ARREST
De feiten
De feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Sta-tuut-EEG ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:
I — De feiten en het procesverloop
De gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee wordt geregeld in verordening nr. 2777/75 van de Raad van 29 oktober 1975 (PB L 282 van 1975, blz. 77), die in de plaats is gekomen van verordening nr. 123/67 van de Raad van 13 juni 1967 (PB van 1967, blz. 2301).
Artikel 2 van verordening nr. 2777/75 bepaalt:
Ten einde de initiatieven van het betrokken bedrijfsleven aan te moedigen om de aanpassing van het aanbod aan de eisen van de markt te vergemakkelijken, uitgezonderd de initiatieven tot het uit de markt nemen van produkten, kunnen voor de in artikel 1, lid 2, genoemde produkten de volgende communautaire maatregelen worden genomen : maatregelen die kunnen bijdragen tot een betere organisatie van de produktie, de verwerking en de commercialisatie; maatregelen tot verbetering van de kwaliteit; maatregelen ertoe strekkende het opstellen van ramingen op korte en lange termijn mogelijk te maken aan de hand van gegevens betreffende de gebruikte produktiemiddelen; maatregelen ertoe strekkende de waarneming van het prijsverloop op de markt te vergemakkelijken. De algemene voorschriften betreffende deze maatregelen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 43, lid 2, van het Verdrag.
Normen voor de commercialisatie:
—worden vastgesteld voor een of meer van de in artikel 1, lid 2, sub b), genoemde produkten,
—kunnen worden vastgesteld voor de in artikel 1, lid 1, sub a), c), d), e) en f), genoemde produkten.
Deze normen kunnen met name betrekking hebben op de indeling in gewichts- en kwaliteitsklassen, de verpakking, de opslag, het vervoer, de presentatieenhetmerken.
De normen, hun werkingssfeer, alsmede de algemene voorschriften voor hun toepassing worden op voorstel van de Commissie door de Raad vastgesteld met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.”
Tot op heden is ter uitvoering van dit artikel één gemeenschapsmaatregel vastgesteld: verordening nr. 2967/76 van de Raad van 23 november 1976, houdende vaststelling van gemeenschappelijke normen betreffende het watergehalte van bevroren of diepgevroren hanen, kippen en kuikens (PB L 339 van 1976, blz. 1).
In Nederland gold ten tijde van de feiten de Verordening Kwaliteitseisen van 24 februari 1966, vastgesteld door het bestuur van het Bedrijfschap voor de Pluimveehandel en -industrie en goedgekeurd door de bevoegde overheidsinstanties; deze verordening is per 23 december 1982 vervangen door de Verordening Kwaliteitseisen en Etikettering van 20 januari 1982.
De verordening van 1966 bevat gedetailleerde voorschriften over de kwaliteitsindeling, de bewerking, de verpakking en het vervoer van geslacht pluimvee. Bij overtreding kan het Tuchtgerecht voor de Pluimveehandel en -industrie op grond van de Verordening Tuchtrechtspraak van het Bedrijfschap voor de Pluimveehandel en -industrie tuchtmaatregelen nemen tegen de betrokken ondernemingen. Van de beslissingen van het Tuchtgerecht staat beroep open bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven.
Op 12 januari 1982 legde het Tuchtgerecht aan de Nederlandse onderneming Pluimveeslachterij Midden-Nederland BV, te Harderwijk, als tuchtmaatregel twee boetes op wegens overtreding van artikel 7 van de Verordening Kwaliteitseisen, dat de ondernemer verplicht ervoor zorg te dragen, dat geslacht gevogelte hetwelk is verpakt in al dan niet gesloten plastic verpakking of in verpakkingseenheden welke al dan niet van een deksel zijn voorzien, alsmede de verpakking zelf voldoen aan de bij of krachtens de verordening vastgestelde voorschriften.
Op 2 maart 1982 legde het Tuchtgerecht om dezelfde redenen een boete op aan Pluimveeslachterij C. Van Miert BV, te Breukelen.
Beide vennootschappen hebben, respectievelijk op 18 maart en 6 april 1982, bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven beroep ingesteld tegen de hun door het Tuchtgerecht opgelegde sancties.
Van oordeel dat het voor zijn beslissing op deze beroepen een antword behoeft op de vraag of artikel 2 van verordening nr. 2777/75 de bevoegdheid van de Lid-Staten om nationale kwaliteitseisen voor geslacht gevogelte vast te stellen, onverlet heeft gelaten, heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven bij uitspraken van 22 maart 1983 besloten, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de behandeling van beide zaken te schorsen totdat het Hof van Justitie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak zal hebben gedaan op de volgende vraag:
„Moet artikel 2 van verordening nr. 2777/75 aldus worden uitgelegd, dat daarmee onverenigbaar zijn op straffe van tuchtmaatregelen te handhaven, niet op het communautaire recht steunende nationale voorschriften waarbij ten aanzien van geslacht pluimvee kwaliteitseisen worden gesteld?”
De uitspraken van het College van Beroep zijn op 25 maart 1983 ingeschreven ter griffie van het Hof, respectievelijk onder de nrs. 47/83 en 48/83.
Krachtens artikel 20 van 's Hofs Sta-tuut-EEG zijn op 2 juni 1983 schriftelijke opmerkingen ingediend door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J.-F. Verstrynge, lid van haar juridische dienst, en op 27 juni 1983 door het Bedrijfschap voor de Pluimveehandel en -industrie, vertegenwoordigd door zijn secretaris, H. H. J. Smit.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaatgeneraal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het heeft de Commissie en het Bedrijfschap voor de Pluimveehandel en -industrie evenwel verzocht schriftelijk een aantal vragen te beantwoorden; aan dit verzoek is binnen de gestelde termijn voldaan.
Bij twee beschikkingen van 19 oktober 1983 heeft het Hof krachtens artikel 95, paragrafen 1 en 2, van het Reglement voor de procesvoering besloten, de zaken 47/83 en 48/83 naar de Vierde kamer te verwijzen.
Bij beschikking van 16 november 1983 heeft het Hof (Vierde kamer) met toepassing van artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering besloten, de zaken 47/83 en 48/83 voor de mondelinge behandeling en het arrest te voegen.
II — Bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen
In een algemeen overzicht van de gehele Nederlandse regeling terzake wijst het Bedrijfschap voor de Pluimveehandel en -industrie erop, dat de verordening van 1966 (Verordening Kwaliteitseisen) gold voor de ondernemingen waarin de handel of het bedrijf van commissionair of van tussenpersoon in, onder meer, pluimvee werd uitgeoefend of waarin, onder meer, pluimvee industrieel werd verwerkt. Deze verordening is inmiddels vervangen door de Verordening Kwaliteitseisen en Etikettering, die ongeveer dezelfde structuur bezit en voorts voor de onderhavige produkten uitvoering geeft aan richtlijn nr. 79/112 van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB L 33 van 1979, blz. 1).
Voor de detailhandel golden de Verordening Kwaliteitseisen pluimvee en geslacht gevogelte en de voorschriften van het Produktschap voor Pluimvee en Eieren van 27 mei 1959 inzake conserven.
Het Produktschap voor Pluimvee en Eieren heeft, onder meer voor geslacht pluimvee, kwaliteitseisen vastgesteld in de vorm van zijn Verordening Kwaliteitseisen en aanduidingsvoorschriften geslacht pluimvee, wild en geslachte konijnen van 25 augustus 1982; bij deze verordening is eveneens uitvoering gegeven aan de gemeenschapsrichtlijn inzake etikettering. Voor de detailhandelsfase vormt deze produktschapsverordening de pendant van de nieuwe bedrijfschapsverordening, waarnaar zij ook verwijst.
Voorts moeten de veterinaire voorschriften in acht worden genomen welke door de minister van Landbouw en Visserij zijn vastgesteld ter uitvoering van richtlijn nr. 71/118 van de Raad van 15 februari 1971 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het handelsverkeer in vers vlees van pluimvee (PB L 55 van 1971, blz. 23), alsmede enkele algemene bepalingen van het Algemeen Besluit (Warenwet) van 11 juli 1949 betreffende hygiënische eisen.
Meer toegespitst op de prejudiciële vraag, dient in verband met de doelstellingen van verordening nr. 2777/75 te worden bedacht, dat het luidens de derde overweging van die verordening in de sector slachtpluimvee noodzakelijk is dat maatregelen ter vergemakkelijking van de aanpassing van het aanbod aan de eisen van de markt kunnen worden getroffen, teneinde de markten te stabiliseren en de betrokken landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren.
Te dien einde voorziet de marktordening in een uniforme regeling van het handelsverkeer aan de buitengrenzen van de Gemeenschap met een stelsel van heffingen en restituties.
In de intracommunautaire handel zijn steunmaatregelen van de staten, douanerechten of heffingen van gelijke werking, kwantitatieve beperkingen of maatregelen van gelijke werking en interventiestelsels, onder welke vorm ook, in beginsel verboden. Daarnaast voorziet de verordening in artikel 2 in de mogelijkheid om gemeenschappelijke handelsnormen vast te stellen.
De Gemeenschap heeft dus ontegenzeglijk een bevoegdheid terzake; de verordening noemt echter geen termijn voor haar tenuitvoerlegging.
Wat de bevoegdheid van de Lid-Staten betreft, moet erop worden gewezen, dat het in de hoofdgedingen veeleer gaat om handhaving van bestaande nationale voorschriften dan om de invoering van nieuwe voorschriften. De Verordening Kwaliteitseisen dateert van 1966 en is dus van oudere datum dan alle communautaire marktordeningen. Doel van de in artikel 2 van verordening nr. 2777/75 bedoelde maatregelen is het vergemakkelijken van de aanpassing van het aanbod aan de eisen van de markt met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 39 EEG-Verdrag. Tot op heden heeft de Raad slechts één maatregel vastgesteld ter uitvoering van artikel 2, verordening nr. 2967/76; verschillende voorstellen van de Commissie zijn gestrand. De marktordening voor slachtpluimvee stelt zich de bevordering van de afzet door middel van een kwaliteitsbeleid ten doel; behoudens op één enkel punt heeft de Raad aan dit beleid echter geen gestalte gegeven, en dit ondanks het feit dat zij blijkens artikel 2, lid 2, van verordening nr. 2777/75 gemeenschappelijke handelsnormen noodzakelijk acht.
Bij gebreke van gemeenschapsbepalingen blijven de Lid-Staten bevoegd om zelf kwaliteitseisen voor de verhandeling van geslacht pluimvee vast te stellen of te handhaven. Men kan niet volstaan met de erkenning van een principiële bevoegdheid van de Gemeenschap; oefent de Gemeenschap haar bevoegdheden niet daadwerkelijk uit, dan blijven de Lid-Staten bevoegd.
Uit de rechtspraak van het Hof volgt niet, dat een gemeenschappelijke marktordening in alle gevallen een exclusieve bevoegdheid tot regelgeving voor de Gemeenschap schept, doch veeleer dat de Lid-Staten zich dienen te onthouden van elke maatregel met de strekking daarvan af te wijken of er inbreuk op te maken.
Uit deze opvatting volgt in de eerste plaats, dat een nationale regeling in strijd is met een gemeenschappelijke marktordening, indien zij ingaat tegen een van de bepalingen daaivan, die de betrokken materie al genoegzaam heeft geregeld.
Ten tweede volgt hieruit, dat er sprake is van strijd met de gemeenschappelijke marktordening, indien de nationale regeling een instrument hanteert dat de communautaire wetgever wegens een bepaald economisch beleid bewust niet heeft willen gebruiken.
Het enkele bestaan van een gemeenschappelijke marktordening voor slachtpluimvee belet de Lid-Staten niet om maatregelen te nemen op een gebied waarvoor nog geen gemeenschapsbepalingen zijn vastgesteld. Men kan de afwezigheid van communautaire regels voor kwaliteitseisen niet verklaren uit een bewuste economische keuze, nu de Commissie en de Raad de noodzaak van kwaliteitsregelingen beamen.
Bij de vraag of de nationale regeling een storende uitwerking heeft of door haar werking de aan de gemeenschappelijke marktordening ten grondslag liggende regels van het vrije goederenverkeer beïnvloedt, met andere woorden of zij beperkingen inhoudt die niet evenredig zijn met de nagestreefde doelstellingen, moet worden opgemerkt dat de betrokken nationale maatregelen een tweeledig doel nastreven: enerzijds willen zij de eerlijkheid in de handel verzekeren door het scheppen van gelijke concurrentievoorwaarden en anderzijds willen zij de consument beschermen door hem duidelijkheid te bieden in de presentatie en door minimale kwaliteits- en bewerkingsgaranties. Bij de vaststelling van de maatregelen is men ervan uitgegaan, dat zij ten gevolge van de geboden kwaliteitsgaranties een gunstige uitwerking zouden hebben op de afzet. De Nederlandse verordening is van toepassing op produkten die ingevolge richtlijn nr. 71/118 zijn goedgekeurd voor menselijke consumptie, en legt geen aanvullende beperkingen op.
Met betrekking tot de inhoud van de litigieuze nationale regeling kan worden opgemerkt, dat het gaat om bepalingen die betrekking hebben op de bewerkingstoestand van het geslachte pluimvee, de bewerking zelf, de indeling in qualiteitsklassen, het gewicht, de verpakking en het vervoer.
De eis van artikel 8 om pluimvee in te delen en aan te duiden volgens zijn bewerkingstoestand, bevordert de doorzichtigheid van de markt.
Artikel 9, lid 7, dat inspuiting met water verbiedt, is noodzakelijk uit een oogpunt van eerlijkheid in de handel en consumentenbelangen.
De kwaliteitsklassenindeling van artikel 10 bevordert eveneens de eerlijkheid in de handel en geeft de consument een kwaliteitsgarantie; deze indeling strookt met de in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 2777/75 weergegeven doelstelling van de marktordening.
De internationale handelsgebruiken vormen de verklaring voor de bij artikel 11 toegelaten gewichtstoleranties.
De in artikel 14 neergelegde etiketteringseisen voor individuele verpakkingen zijn gesteld met het oog op de bescherming van de consument en in het belang van de handel en de controle. Ten tijde van de feiten golden er geen vergelijkbare voorschriften voor de detailhandel. De litigieuze regeling is vastgesteld in het belang van de consument, want de producent/groothandelaar levert de produkten consumentgereed af.
De in de nationale regeling gestelde eisen met het oog op de bescherming van de volksgezondheid houden, vergeleken bij richtlijn nr. 71/118, geen aanvullende beperkingen in.
De gewraakte nationale eisen moeten redelijk worden geacht, nu daarmee de bescherming van de eerlijkheid in de handel en de consumentenbescherming worden nagestreeft; zij sluiten trouwens zoveel mogelijk aan bij de voorstellen die de Commissie destijds heeft gedaan. De betrokken nationale regeling is legitiem, aangezien de Raad de hem in lid 2 van verordening nr. 2777/75 opgedragen taak slechts zeer ten dele heeft uitgevoerd, en zij verstoort de goede werking van de gemeenschappelijke marktordening niet. Op de vraag van het College van Beroep dient daarom het volgende antwoord te worden gegeven :
Zolang en voor zover de Gemeenschap de haar bij artikel 2, eerste en tweede lid, van verordening (EEG) nr. 2777/75 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee, opgelegde taken en verplichtingen nog niet volledig heeft vervuld, zijn de Lid-Staten bevoegd nationale kwaliteitseisen te stellen op voorwaarde dat daardoor de goede werking van de marktordening niet wordt verstoord.
De Commissie herinnert eraan, dat de considerans van verordening nr. 2777/75 en die van verordening nr. 123/67 met betrekking tot het in beide gelijkluidende artikel 2 een identieke overweging bevatten over de doeleinden van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, waarin wordt gesproken van de in de sector slachtpluimvee bestaande noodzaak om maatregelen te kunnen nemen ter vergemakkelijking van de aanpassing van het aanbod aan de eisen van de markt.
In een arrest van 18 mei 1977 (zaak 111/76, Van den Hazel, Jurispr. 1977, blz. 901), dat betrekking had op verordening nr. 123/67, heeft het Hof bepaalde nationale maatregelen onverenigbaar verklaard met de gemeenschappelijke regeling; in dit arrest wees het Hof op de verplichting van de Lid-Staten om zich te onthouden van elke maatregel met de strekking daarvan af te wijken of er inbreuk op te maken, en maakte het met betrekking tot de mogelijkheid om een beroep te doen op initiatieven van het bedrijfsleven het uitdrukkelijke voorbehoud, dat het daarbij om communautaire maatregelen moest gaan. Een verspreid optreden van de bedrijfsorganisaties van de verschillende Lid-Staten zou kunnen leiden tot discriminaties tussen producenten en consumenten en tot distorsies in het handelsverkeer tussen Lid-Staten.
Het feit dat artikel 2 in verordening nr. 2777/75 is opgenomen, de bewoordingen van dit artikel, het feit dat het is overgenomen uit verordening nr. 123/67, alsook de eerste overweging van verordening nr. 2967/76 — waarin wordt aangegeven wat het doel van de in artikel 2 van verordening nr. 2777/75 bedoelde handelsnormen is, en de bij de verordening ingestelde bijzondere maatregelen worden gerechtvaardigd met de overweging, dat de instelling plaatsvindt in afwachting van een meer volledige communautaire regeling —, dit alles wijst erop, dat de gemeenschapswetgever met deze bepaling dit gebied aan zich heeft willen trekken.
Mochten deze aanwijzingen niet voldoende zijn, dan dient de redenering te gelden welke het Hof heeft gevolgd in het arrest van 30 oktober 1974 (zaak 190/73, Van Haaster, Jurispr. 1974, blz. 1123); voor de onderhavige zaak volgt daaruit, dat bij gebreke van uitdrukkelijke bepalingen over de verenigbaarheid van de betrokken nationale regeling met de marktordening van verordening nr. 2777/75, de oplossing van de gestelde vraag dient te worden gezocht aan de hand van de doelstellingen dier verordening, in het kader van de beginselen die in het Verdrag zijn vervat.
In dit verband dient het volgende te worden bedacht:
verordening nr. 2777/75 heeft in de sector slachtpluimvee een marktordening tot stand gebracht die wordt gekenmerkt door een stelsel van kwaliteitsnormen alsmede door een regeling van het handelsverkeer;
artikel 11 van de verordening beoogt de belemmeringen van de transactievrijheid in het intracommunautaire handelsverkeer op te heffen;
artikel 19 verklaart de artikelen 92 en 93 EEG-Verdrag in beginsel van toepassing op de handel in de betrokken produkten;
naast de voorschriften omtrent het in de handel brengen der produkten bevat de marktordening ook verschillende bepalingen die op het productiestadium van toepassing zijn, met name artikel 2, lid 1 ;
er wordt essentieel belang toegekend aan de gemeenschappelijke kwaliteitsnormen die moeten leiden tot een vergemakkelijking van de aanpassing van het aanbod aan de eisen van de markt;
daartoe voorziet artikel 2 in een geheel van communautaire maatregelen voor de invoering van gemeenschappelijke kwaliteitsnormen en van andere maatregelen ter aanmoediging van initiatieven van het bedrijfsleven om de kwaliteit van de produkten en de organisatie van de produktie te verbeteren;
ook al zijn kwaliteitsnormen slechts bedoeld voor het in de handel brengen van produkten, toch hebben zij een beperkende weerslag op het produktiestadium;
blijkens de algemene opzet van de verordening is de marktordening voor het intracommunautaire handelsverkeer gegrondvest op de vrijheid van handelstransacties onder behoorlijke mededingingsvoorwaarden, dankzij de kwaliteitsverbetering van de betrokken produkten;
een dergelijk systeem sluit elke nationale regeling uit die het intracommunautaire handelsverkeer al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren;
uit de rechtspraak van het Hof (met name het arrest van 29 november 1978, zaak 83/78, Pigs Marketing Board, Jurispr. 1978, blz. 2347) volgt, dat ook de gemeenschappelijke marktordening voor slachtpluimvee gebaseerd is op het beginsel van een open markt waartoe elke producent vrije toegang heeft en waarvan de werking uitsluitend door de in deze ordening voorziene instrumenten wordt geregeld;
in het arrest van 18 mei 1977 (Van den Hazel) heeft het Hof verklaard dat het ontbreken van interventiemaatregelen in de verordening betreffende de gemeenschappelijke marktordening voor slachtpluimvee, zijn rechtvaardiging vindt in de gedachte dat dergelijke maatregelen op de markt van eieren en slachtpluimvee niet gewenst zijn, omdat aanpassing van de produktieomvang aan de vraag niet dient te geschieden met behulp van interventiemaatregelen, maar via het marktmechanisme; het Hof overwoog dat het ontbreken van deze maatregelen niet het gevolg is van een omissie of van de bedoeling de bevoegdheid aan de Lid-Staten te laten, maar van een bewuste economische beleidskeuze, waarbij de zorg voor het gewenste evenwicht in hoofdzaak aan het marktmechanisme wordt overgelaten;
uit deze rechtspraak volgt voorts, dat de verordening geen ruimte laat voor nationale voorschriften inzake kwaliteitseisen, die niet op het gemeenschapsrecht steunen; deze maatregelen immers zouden van de gemeenschappelijke marktordening kunnen afwijken of er inbreuk op kunnen maken en de doelstellingen en goede werking eivan in gevaar kunnen brengen; elke ingreep van een Lid-Staat in het marktmechanisme houdt het risico in, dat de werking van de gemeenschappelijke marktordening wordt belemmerd.
Zo kan het bestaan van niet op het gemeenschapsrecht stoelende nationale kwaliteitsvoorschriften verhinderen dat het beoogde doel — vaststelling van communautaire kwaliteitsnormen — wordt bereikt. Het zal bovendien leiden tot een bij artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag verboden discriminatie tussen producenten en consumenten en tot distorsies in het handelsverkeer tussen Lid-Staten, aangezien de ondernemingen in de verschillende Lid-Staten hun produkten niet onder gelijke mededingingsvoorwaarden zullen kunnen fabriceren en op de markt brengen.
De gevolgen van deze ongelijke mededingingsvoorwaarden voor het prijsniveau in de verschillende Lid-Staten zou een doeltreffende werking van het bij verordening nr. 2777/75 ingestelde prijsbeschermingssysteem kunnen belemmeren. Evenals voor de in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 123/67 genoemde maatregelen geldt voor de vaststelling van die welke artikel 2, lid 2, van verordening nr. 2777/75 op het oog heeft, het uitdrukkelijke voorbehoud, dat het daarbij om communautaire maatregelen moet gaan.
De gestelde vraag zou kunnen worden beantwoord als volgt:
Verordening nr. 2777/75, en inzonderheid artikel 2 ervan, moeten in samenhang met de beginselen van het EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat maatregelen van de nationale autoriteiten, welke niet op het communautaire recht steunende voorschriften handhaven waarbij ten aanzien van geslacht pluimvee kwaliteitseisen worden gesteld, onverenigbaar zijn met genoemde bepalingen.
III — Antwoorden op vragen van het Hof
Op de vragen van het Hof zijn de volgende antwoorden gegeven:
a) De Commissie merkt op, dat de gemeenschapswetgever heeft erkend dat de in artikel 2, lid 2, van verordening nr. 2777/75 bedoelde handelsnormen noodzakelijk kunnen zijn om de aanpassing van het aanbod aan de eisen van de markt te vergemakkelijken, maar zich ook het recht heeft voorbehouden om zelf de inhoud en de werkingssfeer van de normen vast te stellen. Het naast elkaar bestaan van uiteenlopende nationale handelsnormen leidt tot distorsies en belemmert de gemeenschappelijke marktordening in haar werking. De noodzaak van gemeenschappelijke handelsnormen voor geslacht pluimvee wordt door de verordening erkend; of dergelijke normen voor andere produkten moeten worden vastgesteld, is een beslissing van de Raad. Het verschil tussen het dwingende voorschrift om handelsnormen voor geslacht pluimvee vast te stellen, en de potestatieve bepaling voor de overige produkten, is slechts van geringe betekenis, vooral omdat zelfs bij de dwingend voorgeschreven normen de keuze van de te regelen onderwerpen aan de gemeenschapswetgever wordt overgelaten. Men kan artikel 2, lid 2, in die zin uitleggen, dat de gemeenschapswetgever zich niet alleen de bevoegdheid heeft voorbehouden om voor geslacht pluimvee handelsnormen vast te stellen, maar ook om te beslissen over de noodzaak van vaststelling van normen voor de overige produkten en om die normen vast te stellen; het ontbreken van normen voor andere produkten dan geslacht pluimvee zou dan gelijk kunnen staan aan een weigering om gemeenschapsnormen vast te stellen of nationale toe te laten. Volgens een engere uitlegging zou de Gemeenschap zich enkel met betrekking tot de verplicht voorgeschreven handelsnormen voor de sector slachtpluimvee een exclusieve bevoegdheid hebben voorbehouden en zouden de Lid-Staten voor de overige produkten in beginsel bevoegd blijven, zolang de Gemeenschap haar bevoegdheid niet heeft uitgeoefend door normen vast te stellen of door te constateren dat er geen normen behoeven te worden vastgesteld. De Lid-Staten kunnen eigen vroegere normen — zoals de betrokken verordening van 1966 — handhaven, voor zover deze niet onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke marktordening en met het Verdrag; vaststelling van nieuwe nationale normen of ingrijpende wijziging van de bestaande is daarentegen slecht verenigbaar met de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap. De Gemeenschap kan haar aanspraak op een uitsluitende bevoegdheid bezwaarlijk staande houden indien zij deze bevoegdheid niet binnen redelijke termijn uitoefent. Wanneer men anderzijds in dat geval aanvaardt, dat de Lid-Staten de door de Gemeenschap opgegeven bevoegdheid herwinnen, dan zou dit de bereidheid van de Lid-Staten om mee te werken aan de vaststelling van gemeenschappelijke handelsnormen aanzienlijk doen afnemen; de nalatigheid op gemeenschapsniveau schept overigens geen rechtsvacuüm dat de Lid-Staten zelf zouden kunnen opvullen: zelfs de verplichte normen, die noodzakelijk werden geacht voor een betere aanpassing van het aanbod aan de eisen van de markt, zijn juridisch niet onontbeerlijk voor de werking van de marktordening. In elk geval moeten nationale regelingen als de onderhavige Nederlandse verordening, worden onderzocht op hun verenigbaarheid met de betrokken gemeenschappelijke marktordening en met de algemene regels van het Verdrag, waarbij rekening moet worden gehouden met de verplichtingen die voor de Lid-Staten voortvloeien uit de aan de gemeenschapswetgever toegewezen taken. De Nederlandse verordening streeft met de vaststelling van kwaliteitseisen een tweeledig doel na: enerzijds wil zij eerlijkheid in de handel verzekeren door het scheppen van gelijke concurrentievoorwaarden, en anderzijds wil zij de consumenten beschermen door hun duidelijkheid te bieden in de presentatie van de produkten door minimale kwaliteits- en bewerkingsgaranties; deze normen hebben ook een gunstige uitwerking op de afzet; de bescherming van de volksgezondheid behoort niet tot de nagestreefde doeleinden. Een indeling van de verhandelde produkten in categorieën is onverenigbaar met een marktordening, indien daardoor de vrije toegang tot de markt wordt beperkt zonder dat dit zijn rechtvaardiging vindt in de bescherming van de volksgezondheid of in andere dwingende eisen van algemeen belang. Een „open” kwaliteitsregeling, die voorziet in een indeling zonder daarbij enig produkt van de markt uit te sluiten, kan daarentegen een facultatief karakter dragen en zonder bezwaar worden toegepast op uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten. De toepassing op binnenlandse produkten van een dwingende regeling die de ondernemers verplicht hun produkten aan te bieden volgens vastgestelde indelingen, met voorgeschreven benamingen en andere aanduidingen, in voorgeschreven verpakking enzovoort, is niet onverenigbaar met de marktordening, mits er sprake is van een „open regeling”; toegepast op ingevoerde produkten uit andere Lid-Staten is een dergelijke regeling echter een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking en als zodanig onverenigbaar met de gemeenschappelijke marktordening en met artikel 30 EEG-Verdrag. Volgens de rechtspraak van het Hof kan een Lid-Staat een dergelijke regeling niet toepassen op produkten die zijn ingevoerd uit een andere Lid-Staat waar zij regelmatig in de handel waren gebracht, tenzij zij is ingegeven door dwingende eisen van algemeen belang, verband houdend met de consumentenbescherming of de eerlijkheid van de handelstransacties; in dat geval kan de Lid-Staat van invoer de strikt noodzakelijke maatregelen met de minst restrictieve werking toepassing. Bij de uitoefening van de hun nog verblijvende bevoegdheden hebben de Lid-Staten bepaalde verplichtingen in acht te nemen: zij zijn krachtens artikel 5 EEG-Verdrag verplicht de Gemeenschap bij de vaststelling van communautaire handelsnormen te ondersteunen en zich te onthouden van maatregelen die de Gemeenschap in de uitoefening van die taak kunnen hinderen; zich ervan te onthouden om tijdens de beraadslagingen over de communautaire handelsnormen nieuwe nationale normen iń te voeren of bestaande normen ingrijpend te wijzigen op een wijze die de totstandkoming van de gemeenschapsnormen bemoeilijkt; en de dispariteiten tussen de onderscheiden nationale normen en de daaruit voortvloeiende distorsies zoveel mogelijk te beperken. De bevoegdheid van de Lid-Staten heeft niet meer dan een ondergeschikt en aflopend karakter.
b) De Commissie wijst erop, dat zij op 15 juli 1971 bij de Raad een voorstel heeft ingediend voor een verordening betreffende bepaalde handelsnormen voor de sector pluimvee; aangenomen is enkel verordening nr. 2767/76 betreffende het watergehalte. Het voorstel van 1971 leidde in 1978 tot een compromistekst waarmee niets meer is gebeurd; de Commissie heeft hem op 21 december 1982 teruggenomen.
c) De Nederlandse verordening van 1966 is volgens de Commissie onverkort van toepassing op uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten en heeft bijgevolg dezelfde werking op de handel tussen Lid-Staten als een kwantitatieve beperking, zonder dat deze onverkorte toepassing kan worden gerechtvaardigd uit hoofde van dwingende eisen van algemeen belang. De toepassing van de regeling op de binnenlandse produktie is niet onverenigbaar met de gemeenschappelijke marktordening wanneer de bepalingen van de regeling geen aanbiedingsvorm uitsluiten. De toepassing van onderling afwijkende nationale bepalingen op invoer uit andere Lid-Staten schept belemmeringen in het intracommunautaire handelsverkeer en distorsies tussen de producenten van de Gemeenschap.
d) Volgens het Bedrijfschap maakt de Verordening Kwaliteitseisen geen onderscheid tussen pluimvee van oorsprong uit Nederland en pluimvee van oorsprong uit andere Lid-Staten.
De verordening geldt slechts voor die ondernemingen waarvoor het Bedrijfschap is ingesteld, dat wil zeggen voor de groothandel en voor de slachterijen en uitsnijderijen die hun produkten afleveren aan wederverkopers; zij is niet van toepassing op transacties met ondernemingen die uitdrukkelijk zijn uitgesloten, ongeacht de vraag of er sprake is van invoer.
Uit de statistische gegevens blijkt, dat slechts een klein gedeelte van de consumptie in Nederland wordt ingevoerd; van deze invoer is het overgrote deel afkomstig uit andere Lid-Staten. De invoer geeft een stijgende lijn te zien. Een groot deel van de importen betreft ontbeend vlees van pluimvee, waarop de betrokken verordening niet van toepassing is; daar zij ook niet van toepassing is op de invoer van produkten bestemd voor bepaalde soorten ondernemingen, raakt zij in feite slechts een betrekkelijk klein gedeelte van de importen, namelijk die van hele kuikens of delen daarvan, die in het groothandelskanaal terecht komen. In de praktijk is het totale effect van de verordening op importen dan ook zeer gering. In de laatste jaren is de algemene inspectiedienst slechts twee maal opgetreden tegen de invoer van pluimvee, en wel in zeer bijzondere gevallen.
IV — Mondelinge behandeling
Ter terechtzitting van 30 november 1983 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt en vragen van het Hof beantwoord door het Bedrijfschap voor de Pluimveehandel en -industrie, vertegenwoordigd door E. Grabandt, advocaat te 's-Gravenhage, en door de Commissie, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R. C. Fischer.
De advocaatgeneraal heeft ter terechtzitting van 1 februari 1984 conclusie genomen.
In rechte
Bij twee uitspraken van 22 maart 1983, ingekomen ten Hove op 25 maart daaropvolgend, heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een — in de twee gevallen gelijkluidende — prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 2 van verordening nr. 2777/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee (PB L 282 van 1975, blz. 77).
Wettelijk kader
Het College van Beroep heeft deze vraag gesteld ten einde te kunnen beoordelen, of met genoemd artikel verenigbaar is de voor de produktie van geslacht pluimvee geldende Verordening Kwaliteitseisen van 24 februari 1966, vastgesteld door het Bedrijfschap voor de Pluimveehandel en -industrie en goedgekeurd door de betrokken Nederlandse ministers. Deze verordening bevat gedetailleerde voorschriften over kwaliteitsindeling, bewerking, verpakking en vervoer van geslacht pluimvee. Zij voorziet bij overtreding in tuchtmaatregelen in de vorm van geldboetes, op te leggen door het Tuchtgerecht van het Bedrijfschap, van welks beslissingen beroep openstaat bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven.
De eerste gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee is door de Raad vastgesteld bij verordening nr. 123/67 van 13 juni 1967 (PB van 1967, blz. 2301). Deze verordening is herhaaldelijk gewijzigd en de regeling is thans gecodificeerd in voornoemde verordening nr. 2777/75. Evenals haar voorgangster, verordening nr. 123/67, bepaalt deze in artikel 2, dat bij verdere verordeningen van de Raad bepalingen zullen worden vastgesteld onder meer ter verbetering van de kwaliteit alsook normen voor de commercialisatie.
Opgemerkt zij, dat de Raad, afgezien van een verordening betreffende het watergehalte van bevroren pluimvee (verordening nr. 2967/76 van 23 november 1976, PB L 339 van 1976, blz. 1), die in deze context niet van belang is, de in artikel 2 aangekondigde normen tot op heden niet in werking heeft doen treden.
Blijkens de door haar in deze procedure verstrekte inlichtingen, heeft de Commissie op 15 juli 1971 bij de Raad een voorstel ingediend voor een verordening betreffende bepaalde handelsnormen voor de sector pluimvee, en nadat daarover in de Raad problemen waren ontstaan, heeft zij hem in 1979 een „compromis”-tekst voorgelegd. Dit voorstel is op 21 december 1982 door de Commissie teruggenomen nadat ook de behandeling van deze tekst, na enkele vruchteloze pogingen in 1978 en 1979, in een impasse was geraakt en de Raad sindsdien niet meer over het voorstel had beraadslaagd. De Commissie heeft het Hof meegedeeld dat zij thans voornemens is, bij de Raad een voorstel inzake de eiermarkt in te dienen, en dat zij het vraagstuk van de pluimveemarkt pas weer ter hand zal nemen wanneer dat van de eieren is opgelost.
De feiten en de voorgeschiedenis van het geding
Blijkens het dossier heeft het Tuchtgerecht in 1982 boetes opgelegd aan appellanten in het hoofdgeding, de pluimveeslachterijen Midden-Nederland en Van Miert, zulks naar aanleiding van controles waarbij verschillende overtredingen van de voorschriften van de Verordening Kwaliteitseisen waren vastgesteld, met name het op de markt brengen van produkten die niet vers waren, onvolledige reiniging van de karkassen en aanwezigheid van verontreinigingen, bloeduitstortingen en gebroken botten. De ondernemingen zijn van deze beslissingen in beroep gekomen bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven.
Blijkens de verwijzingsuitspraken heeft het College van Beroep partijen verzocht, zich uit te spreken over de vraag „of de bepalingen van artikel 2 van verordening (EEG) nr. 2777/75 van de Raad de bevoegdheid tot het stellen van nationale kwaliteitseisen met betrekking tot geslacht pluimvee onverlet hebben gelaten”. Na partijen te hebben gehoord, heeft het College van Beroep het Hof in beide zaken de volgende vraag voorgelegd:
„Moet artikel 2 van verordening nr. 2777/75 aldus worden uitgelegd, dat daarmee onverenigbaar zijn op straffe van tuchtmaatregelen te handhaven, niet op het communautaire recht steunende nationale voorschriften, waarbij ten aanzien van geslacht pluimvee kwaliteitseisen worden gesteld?”
Appellanten in het hoofdgeding hebben geen opmerkingen bij het Hof ingediend. Het Bedrijfschap en de Commissie daarentegen hebben zowel schriftelijke als mondelinge opmerkingen gemaakt.
Ten gronde
Volgens het Bedrijfschap behouden de Lid-Staten de vrijheid om binnen de grenzen van de doelstellingen van verordening nr. 2777/75 hun eigen kwaliteitseisen vast te stellen en toe te passen, zolang de Raad geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid die hij zich in artikel 2 van de verordening heeft voorbehouden. In elk geval zou de in de verordening omschreven bevoegdheid maatregelen op nationaal niveau niet uitsluiten. Een nationale regeling zou dan ook enkel onverenigbaar zijn te achten met de marktordening indien kwam vast te staan, dat zij de goede werking daarvan daadwerkelijk aantast. Dit zou hier niet het geval zijn, nu de door het Bedrijfschap ingevoerde regeling geen ander doel nastreeft dan de waarborging van een eerlijke mededinging en de bescherming van de consument.
Het Bedrijfschap wijst er voorts op, dat de door appellanten in het hoofdgeding gewraakte bepalingen reeds van kracht waren op het moment waarop de gemeenschappelijke marktordening werd ingevoerd, en dat zij in grote lijnen overeenstemmen met de latere voorstellen van de Commissie. In de visserijarresten — laatstelijk in het arrest van 5 mei 1981 (zaak 804/79, Commissie t. Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1981, blz. 1045) — zou het Hof hebben aanvaard, dat de Lid-Staten, in geval van stilzitten van de Raad, nationale bepalingen die stroken met de in het gemeenschapsrecht omschreven doelstelling, niet enkel kunnen handhaven, maar zonodg ook kunnen aanpassen.
Tenslotte wijst het Bedrijfschap op de nauwe band tussen de kwaliteitsvoorschriften en de bepalingen inzake sanitaire controle; zijns inziens mag men dit laatste aspect bij het onderzoek van de vraag van het College van Beroep niet buiten beschouwing laten.
In haar schriftelijke opmerkingen stelt de Commissie, dat de gemeenschapswetgever met artikel 2 van verordening nr. 2777/75 te kennen heeft gegeven, dat hij de materie die door de marktordening wordt beheerst, aan zich wilde trekken, en dat de Lid-Staten op dit gebied dus geen regelgevende bevoegdheid meer hebben. Haars inziens leidt de handhaving van nationale kwaliteitsvoorschriften ertoe, dat de werking van de marktordening wordt verstoord en de latere invoering van communautaire kwaliteitseisen wordt bemoeilijkt.
Naar aanleiding van vragen van het Hof heeft de Commissie erkend, dat de Gemeenschap haar aanspraak op een exclusieve bevoegdheid terzake bezwaarlijk staande kan houden, indien zij die bevoegdheid niet binnen een redelijke termijn op enigerlei wijze uitoefent. Het lijkt haar dan ook aanvaardbaar, dat de Lid-Staten hun bestaande kwaliteits- en handelsnormen kunnen handhaven, mits deze stroken met het doel van de gemeenschappelijke marktordening. Tegelijkertijd vestigt zij echter de aandacht op het mogelijke gevaar voor het vrije verkeer van de betrokken goederen, wanneer de Lid-Staten, gebruikmakend van het stilzitten van de Raad, nationale kwaliteitsvoorschriften invoeren die door hun onderlinge verschillen tot belemmering van het intracommunautaire handelsverkeer zouden kunnen leiden. Zij beklemtoont dan ook, dat de bevoegdheid die de Lid-Staten terzake kan worden toegekend, slechts van tijdelijke en ondergeschikte aard is, en dat de Lid-Staten in elk geval verplicht zijn om vrije toegang tot hun markten te verlenen aan produkten die in de Lid-Staat van herkomst rechtmatig en overeenkomstig de aldaar geldende wettelijke regeling in de handel zijn gebracht.
Wat de Nederlandse regeling betreft, erkent de Commissie, dat deze geen bepalingen bevat die, op zichzelf beschouwd, strijdig zijn met het doel van de gemeenschappelijke marktordening. De gedetailleerdheid ervan zou echter tot belemmeringen van het intracommunautaire handelsverkeer kunnen leiden indien zij op ingevoerd pluimvee werd toegepast.
Tenslotte meent de Commissie, dat er geen aanleiding bestaat om in te gaan op het vraagstuk van de sanitaire voorschriften, aangezien de vraag van de nationale rechter daar geen betrekking op heeft; deze voorschriften behoren trouwens in het gemeenschapsrecht tot een ander soort regelingen dan die welke de gemeenschappelijke marktordening beheersen.
Alvorens in te gaan op de door het College van Beroep gestelde vraag, zij opgemerkt, dat blijkens het dossier, en met name de verwijzingsuitspraken, het in deze procedure op te lossen vraagstuk niet de sanitaire controlemaatregelen betreft. De nationale rechter heeft deze vraag niet gesteld en zij kon dus ook niet door de belanghebbende partijen worden besproken. De desbetreffende argumenten van het Bedrijfschap dienen derhalve buiten de discussie te blijven.
Met het oog op de beantwoording van de vraag van het College van Beroep zij eraan herinnerd, dat de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee, zoals thans neergelegd in verordening nr. 2777/75, berust op een samenstel van maatregelen om de markten te stabiliseren en een redelijk prijsniveau te verzekeren zonder dat daarbij gebruik wordt gemaakt van interventiemaatregelen als die welke voor andere landbouwmarkten zijn voorzien. Ingevolge artikel 2 moet de aanpassing van het aanbod aan de eisen van de markt tot stand worden gebracht door een samenstel van maatregelen die moeten bijdragen tot een betere organisatie van de produktie, de verwerking en de commercialisatie, tot een verbetering van de kwaliteit, de opstelling van marktramingen en een vereenvoudiging van de waarneming van het prijsverloop.
Hiertoe bepaalt artikel 2, lid 1, dat de Raad volgens de procedure van artikel 43, lid 2, EEG-Verdrag maatregelen kan nemen tot verbetering van de kwaliteit van de produkten waarvoor de marktordening geldt.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt, dat de Raad, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid normen vaststelt voor de commercialisatie. Deze normen moeten worden vastgesteld voor de in artikel 1, lid 1, sub b, genoemde produkten, dat wil zeggen dood pluimvee en de daarvan afkomstige eetbare slachtafvallen, en kunnen dat voor de overige produkten die onder de marktordening vallen. Gepreciseerd wordt, dat die normen met name betrekking kunnen hebben op de indeling in gewichte- en kwaliteitsklassen, de verpakking, de opslag, het vervoer, de presentatie en het merken.
Deze bepalingen laten enige onzekerheid bestaan over de vraag, in hoeverre de Raad verplicht is dwingende normen vast te stellen, en in hoeverre de verordening hem daartoe enkel een bevoegdheid verleent. Uit artikel 2 als geheel blijkt echter duidelijk de bedoeling om geleidelijk dwingende uniforme kwaliteitseisen en gemeenschappelijke handelsnormen vast te stellen, welke inderdaad onmisbaar zijn voor een goed functionerende, transparante markt waarop normale mededingingsvoorwaarden heersen.
In dit verband moet worden geconstateerd dat de Raad nagenoeg volledig in gebreke is gebleven: in een sector waarvoor sinds 1967 een gemeenschappelijke marktordening geldt, heeft hij de voorschriften die voor een normale werking van die marktordening noodzakelijk zijn, nog steeds niet vastgesteld. En geconfronteerd met de weerstanden binnen de Raad, heeft blijkbaar ook de Commissie het voorlopig opgegeven om nog gebruik te maken van haar recht van initiatief en van de andere actiemiddelen die het Verdrag haar biedt.
In een dergelijke situatie kan er in beginsel geen bezwaar tegen worden gemaakt, dat een Lid-Staat nationale maatregelen handhaaft of vaststelt die ertoe strekken, op zijn grondgebied de doelstellingen van de marktordening en meer in het bijzonder van artikel 2 van verordening nr. 2777/75 te verwezenlijken.
Overeenkomstig voornoemd arrest van 5 mei 1981 zijn dergelijke maatregelen echter niet te beschouwen als behorende tot de eigen bevoegdheid van de Lid-Staten, maar als uitvloeisel van de verplichting tot samenwerking ter verwezenlijking van de doelstellingen van de gemeenschappelijke marktordening, die in een situatie die door stilzitten van de gemeenschapswetgever wordt gekenmerkt, krachtens artikel 5 EEG-Verdrag op hen rust. De door de Lid-Staten getroffen maatregelen kunnen bijgevolg enkel van tijdelijke en voorlopige aard zijn en dienen buiten werking te worden gesteld zodra gemeenschapsmaatregelen tot stand zijn gekomen.
Gelet evenwel op het door de Commissie terecht gesignaleerde gevaar, dat de consolidering van autonome en mogelijkerwijs onderling afwijkende nationale regelingen dankzij het voortdurend stilzitten van de gemeenschapsinstanties tot belemmeringen van het handelsverkeer zou kunnen leiden, zij de aandacht gevestigd op enkele voorwaarden die bij de beoordeling van die regelingen in aanmerking moeten worden genomen.
In de eerste plaats, aldus reeds het Hof in de arresten van 23 januari 1975 (zaak 51/74, Van der Hulst, Jurispr. 1975, blz 79) en 18 mei 1977 (zaak 111/76, Van den Hazel, Jurispr. 1977, blz. 901), zijn bepalingen die de Lid-Staten in een situatie als vorenomschreven vaststellen of handhaven, slechts aanvaardbaar indien zij verenigbaar zijn met de beginselen van de gemeenschappelijke marktordening.
Met de Commissie kan worden vastgesteld, dat maatregelen als vervat in de door het Bedrijfschap toegepaste regeling inzake kwaliteits- en handelsnormen, bij toetsing aan de eisen van de gemeenschappelijke marktordening voor slachtpluimvee in beginsel niet op bezwaren kunnen stuiten.
In de tweede plaats mag de toepassing van nationale kwaliteits- en handelsnormen niet leiden tot beperking van de vrije invoer van geslacht pluimvee dat in andere Lid-Staten rechtmatig en overeenkomstig de aldaar geldende kwaliteits- en handelsnormen is geproduceerd en in de handel gebracht.
Tenslotte zij opgemerkt dat, indien de verschillen tussen de nationale regelingen de vrijheid van het handelsverkeer zouden belemmeren of indien het ontbreken van maatregelen inzake een passende kwaliteitscontrole economische verstoringen in de betrokken marktsector zou veroorzaken, de inertie van de Raad de Commissie niet kan ontslaan van haar verplichting om krachtens haar bevoegdheden ex artikel 155 EEG-Verdrag de nodige stappen te ondernemen om te verzekeren dat de onder de marktordening vallende produkten vrij binnen de Gemeenschap kunnen circuleren onder voorwaarden die aansluiten bij de doelstellingen van die ordening.
Gelet op het voorgaande, moet op de vraag van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven worden geantwoord, dat artikel 2 van verordening nr. 2777/75 aldus moet worden uitgelegd, dat in een situatie die wordt gekenmerkt door het ontbreken van uitvoeringsmaatregelen als voorzien bij deze verordening, met voornoemd artikel verenigbaar zijn op straffe van tuchtmaatregelen te handhaven nationale voorschriften, waarbij ten aanzien van geslacht pluimvee kwaliteits- en handelsnormen worden gesteld, mits deze voorschriften verenigbaar zijn met het doel van de gemeenschappelijke marktordening en zij zo worden toegepast, dat de invoer van geslacht pluimvee dat rechtmatig en overeenkomstig de in de andere Lid-Staten geldende kwaliteits- en handelsnormen is geproduceerd en in de handel gebracht, niet wordt beperkt.
Het staat aan de nationale rechter om aan de hand van de in dit arrest ontwikkelde beginselen te beoordelen, of de in de Nederlandse regeling vastgestelde kwaliteits- en handelsnormen verenigbaar zijn met de eisen van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee.
Kosten
De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
rechtdoende op de door het College van Beroep voor het Bedrijfsleven bij zijn uitspraken van 22 maart 1983 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 2 van verordening nr. 2777/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee, moet aldus worden uitgelegd, dat in een situatie die wordt gekenmerkt door het ontbreken van uitvoeringsmaatregelen als voorzien bij deze verordening, met voornoemd artikel verenigbaar zijn op straffe van tuchtmaatregelen te handhaven nationale voorschriften, waarbij ten aanzien van geslacht pluimvee kwaliteits- en handelsnormen worden gesteld, mits deze voorschriften evenwel verenigbaar zijn met het doel van de gemeenschappelijke marktordening en zij zo worden toegepast, dat de invoer van geslacht pluimvee dat rechtmatig en overeenkomstig de in de andere Lid-Staten geldende kwaliteits- en handelsnormen is geproduceerd en in de handel gebracht, niet wordt beperkt.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
12Rechtspraak
3Europese Unie
3Conclusie van advocaat-generaal SaggioC-415/9813.04.2000
Zesde richtlijn 77/388 art. 2 en art. 26bis
Hof van Justitie165/8805.12.1989