Beschikking van het Hof van 30 maart 1990, C-371/89 · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Voltallige zitting C-371/89 ECLI:EU:C:1990:158 30 maart 1990

Zoeken

Beschikking van het Hof van 30 maart 1990, C-371/89EEG-Verdrag art. 175 en art. 169

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-371-89-beschikking

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Voltallige zitting
Zaak
C-371/89
ECLI
ECLI:EU:C:1990:158
Datum
30 maart 1990

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Beroep wegens nalaten niet-ontvankelijk
Zaak ingediend op
27 november 1989
Advocaat-generaal
Van Gerven

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Duits
Jurisprudentie
Jurispr. 1990, blz. I-1555
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Schockweiler
Repertorium van het Hof

Tekst

30 paragrafen

Beschikking van het Hof

30 maart 1990

In zaak C-371/89,

Maria-Theresia Emrich, Rechtsanwältin te Wiesbaden (Bondsrepubliek Duitsland),

Commissie van de Europese Gemeenschappen,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 175 EEG-Verdrag, om vast te stellen dat de Commissie heeft nagelaten, krachtens artikel 169 van het Verdrag een procedure wegens niet-nakoming tegen de Bondsrepubliek Duitsland in te leiden,

geeft

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: O. Due, president, Sir Gordon Slynn, C. N. Kakouris en F. A. Schockweiler, kamerpresidenten, G. F. Mancini, R. Joliét, T. F. O'Hig-gins, J. C. Moitinho de Almeida, G. C. Rodríguez Iglesias, F. Grévisse en M. Diez de Velasco, rechters,

advocaat-generaal: W. van Gerven

griffier: JG. Giraud

de advocaat-generaal gehoord,

de navolgende

Beschikking

1.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 27 november 1989, heeft M.-Th. Emrich, advocaat (Rechtsanwältin) te Wiesbaden, op grond van artikel 175 EEG-Verdrag beroep ingesteld, in wezen strekkende tot vaststelling dat de Commissie heeft nagelaten, de in artikel 169 van het Verdrag bedoelde procedure tegen de Bondsrepubliek Duitsland in te leiden.

2.

Naar de opvatting van verzoekster is de Duitse regeling volgens welke Duitse advocaten (Rechtsanwälte) slechts diensten mogen verrichten bij de rechterlijke instanties waarbij zij zijn toegelaten, in strijd met de artikelen 7, 8, 59, 60, 65 en 66 EEG-Verdrag en met richtlijn 77/249/EEG van de Raad van 22 maart 1977 tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening door advocaten van het vrij verrichten van diensten (PB 1977, L 78, biz. 17). Voorts zou de Bondsrepubliek Duitsland het Verdrag hebben geschonden, doordat de hoogste rechterlijke instanties hebben geweigerd het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van het gemeenschapsrecht, ten einde de verenigbaarheid van de Duitse regeling met het Gemeenschapsrecht te kunnen beoordelen.

3.

Artikel 92, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt: „Wanneer het Hof kennelijk onbevoegd is kennis te nemen van een verzoekschrift dat aan de vereisten van artikel 38, paragraaf 1, beantwoordt, kan het Hof bij met redenen omklede beschikking dit verzoekschrift niet-ontvankelijk verklaren. Deze beschikking kan worden gegeven nog voordat het verzoekschrift aan de wederpartij is toegezonden.”

4.

Voor zover het door verzoekster ingestelde beroep is gebaseerd op artikel 175, derde alinea, EEG-Verdrag, strekt het tot vaststelling dat de Commissie, door tegen de Bondsrepubliek Duitsland geen niet-nakomingsprocedure in te leiden, in strijd met het Verdrag heeft nagelaten een besluit te nemen.

5.

Er moet op worden gewezen, dat natuurlijke en rechtspersonen zich op grond van artikel 175, derde alinea, van het Verdrag slechts tot het Hof kunnen wenden ten einde te doen vaststellen, dat een gemeenschapsinstelling in strijd met het Verdrag heeft nagelaten besluiten te nemen waarvan zij de potentiële adressaten zijn.

6.

In het kader van de door artikel 169 geregelde niet-nakomingsprocedure kan de Commissie echter uitsluitend besluiten nemen die tot de Lid-Staten zijn gericht.

7.

Derhalve moet overeenkomstig artikel 92, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard nog voordat het verzoekschrift aan de wederpartij is toegezonden en zonder dat een uitspraak noodzakelijk is over eventuele onregelmatigheden van dit verzoekschrift.

8.

Volgens artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE

beschikt:

1) Het beroep is niet-ontvankelijk.

2) Verzoekster wordt verwezen in de kosten.

Luxemburg, 30 maart 1990.

De griffier

J.-G. Giraud

De president

O. Due

Voetnoten

  • *1Procestaal: Duits.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

8
EEG-Verdrag art. 1754 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1692 voorkomens
EEG-Verdrag art. 591 voorkomen
EEG-Verdrag art. 601 voorkomen
EEG-Verdrag art. 651 voorkomen
EEG-Verdrag art. 661 voorkomen
EEG-Verdrag art. 71 voorkomen
EEG-Verdrag art. 81 voorkomen

Rechtspraak

3

Europese Unie

3

Hof van JustitieBeschikkingC-72/9023.05.1990

EEG-Verdrag art. 30 en art. 85

GerechtBeschikkingT-13/9404.07.1994

EG-Verdrag art. 169, EEG-Verdrag art. 175

GerechtBeschikkingT-5/9427.05.1994

EEG-Verdrag art. 169, EG-Verdrag art. 175

Bekijk de 3 documenten