ARREST
Ten aanzien van de feiten
Overwegende dat de verwijzingsbeschikking en de schriftelijke opmerkingen, ingediend krachtens artikel 20 van het Statuut van het Hof van Justitie van de EEG, kunnen worden samengevat als volgt:
I — De feiten en de procesvoering
In januari 1971 heeft verzoekster in het hoofdgeding in de Bondsrepubliek Duitsland 16000 liter uit Italië geïmporteerde vermout in het vrije verkeer gebracht. Bij die invoer werd onder meer een heffing, genaamd „Monopolausgleich”, ten bedrage van 9824 DM toegepast.
De Monopolausgleich wordt geheven krachtens paragraaf 151 van het Gesetz über das Branntweinmonopol van 8 april 1922, volgens welke binnenlands geproduceerde alcohol in beginsel aan het monopolie moet worden geleverd tegen de „Branntweinübernahmepreis”, zoals die wordt berekend op grondslag van de door de administratie vastgestelde „Branntweingrundpreis”. Bedoelde alcohol wordt door de administratie der Bundesrepublik verhandeld tegen (eveneens) vaste verkoopprijzen die de zuivere handelswaarde, de administratiekosten en de „Branntweinsteuer” omvatten.
Sommige soorten binnenslands geproduceerde alcohol, met name uit vruchten gewonnen alcohol (§ 76 BrMonG) — en daartoe behoort ook de alcohol waaruit binnenslands vermout wordt geproduceerd — zijn van levering vrijgesteld. Maar voor vrijgestelde alcohol moet een belasting genaamd „Branntweinaufschlag” worden betaald (§ 78 BrMonG). Het bedrag van die belasting wordt verkregen door van het verschil tussen de verkoopprijs en de basisprijs van de door het monopolie verhandelde alcohol het forfaitair bepaald gemiddeld bedrag af te trekken van de kosten welke voor alcohol die niet via het monopolie loopt niet behoeven te worden gemaakt. Maar de aldus berekende Branntweinaufschlag geldt alleen zolang de jaarproduktie 60 hl bereikt ethylalcohol niet te boven gaat. Bij een hogere jaarproduktie wordt ook de Aufschlag hoger en bij een jaarproduktie van ongeveer 330 hl bereikt zij het niveau van de nog te bespreken Monopolausgleich. De Branntweinaufschlag is in ieder geval hoger dan de Branntweinsteuer; het verschil heet „Aufschlagspitze”.
Voor ingevoerde alcohol moet een compenserende heffing, genaamd „Monopolausgleich”, worden betaald, die op dezelfde wijze wordt berekend als de Branntweinaufschlag, behoudens dat het forfaitair bedrag aan administratiekosten niet wordt afgetrokken. Voor zover deze heffing de Branntweinsteuer te boven gaat, wordt zij Monopolausgleichspitze genaamd. Zij wordt geacht overeen te komen met — en de tegenhanger te vormen van — de kosten van verhandeling die het monopoliebestuur heeft te maken en ten laste komen van de door het monopolie verkochte binnenlandse produkten.
Verzoekster in het hoofdgeding maakte bezwaar tegen betaling van dit gedeelte van de Monopolausgleich, die in zoverre discriminatie ten nadele van geïmporteerde produkten zou behelzen. Zij is met een zogenaamde Sprungklage onmiddellijk in beroep gekomen bij het Finanzgericht Rheinland-Pfalz, dat heeft gemeend dat de door verzoekster in het hoofdgeding ingeroepen artikelen 37 en 95 van het EEG-Verdrag uitlegging behoeven en het Hof de navolgende vragen heeft gesteld:
1.Moet artikel 37, lid 1, van het EEG-Verdrag — evenals artikel 95, lid 1 — aldus worden uitgelegd, dat de onderdanen van de Lid-Staten na het einde van de overgangsperiode daaraan rechtstreeks subjectieve rechten kunnen ontlenen welke de nationale rechterlijke instanties moeten handhaven?
2.Is de heffing van het aanvullend bedrag der monopoliecompensatie („Monopolausgleichspitze”) bij de invoer van Italiaanse vermout in strijd met de beginselen van artikel 95, lid 1, van het EEG-Verdrag — en zo vraag 1 bevestigend wordt beantwoord, ook met die van artikel 37, lid 1 —, en wel omdat zij niet dient ter compensatie van een belasting op vergelijkbare binnenlandse produkten, maar van de administratiekosten van het staatsmonopolie?
3.Zo neen:
Moeten bij de toepassing van de artikelen 37, lid 1, en 95, lid 1, EEG-Verdrag slechts het aanvullend bedrag der monopoliecompensatie enerzijds en de monopoliekosten anderzijds worden vergeleken, of komt het erop aan dat de totale eindprijs van het ingevoerde produkt door de heffing van die top niet ongunstiger wordt dan die van vergelijkbare binnenlandse produkten?
4.Zo het eerste deel van vraag 3 bevestigend wordt beantwoord:
Is er sprake van discriminatie (in de zin van de artikelen 37, lid 1, en 95, lid 1) van ingevoerde Italiaanse vermout, nu in het Branntweinmonopolgesetz een uniforme topheffing op de ethylalcohol in voor consumptie bestemde ingevoerde produkten is voorzien doch voor vergelijkbare binnenlandse produkten een progressieve — aan de geproduceerde hoeveelheden gerelateerde — omslag van de administratiekosten van het staatsmonopolie?
De verwijzingsbeschikking van 10 april 1975 is op 12 mei 1975 ter griffie van het Hof ingeschreven.
Verzoekster in het hoofdgeding, de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de regering van de Bondsrepubliek Duitsland hebben overeenkomstig artikel 20 van het protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de EEG schriftelijke opmerkingen ingediend.
Op rapport van de Rechter-Rapporteur en de Advocaat-Generaal gehoord, heeft het Hof besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
II — Opmerkingen ingediend krachtens artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de EEG
A — Opmerkingen van de Commissie
De Commissie geeft in overweging de eerste vraag bevestigend te beantwoorden. Artikel 37, lid 1, laat de Lid-Staten alleen tijdens de overgangsperiode een zekere speelruimte. Sinds het verstrijken der overgangsperiode behelst artikel 37 een welbepaalde en ondubbelzinnige verplichting, welker rechtsgeldigheid niet van enigerlei optreden van de Lid-Staten of de instellingen der Gemeenschap afhankelijk is. Reeds in de zaak 6-64, arrest van 15 juli 1964 (Costa t. Enel, Jurispr. 1964, blz. 1207) heeft het Hof artikel 37, lid 2 — waarin de term discriminatie in dezelfde zin wordt gebezigd als in lid 1 — rechtstreeks toepasselijk verklaard.
Met betrekking tot de tweede vraag wijst de Commissie erop dat het Hof er de elementen uit zal moeten halen welke de uitlegging van het Gemeenschapsrecht betreffen, om dan op te merken dat het in deze vraag gaat om het gedeelte van de Monopolausgleich dat bedoeld is om te dienen als dekking — dan wel als compensatie uit mededingingsoogpunt — voor de kosten welke het monopolie wegens de overname en verkoop van „Branntwein” heeft te maken. Mogen zulke op het bestaan van het monopolie berustende en tot financiering van het monopolie dienende lasten ook drukken op uit andere Lid-Staten afkomstige ingevoerde produkten — die door het monopolie niet worden overgenomen — ? De Commissie meent dat artikel 95 niet slechts heffingen van zuiver fiscale aard betreft, doch ook alle heffingen ter financiering van een openbare dienst — zoals het beheer van een monopolie —, bestemd om de kosten ervan te dekken. Zulk een ruime uitlegging ligt onder meer in de lijn van 's Hofs arrest in de gevoegde zaken 2 en 3-62, arrest van 14 december 1962 (Commissie t. Groothertogdom Luxemburg en Koninkrijk België, Jurispr. 1962, blz. 829), en de Commissie meent daarom dat het, zolang nationale produkten en ingevoerde produkten gelijkelijk en in dezelfde mate in de kosten van het monopolie moeten bijdragen, voor artikel 95, lid 1, weinig ter zake doet dat de Monopolausgleich geen heffing van fiscale aard is. Nochtans dient zowel met betrekking tot artikel 95, lid 1, als met betrekking tot artikel 37, lid 1, te worden vastgesteld dat een heffing niet aanvechtbaar wordt door het enkele feit dat erdoor wordt bijgedragen in de financiering van een bepaalde administratie. Er moet van discriminatie kunnen worden gesproken.
Ten aanzien van artikel 37 geeft de Commissie als haar opvatting te kennen dat het discriminatieverbod dat er in besloten ligt, sinds het verstrijken van de overgangsperiode hetzelfde effect sorteert als het verbod van artikel 95. Het ligt op de weg van de nationale rechter te beslissen of de artikelen 95, lid 1, en 37, lid 1, van toepassing zijn dan wel of er, de bestemming der heffing in aanmerking genomen, van een heffing van gelijke werking als een bij invoer geheven douanerecht mag worden gesproken — arrest van 19 juni 1973, zaak 77-72 (Capolongo, Jurispr. 1973, blz. 611) en arrest van 18 juni 1975, zaak 94-74 (IGAV, Jurispr. 1975, blz. 699).
De Commissie voegt hieraan met betrekking tot de rechtstreekse werking van artikel 37 toe dat uit 's Hofs recente jurisprudentie inzake de consequenties welke aan de afloop van de overgangsperiode moeten worden verbonden — arresten van 21 juni 1974, zaak 2-74 (Reyners, Jurispr. 1974, blz. 631); van 3 december 1974, zaak 33-74 (Van Binsbergen, Jurispr. 1974, blz. 1299); van 12 december 1974, zaak 36-74 (Walrave en Koch, Jurispr. 1974, blz. 1405) en van 10 december 1974, zaak 48-74 (Charmasson, Jurispr. 1974, blz. 1383) —blijkt dat de uitzondering welke de Commissie heeft gemeend ten behoeve van het Duitse monopolie voor „Branntwein” (in afwachting van de totstandkoming van een gemeenschappelijke ordening der markten) te moeten toelaten (aanbeveling van 22 december 1969 aan de Bondsrepubliek Duitsland inzake de wijziging van het nationale monopolie van commerciële aard betreffende alcohol, Jurispr. L 31 van 9.2.1970, blz. 20), sinds het verstrijken van de overgangsperiode niet langer van kracht is, ondanks het feit dat het nog niet tot een gemeenschappelijke marktordening is gekomen. Daarom behelst de verdere heffing der Monopolausgleichspitze, gezien de beginselen welke et Hof van Justitie in vorengenoemde zaken 77-72, Capolongo, en 94-74, IGAV heeft opgesteld, een inbreuk op het verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten, voorzover die uitsluitend dient ter bekostiging van activiteiten welke alleen aan het betrokken nationale produkt ten goede komen.
De derde vraag is volgens de Commissie gesteld omdat verweerster in het hoofdgeding had betoogd dat er, de eindprijs in aanmerking genomen en gelet op de lagere prijzen welke in het buitenland worden berekend, van discriminatie ten nadele van binnenlandse — en niet van ingevoerde — „Branntwein” moet worden gesproken. Volgens het Verdrag dienen evenwel slechts de belastingen op binnenlandse produkten en die op soortgelijke produkten van herkomst uit andere Lid-Staten met elkander te worden vergeleken. Het Verdrag voorziet noch gedoogt dat de eindprijs, c.q. elementen van de eindprijs, bij beoordeling van de kostprijs van een ingevoerd produkt in aanmerking worden genomen.
Met betrekking tot de vierde vraag merkt de Commissie op dat belastingdifferentiatie naar geproduceerde hoeveelheden niet met stelligheid wil zeggen dat er geen sprake van discriminatie zou zijn, zelfs niet wanneer men in aanmerking neemt dat zodanige discriminatie slechts van beperkte betekenis zou kunnen zijn als gevolg van het feit dat 95 % van binnenlandse „Branntwein” het van de heffing vrijgesteld minimum te boven gaat.
B — Opmerkingen ingediend door de regering van de Bondsrepubliek Duitsland
Volgens de regering van de Bondsrepubliek Duitsland moet de eerste vraag bevestigend worden beantwoord. Zo goed als de artikelen 9, 12 en 37, lid 2, behelst ook artikel 37, lid 1, een discriminatieverbod dat juridisch perfect is en naar zijn aard tussen particulieren en tussen Lid-Staten en hun onderdanen tot rechtstreekse gevolgen kan leiden. Ook de verplichting om voor het einde van de overgangsperiode geleidelijk tot aanpassing der monopolies over te gaan is rechtstreeks geldig.
De Duitse Regering wijst niettemin op lid 4, volgens hetwelk de regel van lid 1 voor monopolies van commerciële aard die een regeling omvatten ter vergemakkelijking van de afzet of van de valorisatie van landbouwprodukten, slechts geldt wanneer die monopolies voor de werkgelegenheid en de levensstandaard van de betrokken producenten gelijkwaardige waarborgen bieden. De in artikel 37, lid 1, omschreven aanpassingsverplichting geldt dus alleen wanneer de Gemeenschap passende maatregelen heeft genomen; zij werkt derhalve niet rechtstreeks.
Met betrekking tot de tweede vraag betoogt de regering van de Bondsrepubliek dat hier artikel 37 en niet artikel 95 de doorslag geeft. Laatstgenoemde bepaling kan niet worden toegepast op een bij invoer geheven belasting als de Monopolausgleichspitze, die bestemd is om de monopolieheffing op nationale produkten te compenseren en als van wezenlijk belang voor het monopolie is te beschouwen. Het Duitse monopolie is op een ter compensatie van zijn kosten toegepaste heffing aangewezen: monopolies van commerciële of fiscale aard kunnen hun administratiekosten naar Duits recht slechts dekken ten laste van degenen die van hun diensten gebruik maken. Zou de Monopolausgleichspitze moeten verdwijnen, dan zou men het zonder Monopolausgleich moeten stellen, omdat anders nationale produkten in een ongunstiger positie zouden komen te verkeren dan voor consumptie bestemd ingevoerde „Branntwein”. Zou men deze kosten door de Bondsrepubliek laten financieren, dan zouden zij te algemenen laste komen, en daarvan kan natuurlijk geen sprake zijn. Als wezenlijk bestanddeel van het Duitse monopolie voor „Branntwein” mag de Monopolausgleichspitze alleen aan artikel 37 van het Verdrag worden getoetst.
Wil men in het bestek van de aldus afgebakende tweede vraag nagaan of de heffing van de Monopolausgleichspitze zich met het discriminatieverbod van artikel 37 verdraagt, dan zal volgens de Duitse Regering moeten worden vastgesteld of de monopoliekosten wel kunnen worden gecompenseerd.
De regering van de Bondsrepubliek meent dat het in de lijn ligt van de algemene beginselen welke in de Verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen verankerd liggen, ook compensatie van niet-fiscale heffingen toe te staan. Het Hof heeft reeds vastgesteld dat het verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten niet geldt voor geldelijke lasten welke deel uitmaken van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen waarmede nationale produkten en ingevoerde produkten volgens dezelfde criteria's stelselmatig worden getroffen (arrest van 14 december 1972, zaak 29-72, Spa Marimex t. Italiaanse belastingdienst, Jurispr. 1972, blz. 1319). Zulke lasten mogen dus worden gecompenseerd.
Bij het onderzoek naar de vraag of er sprake is van discriminatie — in de zin van artikel 37 — tussen binnenlandse en ingevoerde produkten dient met de bijzonderheden der monopolies rekening te worden gehouden. Ten deze zij erop gewezen dat de belasting op het binnenlandse produkt en de Monopolausgleichspitze in publiekrechtelijk opzicht dezelfde trekken vertonen: het bedrag van beide heffingen wordt in wezen volgens dezelfde criteria vastgesteld; ze worden op dezelfde manier geïnd en in beide gevallen is de nakoming van de desbetreffende schuldvorderingen door fiscale rechtsbepalingen verzekerd. Daarnevens mag niet ook in formele zin een volkomen identiteit van beide belastingen worden verlangd: het monopolie behelst een marktordening die zonder een verschillende regeling voor binnenlandse en voor geïmporteerde produkten niet kan functioneren.
Waar volgens artikel 37 monopolies van commerciële aard niet moeten worden afgeschaft, doch aangepast, dient te worden erkend dat de voor het monopolie onmisbare regelen nog steeds van kracht zijn. Afschaffing van de Monopolausgleichspitze zou het monopoliestelsel ontwrichten in die zin dat de staat de eraan verbonden kosten te algemenen laste — in plaats van ten laste van de gebruikers — zou moeten brengen.
De Bondsregering stelt voor de tweede vraag als volgt te beantwoorden:
„Artikel 95, eerste alinea, is niet in die zin te verstaan dat compenserende heffingen in het kader van een monopolie van commerciële aard eronder vallen. Artikel 37, lid 1, is niet in die zin te verstaan dat toepassing van het gedeelte der Monopolausgleich dat Monopolausgleichspitze genaamd wordt op de import van Italiaanse vermout schending van dit voorschrift zou inhouden omdat die toepassing niet tot compensatie van de belasting op vergelijkbare binnenlandse produkten, doch tot compensatie van de eigen administratiekosten van het nationale monopolie strekt”.
Met betrekking tot de derde vraag spreekt de regering van de Bondsrepubliek als haar mening uit dat de hierbedoelde vergelijking voor de toepassing van artikel 37, lid 1 (artikel 95 mist hier haars inziens toepassing) alleen de Monopolausgleichspitze en de monopoliekosten mag betreffen.
De regering van de Bondsrepubliek merkt met betrekking tot de vierde vraag op dat de progressieve belasting van binnenlandse produkten niet alle onder het monopolie vallende produkten betreft, doch uitsluitend ethylalcohol gewonnen uit vruchten, zoals vermout, en uit graan. Bij uit vruchten verkregen alcohol staat tegenover de heffing van een gestaffelde binnenlandse belasting een forfaitaire compensatie — door het uniform percentage van de Monopolausgleich — bij ingevoerde produkten. Een dergelijk stelsel van forfaitaire belastingheffing op ingevoerde produkten is in de intracommunautaire handel niet ongebruikelijk en berust op de overweging dat de oorsprong van het ingevoerde produkt — en de omvang der produktie in de onderneming van oorsprong — moeilijk te achterhalen zijn. In haar aanbeveling van 22 december 1969 aan de Bondsrepubliek Duitsland (PB L 31 van 9 februari 1970, blz. 20 e.v.) heeft de Commissie trouwens een dergelijk stelsel aanbevolen.
In de praktijk kwam het bedrag van de forfaitaire belasting op ingevoerde vruchten „Branntwein” met die op ongeveer 97 % van het binnenlandse produkt overeen. In ieder geval is de heffing van een progressieve binnenlandse belasting op de verwezenlijking van een doelstelling van landbouwbeleid en midden-standsbeleid gericht, zodat artikel 37, lid 4, ervoor geldt.
Voor zover men mocht menen dat er sinds de afloop van de overgangsperiode voor artikel 37, lid 4, geen functie meer is weggelegd, dient te worden bedacht dat het aan de kleine en middelgrote fabrikanten van „Branntwein” toegekende voordeel een steunmaatregel in de zin van de artikelen 92 en volgende van het EEG-Verdrag behelst. Omdat deze regeling tijdens de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag reeds bestond, was de regering van de Bondsrepubliek Duitsland niet verplicht haar in te trekken zolang de Commissie daartoe geen stappen ondernam. De Commissie was met de regeling op de hoogte en heeft zich voor een forfaitaire belasting op ingevoerde produkten uitgesproken.
De regering van de Bondsrepubliek stelt voor de vierde vraag als volgt te beantwoorden:
„Artikel 37, lid 1, is niet in die zin te verstaan dat er van discriminatie ten nadele van ingevoerde Italiaanse vermout zou mogen worden gesproken omdat in het Branntweinmonopolgesetz een uniforme topheffing op ethylalcohol in als dranken ingevoerde produkten is voorzien, doch voor vergelijkbare binnenlandse produkten een progressieve — aan de geproduceerde hoeveelheden gerelateerde — omslag van de administratiekosten van het staatsmonopolie”.
C — Opmerkingen van verzoekster in het hoofdgeding
In antwoord op de eerste vraag merkt verzoekster op dat aan artikel 37, lid 1, van het Verdrag, gezien de bewoordingen van artikel 8, lid 7, rechtstreekse werking toekomt.
Ter beantwoording van de tweede vraag bespreekt verzoekster eerst artikel 95. Volgens dit artikel is wel compensatie van de binnenlandse belastingdruk, maar geen compensatie van de kosten van produktie en commercialisatie der produkten toegestaan. In casu heeft de importeur een bedrag te betalen ter compensatie van het concurrentienadeel dat voor binnenlandse producenten is gelegen in het feit dat zij de monopoliekosten hebben te dragen. Het toepassingsgebied van artikel 95 mag niet zodanig worden uitgebreid dat om het even welke compensatie tussen een fiscale last op ingevoerde produkten en een economische last op gelijksoortige nationale produkten mogelijk wordt.
Vervolgens overgaande tot bespreking van artikel 37, lid 1, betoogt verzoekster in het hoofdgeding dat het in deze bepaling geformuleerde verbod dat van artikel 95 omvat, zodat al hetgeen met betrekking tot artikel 95 is betoogd ook voor artikel 37 geldt. In casu wordt er ten nadele van ingevoerde produkten gediscrimineerd voor zover niet slechts belastingen welke het nationale produkt werkelijk treffen worden gecompenseerd, doch ook de produktie- en verhandelingskosten van de nationale producenten en de administratiekosten van het monopolie. Door de Monopolausgleichspitze wordt de prijsconcurrentie tussen onder het monopolie vallende nationale produkten en ingevoerde produkten van de aanvang af aan banden gelegd.
Verzoekster in het hoofdgeding stelt voor de tweede vraag als volgt te beantwoorden:
„Belastingheffing op uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten is altijd in strijd met de artikelen 95, lid 1, en 37, lid 1, van het EEG-Verdrag wanneer de betrokken nationale produkten onder een nationaal monopolie van commerciële aard vallen en de bij grensoverschrijding toegepaste heffing niet ter compensatie van de fiscale last op vergelijkbare binnenlandse produkten, doch alleen van de eigen administratiekosten van het nationale monopolie dient”.
Met betrekking tot de derde vraag leidt verzoekster uit het hoofdgeding uit het hiervoor weergegeven betoog af dat de vergelijking van lasten als bedoeld in artikel 95, lid 1, alleen op de belastingen en niet op de prijzen betrekking mag hebben. Daarom is zij van mening dat voor de toepassing van de artikelen 37, lid 1, en 95, lid 1, van het EEG-Verdrag alleen de Monopolausgleichspitze en de monopoliekosten mogen worden vergeleken.
Met betrekking tot de vierde vraag merkt verzoekster in het hoofdgeding op dat het een discriminatie in de zin van artikel 37 van het EEG-Verdrag oplevert wanneer met behulp van monopoliemaatregelen produkten uit de andere Lid-Staten in een ongunstiger positie worden gebracht dan produkten waarvoor het monopolie geldt. In casu kan voor ingevoerde produkten waarop de Monopolausgleichspitze wordt toegepast, niet — zoals krachtens paragraaf 79, lid 1, van het Gesetz über das Branntweinmonopol bij nationale produkten het geval zou zijn — aanspraak worden gemaakt op aftrek van de gemiddelde kosten welke de monopolieadministratie voor niet-leveringsplichtige alcohol niet behoeft uit te geven. Voorts worden de in paragraaf 79, leden 2 tot 6, van diezelfde wet voorziene „Aufschläge” en „Abschläge” alleen voor de Branntweinaufschlag, dat wil zeggen voor nationale produkten, in aanmerking genomen en niet voor de Monopolausgleich op ingevoerde produkten.
De vierde vraag moet derhalve volgens verzoekster in het hoofdgeding als volgt worden beantwoord:
„Er is sprake van discriminatie ten nadele van uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten — in de zin van de artikelen 37, lid 1, en 95, lid 1, van het EEG-Verdrag —, wanneer in de nationale monopolie-regeling een uniforme Monopolausgleichspitze op de ethylalcohol in uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten is voorzien en voor vergelijkbare binnenlandse produkten een progressieve — aan de geproduceerde hoeveelheid gerelateerde — omslag van de administratiekosten van het nationale monopolie”.
Ter terechtzitting van 28 oktober 1975 hebben verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur G. Meier, de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door de heer M. Seidel, en de Commissie, vertegenwoordigd door de heer R. Wägenbaur, de tijdens de schriftelijke behandeling uiteengezette argumenten nader uiteengezet.
Zij zijn met name nader ingegaan op bepaalde door het Hof aan de orde gestelde punten.
De regering van de Bondsrepubliek Duitsland heeft op het verzoek van het Hof mede te delen of de Branntweinaufschlag en/of de Monopolausgleich dan wel een deel dezer belastingen (Branntweinaufschlagspitze, Monopolausgleichspitze) aan de administratie van het monopolie ten goede komen, dan wel een andere bestemming vinden, medegedeeld dat de Branntweinaufschlagspitze ter financiering van het monopolie dient, terwijl de Monopolausgleichspitze, die ten behoeve van de Bondsrepubliek Duitsland en niet van het monopolie wordt geheven, alleen dient om de prijzen van ingevoerde produkten aan te passen aan de verkoopprijzen welke de federale administratie van het monopolie voor nationale produkten heeft vastgesteld.
De regering van de Bondsrepubliek Duitsland verklaart voorts dat de verkoopprijs van nationale alcohol omvat; de aan de distillateur betaalde koopprijs, de belasting op het produkt en de onder de Spitze vallende monopoliekosten.
Volgens verzoekster in het hoofdgeding dekken de Branntweinausgleichspitze en de Monopolausgleichspitze: 1. alle administratie- en commercialisatiekosten van het monopolie; 2. de kosten van valorisatie van door het monopolie gekochte alcohol; 3. uitvoerrestituties en wegens te lage verkoopprijzen geleden verliezen.
Verzoekster in het hoofdgeding heeft in antwoord op een door het Hof gestelde vraag nog verklaard dat de in de verkoopprijs van nationale alcohol begrepen monopoliekosten welke de Monopolausgleichspitze geacht wordt te compenseren, door ingevoerde alcohol reeds in het land van oorsprong — als produktiekosten — worden gedragen, met name wanneer er in het land van oorsprong eveneens een monopoliestelsel bestaat.
Overwegende dat de Advocaat-Generaal ter terechtzitting van 20 november 1975 zijn conclusie heeft genomen;
Ten aanzien van het recht
Overwegende dat het Finanzgericht Rheinland-Pfalz bij beschikking van 10 april 1975, ingekomen ter griffie op 12 mei 1975, het Hof krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag een aantal vragen heeft gesteld inzake de uitlegging van de artikelen 37, lid 1, en 95, lid 1, van het EEG-Verdrag;
dat die vragen zijn gerezen in een geding tussen een importeur van Italiaanse vermout en de douane van de Bondsrepubliek Duitsland, waarin de verenigbaarheid ener in de Bondsrepubliek op ingevoerde alcohol geheven verbruiksbelasting, genaamd Monopolausgleich, met voormelde bepalingen in geschil was;
Overwegende dat ethylalcohol van agrarische of niet-agrarische herkomst volgens het Gesetz über das Branntweinmonopol tegen een ambtshalve vastgestelde prijs aan het monopolie moet worden geleverd en na verwerking door het monopolie — tegen eveneens door de overheid vastgestelde en naar de gebruiksbestemming gedifferentieerde prijzen — wordt wederverkocht;
dat in de bij wederverkoop van die alcohol berekende prijs zijn begrepen de handelswaarde van de alcohol, een bedrag tot dekking van de monopoliekosten, omvattende de kosten van verwerking, opslag en administratie, en een belasting genaamd Branntweinsteuer;
dat bij voor menselijke consumptie bestemde alcohol onder de monopoliekosten mede begrepen is een kostenfactor bestemd tot compensatie van de verliezen door het monopolie geleden doordat bepaalde voor ander gebruik bestemde alcoholsoorten beneden de kostprijs worden verkocht;
Overwegende dat in paragraaf 76 van genoemde wet bepaalde soorten binnenslands vervaardigde alcohol, en wel met name uit granen en bepaalde vruchten gewonnen alcohol, van de leveringsplicht zijn vrijgesteld;
dat de situatie welke tot het geding geleid heeft derhalve wordt gekenmerkt door het bestaan van een nationaal monopolie dat zijn bemoeiingen tot de aankoop en verhandeling van een bepaald produkt uitstrekt, in dier voege evenwel dat de binnenslandse produktie er slechts ten dele onder valt en voor het overige in de privé-sector wordt aangekocht en verhandeld;
Overwegende dat niet-leveringsplichtige alcohol is belast met een als Branntweinaufschlag aangemerkte heffing ten bedrage van het verschil tussen de basisprijs van de via het monopolie verhandelde alcohol en de normale verkoopsprijs van die alcohol, in welke Aufschlag behalve de alcoholbelasting (Branntweinsteuer) — tot een bedrag gelijk aan de belasting geheven op via het monopolie verhandelde alcohol — ook een bijdrage in de monopoliekosten is begrepen;
dat van die bijdrage, genaamd Branntweinaufschlagspitze, waarvan het bedrag overeenkomt met de „monopoliekosten” welke begrepen zijn in de verkoopprijs van via het monopolie verhandelde en voor menselijke consumptie bestemde alcohol, evenwel een forfaitair bedrag (21 DM/hl ten tijde van de feiten die tot het hoofdgeding aanleiding gaven) wordt afgetrokken als het gemiddeld bedrag der kosten welke het monopolie zich bespaart door de hierbedoelde alcohol niet over te nemen;
dat het aldus verkregen bedrag vervolgens wordt verminderd met een percentage dat naar gelang van de jaarlijkse produktie van 5 % van de basisprijs (Branntweingrundpreis) kan oplopen tot ruim 100 % van die prijs naar gelang de alcohol van stokerijen met een bescheiden produktie of van grote stokerijen afkomstig is;
dat de belasting van niet-leveringsplichtige alcohol met een deel van de administratiekosten van het monopolie in de lijn ligt van de bedoeling van de nationale wetgever om de monopoliekosten af te wentelen op alle verbruikers van binnenlandse — niet-leveringsplichtige dan wel door het monopolie verhandelde — alcohol;
dat deze Branntweinaufschlagspitze dan ook voor de administratie van het monopolie bestemd is — en voor het monopolie een bron van inkomsten oplevert —;
Overwegende dat op ingevoerde alcohol alsook — naar gelang van het alcoholpercentage — op ingevoerde alcoholhoudende dranken een heffing genaamd Monopolausgleich, wordt toegepast, welke behalve de belasting op via het monopolie verhandelde alcohol (Branntweinsteuer) een aanvullend bedrag omvat dat geacht wordt overeen te komen met het in de verkoopprijs van via het monopolie verhandelde alcohol verdisconteerd bedrag dat tot dekking van de hiervoor omschreven „monopoliekosten” bestemd is;
dat dit aanvullend bedrag, genaamd Monopolausgleichspitze, dat tot financiering van het monopolie bestemd is doch — mèt de Monopolausgleich waarvan het een bestanddeel vormt — in de algemene staatsmiddelen vloeit, blijkens de door de regering van de Bondsrepubliek Duitsland gegeven uitleg bestemd is om gelijke mededingingsvoorwaarden tot stand te brengen tussen ingevoerde gedistilleerde en andere alcoholhoudende dranken enerzijds en uit niet-leveringsplichtige alcohol gefabriceerd binnenlands gedistilleerd c.q. alcoholhoudende dranken anderzijds;
dat tijdens de mondelinge behandeling voorts door de Bondsrepubliek Duitsland verklaard is „dat deze bescherming langs indirecte weg de financiering van het monopolie mogelijk maakt, omdat men zonder ingevoerde produkten met deze Spitze te belasten de aan de werking van het monopolie verbonden kosten niet ten laste van binnenlandse alcohol zou kunnen brengen”;
dat dit bedrag evenwel, anders dan met niet-leveringsplichtige binnenlandse alcohol het geval is, niet wordt verminderd met een forfaitair bedrag noch ook naderhand met inachtneming van een bepaalde progressie wordt verlaagd of verhoogd, doch eens voor al wordt vastgesteld des dat het aldus vastgestelde bedrag tevens het maximum der bij berekening der Branntweinaufschlag mogelijke progressie vormt;
dat de regering van de Bondsrepubliek Duitsland er evenwel op wijst dat de bij berekening der Branntweinaufschlag toegepaste progressie er, althans bij onder toezicht der douane werkende stokerijen die gedistilleerd op basis van vruchten vervaardigen, toe leidt dat Branntweinaufschlag en Monopolausgleich even hoog komen te liggen wanneer de alcohol afkomstig is van stokerijen die jaarlijks meer dan 330 hl produceren — hetgeen met 95 % der produktie het geval zou zijn —;
Overwegende dat waar het ten deze gaat om een belasting welke in het kader van de aanpassing van een monopolie van commerciële aard zowel een ingevoerd produkt als een gelijksoortig binnenlands produkt treft, de — ook voor de nationale rechter aangevochten — verenigbaarheid van de omstreden belasting met de artikelen 95 en 37 in het geding is;
dat de door de nationale rechter gestelde vragen met inaanmerkingneming van het vorenoverwogene dienen te worden beantwoord;
Overwegende dat in de eerste plaats een onderzoek moet worden ingesteld naar de vragen welke de uitlegging van artikel 95, lid 1, van het Verdrag betreffen en vervolgens naar de vragen betreffende artikel 37;
Ten aanzien van artikel 95, lid 1
Overwegende dat in de eerste plaats gevraagd wordt of de onderdanen der Lid-Staten na afloop van de overgangsperiode aan artikel 95, lid 1, subjectieve rechten kunnen ontlenen welke de nationale rechterlijke instanties moeten handhaven;
Overwegende dat deze bepaling, naar het Hof in zijn arrest van 16 juni 1966, gewezen in de zaak 57-65 (Lütticke, Jurispr. 304), voor recht verklaarde, rechtstreeks bindend is en voor justitiabelen rechten doet ontstaan die de nationale rechterlijke instanties moeten waarborgen;
Overwegende dat in de tweede plaats gevraagd wordt of bij invoer van Italiaanse vermout de heffing van het gedeelte van de Monopolausgleich, genaamd Monopolausgleichspitze, in strijd is met artikel 95, lid 1, omdat zij niet dient ter compensatie van een belasting op vergelijkbare binnenlandse produkten, maar van de administratiekosten van het nationale monopolie;
Overwegende dat het Hof zich weliswaar krachtens artikel 177 niet over de verenigbaarheid van nationale rechtsvoorschriften met het Verdrag heeft uit te spreken, maar wel bevoegd is de nationale rechter alle gegevens betreffende de uitlegging van het Gemeenschapsrecht te verschaffen welke hem in staat kunnen stellen zelf over die verenigbaarheid te oordelen;
Overwegende dat de Lid-Staten volgens artikel 95, lid 1, „op produkten van de overige Lid-Staten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook [heffen] dan die welke, al dan niet rechtsstreeks, op gelijksoortige nationale produkten worden geheven”;
dat ter uitvoering van dit voorschrift volgens bepaalde maatstaven zal moeten worden uitgemaakt of er al dan niet van zodanige gelijksoortigheid sprake is;
dat het echter voor de toepasselijkheid van het verbod van artikel 95, lid 1, niet reeds voldoende is dat een en dezelfde grondstof — zoals alcohol — in beide produkten aan te treffen is, ook al wordt de belasting geheel of ten dele juist wegens de aanwezigheid van die grondstof geheven, doch dat de belasting dient te worden vergeleken welke produkten treft die — in hetzelfde stadium van produktie of verhandeling — uit verbruikersoogpunt soortgelijke eigenschappen vertonen en aan dezelfde behoeften voldoen;
dat het in zoverre voor de beoordeling van veel belang kan zijn of het nationale en het ingevoerde produkt in dezelfde post van het gemeenschappelijk douanetarief zijn ondergebracht;
dat indien in een Lid-Staat voor ethylalcohol een speciale regeling bestaat — die op fiscaal terrein tot bijzondere gevolgen leidt —, ingevoerde ethylalcohol als het gelijksoortig produkt — in de zin van artikel 95 — is te beschouwen; dat wanneer daarentegen het ingevoerde produkt, ofschoon op basis van ethylalcohol vervaardigd, een „alcoholhoudende drank” is, de daarop geheven belasting qua niveau met de voor gelijksoortige nationale produkten geldende belasting moet worden vergeleken;
dat bij gebreke van een volkomen gelijksoortig binnenlands produkt aan het discriminatieverbod van artikel 95 voldaan is wanneer de belasting van het ingevoerde produkt met een analoge en even zware binnenlandse belasting overeenstemt;
dat het in artikel 95 verankerde beginsel ener even zware belasting van binnenslands gefabriceerde en ingevoerde produkten geldt onafhankelijk van de mate waarin niet-fiscale factoren in de kostprijzen der te vergelijken produkten doorwerken;
dat het toepassingsgebied van dit artikel met name niet zodanig mag worden uitgebreid dat iedere willekeurige compensatie van een fiscale last waarmede men een ingevoerd produkt heeft willen treffen met een last van andere, bij voorbeeld economische, aard, drukkende op het gelijksoortig binnenlands produkt, mogelijk zou worden;
dat van overtreding van artikel 95 echter geen sprake is wanneer het ingevoerde en het binnenlandse produkt beide in dezelfde mate door een openbare belasting — tot een door de overheid vastgesteld bedrag — worden getroffen; ook al mocht de belasting op het binnenlandse produkt ten dele voor de financiering van een nationaal monopolie worden aangewend en die op het ingevoerde produkt ten bate van de algemene staatsmiddelen worden geheven;
Overwegende dat daarentegen artikel 95, lid 1, wordt geschonden wanneer de belasting op het ingevoerde produkt en die op het gelijksoortige nationale produkt op verschillende wijze en volgens verschillende uitvoeringsvoorschriften worden berekend — waardoor het ingevoerde produkt, zij het slechts in sommige gevallen, hoger wordt belast —;
dat hiertegen niet kan worden ingebracht dat het forfaitair belasten van het ingevoerde produkt — terwijl het binnenslands vervaardigde produkt degressief of progressief wordt belast — zijn oorzaak zou vinden in de omstandigheid dat ten aanzien van ingevoerde produkten niet tot de nodige verificaties kan worden overgegaan;
dat wanneer het werkelijk niet doenlijk mocht blijken voor binnenslands gefabriceerde en ingevoerde produkten gelijkelijk degressieve of progressieve belastingen vast te stellen, ter eerbiediging van het discrimininatieverbod van artikel 95 in ieder geval op beide soorten produkten eenzelfde forfaitaire of vaste belasting kan worden geheven;
dat de Commissie trouwens aan de Duitse regering in overweging heeft gegeven de voorwaarden voor het belasten van beide soorten produkten in voege als voormeld met elkander in overeenstemming te brengen, te weten in haar aanbeveling van 22 december 1969 — waaraan geen gevolg is gegeven —;
Overwegende voorts dat dé in het kader van artikel 95 te betrachten gelijkheid de op binnenlandse en ingevoerde produkten geheven belasting betreft, zo dat de vraag hoe die belasting in de eindprijs van elk van beide soorten produkten doorwerkt niet in aanmerking dient te worden genomen;
dat derhalve de tweede, derde en vierde vraag, voorzover de uitlegging van artikel 95, lid 1, betreffende, in die zin dienen te worden beantwoord dat volgens genoemde bepaling de belasting op een ingevoerd produkt niet anders mag worden berekend en niet mag worden geheven met toepassing van andere uitvoeringsbepalingen — volgens welke er bij voorbeeld in het ene geval een uniform bedrag wordt geheven en in het andere een progressieve heffing wordt toegepast — dan die welke voor het gelijksoortige nationale produkt gelden, welke toepassing er, zij het in een minderheid van gevallen, toe zou leiden dat het ingevoerde produkt zwaarder wordt belast, terwijl buiten beschouwing moet worden gelaten dat het prijsniveau van elk van beide produkten door die belastingen wellicht in ongelijke mate wordt beïnvloedt;
dat artikel 95, lid 1, evenwel niet verbiedt een zelfde belasting op een ingevoerd en op een gelijksoortig binnenlands produkt te leggen, ook niet al is een deel van de last op het binnenlandse produkt bestemd ter financiering van een nationaal monopolie, terwijl die op het ingevoerde produkt in de algemene staatsmiddelen vloeit;
Ten aanzien van artikel 37, lid 1
Overwegende dat het er in de vragen betreffende artikel 37 in wezen om gaat of de Monopolausgleich, voorzover de als voormeld berekende Spitze omvattend, geen schending van artikel 37 behelst;
Overwegende dat het na de vaststelling dat artikel 95, lid 1, van het Verdrag belastingen als de litigieuze niet verbiedt mits zij het binnenlandse en het gelijksoortige ingevoerde produkt gelijkelijk treffen, zou kunnen schijnen dat de vragen betreffende de uitlegging van artikel 37 geen beantwoording meer behoeven, aangezien zij schijnen te zijn gesteld opdat zou worden nagegaan of op grond van dat artikel, beschouwd als lex specialis, met betrekking tot een monopolie van het verbod van artikel 95 mag worden afgeweken;
Overwegende dat het echter mogelijk is dat men door die vragen wenst te zien beslist of de Monopolausgleich, ook wanneer zij met de Branntweinaufschlag op één lijn gebracht wordt, nochtans geen schending van artikel 37 behelst omdat zij, althans ten dele bestemd om — zij het indirekt — de monopoliekosten te compenseren, tot discriminatie met betrekking tot de voorwaarden van voorziening en afzet leidt;
Overwegende dat de omstandigheid dat een nationale maatregel aan de eisen van artikel 95 voldoet nog niet medebrengt dat zij ook de toets van andere Verdragsbepalingen, zoals artikel 37, kan doorstaan;
dat de vragen betreffende de uitlegging van artikel 37 derhalve dienen te worden beantwoord;
Overwegende dat in de eerste plaats wordt gevraagd of de justitiabelen sinds het einde van de overgangsperiode aan artikel 37, lid 1, van het Verdrag subjectieve rechten kunnen ontlenen welke de nationale rechterlijke instanties moeten handhaven;
Overwegende dat in artikel 37, lid 1, wordt bepaald dat de Lid-Staten gedurende de overgangsperiode hun nationale monopolies van commerciële aard geleidelijk hebben aan te passen, waarna het ten deze leidinggevend beginsel wordt omschreven dat aan het einde van die periode „elke discriminatie tussen de onderdanen van de Lid-Staten” wat betreft de voorwaarden van voorziening en afzet der in sommige Lid-Staten aan een monopolie onderworpen produkten moet zijn uitgesloten;
Overwegende dat het verbod van discriminatie met betrekking tot de voorwaarden van voorziening en afzet van door de onderdanen der onderscheiden Lid-Staten geproduceerde en verhandelde produkten op het gebied van de toepassing van het Verdrag als een grondbeginsel is te beschouwen, dat naar zijn aard de economische en juridische positie dier onderdanen rechtstreeks raakt;
dat die regel een verwijzing inhoudt naar een aantal metterdaad op de eigen onderdanen toegepaste voorschriften en zich er dus wezenlijk toe leent rechtstreeks door de justitiabelen te worden ingeroepen;
dat de uitsluiting — aan het einde van de overgangsperiode — van elke discriminatie op dit gebied als een tot een welbepaald resultaat dwingende verplichting is te beschouwen waarvan de nakoming door een geleidelijk verlopende aanpassing diende te worden vergemakkelijkt zonder evenwel van zodanige geleidelijke aanpassing afhankelijk te zijn gesteld;
dat er in dit verband op zij gewezen dat volgens lid 2 van ditzelfde artikel 37 het ritme der aanpassingsmaatregelen aan de afschaffing der kwantitatieve beperkingen voor dezelfde produkten moest worden aangepast;
dat Verdragsbepalingen welke voor de Lid-Staten de verplichting behelzen binnen een bepaalde termijn aan alle discriminatie een einde te maken rechtstreeks toepasselijk worden ook al is de verplichting bij ommekomst van die termijn niet nagekomen;
dat de hierbedoelde verplichting dan ook bij afloop van die periode niet langer van enige voorwaarde afhankelijk is noch ook ten aanzien van haar uitvoering of gevolgen van enigerlei handeling van de Gemeenschap dan wel van de Lid-Staten afhankelijk kan worden gesteld en naar haar aard ten behoeve van de justitiabelen subjectieve rechten kan doen ontstaan welke de nationale rechterlijke instanties moeten handhaven;
dat de termijn welke de Lid-Staten is gelaten om de nationale monopolies geleidelijk aan te passen — des dat bedoelde uitsluiting van iedere discriminatie aan het einde der overgangsperiode verzekerd is —, bedoeld als zij is om gemakkelijker tot nieuwe, reguliere situaties te kunnen komen, na te zijn verstreken aan de afdwingbaarheid der regel niet in de weg kan staan;
Overwegende dat vervolgens wordt gevraagd of de heffing van het Monopolausgleichspitze genaamde gedeelte der Monopolausgleich bij invoer van Italiaanse vermout schending van artikel 37, lid 1, van het Verdrag inhoudt omdat zij niet als — fiscale — compensatie van de belasting op vergelijkbare binnenlandse produkten, doch ter compensatie van de eigen administratiekosten van het nationaal monopolie dient;
Overwegende dat artikel 37, lid 1, niet uitsluitend op kwantitatieve beperkingen betrekking heeft, doch — aan het einde van de overgangsperiode — iedere discriminatie tussen de onderdanen van de Lid-Staten wat de voorwaarden van de voorziening en afzet betreft verbiedt;
dat die bepaling dan ook niet slechts toepasselijk is op de invoer- en uitvoertransacties waarmede het monopolie rechtstreeks te maken krijgt, doch op iedere handeling welke met het bestaan van het monopolie verband houdt en waarvan op de handel tussen Lid-Staten in bepaalde — al dan niet onder het monopolie vallende — produkten een zekere invloed uitgaat, en derhalve ook op belastingen welke ten nadele van indvoerde produkten, vergeleken met onder het monopolie vallende nationale produkten, discriminatie mochten behelzen;
dat deze uitlegging voorts in de lijn ligt van artikel 95, tweede alinea, volgens hetwelk het de Lid-Staten verboden is op de produkten der overige Lid-Staten binnenlandse belastingen te heffen welke andere produkties zijdelings beschermen;
dat het blijkens het hiervoor overwogene met de verbodsbepaling van artikel 37, lid 1, in beginsel niet verenigbaar is een bijdrage in de monopoliekosten, zij het in de vorm van een belasting, alleen op het ingevoerde produkt te leggen;
Overwegende dat van overtreding van artikel 95 echter geen sprake is wanneer het ingevoerde en het binnenlandse produkt beide in dezelfde mate door een openbare belasting — tot een door de overheid vastgesteld bedrag — worden getroffen, ook al mocht de belasting op het binnenlands produkt ten dele voor de financiering van een nationaal monopolie worden aangewend en de op het ingevoerde produkt ten bate van de algemene staatsmiddelen worden geheven;
dat er namelijk niet in de zin van artikel 37 wordt gediscrimineerd wanneer het ingevoerde produkt in eenzelfde positie wordt gebracht als het onder het monopolie vallend gelijksoortig nationaal produkt;
dat daarentegen niet slechts in strijd met artikel 95, doch ook met artikel 37 van het Verdrag gehandeld wordt wanneer de op het ingevoerde produkt gelegde last verschilt van die op het — al dan niet rechtstreeks onder het monopolie vallend — gelijksoortig binnenlands produkt;
dat derhalve moet worden geconcludeerd dat artikel 37, lid 1, in die zin dient te worden uitgelegd dat onder discriminatie wat betreft de voorwaarden van voorziening en afzet als hierbedoeld mede is te begrijpen dat een bijdrage in de monopoliekosten, zij het in de vorm van een belasting, op het ingevoerde produkt wordt gelegd, doch dat de bepaling niet verbiedt een ingevoerd en een gelijksoortig nationaal produkt gelijkelijk te treffen, ook niet al mocht de belasting op het binnenlandse produkt ten dele voor de financiering van het nationale monopolie worden aangewend en die op het ingevoerde produkt ten behoeve van de algemene staatsmiddelen worden geheven;
Overwegende dat verzoekster in het hoofdgeding nadat de mondelinge behandeling was gesloten om heropening van het debat heeft verzocht op grond dat de antwoorden welke de Bondsrepubliek Duitsland en de Commissie hebben gegeven op een vraag gesteld in de zaak 91-75 (Hauptzollamt Göttingen t. Miritz) 's Hofs beslissing zou kunnen beïnvloeden;
Overwegende evenwel dat die antwoorden, welke het bestaan van een „prijsvereveningsstelsel” binnen het Branntweinmonopol betroffen, in ieder geval geen gegevens bevatten welke met het oog op de uitlegging van het Gemeenschapsrecht — ter beantwoording der ten deze door de nationale rechter gestelde vragen — van beslissend belang zijn;
dat het Hof een heropening der mondelinge behandeling dan ook onnodig acht;
Ten aanzien van de kosten
Overwegende dat de kosten, door de Bondsrepubliek Duitsland en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking komen;
dat de procedure ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen;
Dictum
Het HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Finanzgericht Rheinland-Pfalz bij beschikking van 10 april 1975 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1. Artikel 95, lid 1, is rechtstreeks bindend en doet voor justitiabelen rechten ontstaan die de nationale rechterlijke instanties moeten waarborgen;
2. Artikel 95, lid 1, is in die zin uit te leggen dat het verbiedt de belasting op een ingevoerd produkt anders te berekenen dan wel te heffen met toepassing van andere uitvoeringsbepalingen — volgens welke er bij voorbeeld in het ene geval een uniform bedrag wordt geheven en in het andere een progressieve heffing wordt toegepast — dan die welke voor het gelijksoortig nationale produkt gelden, welke toepassing er, zij het in een minderheid van gevallen, toe zou leiden dat het ingevoerde produkt zwaarder wordt belast. Buiten beschouwing moet worden gelaten dat het prijsniveau van elk van beide produkten door die belastingen wellicht in ongelijke mate wordt beïnvloed;
3. Artikel 95, lid 1, verbiedt niet een zelfde belasting op een ingevoerd en op een gelijksoortig binnenlands produkt te leggen, ook niet al is een deel van de last op het binnenlandse produkt bestemd ter financiering van een nationaal monopolie, terwijl die op het ingevoerde produkt in de algemene staatsmiddelen vloeit;
4. De justitiabelen kunnen aan artikel 37, lid 1, subjectieve rechten ontlenen welke de nationale rechterlijke instanties moeten waarborgen;
5. Artikel 37, lid 1, dient in die zin te worden uitgelegd dat onder discriminatie wat betreft de voorwaarden van voorziening en afzet als hierbedoeld mede is te begrijpen dat een bijdrage in de monopoliekosten, zij het in de vorm van een belasting, op het ingevoerde produkt wordt gelegd, doch dat de bepaling niet verbiedt een ingevoerd en een gelijksoortig nationaal produkt gelijkelijk te treffen, ook niet al mocht de belasting op het nationale produkt ten dele voor de financiering van het nationale monopolie worden aangewend en die op het ingevoerde produkt ten behoeve van de algemene staatsmiddelen worden geheven.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
4Rechtspraak
3Europese Unie
3Conclusie van advocaat-generaal TesauroC-200/9030.01.1992
Zesde richtlijn 77/388 art. 33, EEG-Verdrag art. 95
Conclusie van advocaat-generaal JacobsC-230/8921.02.1991
EEG-Verdrag art. 95
Conclusie van advocaat-generaal Cruz Vilaça356/8526.02.1987