ARREST
Ten aanzien van de feiten
Overwegende dat de verwijzingsuitspraak en de krachtens artikel 20 van 's Hofs statuut ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:
I — De feiten en het procesverloop
De commanditaire vennootschap P. J. van der Hulst's Zonen (na te noemen: Van der Hulst) teelt en verkoopt bloembollen. De vennootschap heeft bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven beroep ingesteld tegen een besluit van het Produktschap voor siergewassen (na te noemen: PVS), waarbij op grond van de Nederlandse wettelijke regeling, zoals vastgesteld bij verscheidene verordeningen van het PVS, van Van der Hulst betaling werd gevorderd van een reeks heffingen over de oogst 1972. Van der Hulst betwist de rechtmatigheid van twee soorten heffingen: de „surplusheffing”, ingevorderd krachtens de „verordening surplusheffing”, en de „vakheffing”, ingevorderd krachtens de „verordening vakheffing”1. Hij stelt dat die heffingen onverenigbaar zijn met sommige bepalingen van het Gemeenschapsrecht en derhalve niet mogen worden toegepast.
Alvorens te beslissen heeft het College van Beroep het geding geschorst en het Hof van Justitie verzocht overeenkomstig artikel 177 EEG-Verdrag bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de volgende vraagpunten:
1.Moeten artikel 16 van het Verdrag en artikel 10 van verordening (EEG) nr. 234/68 aldus worden uitgelegd, dat onder „heffingen van gelijke werking” als in die artikelen bedoeld, mede zijn te begrijpen heffingen als die ingevolge de „verordening surplusheffing” en de „verordening vakheffing” ?
2.Brengen artikel 40 van het Verdrag en artikel 1 van verordening (EEG) nr. 234/68 dan wel enig ander voorschrift of algemeen rechtsbeginsel van communautair recht mede, dat het de Nederlandse met wetgevende bevoegdheid beklede instanties niet meer is toegestaan enige marktordenende regeling als die, vervat in de „verordening surplusheffing” en in de „verordening vakheffing” met betrekking tot de in artikel 1 van verordening (EEG) nr. 234/68 omschreven sector vast te stellen, anders dan ter uitvoering van de voorschriften dier verordening of van andere voorschriften van communautair recht?
3. a)Moet artikel 93, lid 3, van het Verdrag aldus worden uitgelegd, dat de in de tweede volzin van dat artikel-lid bedoelde procedure mede omvat het doen van een aanmaning als omschreven in artikel 93, lid 2, waarnaar in dat lid 3 wordt verwezen?
b)Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, moet dan artikel 93, lid 3, aldus worden uitgelegd, dat het doen van zodanige aanmaning door de Commissie meebrengt, dat de betreffende, nationale, steunmaatregel niet tot uitvoering mag worden gebracht, zolang de eerder bedoelde procedure niet tot een eindbeslissing heeft geleid?
a)In zijn verwijzingsuitspraak merkt het College van Beroep betreffende de surplusheffing het volgende op.
Iedere verkoper van bloembollen is verplicht bij verkoop een korting op zijn verkoopprijs te verlenen aan handelaren die in het bezit zijn van een handelskaart. Een handelskaart wordt door het PVS uitgereikt aan handelaren die bij hem zijn geregistreerd als bloembollenhandelaren en die voldaan hebben aan de verplichting het voorschot op de surplusheffing te betalen. Iedere verkoper is een heffing verschuldigd bij verkoop van bloembollen aan een koper die niet in het bezit is van een handelskaart. De bedragen van de kortingen en van de heffingen zijn aan elkaar gelijk.
Het systeem van deze regeling komt erop neer dat een heffing wordt betaald door iedere verkoper van bloembollen — dus ook door een exporteur — die verkoopt aan een — binnenlandse dan wel buitenlandse — koper zonder handelskaart.
De gelden welke uit genoemde heffing beschikbaar komen, worden door het PVS uitgekeerd aan de Stichting bloembollensurplusfonds, welke de aldus verkregen gelden aanwendt voor de aankoop van bloembollen die de door de Stichting vastgestelde marktprijs niet halen en haar ter vernietiging worden aangeboden.
Wat de regeling van de vakheffing betreft, merkt het College van Beroep op dat deze eveneens een systeem van kortingen en heffingen inhoudt, dat evenwel op onderscheidene punten afwijkt van die van de regeling betreffende de surplusheffing.
Iedere verkoper van bloembollen die verkoopt aan een handelaar die in het bezit is van een handelskaart, dient deze een korting te verlenen. Iedere verkoper van bloembollen die verkoopt aan bij het PVS geregistreerde telers, dan wel aan bloemkwekers die de bollen gebruiken als grondstof voor hun eigen bloemkwekerij, dan wel aan handelaren die niet in het bezit zijn van een handelskaart, dient het PVS een heffing te betalen. Een heffing is eveneens verschuldigd door telers van en handelaren in bloembollen, die verkopen aan andere kopers dan de evenbedoelde. De bedragen van de te betalen heffingen en de te verlenen kortingen zijn niet aan elkaar gelijk en er zijn ook verschillen tussen de bedragen die de onderscheidene heffingsplichtigen dienen te betalen.
De opbrengst van de heffing wordt, na aftrek van een bedrag ter dekking van de kosten van het PVS, gestort in het Financieringsfonds PVS algemene vakdoeleinden bloembollen ter financiering van het wetenschappelijk onderzoek, de onpersoonlijke reclame en andere algemene vakdoeleinden.
b)Wat de gestelde vragen betreft, merkt het College op dat de eerste vraag met name betekenis heeft, gelet op de omstandigheid dat de Nederlandse bloembollenteler die de door hem in eigen bedrijf geteelde bloembollen gebruikt als grondstof voor zijn bloemkwekerij, noch korting behoeft te verlenen noch heffing te betalen, terwijl de in enige andere Lid-Staat gevestigde bolbloemenkweker die als grondstof voor zijn bedrijf bloembollen uit Nederland betrekt, voor die bloembollen in beginsel wel een prijs dient te betalen, waarin mede zijn ingecalculeerd de bedragen van surplus- en vakheffing.
In verband met de derde vraag merkt het College onder meer op, dat de betrokken verordeningen zijn vastgesteld in 1971 en dat, gelet op een door verzoeker overgelegd stuk, inhoudende een gedeelte van een brief van 9 februari 1972 van de vice-voorzitter van de Commissie aan de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, mag worden aangenomen dat de Commissie op de hoogte is gebracht van het voornemen tot invoering van de in die beide verordeningen vervatte — nieuwe, althans gewijzigde — steunmaatregelen.
De uitspraak van het College van Beroep van 16 juli 1974 is ingeschreven ter griffie van het Hof op 17 juli 1974.
Schriftelijke opmerkingen zijn bij het Hof ingediend door Van der Hulst, ten deze vertegenwoordigd door J. van der Plas, advocaat te's-Gravenhage, het Produktschap voor siergewassen, ten deze vertegenwoordigd door zijn secretaris N. Luitse, door de Nederlandse Regering, ten deze vertegenwoordigd door W. P. L. G. de Boer, plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, en door de Commissie, ten deze vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. H. J. Bourgeois.
Het Hof heeft, op rapport van de Rechter-Rapporteur en de Advocaat-Generaal gehoord, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
II — Bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen
Van der Hulst bespreekt eerst de surplusheffing en merkt onder meer op dat de koper van bloembollen, die in het bezit is van een zogenaamde „handels-kaart” en om die reden recht heeft op de korting bij aankoop, doch tevens bolbloemenkweker is en de aangekochte bollen verwerkt in eigen bedrijf als grondstof voor zijn bloemkwekerij, over die bloembollen geen heffing behoeft te betalen.
Van der Hulst betoogt voorts dat de surplusheffing uiteindelijk ten laste komt van de laatste ontvanger/verbruiker van de bollen, en hij merkt op dat aan buiten Nederland gevestigde handelaren geen handelskaart wordt verstrekt.
De Stichting surplusfonds stelt kwaliteitsnormen vast voor de over te nemen bloembollen, welke handelwijze in strijd is met verordening (EEG) nr. 315/68 betreffende de kwaliteit van bloembollen (PB nr. L 71 van 21 maart 1968).
Wat de vakheffing betreft, merkt Van der Hulst op dat het toegepaste systeem zeer gecompliceerd is: volgens de tekst van de verordening zijn er meer dan twintig categorieën van heffingen en kortingen. Afgezien van de ongelimiteerde mogelijkheid van ontheffingen door de voorzitter van het PVS, zijn er twee discriminaties ingebouwd in de vakheffingsverordening voor zover betreft het verschil in heffingen binnen Nederland en die bij export naar Lid-Staten. Enerzijds heeft een geselecteerde groep — met handelskaart — binnen Nederland recht op kortingen, en anderzijds is de heffing in het binnenland 3 %, maar die op export naar de EEG 3 1/2 %.
Van der Hulst stelt vragen betreffende het systeem van heffingen op geïmporteerde bloembollen.
Hij verwijst naar de brief van de Commissie van 9 februari 1972 aan de Nederlandse Regering en merkt op dat de conclusie van die brief is, dat vóór 1 april 1972 moeten worden afgeschaft of aangepast met name genoemde steunmaatregelen, waaronder de heffing door het PVS ten gunste van het Financieringsfonds voor de algemene doeleinden van de sector bloembollen (vakheffing) en de heffing ten gunste van de stichting bloembollensurplusfonds (surplusheffing). Van der Hulst betoogt dat beide heffingen een concurrentievervalsend en discriminerend effect hebben, omdat zij niet op gelijke wijze de telers en handelaars binnen en buiten de binnengrenzen van de EEG-landen treffen, terwijl voor de surplusheffing nog in het bijzonder geldt dat ze dient om, ten nadele van de buitenlandse verbruikers van de bloembollen, kunstmatig een minimumprijsniveau te handhaven, zulks gefinancierd met gelden door die buitenlandse verbruikers zelf opgebracht.
Van der Hulst beklemtoont dat het wenselijk zou zijn dat het PVS nadere inlichtingen verstrekt over een aantal met name genoemde punten en onder meer over de ontheffingen per groep en de individuele ontheffingen.
Vervolgens vraagt hij zich af in hoeverre de Gemeenschapsverordeningen nog ruimte laten aan de wetgevers van de Lid-Staten om regelend op te treden. Hij meent dat het de Lid-Staten is toegestaan uitvoeringsregelingen vast te stellen, doch dat het daarbij niet toelaatbaar kan worden geacht dat deze in strijd komen met de strekking van de Europese verordeningen of dat daaraan bepalingen worden toegevoegd. Hoe gedetailleerder en vollediger een Gemeenschapsregeling is, hoe minder bevoegdheden de wetgevers van de Lid-Staten behouden tot aanvullende wetgeving. De Lid-Staten moeten zich beperken tot voor de uitvoering van het Gemeenschapsrecht strikt noodzakelijke regelingen.
Bij de bespreking van verordening nr. 234/68 wijst Van der Hulst met name op artikel 2 ervan, dat de Gemeenschapsinstellingen de bevoegdheid verleent een aantal maatregelen ter aanmoediging van het betrokken bedrijfsleven te nemen. Men mag aannemen dat de bevoegdheden die in artikel 2 aan de Gemeenschap worden toegekend, exclusief zijn en aan de Lid-Staten de mogelijkheid ontnemen de betreffende maatregelen op nationaal niveau te nemen, ook al is het geheel aan de beoordeling van de Gemeenschapsinstellingen overgelaten of en wanneer zij die maatregelen zullen nemen. De in deze procedure bestreden PVS-verordeningen zijn alle maatregelen, die kunnen bijdragen tot een betere organisatie van de produktie en de commercialisatie, en wat het surplusfonds betreft een maatregel, die ertoe strekt de waarneming van het prijsverloop op de markt te vergemakkelijken. Deze maatregelen kunnen alleen door de Gemeenschapsinstellingen worden genomen.
Van der Hulst concludeert daarom dat de verordeningen van het PVS in strijd met het Gemeenschapsrecht zijn vastgesteld, omdat zij een terrein bestrijken waar de Gemeenschapsinstellingen exclusief bevoegd zijn.
Met betrekking tot de vragen die door het College van Beroep zijn gesteld, maakt Van der Hulst de volgende opmerkingen.
Wat de eerste vraag betreft, tekent hij aan dat hij niet alleen een beroep heeft gedaan op de bepaling van artikel 10 van verordening nr. 234/68 voor zover deze de toepassing van enig douanerecht of enige heffing van gelijke werking verbiedt, doch ook elke kwantitatieve beperking of maatregel van gelijke werking. Hij verzoekt het Hof dit punt ambtshalve te onderzoeken. Het is immers zonder meer duidelijk dat de heffingen ten behoeve van de Stichting bloembollensurplusfonds dezelfde uitwerking hebben op het handelsverkeer tussen de Lid-Staten als kwantitatieve beperkingen. De surplusheffing wordt immers aangewend om bloembollen die aan door het PVS vastgestelde kwaliteitsnormen voldoen en de daarvoor vastgestelde prijzen niet halen, uit de markt te nemen en te vernietigen.
Naar het oordeel van Van der Hulst is het voorts niet voor tegenspraak vatbaar dat de beide heffingen, gezien hun uitwerking op het handelsverkeer, aangemerkt dienen te worden als „heffingen van gelijke werking” als douanerechten. Van belang daarbij is dat de opbrengst van de heffingen wordt aangewend voor doeleinden die niet rechtstreeks ten goede komen aan de in de andere Lid-Staten gevestigde afnemers.
Een ander aspect is nog dat de vakheffing niet op gelijke wijze wordt geheven ten aanzien van verkopen in het binnenland en die in het buitenland. Met betrekking tot dit verschil is in elk geval sprake van een eenzijdig aan de afnemers in de Lid-Staten wegens grensoverschrijding opgelegde geldelijke last.
Ten aanzien van de tweede vraag stelt Van der Hulst dat deze bevestigend moet worden beantwoord. Hij verwijst naar zijn voorgaand betoog en voegt daaraan toe dat hij talrijke voorbeelden heeft gegeven waaruit blijkt dat de litigieuze verordeningen indruisen tegen het voorschrift, dat elke discriminatie tussen producenten of verbruikers van de Gemeenschap is verboden.
Ten aanzien van de derde vraag herinnert Van der Hulst eraan, dat de Nederlandse Regering is aangemaand de onderhavige steunmaatregelen aan te passen of in te trekken. Zij hebben een concurrentievervalsend en discriminerend effect. Naar het oordeel van Van der Hulst kunnen zij ook daarom niet tot uitvoering worden gebracht zolang de in artikel 93 EEG-Verdrag bedoelde procedure niet tot een eindbeslissing heeft geleid.
De opmerkingen van het Produktschap voor siergewassen beperken zich tot de eerste vraag. Gezien het uiteenlopende karakter van beide heffingen, acht het PVS het wenselijk de toelichting die het College van Beroep op beide heffingen heeft gegeven, aan te vullen.
Wat de surplusheffing betreft, merkt het PVS met name op dat zij alleen wordt berekend over de in het verkeer gebrachte bloembollen. Het is niet mogelijk de surplusheffing ook toe te passen op de in eigen bedrijf in bloei getrokken bloembollen, daar niet is vast te stellen of deze bloembollen hebben beantwoord aan de door het surplusfonds voor de overname gestelde minimummaten en kwaliteitseisen. Bovendien is het deel van de totale Nederlandse bloembollenproduktie, dat op het bedrijf van de producent zelf in bloei wordt getrokken, vrij gering (ca. 5 %). De surplusheffing wordt bovendien alleen geheven van de producenten van de in het verkeer gebrachte bloembollen. Noch de exporteur, noch de bloemkweker, noch de binnenlandse groothandel betaalt aan de surplusheffing mee. De exporteurs en de binnenlandse groothandelaren vervullen slechts een incassodienst.
Het PVS is derhalve van mening dat de surplusheffing noch in strijd is met artikel 16 van het Verdrag, noch met artikel 10 van verordening nr. 234/68.
Wat de vakheffing betreft, merkt het PVS met name op, dat het hier een omzetheffing betreft, waarbij de last van de financiering over de betrokken bedrijfsgenoten wordt verdeeld.
Voor zover de producenten hun bloembollen rechtstreeks verkopen aan de bloemkwekers, wordt de producentenbijdrage in de vakheffing (3 % van de verkoopwaarde) bij de producenten geïnd. Voor zover de producenten de bloembollen verkopen aan de exporteurs of de binnenlandse groothandelaren, wordt door dezen, krachtens de hun verleende handelskaart, de producentenbijdrage gekort op de te betalen koopprijs. In de door de exporteurs en de binnenlandse groothandelaren te betalen heffing is de producentenbijdrage dus begrepen.
De handelsbijdrage in de vakheffing, die door de exporteurs aan het PVS wordt betaald, bedraagt 31/2 % van de exportwaarde minus 3 % van de aankoopwaarde. Volgens het PVS is de betaling van de vakheffing geen voorwaarde om te mogen exporteren. De heffing wordt door de exporteurs ook niet in rekening gebracht aan de buitenlandse afnemers en evenmin kan worden gesteld dat de vakheffing „in principe” door de exporteurs in hun exportprijzen wordt „ingecalculeerd”. De verkoopprijzen komen in een volledig open markt tot stand. De nationale belastingen waaronder de verschillende aanbieders moeten werken, hebben geen invloed op de prijs. Op het moment van de verkoop aan de buitenlandse afnemer is het de exporteurs niet mogelijk te berekenen hoe hoog hun eigen handelsbijdrage in de vakheffing uiteindelijk zal zijn. Slechts aan het eind van het seizoen zal blijken welk bedrag zij moeten afdragen. In het geval van een verkoop met verlies is het bedrag van de ingehouden kortingen hoger dan het bedrag van de af te dragen vakheffing. In het tegengestelde geval is het duidelijk dat de verkoopprijs — die door vraag en aanbod tot stand komt — niet lager zou zijn geweest indien de handelsbijdrage in de vakheffing niet betaald had behoeven te worden. Slechts de winst zou iets groter zijn geweest.
Het PVS merkt vervolgens op dat het, evenmin als bij de surplusheffing, mogelijk is de producentenbijdrage in de vakheffing toe te passen op bloembollenproducenten die hun eigen bloembollen in bloei trekken.
Ten slotte tekent het PVS aan dat ook de binnenlandse groothandel sinds 1965 verplicht is de op de betaling aan de bloembollenproducenten ingehouden korting aan het Produktschap af te dragen, waardoor is bereikt dat over alle leveringen van bloembollen aan de bloemkwekers, hetzij door de producenten rechtstreeks, hetzij door de binnenlandse groothandel de 3 % vakheffing wordt afgedragen. Het moge duidelijk zijn dat het, geiet op de concurrentie tussen de groothandelaren en de producenten die rechtstreeks aan de Nederlandse bloemkwekers en zaadhandels leveren, niet mogelijk is van de binnenlandse groothandel ook nog een handelsbijdrage in de vakheffing te verlangen.
Gezien het bovenstaande concludeert het PVS dat de vakheffing bloembollen niet in strijd is te achten met artikel 16 van het Verdrag en artikel 10 van verordening nr. 234/68.
De Nederlandse Regering betoogt dat de gewraakte heffingen niet vallen onder het begrip „heffingen van gelijke werking” als bedoeld in artikel 16 EEG-Verdrag. Daartoe verwijst zij naar 's Hofs arrest van 12 juli 1973 (zaak 2-73, Geddo, Jurispr. 1973, blz. 865), waarbij werd beslist dat een binnenlands recht dat alleen op nationale produkten wordt geheven en bestemd is om een fonds tot steunverlening aan de nationale produktie aan middelen te helpen, niet is een heffing van gelijke werking.
De Nederlandse Regering voert voor het feit dat op de door een bloemkweker zelf geteelde en in zijn eigen bedrijf gebruikte bollen geen heffing wordt toegepast, redenen aan van administratieve aard. Het nadeel dat daaruit kan voortvloeien voor de buitenlandse bolbloemkweker, bestaat eveneens voor de meeste Nederlandse bloemkwekers. De Nederlandse Regering beklemtoont dat het verschil in behandeling van die overigens verschillende gevallen berust op de objectieve omstandigheid dat uitsluitend geheven wordt ter zake van het in het verkeer brengen van bollen.
Ten aanzien van de tweede vraag stelt de Nederlandse Regering voorop dat de werking van de beide heffingen als zodanig geen enkele marktordenende functie heeft, maar uitsluitend de financiering van nationale maatregelen beoogt. Nogmaals wordt verwezen naar 's Hofs arrest van 12 juli 1973 in de zaak 2-73. De bestemming van de opbrengst van een belasting lijkt niet relevant indien deze belasting noch als heffing van gelijke werking, noch als marktordenende heffing is te beschouwen en tevens de daarmee beoogde nationale activiteiten ook geen bijkomend effect ontlenen aan de wijze van financiering.
Voor zover de aanwending van de heffingen toch van betekenis zou worden geacht, betoogt de Nederlandse Regering dat de maatregelen die met de beide heffingen worden gefinancierd, niet in strijd zijn met het Verdrag of met verordening nr. 234/68.
Zij beklemtoont dat de opzet van de gemeenschappelijke marktordening in de sector siergewassen van voorlopige en beperkte aard is. Dit blijkt niet zozeer uit het louter ontbreken van een gemeenschappelijk interventiestelsel als wel uit artikel 12 vans verordening nr. 234/68. Deze bepaling, die in andere marktordeningen niet voorkomt, noemt uitdrukkelijk de mogelijkheid van aanvullende maatregelen die op grond van de ervaring nodig mochten blijken. Deze bepaling kan vooral worden bezien tegen de achtergrond van het feit dat Commissie en Raad ten tijde van de opstelling van verordening nr. 234/68 kennis hadden van de in Nederland bestaande maatregelen in deze sector. Aan de hand van de bepaling van artikel 12 mag dan ook geconcludeerd worden dat het niet in de bedoeling van Raad en Commissie heeft gelegen de gemeenschappelijke ordening onmiddellijk en volledig in de plaats te stellen van de bestaande nationale marktorganisatie voor bloembollen in het belangrijkste produktiegebied van de Gemeenschap. Hiermee wil overigens niet gezegd zijn dat iedere controle van Gemeenschapswege op een nationale regeling als die van het bloembollensurplusfonds uitgesloten zou zijn. Welnu, zodanige controle toont aan dat de nationale overnameprijzen zich bevinden op een niveau dat ongeveer 1/3 lager ligt dan dat van de gemeenschappelijke minimumexportprijzen. Een aanzienlijk lagere overnameprijs dan thans in Nederland wordt toegepast, zou anderzijds de realisering van de gemeenschappelijke minimumexportprijzen in de praktijk in gevaar brengen. Het relatief te lage prijsniveau binnen de gemeenschappelijke markt zou het dan namelijk praktisch moeilijk maken de inachtneming van de minimumprijs door exporteurs te handhaven. De toepassing van de overnameregeling door het bloembollensurplusfonds doet dan ook geen enkele afbreuk aan het marktordeningsinstrumentarium van verordening nr. 234/68, maar mag veeleer als een noodzakelijke ondersteuning daarvan worden gezien.
Ten aanzien van de derde vraag betoogt de Nederlandse Regering dat de verordeningen van het PVS slechts de financieringsmiddelen beogen te verstrekken voor de Nederlandse regelingen, maar deze regelingen niet zelf omvatten. De inhoud van deze regelingen, beschouwd als nationale steunmaatregelen in de zin van artikel 92 EEG-Verdrag, valt niet af te leiden uit beide heffingsverordeningen. Zelfs indien men zou aannemen dat deze verordeningen de steunmaatregelen zouden bevatten, kan nog niet worden gesteld dat de vaststelling in 1971 kan worden beschouwd als een wijziging in de zin van artikel 93, lid 3; in de bestaande methode van financiering door middel van parafiscale heffingen is geen principiële verandering gebracht.
De Nederlandse Regering wijst er overigens op dat uit opschrift en inhoud van de brief van de Commissie van 9 februari 1972 blijkt dat het voorstellen betreft tot maatregelen in de zin van het eerste lid van artikel 93. Zij is dan ook van mening dat die brief niet is aan te merken als een handeling waarop voor de nationale rechter een beroep kan worden gedaan.
De Commissie bespreekt vooreerst de Nederlandse regeling. Zij merkt onder meer op dat sinds een wijziging die met ingang van 1 juli 1973 in de litigieuze heffingen is aangebracht, de beide heffingen niet meer zijn verschuldigd voor geïmporteerde bloembollen.
De Commissie gaat in de eerste plaats in op de tweede vraag, vermits de beantwoording ervan voor de andere vragen bepalend kan zijn.
Naar het de Commissie voorkomt, zijn de betrokken Nederlandse regelingen niet met verordening nr. 234/68 als zodanig onverenigbaar en brengt geen enkel ander voorschrift of algemeen rechtsbeginsel van communautair recht mede dat deze regelingen ipso facto ophouden te bestaan. De Commissie steunt hierbij op een geheel van aanwijzingen welke zij meent te kunnen vinden a) in de tekst van verordening nr. 234/68, b) in het stelsel van de gemeenschappelijke marktordening in de betrokken sector en c) in de wijze waarop verordening nr. 234/68 is tot stand gekomen.
De Commissie betoogt dat verordening nr. 234/68 geen uitdrukkelijk verbod bevat van nationale maatregelen voor interventie op de markt of ter bevordering van algemene vakdoeleinden. Zij stelt vast dat de Nederlandse regelingen in andere maatregelen voorzien dan welke in verordening nr. 234/68 zijn genomen. Deze verordening heeft immers geen interventieregeling in het leven geroepen. Anderzijds is de tenuitvoerlegging van artikel 2, volgens hetwelk communautaire maatregelen kunnen worden genomen die gelijkenis vertonen met sommige maatregelen waarin door de „verordening vakheffing” is voorzien, achterwege gebleven. Rechtstreeks raken de Nederlandse regelingen de draagwijdte van de bepalingen van verordening nr. 234/68 zelve niet. Op dit punt bestaat derhalve een duidelijk verschil tussen de onderhavige casuspositie en de problematiek die aan de orde was in de zaken waarin het Hof zich heeft uitgesproken ten aanzien van de verhouding tussen nationale maatregelen en de gemeenschappelijke marktordeningen.
De Commissie betoogt nog dat verordening nr. 234/68 als een onvolledige regeling is geconcipieerd. Met name het ontbreken van een interventieregeling werd als een lacune beschouwd, waarmede voorlopig om beleidsredenen vrede moest worden genomen. In dit verband wijst zij op artikel 12 van de verordening. Met de lacune kon voorlopig vrede worden genomen, omdat in Nederland een interventieregeling bestond die de producenten een redelijk inkomen verzekerde en wegens de overheersende positie van Nederland ook bepalend was voor de rest van de Gemeenschap.
Volgens de Commissie kan in casu niet de stelling worden aanvaard dat het tot stand brengen van een gemeenschappelijke marktordening betekent dat alle verordenende bevoegdheid naar de Gemeenschap is overgegaan en de Lid-Staten bijgevolg op het betrokken gebied niet meer bevoegd zijn. Zij herinnert eraan dat het Hof alleen tot een tegengestelde conclusie is gekomen in gevallen waarin de Gemeenschap, in de uitoefening van haar bevoegdheid, regels had gegeven waarvan de draagwijdte door nationale voorschriften werd geraakt.
Naar het oordeel van de Commissie kan niet worden voorbijgegaan aan het onderscheid tussen het bestaan van een communautaire bevoegdheid en de uitoefening ervan. Dit blijkt duidelijk uit andere arresten van het Hof, bij voorbeeld het reeds genoemde arrest in de zaak 2-73 (Geddo).
De Commissie beklemtoont dat de stelling van de automatische onbevoegdheid van de nationale instanties in een aantal gevallen, waarin op communautair vlak nog geen voorzieningen getroffen zijn, aanleiding zou geven tot een moeilijk aanvaardbare leemte.
Eveneens naar aanleiding van de tweede vraag maakt de Commissie ten slotte enkele opmerkingen met betrekking tot het probleem van mogelijke discriminatie tussen bloembollentelers die hun produkten aan derden verkopen, en die welke de bollen gebruiken voor hun eigen bloemkwekerij. Indien artikel 40, lid 3, van het Verdrag te dezen al een rol kan spelen — hetgeen volgens de Commissie niet het geval is —, zouden particulieren evenwel in een geval als het onderhavige op die bepaling niet rechtstreeks een beroep kunnen doen.
Ten aanzien van de eerste vraag merkt de Commissie op dat zij niet heeft kunnen vaststellen of er, wat de vakheffing betreft, inderdaad verschil bestaat tussen verkopen in het binnenland en die in andere Lid-Staten; zij meent echter dat op dit punt geen uitlegging wordt gewenst.
Evenmin is in het bodemgeschil het probleem aangesneden dat desgevallend uit de bestemming van de heffing zou kunnen voortvloeien. Volgens de Commissie terecht: dit probleem zou immers pas aan de orde kunnen komen wanneer de heffing voor de op de binnenlandse markt verkochte produkten alleen, bij uitsluiting van de uitgevoerde produkten, een tegenhanger voor genoten voordelen of ontvangen steun zou vormen.
De gestelde vraag komt dus in wezen op het volgende neer: brengt de omstandigheid dat een belasting die ogenschijnlijk deel uitmaakt van een algemeen stelsel van binnenlandse heffingen, in bepaalde gevallen niet wordt toegepast wanneer het betrokken produkt is bestemd voor binnenlandse verwerking, mede dat deze belasting beschouwd dient te worden als een heffing van gelijke werking als een uitvoerrecht?
Wanneer slechts een gedeelte van de binnenlandse afzet van die binnenlandse belasting wordt vrijgesteld, kan deze volgens de Commissie niet worden beschouwd als een heffing van gelijke werking als een uitvoerrecht.
Een combinatie evenwel van een binnenlandse belasting met gedeeltelijke vrijstelling en een steun aan de nationale produktie zou als een heffing van gelijke werking als een uitvoerrecht kunnen worden gekwalificeerd, wanneer een aantoonbaar en berekenbaar groter voordeel, dat voor het op de binnenlandse markt afgezette produkt uit de door de belasting gefinancierde activiteiten voortvloeit, in feite op een volledige vrijstelling van de binnenlandse afzet zou uitlopen. Voor zover de Commissie bekend, zijn deze voorwaarden in casu niet vervuld. Een dergelijk voordeel is noch berekenbaar noch aantoonbaar. De Commissie verwijst ten deze naar 's Hofs arrest van 19 juli 1973 (zaak 77-72, Capolongo, Jurispr. 1973, blz. 611).
Ten aanzien van de derde vraag merkt de Commissie op dat haar schrijven van 9 februari 1972 aan de Nederlandse Regering de „dienstige maatregelen” definieert welke de Commissie overeenkomstig artikel 93, lid 1, EEG-Verdrag aan de Lid-Staten voorstelt. Zij merkt op dat zij, als gevolg van de vaststelling van de richtlijnen van 17 april 1972 over de hervorming van de landbouw enerzijds en van de toetreding van nieuwe Lid-Staten anderzijds, de reeds voorgestelde maatregelen had moeten aanpassen. Tot nog toe heeft alles plaatsgevonden en vindt alles plaats in het raam van artikel 93, lid 1.
Mocht het Hof de gestelde vraag toch relevant achten, dan meent de Commissie dat het voorstellen van dienstige maatregelen als bedoeld in artikel 93, lid 1, niet is gelijk te stellen met een aanmaning als bedoeld in artikel 93, lid 2.
De „dienstige maatregelen” vormen het rechtens onverbindend eindpunt van de procedure ex artikel 93, lid 1, de aanmaning is de eerste handeling van de formele procedure ex artikel 93, lid 2, die kan leiden tot een beschikking waarbij de Lid-Staat verplicht wordt de steunmaatregel op te heffen of te wijzigen.
Ook indien het voorstellen van dienstige maatregelen met een aanmaning ex artikel 93, lid 2, zou zijn gelijk te stellen — quod non —, is het duidelijk dat de in dit artikel omschreven procedure slechts door een (eind)beschikking van de Commissie haar beslag krijgt. Anders dan in het geval van nieuwe steunmaatregelen, gaat van een procedure ex artikel 93, lid 2, welke de Commissie inleidt tegen bestaande steunmaatregelen, geen „blokkeringseffect” uit.
III — De mondelinge behandeling Ter terechtzitting van 13 november 1974 hebben Van der Hulst, vertegenwoordigd door J. van der Plas, het Produkt-schap voor siergewassen, vertegenwoordigd door P. Heidinga, advocaat te Haarlem, de Nederlandse Regering, vertegenwoordigd door J. Kuipers, administrateur bij het Ministerie van Landbouw, en de Commissie, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. H. J. Bourgeois, mondelinge opmerkingen gemaakt en de vragen van het Hof beantwoord. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen de als volgt samengevatte nieuwe gegevens naar voren gebracht: In antwoord op een vraag van het Hof betreffende de verschillen tussen de heffingen bij verkoop in het binnenland en die bij verkoop naar het buitenland, beklemtoont Van der Hulst de ingewikkeldheid van het heffingenstelsel, de talrijke wijzigingen die de laatste jaren daarin zijn aangebracht, en de vele ontheffingsmogelijkheden. Hij betoogt voorts dat, behalve in de heffingspercentages, ook discriminaties zijn ingebouwd in de verschillende berekeningsgrondslagen: de heffing bij binnenlandse verkoop is gebaseerd op de produktieprijs, die bij verkoop naar het buitenland op de exportwaarde (minus 3 % van de aankoopwaarde). Ten slotte voert hij aan dat, althans op het moment waarop de zaak aanhangig werd gemaakt, de koper die in het bezit is van een handelskaart — en alleen in Nederland gevestigde handelaren kunnen die krijgen — en die de gekochte bollen gebruikt voor de bloementeelt in het eigen bedrijf, geen heffing behoeft te betalen, evenmin als de bollenproducent die zelf ook bloemkweker is. Ten aanzien van de vakheffing zet het Produktschap voor siergewassen uiteen, dat volgens de verordening op verkoop naar het buitenland zowel als op verkoop aan kleinhandelaren en particulieren een heffing moet worden toegepast van 3 1/2 %. Voor beide laatste categorieën kopers geldt evenwel een gedeeltelijke ontheffing: zij betalen in feite slechts 3 %. Het PVS betoogt nu dat ondanks dat verschil van 1/2 % de export in werkelijkheid niet zwaarder wordt belast dan de binnenlandse verkoop. Dit komt, enerzijds, doordat de exporteurs van het PVS een vergoeding ontvangen voor de incasso van de surplusheffing 1/3 % van het incassobedrag), terwijl, anderzijds, de binnenlandse bloemkwekers op al hun verkopen een heffing van 0,7 % moeten betalen, hetgeen niet het geval is met de buitenlandse bloemkwekers. Daardoor is de concurrentieverhouding bij het eind-produkt — de bloem — weer in evenwicht. Het PVS betoogt dat de koper die houder is van een handelskaart en de gekochte bollen gebruikt voor de eigen bloemkwekerij, in werkelijkheid niet is vrijgesteld van de heffing. Vóór 1973 waren er geen bollenhandelaren die tevens bloemkwekers waren. Toen de regeling op dit punt werd gewijzigd, bestond er een administratief lek, waardoor de heffing niet werd geïnd bij de handelaren die tevens bloemkweker waren. Dit lek is door het PVS gedicht. Ten aanzien van de surplusheffing wijr zen het PVS en de Nederlandse Regering erop dat het uit de heffing gefinancierde interventiestelsel enerzijds geheel het karakter van vrijwilligheid draagt, en dat anderzijds ook de buitenlandse bloemkwekers erbij gebaat zijn. Afschaffing van het stelsel zou de prijzen in de gehele gemeenschappelijke markt sterk doen dalen. De Advocaat-Generaal heeft ter terechtzitting van 4 december 1974 conclusie genomen.
Ten aanzien van het recht
Overwegende dat het College van Beroep voor het bedrijfsleven bij uitspraak van 16 juli 1974, ingekomen ten Hove op 17 juli, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag drie vragen heeft gesteld inzake de uitlegging van zekere bepalingen van Gemeenschapsrecht in verband met Nederlandse verordeningen ter instelling van bepaalde heffingen in de sector van de handel in bloembollen;
dat deze vragen zijn gesteld in het kader van een geding waarin een vennootschap die bloembollen teelt en verkoopt, zich verzet tegen betaling van bepaalde bedragen welke van haar zijn gevorderd als heffingen op bloembollen van de oogst 1972;
Overwegende dat het enerzijds een „surplusheffing” genaamde, anderzijds een „vakheffing” genaamde heffing voor de sector bloembollen betreft;
dat ingevolge de verordening surplusheffing iedere koper die in het bezit is van een handelskaart, uitgereikt door het Produktschap voor siergewassen, recht heeft op een korting op de koopprijs, en iedere verkoper die bloembollen verkoopt aan een koper niet-houder van een handelskaart, daaronder begrepen iedere buitenlandse koper, de heffing moet betalen, waarbij de bedragen van de korting en van de heffing gelijk zijn;
dat de heffing niet wordt toegepast ingeval de teler van de bollen deze gebruikt voor de bloementeelt in zijn eigen bedrijf, en, gedurende een bepaalde periode in 1973, evenmin in het geval van een koper met handelskaart, die de bollen zelf voor de bloementeelt gebruikte;
dat de opbrengst van de heffing wordt gestort in een fonds dat voornamelijk dient ter financiering van de aankoop van bloembollen welke niet de door het fonds vastgestelde minimummarktprijs hebben gehaald en ter vernietiging worden aangeboden;
dat de vakheffing ingevolge de betrokken verordening wordt opgelegd en geïnd volgens regels die in grote lijnen overeenkomen met die betreffende de surplusheffing, maar in onderscheidene, zeer ingewikkelde detailpunten daarvan verschillen;
dat met name is bepaald dat de door verkoper te verlenen korting alsmede het heffingspercentage bij verkoop aan Nederlandse kopers 1/2 % lager zijn dan het heffingspercentage bij verkoop aan een buitenlandse koper;
dat de opbrengst van de heffing wordt gestort in het Financieringsfonds vakdoeleinden bloembollen, ter financiering van het wetenschappelijk onderzoek, de onpersoonlijke reclame en andere algemene vakdoeleinden;
Ten aanzien vande eerste vraag
Overwegende dat in de eerste plaats wordt gevraagd of artikel 16 EEG-Verdrag en artikel 10 van verordening (EEG) nr. 234/68 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector levende planten en produkten van de bloementeelt aldus moeten worden uitgelegd, dat onder heffingen van gelijke werking als uitvoerrechten mede zijn te begrijpen heffingen als de thans in geding zijnde;
Overwegende dat partijen in het hoofdgeding het erover eens schijnen te zijn dat de surplusheffing de Nederlandse binnenlandse verkoop en.de uitvoer van de betrokken produkten op eenvormige wijze belast, maar van mening verschillen over de vraag of de zwaardere last die als gevolg van de uiteenlopende percentages van de vakheffing op de export drukt, wordt geneutraliseerd door andere onderdelen van het geheel der Nederlandse regelingen van de bollen- en bloementeelt;
dat het Hof in het kader van een procedure krachtens artikel 177 van het Verdrag geen uitspraak kan doen over zodanig geschil, waarvoor, zoals trouwens ten aanzien van elke andere waardering van de feiten, de nationale rechter bevoegd is;
Overwegende dat het verbod van toepassing van heffingen van gelijke werking als uitvoerrechten in het handelsverkeer binnen de Gemeenschap ziet op iedere last die bij of wegens uitvoer van het betrokken produkt wordt geheven en die op het vrije verkeer van goederen dezelfde beperkende invloed heeft als een douanerecht;
dat, voor zover komt vast te staan dat de toepassing van een binnenlandse heffing de verkoop naar het buitenland zwaarder belast dan de binnenlandse verkoop, die heffing dus gelijke werking heeft als een uitvoerrecht;
dat er bovendien, voor zover een binnenlandse heffing de verkoop in het binnenland en de uitvoer op eenvormige wijze belast, aanleiding kan zijn de bestemming van de geldelijke lasten in aanmerking te nemen;
dat immers een heffing voor de financiering van activiteiten welke beogen de verkoop in het binnenland winstgevender te maken dan de uitvoer of het voor de binnenlandse verkoop bestemde produkt op enigerlei wijze te bevoordelen ten koste van het voor uitvoer bestemde, geëigend is de uitvoer te belemmeren en dus gelijke werking te hebben als een douanerecht;
dat derhalve op de gestelde vraag moet worden geantwoord dat een binnenlandse heffing gelijke werking kan hebben als een douanerecht, wanneer de toepassing ervan de verkoop naar het buitenland zwaarder belast dan de binnenlandse verkoop, of wanneer de heffing dient ter financiering van activiteiten welke beogen de verkoop in het binnenland winstgevender te maken dan de uitvoer of het voor binnenlandse verkoop bestemde produkt op enigerlei wijze te bevoordelen ten kosten van het voor uitvoer bestemde;
Ten aanzien van de tweede vraag
Overwegende dat het Hof in de tweede plaats wordt gevraagd, of artikel 40 van het Verdrag en artikel 1 van verordening (EEG) nr. 234/68 dan wel enig ander voorschrift of algemeen rechtsbeginsel van Gemeenschapsrecht medebrengen, dat het de Nederlandse met wetgevende bevoegdheid beklede instanties niet meer is toegestaan enige marktordenende regeling als die vervat in de „verordening surplusheffing” en de „verordening vakheffing” met betrekking tot de in artikel 1 van verordening (EEG) nr. 234/68 omschreven sector vast te stellen, anders dan ter uitvoering van de voorschriften dezer verordening of van andere voorschriften van Gemeenschapsrecht;
Overwegende dat artikel 40, lid 2, van het Verdrag bepaalt dat er een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten tot stand zal worden gebracht, in de vorm van hetzij gemeenschappelijke regels inzake mededinging, hetzij verplichte coördinatie van de verschillende nationale marktorganisaties, hetzij een Europese marktorganisatie;
dat de gemeenschappelijke ordening in één der aldus voorziene vormen ingevolge lid 3 alle maatregelen kan medebrengen welke noodzakelijk zijn om de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid te verwezenlijken, met name prijsregelingen, subsidies zowel voor de produktie als voor het in de handel brengen der verschillende produkten, systemen van voorraadvorming en opslag en gemeenschappelijke organisatorische voorzieningen voor de stabilisatie van de in- en uitvoer;
dat verordening nr. 234/68 in artikel 1 bepaalt dat de daarbij tot stand gebrachte gemeenschappelijke ordening der markten een stelsel van kwaliteitsnormen alsmede een regeling van het handelsverkeer in de betrokken sector omvat;
dat ingevolge artikel 12 van de verordening de Raad de maatregelen kan vaststellen welke op grond van de opgedane ervaring nodig mochten zijn ter aanvulling van de bepalingen der verordening;
dat in de tweede alinea van de considerans van verordening nr. 234/68 wordt vastgesteld dat de produktie van levende planten en van produkten van de bloementeelt in de landbouweconomie van sommige gebieden van de Gemeenschap van bijzonder belang is en dat het noodzakelijk is de rationele afzet van deze produktie te bevorderen en de stabiliteit van de markt te verzekeren;
dat het, inzonderheid wat de bloembollen betreft, vaststaat dat de uitvoer van Nederland meer dan 90 % van de totale uitvoer van de Lid-Staten vertegenwoordigt;
Overwegende dat, wanneer de Gemeenschap krachtens artikel 40 van het Verdrag een regeling voor de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in een bepaalde sector heeft vastgesteld, de Lid-Staten zich dienen te onthouden van elke maatregel met de strekking ervan af te wijken of er inbreuk op te maken;
dat daarom in de eerste plaats moet worden nagegaan of een wettelijke regeling als in geding verenigbaar is met verordening nr. 234/68, waarbij niet slechts op de uitdrukkelijke bepalingen maar ook op de strekking en de doelstellingen hiervan dient te worden gelet;
dat verordening nr. 234/68 zich in positieve noch negatieve zin uitlaat over de verenigbaarheid van bestaande of toekomstige nationale regelingen met de door haar voorschriften tot stand gebrachte gemeenschappelijke ordening der markten;
dat dus dient te worden onderzocht of het bestaan van een nationaal interventiestelsel zoals ingericht door de Nederlandse regeling, geëigend is inbreuk te maken op de strekking en de doelstellingen van de verordening;
dat zodanig stelsel een reële bijdrage kan leveren tot een rationele afzet van de produktie en de stabiliteit van de markt, niet slechts in de betrokken Lid-Staat, maar ook in de gehele Gemeenschap kan verzekeren, wanneer de nationale produktie een zo grote omvang in de gemeenschappelijke markt bereikt als met de Nederlandse bloembollenproduktie het geval is;
Overwegende dat niettemin het nationale interventiestelsel niet slechts moet worden bezien in zijn geheel, maar ook in zijn voornaamste onderdelen, met name de verhouding tussen de kwaliteitsnormen waaraan de produkten moeten voldoen om voor interventie in aanmerking te komen, en de gemeenschappelijke kwaliteitsnormen, vastgesteld met het oog op het in de handel brengen der produkten;
dat het te dien aanzien mogelijk is dat nationale kwaliteitsnormen door minder hoge eisen te stellen dan de gemeenschappelijke de produktie van niet-verhandelbare bollen bevorderen;
dat, indien de extra uitgaven welke uit dien hoofde ten laste komen van het interventiefonds, worden gedekt door de heffing en aldus over de in de handel gebrachte produkten — inclusief de uitgevoerde — worden omgeslagen, dit element in strijd is met het doel van de gemeenschappelijke ordening der markten en de regeling in zoverre daarmede onverenigbaar;
Overwegende dat verzoekster in het hoofdgeding heeft betoogd dat de Nederlandse regeling betreffende de surplusheffing en de vakheffing discriminaties meebrengt, strijdig met de door het Verdrag aanvaarde beginselen;
dat tot de discriminatieverboden die ten deze van belang zijn, enerzijds behoort het beginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 95 betreffende de binnenlandse belastingen, en anderzijds het bepaalde in artikel 40, lid 3, tweede alinea, uit hoofde waarvan de gemeenschappelijke marktordeningen elke discriminatie tussen producenten en verbruikers van de Gemeenschap moeten uitsluiten;
dat een regeling als in geding botst met de verboden welke uit die bepalingen voortvloeien — al weze het bij analogie —, wanneer de uitgevoerde waren zwaarder worden belast dan de binnenslands verhandelde, of wanneer de opbrengst van de heffing bestemd is het nationale produkt te bevoordelen;
dat op de gestelde vraag dus moet worden geantwoord dat
a)een nationaal interventiestelsel onverenigbaar is met verordening nr. 234/68 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector levende planten en produkten van de bloementeelt, voor zover produkten welke niet voldoen aan de krachtens de verordening vastgestelde gemeenschappelijke kwaliteitsnormen, tot de interventie worden toegelaten,
b)een binnenlandse heffing op de verkoop van een produkt onverenigbaar is met de uit het Verdrag voortvloeiende discriminatieverboden, wanneer daardoor de verkoop naar het buitenland zwaarder wordt belast dan de verkoop op de nationale markt, of wanneer de opbrengst van de heffing bestemd is het nationale produkt te bevoordelen;
dat dit antwoord, gegeven in het kader van een procedure krachtens artikel 177 van het Verdrag, niet vooruit kan lopen op de uitslag van een eventueel onderzoek van de Commissie om vast te stellen of de betrokken nationale maatregelen met artikel 92 van het Verdrag onverenigbare steunmaatregelen vormen;
Ten aanzien van de derde vraag
Overwegende dat het Hof in de derde plaats wordt gevraagd, of artikel 93, lid 3, van het Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat de in de tweede volzin van dat artikel-lid bedoelde procedure mede omvat het doen van een aanmaning als omschreven in artikel 93, lid 2, waarnaar in dat lid 3 wordt verwezen, en zo ja, of dan dat lid aldus moet worden uitgelegd, dat het doen van zodanige aanmaning door de Commissie medebrengt dat aan de betrokken nationale steunmaatregel geen uitvoering mag worden gegeven voordat de eerder bedoelde procedure tot een eindbeslissing heeft geleid;
Overwegende dat deze vraag blijkens de verwijzingsuitspraak is gesteld naar aanleiding van een door verzoekster in het hoofdgeding overgelegd afschrift van een brief, door de Commissie op 9 februari 1972 gericht aan de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken;
dat deze brief evenwel blijkens zijn opschrift niet ten doel heeft een aanmaning te doen in de zin van lid 2 van het artikel, maar betrekking heeft op een onderzoek van steunregelingen, dat de Commissie ingevolge lid 1 van het artikel heeft ingesteld;
dat de brief immers voorstellen bevat welke zijn gedaan niet krachtens artikel 93, lid 3, maar krachtens de tweede volzin van lid 1, zoals de Commissie in haar opmerkingen voor het Hof betreffende de onderhavige zaak heeft bevestigd;
dat het Hof onder deze omstandigheden meent te kunnen besluiten dat de vraag zonder voorwerp is geraakt;
Ten aanzien van de kosten
Overwegende dat de kosten, door de Nederlandse Regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen;
dat de procedure ten aanzien van partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat het College van Beroep voor het bedrijfsleven over de kosten heeft te beslissen;
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het College van Beroep voor het bedrijfsleven bij diens uitspraak van 16 juli 1974 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1. Een binnenlandse heffing kan gelijke werking hebben als een douanerecht, wanneer de toepassing ervan de verkoop naar het buitenland zwaarder belast dan de binnenlandse verkoop, of wanneer de heffing dient ter financiering van activiteiten welke beogen de verkoop in het binnenland winstgevender te maken dan de uitvoer of het voor binnenlandse verkoop bestemde produkt op enigerlei wijze te bevoordelen ten koste van het voor uitvoer bestemde.
2. Een nationaal interventiestelsel is onverenigbaar met verordening nr. 234/68 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector levende planten en produkten van de bloementeelt, voor zover produkten welke niet voldoen aan de krachtens de verordening vastgestelde gemeenschappelijke kwaliteitsnormen, tot de interventie worden toegelaten; Een binnenlandse heffing op de verkoop van een produkt is onverenigbaar met de uit het Verdrag voortvloeiende discriminatieverboden, wanneer daardoor de verkoop naar het buitenland zwaarder wordt belast dan de verkoop op de nationale markt, of wanneer de opbrengst van de heffing bestemd is het nationale produkt te bevoordelen.
Voetnoten
- 1Aldus worden de betrokken heffingen kortheidshalve aangeduid door het College van Beroep. Wat de surplusheffing betreft, gaat het in feite om de „verordening heffingen en kortingen bloembollen oogst 1972” en de „verordening PVS 1971 surplusheffing bloembollen” en wat de vakheffing betreft, om de „verordening PVS 1971 vakheffing bloembollen”. Deze verordeningen zijn vastgesteld door het PVS en goedgekeurd door de minister van Landbouw.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
8Rechtspraak
2Europese Unie
2Conclusie van advocaat-generaal Mischo93/8827.04.1989
Zesde richtlijn 77/388 art. 33, EEG-Verdrag art. 95
Conclusie van de advocaat-generaal181/7808.05.1979