Arrest van het Hof van 17 oktober 1991, C-35/90 · Europese rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Voltallige zitting C-35/90 ECLI:EU:C:1991:394 17 oktober 1991

Zoeken

Arrest van het Hof van 17 oktober 1991, C-35/90Niet-conforme nationale wettelijke regeling

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-35-90-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Voltallige zitting
Zaak
C-35/90
ECLI
ECLI:EU:C:1991:394
Datum
17 oktober 1991

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Beroep wegens niet-nakoming gegrond
Zaak ingediend op
2 februari 1990
Advocaat-generaal
Tesauro conclusie van 7 mei 1991

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Spaans
Jurisprudentie
Jurispr. 1991, blz. I-5073
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Moitinho de Almeida
Repertorium van het Hof

Tekst

15 paragrafen

Arrest

1.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 2 februari 1990, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen, dat het Koninkrijk Spanje de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, door de diensten — daaronder begrepen die waarvoor de tegenprestatie bestaat in auteursrechten — die uit hoofde van hun beroep worden verricht door beeldende kunstenaars, schrijvers, literaire, grafische en fotografische medewerkers van tijdschriften en periodieken, componisten, toneelschrijvers en auteurs, bewerkers, draaiboek- en dialoogschrijvers van audiovisuele werken, in strijd met het bepaalde in artikel 2, lid 1, van richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, biz. 1; hierna: „Zesde richtlijn”), vrij te stellen van de belasting over de toegevoegde waarde.

2.

Overeenkomstig de Zesde richtlijn en de Akte van toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de Europese Gemeenschappen werden genoemde, beroepshalve verleende diensten bij wet nr. 30/1985 van 2 augustus 1985 inzake de BTW (Boletín Oficial del Estado español van 9 augustus 1985) onderworpen aan de algemene regeling inzake de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „BTW”). Deze regeling werd bevestigd bij koninklijk besluit nr. 2028/85 van 30 oktober 1985 houdende goedkeuring van de BTW-regeling (Boletín Oficial del Estado español van 31 oktober 1985). Nadien zijn de betrokken diensten bij de Derde additionele bepaling van wet nr. 22/1987 van 11 november 1987 betreffende de intellectuele eigendom (Boletín Oficial del Estado español van 17 november 1987) weer vrijgesteld van de BTW.

3.

Volgens de Commissie is deze vrijstelling in strijd met artikel 2, sub 1, van de Zesde richtlijn, bepalende dat aan de BTW zijn onderworpen „de leveringen van goederen en de diensten, welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht”. De bij artikel 28, lid 3, sub b, van de Zesde richtlijn, aan de Lid-Staten geboden mogelijkheid om gedurende een overgangsperiode bepaalde diensten, waaronder die welke thans in geding zijn, te blijven vrijstellen, geldt, aldus de Commissie, uitsluitend voor de Lid-Staten die bij de inwerkingtreding van de Zesde richtlijn de BTW reeds toepasten overeenkomstig de eerste gemeenschapsrichtlijnen. Als later tot de Gemeenschap toegetreden Suat behoefde het Koninkrijk Spanje, om van die bepaling gebruik te kunnen maken, een toelating zoals die welke de Portugese Republiek in de Toetredingsakte heeft verkregen.

4.

De Commissie voegt hieraan toe, dat zelfs indien het Hof deze uidegging van artikel 28, lid 3, sub b, niet zou aanvaarden en van mening zou zijn, dat deze bepaling aldus moet worden uitgelegd, dat een nieuwe Lid-Staat de in geding zijnde diensten mocht blijven vrijstellen indien een dergelijke vrijstelling reeds bestond in het kader van een belasting zoals die welke in Spanje vóór de toetreding gold (cumulatieve cascadebelasting over de omvang van de verrichtingen), de vrijstelling niettemin onwettig is, omdat het Koninkrijk Spanje diensten die het na zijn toetreding aan de BTW heeft onderworpen, niet opnieuw mag vrijstellen.

5.

Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van de zaak, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

6.

De Spaanse regering is van mening, dat de betrokken vrijstelling geoorloofd is op grond van artikel 28, lid 3, sub b, van de Zesde richtlijn. Krachtens deze bepaling kunnen de Lid-Staten immers „gedurende de in lid (...) genoemde overgangsperiode de handelingen, genoemd in bijlage F, blijven vrijstellen onder de in de Lid-Staat vigerende voorwaarden”, en bijlage F vermeldt onder punt 2 de „diensten van auteurs, kunstenaars, vertolkers van kunstwerken”. Ten tijde van de vaststelling van de Zesde richtlijn en onmiddellijk vóór de toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de Europese Gemeenschappen nu waren de betrokken diensten in Spanje vrijgesteld van de belasting waarvoor de BTW in de plaats is gekomen.

7.

Dienaangaande is het voldoende erop te wijzen, dat het Koninkrijk Spanje, na de betrokken diensten bij de op 1 januari 1986 in werking getreden wet nr. 30/1985 aan de algemene BTW-regeling te hebben onderworpen, zich nadien niet meer kon beroepen op de mogelijkheid om voor deze activiteiten vrijstelling te verlenen overeenkomstig artikel 28, lid 3, sub b, van de Zesde richtlijn.

8.

Voorts betoogt de Spaanse regering, dat aangezien de in artikel 28, lid 4, bepaalde duur van de overgangsregeling betreffende de vrijstellingen is verlengd, lid 3, sub b, van dat artikel aldus kan worden uitgelegd, dat de Lid-Suten de vrijstelling van de betrokken activiteiten opnieuw in hun wettelijke regeling mochten opnemen, met name wanneer dat nodig was om de gelijke behandeling te waarborgen van de op hun grondgebied wonende auteurs ten opzichte van de auteurs die wonen op het grondgebied van andere Lid-Staten die een zelfde vrijstelling blijven verlenen.

9.

Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat ofschoon bij de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht rekening moet worden gehouden met de ontwikkeling van het gemeenschapsrecht op de datum waarop de betrokken bepaling moet worden toegepast (zie onder meer het advies 1/78 van 4 oktober 1979, Jurispr. 1979, blz. 2871, punt 44), de verlenging van de overgangsregeling betreffende de BTW -vrijstellingen ná de aanvankelijk voorziene periode geen rechtvaardiging kan vormen voor de mogelijkheid om vrijstellingen te verlenen die de Lid-Suten niet mochten verlenen. Die mogelijkheid zou immers indruisen tegen het doel van artikel 28, lid 3, sub b, namelijk de geleidelijke aanpassing van de nationale wettelijke regelingen op het hierbedoelde gebied.

10.

Mitsdien moet worden vastgesteld, dat het Koninkrijk Spanje de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen door de diensten — daaronder begrepen die waarvoor de tegenprestatie bestaat in auteursrechten — die uit hoofde van hun beroep worden verricht door beeldende kunstenaars, schrijvers, literaire, grafische en fotografische medewerkers van tijdschriften en periodieken, componisten, toneelschrijvers en auteurs, bewerkers, draaiboek- en dialoogschrijvers van audiovisuele werken, in strijd met het bepaalde in artikel 2, lid 1, van richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, vrij te stellen van de belasting over de toegevoegde waarde.

Kosten

11.

Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien het Koninkrijk Spanje in het ongelijk is gesteld, dient het in de kosten te worden verwezen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende, verstaat:

1) Door de diensten — daaronder begrepen die waarvoor de tegenprestatie bestaat in auteursrechten — die uit hoofde van hun beroep worden verricht door beeldende kunstenaars, schrijvers, literaire, grafische en fotografische medewerkers aan tijdschriften en periodieken, componisten, toneelschrijvers en auteurs, bewerkers, draaiboek- en dialoogschrijvers van audiovisuele werken, in strijd met het bepaalde in artikel 2, lid 1, van richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, vrij te stellen van de belasting over de toegevoegde waarde, is het Koninkrijk Spanje de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.

2) Het Koninkrijk Spanje wordt verwezen in de kosten van de procedure.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

3
EEG-Verdrag art. 1691 voorkomen

Rechtspraak

10

Europese Unie

10

Hof van JustitieC-462/0512.06.2008

Ontvankelijkheid, gewijsde

Hof van JustitieC-240/0507.12.2006

Vrijstellingen, recht op aftrek

Hof van JustitieC-414/9716.09.1999

Invoer en verwerving van wapens

Bekijk alle 10

Bekijk de 10 documenten

Rechtsleer

3
X: Revue de jurisprudence fiscale 1992 p.182
Kornprobst, Emmanuel: Droit fiscal 1992 1504
Dios, José María de: Jurisprudencia del Tribunal de Justicia de las Comunidades Europeas, Revista Jurídica de Catalunya 1992 p.869-871 (PM)