrift van artikel 95 niet slechts moet worden gelet op de belastingtarieven, doch ook op de bepalingen betreffende de grondslag en de heffingsmodaliteiten van de verschillende belastingen. In feite is de daadwerkelijke invloed van elke belasting op de nationale produktie enerzijds en op de ingevoerde produkten anderzijds de doorslaggevende vergelijkingsmaatstaf bij de toepassing van artikel 95; zelfs bij een gelijk tarief kan deze last verschillen, afhankelijk van de grondslag en de heffingsmodaliteiten van de belasting, die voor respectievelijk de nationale produktie en ingevoerde produkten gelden.

9.

Zulks is het geval bij het verschil in behandeling van de in het beroep bedoelde alcoholhoudende dranken, al naar gelang zij in Ierland zijn geproduceerd of uit andere Lid-Staten ingevoerd. Hoewel het aan de nationale produktie toegekende voordeel in de vorm van betalingsfaciliteiten klein is, is het verschil in behandeling ten nadele van ingevoerde produkten uit andere Lid-Staten er niet minder duidelijk om.

10.

De Commissie heeft terecht gesteld dat dit verschil in behandeling niet ongedaan wordt gemaakt doordat de Ierse producenten enkel van deze betalingsfaciliteiten gebruik kunnen maken indien zij een aanvullende accijns betalen en financiële zekerheid stellen.

De lasten van deze beide verplichtingen zijn zo gering, dat het aan de Ierse producenten toegekende voordeel daardoor niet wordt gecompenseerd. Niets belet de Ierse autoriteiten overigens de importeurs dezelfde aanvullende belasting op te leggen en soortgelijke waarborgen van hen te eisen.

11.

Ook het argument inzake het koersverschil tussen het Ierse en het Britse „groene pond” moet worden afgewezen. Zo de Ierse autoriteiten mochten menen dat deze wisselkoersen niet juist zijn vastgesteld, dan dienen zij de oplossing van dat probleem met de geëigende middelen na te streven. Een monetaire situatie kan evenwel niet met discriminerende fiscale bepalingen worden gecorrigeerd.

12.

Tenslotte dient het argument te worden afgewezen, dat discriminaties als waarop het beroep betrekking heeft, eerder via de procedure van harmonisatie van de belastingwetgevingen overeenkomstig de artikelen 99 en 100 EEG-Verdrag moeten worden opgeheven dan door middel van artikel 95. Stellig kan toepassing van de procedure van harmonisatie van belastingwetgevingen leiden tot opheffing van de beperkingen voor het vrije goederenverkeer, maar de tenuitvoerlegging van de desbetreffende verdragsbepalingen en in het bijzonder van artikel 99, kan niet als voorwaarde worden gesteld voor de toepassing van artikel 95 dat de Lid-Staten met onmiddellijke ingang verplicht hun belastingwetgeving ook vóór harmonisatie op niet-discriminerende wijze toe te passen.

13.

Niettemin moet worden opgemerkt dat in het bijzonder met betrekking tot in Ierland gebrouwen bier, waarbij de accijns wordt geheven op de bierwort vóór het brouwen, het verlenen van betalingsuitstel niet als discriminerend kan worden aangemerkt, voor zover de duur van dit uitstel overeenkomt met de periode waarin het bier ter rijping in de brouwerij moet blijven. Eerst op het moment waarop het op de markt wordt gebracht, bevindt het zich dus in een positie die vergelijkbaar is met die van het geïmporteerde produkt.

14.

Behoudens het hiervoor opgemerkte, is Ierland mitsdien de krachtens artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag, op hem rustende verplichtingen niet nagekomen door belastingbepalingen vast te stellen en toe te passen waarbij de Ierse producenten voordelen in de vorm van betalingstermijnen voor de accijns op gedistilleerd, bier en vruchtenwijn, worden toegekend, die de importeurs van dezelfde produkten uit andere Lid-Staten worden onthouden.

15.

Gezien deze conclusie, behoeft de subsidiaire conclusie van de Commissie, die is gebaseerd op toepassing van artikel 30 betreffende de afschaffing van kwantitatieve beperkingen en alle maatregelen van gelijke werking, niet meer te worden onderzocht.

Kosten

16.

Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering

17.

moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien verweerder in het ongelijk is gesteld, dient hij in de kosten te worden verwezen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende, verstaat:

1. Door de bepalingen betreffende de betalingstermijnen voor accijnzen op gedistilleerd, bier en vruchtenwijn, met name krachtens de Impositions of Duties (no. 221) (Excise Duties) Order, 1975, met betrekking tot de uit de overige Lid-Staten ingevoerde produkten discriminerend toe te passen, is Ierland de krachtens artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.

2. Ierland wordt verwezen in de kosten.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

7
EEG-Verdrag art. 308 voorkomens
EEG-Verdrag art. 957 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1694 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1002 voorkomens
EEG-Verdrag art. 332 voorkomens
EEG-Verdrag art. 992 voorkomens
richtlijn 70/50 art. 21 voorkomen

Rechtspraak

4

Europese Unie

4

Conclusie van de advocaat-generaalC-855/1918.03.2021

Verschuldigdheid van de btw

Conclusie van advocaat-generaal Darmon299/8608.12.1987

EEG-Verdrag art. 12 en art. 13

Bekijk de 4 documenten

Rechtsleer

3
Easson, Alex: The Spirits, Wine and Beer Judgments: A Legal Mickey Finn?, European Law Review 1980 p.318-330 (EN)
Barents, René: The Prohibition of Fiscal Discrimination in Article 95 of the EEC Treaty, Common Market Law Review 1980, Volume 17, Issue 3, p. 437-449 (EN)
Audretsch, H.A.H.: 'de gustibus non est disputandum', S.E.W. ; Sociaal-economische wetgeving 1981 p.338-343 (NL)