ARREST
De feiten
De verwijzingsbeschikking en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:
I — De feiten en het procesverloop
De gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee is het onderwerp van verordening nr. 2777/75 van de Raad van 29 oktober 1975 (PB L 282 van 1975, blz. 77). Artikel 11, lid 2, van die verordening bepaalt: „Behoudens andersluidende bepalingen van deze verordening of afwijkingen, waartoe de Raad op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid besluit, zijn verboden:
—de toepassing van enig douanerecht of enige heffing van gelijke werking,
—de toepassing van enige kwantitatieve beperking of maatregel van gelijke werking.
...”1
Anderzijds bepaald artikel 15 van richtlijn nr. 71/118/EEG van de Raad van 15 februari 1971 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het handelsverkeer in vers vlees van pluimvee (PB L 55 van 1971, blz. 23) het volgende:
„Tot op het tijdstip van de inwerkingstelling van de communautaire bepalingen voor de invoer van vers vlees van pluimvee uit derde landen passen de Lid-Staten op deze invoer bepalingen toe welke ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke uit deze richtlijn voortvloeien.”
De firma WIGEI, verzoekster in het hoofdgeding en gerequireerde tot cassatie (hierna: verzoekster) voerde in de loop van 1976 verschillende partijen diepgevroren vlees van pluimvee uit Hongarije in West-Berlijn in. Bij die gelegenheid verrichtte de bevoegde autoriteit van het Land Berlijn, verweerder in het hoofdgeding en requirant tot cassatie (hierna: verweerder), sanitaire keuringen op grond van de destijds geldende Duitse wetgeving, namelijk het Geflügelfleischhygienegesetz van 12 juli 1973 (BGBl. I, biz. 776), en vorderde zij voor een bedrag van DM 7636,60 rechten wegens sanitaire keuring bij invoer uit derde landen, voorzien in bedoelde wet en de bijbehorende uitvoeringsbesluiten, met name de „GebührenverOrdnung-Geflü-gelfleischhygiene” van 24 juli 1973 (BGBl. I, biz. 897). Verzoekster, van mening dat die rechten bij artikel 11, lid 2, van verordening nr. 2777/75 verboden heffingen van gelijke werking als douanerechten vormen, heeft betwist tot betaling daarvan verplicht te zijn. Verweerder heeft niet betwist dat het om heffingen van gelijke werking als douanerechten gaat, doch acht hun heffing gerechtvaardigd op grond van artikel 15 van richtlijn nr. 71/118/EEG. Deze bepaling vormt volgens hem — in de zin van artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2777/75 — een „afwijking waartoe de Raad heeft besloten”, op het verbod van heffingen van gelijke werking bij invoer van de betrokken goederen uit derde landen. Het geschil werd voor het Berlijnse Verwaltungsgericht gebracht, dat bij vonnis van 26 april 1977 de vordering van WIGEI toewees. Daarop werd het bij wege van „Sprungrevision” aan het Bundesverwaltungsgericht voorgelegd.
Dit was van oordeel dat het geschil vragen deed rijzen inzake de uitlegging van het gemeenschapsrecht en heeft derhalve bij beschikking van 1 december 1978 het Hof van Justitie verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vraag:
„Staat artikel 15 van richtlijn nr. 71/118/EEG van de Raad van 15 februari 1971 (PB L 55 van 1971, blz. 23) de heffing toe van rechten ter dekking van de keuringskosten bij de invoer van vers vlees van pluimvee uit derde landen, waarbij wordt nagegaan of de partijen van de vereiste aanduidingen en verklaringen zijn voorzien en of het ten invoer aangeboden vlees van pluimvee, blijkens de getrokken monsters, voor menselijke consumptie geschikt is, wanneer volgens het recht van de Lid-Staat invoer van dergelijk vlees slechts is toegestaan op voorwaarde dat in het land van uitvoer alle voorschriften betreffende sanitaire keuring in acht zijn genomen, die door genoemde richtlijn voor het intracommunautaire handelsverkeer aan het land van verzending worden opgelegd, en wanneer daarvoor volgens het recht van het derde land aldaar rechten worden geheven? Is het van belang hoe hoog de in het derde land geheven rechten zijn?”
De §§18 en 19 van het Geflügelfleischhygienegesetz van 12 juli 1973 bevatten onder meer de volgende bepalingen die voor het onderhavige geding van belang zijn:
§18
(1)„ vers vlees van pluimvee mag slechts uit derde landen worden ingevoerd indien
1 —het pluimvee is geslacht in exportslachthuizen en het vers vlees van pluimvee aldaar is verkregen, opgeslagen, verpakt of bereid en deze bedrijven, evenals de daarbuiten gelegen vries- en koelhuizen waarin het verse vlees van pluimvee wordt opgeslagen, door de Bondsminister zijn erkend en in de Bundesanzeiger zijn bekendgemaakt;
2 —het gevogelte alsmede de karkassen en slachtafvallen de in § 19, lid 3, sub 1 b) voorgeschreven controle hebben ondergaan, en hun vlees geschikt voor consumptie is bevonden en als zodanig is gemerkt;
3 —de omstandigheden waaronder de slachting, de verkrijging, het snijden, de koeling, opslag, verpakking en bereiding, alsook het vervoer en de lading plaatsvinden, aan de minimum vereisten van § 19, lid 3, sub 1 c), voldoen;
4 —de zending vergezeld gaat van het officiële veterinaire gezondheidscertificaat bedoeld in § 19, lid 3, sub 2.
(2)... ”
§19
(1)„ De erkenning [door de Bondsminister] en de bekendmaking [in de Bundesanzeiger] van de exportslachthuizen, van de daarbuiten gelegen vries- en koelhuizen in de zin van § 18, lid 2, sub 1, en van de exportverwerkingsbedrijven in de zin van § 18, lid 2, sub 2, veronderstellen dat de hoogste veterinaire autoriteit van het land van verzending
—die bedrijven heeft goedgekeurd;
—hun voortdurende controle heeft gegarandeerd;
—aan de exportslachthuizen en exportverwerkingsbedrijven een veterinair controlenummer heeft toegekend voor de uitvoer van vers of bereid vlees van pluimvee binnen het toepassingsgebied van deze wet.
(2)De erkenning van bedrijven overeenkomstig lid 1 en de handhaving van die erkenning kunnen afhankelijk worden gesteld van een controle op die bedrijven door dierenartsen, die daartoe opdracht hebben gekregen van de Bondsminister.”
Volgens § 19, lid 3, is de Bondsminister tevens bevoegd om bij verordening sanitaire minimum vereisten voor te schrijven.
§ 19, in fine, bepaalt:
„De minimum vereisten mogen geen lagere eisen stellen dan de bij of krachtens de wet voor de binnenlandse en intracommunautaire handel in vers vlees van pluimvee geldende voorschriften.”
Op grond van § 19, lid 3, werd op 24 juli 1973 de Verordnung über die hygienischen Ministeranforderungen an Geflügelfleisch (BGBl. I, blz. 873) vastgesteld, welke enerzijds geldt voor de Duitse bedrijven die voor binnenlands of intracommunautair verkeer bestemd pluimvee slachten of verwerken, en anderzijds voor de slachthuizen of verwerkingsbedrijven in derde landen, die hun produkten naar de Bondsrepubliek Duitsland uitvoeren. De in de bijlagen opgenomen bepalingen betreffende het slachten, het snijden en de opslag van vlees van pluimvee, stemmen in grote trekken overeen met de criteria van richtlijn nr. 71/118/EEG. § 24 van het Geflügelfleischhygienegesetz voorziet in een systematische keuring van vers vlees van pluimvee bij invoer in de Bondsrepubliek. Nadere bepalingen omtrent die keuring zijn neergelegd in de Verordnung über die amtlichen Untersuchungen des Schlachtgeflügels und des Geflügelfleisches van 24 juli 1973 (BGBl. I, blz. 882).De keuring heeft betrekking op de inachtneming van de voorgeschreven formaliteiten (verklaring en aanduiding) en op de toestand van de waar. Tenslotte bepaalt de Verordnung über die Gebühren für Amtshandlungen bei der Durchführung des Geflügelfleischhygienegesetzes van 24 juli 1973 (BGBl. I, blz. 897) de criteria voor de heffing van rechten bij toepassing van bovengenoemde bepalingen.
De verwijzingsbeschikking is op 23 februari 1979 ten Hove ingeschreven. Krachtens artikel 20 van 's Hofs Sta-tuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door verzoekster, te deze vertegenwoordigd door B. Festge, advocaat; de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, te deze vertegenwoordigd door M. Seidel als gemachtigde; en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, te deze vertegenwoordigd door M. Beschel, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
Π — Schriftelijke opmerkingen, ingediend krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG
A — Opmerkingen van verzoekster
— Verenigbaarheid van de litigieuze rechten met het gemeenschapsrecht
Volgens verzoekster vormen de litigieuze rechten heffingen van gelijke werking als douanerechten, daar zij geen vergoeding vormen voor een aan de importeur bewezen dienst en geen deel uitmaken van een algemeen binnenlands heffingstelsel waarmee stelselmatig alle nationale en ingevoerde produkten volgens dezelfde criteria en in hetzelfde verhandelingsstadium worden belast. Ten tijde van de betrokken importen (1976) kende de Duitse sanitaire wetgeving nog geen vergelijkbare binnenlandse belastingen, daar het hoofdstuk betreffende de binnenlandse handel van het op 25 januari 1976 gewijzigde Geflügelfleischhygienegesetz eerst op 1 januari 1977 in werking is getreden.
Hoewel de litigieuze rechten in beginsel verboden zijn, blijft nog te onderzoeken of zij niet op grond van een op artikel 11, lid 2, van verordening nr. 2777/75 gebaseerde uitzonderingsbepaling zijn toegestaan. Verzoekster is van oordeel dat aan artikel 15 van richtlijn nr. 71/118/EEG die betekenis niet kan worden toegekend. Verzoekster gaat uitgebreid in op 's Hofs arrest van 28 juni 1978 (zaak 70/77, Simmenthal, Jurispr. 1978, blz. 1453), waarin artikel 9 van richtlijn nr. 64/433 van 26 juni 1964 (PB 1964, blz. 2012) is aangemerkt als een uitzondering op het verbod van heffingen van gelijke werking, vervat in artikel 20, lid 2, van verordening nr. 805/68 van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB L 148 van 1968, biz. 24), en betoogt dat men die uitlegging niet zonder meer kan uitbreiden tot artikel 15 van richtlijn nr. 71/118/EEG en dit artikel niet als een afwijking van het in artikel 11, lid 2, van verordening nr. 2777/75 vervatte verbod van heffingen van gelijke werking kan beschouwen. Immers:
1. Terwijl richtlijn nr. 72/462/EEG van de Raad van 12 december 1972 inzake gezondheidsvraagstukken en veterinairrechtelijke vraagstukken bij de invoer van runderen en varkens en van vers vlees uit derde landen (PB L 302 van 1972, blz. 28), bepalingen bevat inzake het bedrag van de kosten voor de keuring van dieren, ontbreken dergelijke bepalingen in richtlijn nr. 71/118/EEG. Artikel 15 van richtlijn nr. 71/118/EEG en met name de zinsnede „die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke uit deze richtlijn voortvloeien” moet derhalve aldus worden begrepen dat het slechts doelt op de gezondheidsvoorschriften van de verschillende Lid-Staten, en niet op de kosten.
2. Indien artikel 15 van de richtlijn de beweerde „afwijking” bevatte, dan zou dit in strijd zijn met artikel 11, lid 2, van verordening nr. 2777/75. Daar voor iedere afwijking van het verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten de communautaire procedure van artikel 11, lid 2, in acht moet worden genomen, voldoen de nationale voorschriften volgens verzoekster niet aan die vercisten. Aangezien het bij afwijkingen van het verbod om maatregelen van ingrijpende aard gaat, is een ruime uitlegging van artikel 15, van richtlijn nr. 71/118/EEG in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid.
3. Een toepassing van de nationale belastingvoorschriften langs de omweg van richtlijn nr. 71/118/EEG zou een discriminatie van de handel met derde landen ten opzichte van het intracommunautaire handelsverkeer meebrengen. De in de §§ 18 e.v. van het Geflügelfleischhygienegesetz van 1973 gestelde voorwaarden voor de handel met derde landen, tezamen met die van richtlijn nr. 71/118/EEG, hebben immers tot gevolg dat het uit derde landen ingevoerde vlees van pluimvee duurder wordt. Zij zou daarenboven leiden tot discriminatie van de importeurs uit bepaalde Lid-Staten ten opzichte van die uit andere Lid-Staten, daar niet in alle Lid-Staten rechten worden geheven, dan wel deze niet overal even hoog zijn. Zulk een ongelijke belasting is in strijd met het discriminatieverbod, hetgeen artikel 11, lid 2, van verordening nr. 2777/75 juist moet vermijden.
Volgens verzoekster moet de prejudiciële vraag derhalve worden beantwoord als volgt:
„Artikel 15 van richtlijn nr. 71/118/EEG van de Raad van 15 februari 1971 (PB L 55 van 1971, blz. 23) staat de heffing van rechten ter dekking van de keuringskosten bij de invoer van vers vlees van pluimvee uit derde landen niet toe.
Subsidiair:
Indien volgens het recht van de Lid-Staat de invoer van vers vlees van pluimvee slechts is toegestaan op voorwaarde dat in het land van uitvoer alle voorschriften betreffende sanitaire keuring in acht zijn genomen die ingevolge richtlijn nr. 71/118/EEG in het intracommunautaire handelsverkeer voor het land van verzending gelden, en indien daarvoor volgens het recht van het derde land aldaar rechten worden geheven, is het niet toegestaan langs de omweg van artikel 15 van richtlijn nr. 71/118/EEG rechten te heffen ter dekking van de keuringskosten bij de invoer van vers vlees van pluimvee uit derde landen, indien bij de keuring wordt nagegaan of de partij van de vereiste aanduidingen en verklaringen is voorzien en of, blijkens de getrokken monsters, het ten invoer aangeboden vlees van pluimvee geschikt is voor menselijke consumptie. In dit opzicht is het niet van belang hoe hoog de in het derde land geheven rechten zijn.”
Β — Opmerkingen van de regering van de Bondsrepubliek Duitsland
— De verenigbaarheid van de litigieuze rechten met het gemeenschapsrecht
Volgens de regering van de Bondsrepubliek Duitsland zijn de litigieuze rechten niet in strijd met artikel 11, lid 2, van verordening nr. 2777/75, want zij maken deel uit van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen waarmee nationale en ingevoerde produkten volgens dezelfde criteria en in hetzelfde verhandelingsstadium stelselmatig worden belast. De heffingstelsels voor binnenlands en ingevoerd vlees van pluimvee stemmen weliswaar niet geheel overeen, maar in beginsel zijn zij equivalent.
Subsidiair betoogt de Duitse regering dat de litigieuze rechten onder de uitzonderingsregeling van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 2777/75 vallen. Het in artikel 15 van richtlijn nr. 71/118/EEG vervatte gelijkwaardigheidsbeginsel betekent immers dat de heffing van rechten wordt opgelegd door het gemeenschapsrecht, voor zover de keuringen bij invoer noodzakelijk zijn om een gelijkwaardige sanitaire keuring van het uit derde landen ingevoerd vlees van pluimvee te verzekeren. Artikel 15 houdt niet enkel een keuringsplicht in, maar ook de verplichting tot het heffen van kostendekkende rechten. Met een beroep op voornoemd arrest-Simmenthal betoogt de Duitse regering dat de heffing van rechten beslist noodzakelijk is, omdat anders vlees van pluimvee uit derde landen minder zwaar zou worden belast dan vlees van pluimvee uit de Gemeenschap.
De Duitse regering geeft toe dat bij het heffen van de rechten het door het Hof in zijn arrest in zaak 70/77 (Simmenthal) bevestigde beginsel moet worden geëerbiedigd, dat de rechten de werkelijke keuringskosten niet mogen overschrijden; genoemde Gebührenverordnung van 24 juli 1973 voldoet aan dat vereiste.
In verband met de vraag van de verwijzende rechter, of elke Lid-Staat bij de vaststelling van de hoogte van de rechten in aanmerking moet nemen hoe hoog de reeds in het derde land van uitvoer geheven rechten zijn, betoogt de Duitse regering dat met de in het land van oorsprong verschuldigde rechten geen rekening behoeft te worden gehouden. Dat daardoor uit derde landen ingevoerd vlees van pluimvee zwaarder wordt belast dan uit een Lid-Staat ingevoerd vlees, roept vanuit het gezichtspunt van het gemeenschapsrecht geen bezwaren op, omdat dit laatste op het gebied van de buitenlandse handel niet de verplichting kent rekening te houden met de in het land van oorsprong geheven rechten. Het bepaalde in artikel 15 van richtlijn nr. 71/118/EEG, dat de op de handel met derde landen toe te passen bepalingen ten minste gelijkwaardig moeten zijn, sluit immers niet uit dat de Lid-Staten voor de importen uit derde landen strengere regels kunnen vaststellen.
De regering van de Bondsrepubliek Duitsland stelt derhalve voor, het eerste deel van de vraag bevestigend te beantwoorden en te verklaren dat artikel 15 van richtlijn nr. 71/118/EEG de heffing van rechten ter dekking van de keuringskosten bij de invoer van vers vlees van pluimvee uit derde landen tenminste in dezelfde mate toestaat als wanneer het keuringen bij uitvoer in het intracommunautaire handelsverkeer betreft, zelfs indien daarvoor reeds volgens het recht van het derde land aldaar rechten zijn geheven. De hoogte van de in het derde land geheven rechten is van geen betekenis.
C — Opmerkingen van de Commissie
— De verenigbaarheid van de litigieuze rechten met het gemeenschapsrecht
Volgens de Commissie beantwoorden de litigieuze rechten aan de criteria die het Hof voor de omschrijving van de heffingen van gelijke werking heeft ontwikkeld. Aangezien artikel 11, lid 2, van verordening nr. 2777/75 evenwel bepaalt dat afwijkingen mogelijk zijn, dient te worden onderzocht of artikel 15 van richtlijn nr. 71/118/EEG een dergelijke afwijking bevat. Uit een onderzoek van 's Hofs arrest in voornoemde zaak 70/77 (Simmenthal) leidt zij af dat bedoeld artikel de Lid-Staten het recht geeft om enerzijds goederen uit derde landen aan een minstens even strenge keuring te onderwerpen als overeenkomstige communautaire goederen, en anderzijds kostendekkende rechten te heffen.
Volgens de Commissie wenst het Bundesverwaltungsgericht opheldering over de vraag, of artikel 15 van richtlijn nr. 71/118/EEG ook de rechten, geheven voor systematische keuringen bij de invoer van goederen uit derde landen, uitzondert van het verbod van heffingen van gelijke werking, indien
1. de betrokken Lid-Staat de invoer van vers vlees van pluimvee slechts toestaat op voorwaarde dat in het land van uitvoer alle voorschriften betreffende sanitaire keuring in acht zijn genomen welke ook in het intracommunautaire handelsverkeer gelden, en dit door het land van uitvoer officieel is bevestigd, en
2. het land van uitvoer wegens de daartoe vereiste keuringen een recht toepast.
ad 1) Aangezien artikel 15 van richtlijn nr. 71/118/EEG geen maatstaven voor de keuringen bij invoer uit derde landen bevat, mogen de Lid-Staten zelf de nodige regelingen vaststellen. Volgens de Commissie zijn twee modellen denkbaar voor een nationale regeling:
a) de Lid-Staat beperkt zich ertoe, in het kader van een keuring bij invoer vast te stellen of de sanitaire voorschriften in acht zijn genomen;
b) de Lid-Staat van invoer verplicht het land van uitvoer ertoe, bepaalde hygiënische voorwaarden in acht te nemen, en staat de invoer slechts toe nadat de naleving van de voorgeschreven normen door een aanvullende keuring bij invoer is komen vast te staan (gemengde regeling).
Tegen deze laatste, door de Duitse wetgever gekozen regeling bestaan in de huidige stand van het gemeenschapsrecht geen bezwaren. De Duitse bepalingen zijn bedoeld om de inachtneming te verzekeren van de door het gemeenschapsrecht voorgeschreven minimum criteria. Bovendien mogen de Lid-Staten krachtens artikel 15 van richtlijn nr. 71/118/EEG vlees van pluimvee uit derde landen aan een strengere keuring onderwerpen dan in genoemde richtlijn voor communautaire goederen is voorzien. De eenzijdig aan een derde land opgelegde verplichting bepaalde hygiënische minimum voorwaarden in acht te nemen, kan immers niet worden gelijkgesteld met het in richtlijn nr. 71/118/EEG geregelde stelsel van sanitaire keuringen, dat in een communautaire procedure voorziet.
ad 2) De Commissie maakt onderscheid tussen de twee hierboven beschreven nationale keuringsregelingen:
a) indien een Lid-Staat genoegen neemt met een keuring bij invoer, mag hij daarvoor een recht heffen dat de werkelijke kosten niet overschrijdt. Het in artikel 15 van richtlijn nr. 71/118/EEG vervatte voorbehoud van non-discriminatie geldt volgens 's Hofs arrest in zaak 70/77 (Simmenthal) niet enkel voor de keuringen zelf, maar ook voor de uit dien hoofde geheven rechten;
b) indien een Lid-Staat daarentegen, volgens de gemengde regeling, een deel van de keuringsmaatregelen naar de plaats van slachting verlegt en de toelaatbaarheid van de invoer doet afhangen van bepaalde controles in het derde land, dan mag hij voor dat deel van de keuring geen recht meer heffen, daar die verrichting voor hem geen kosten meebrengt. Wat echter het onder de verantwoordelijkheid van de Lid-Staat van invoer gebleven deel van de sanitaire beschermingsmaatregelen betreft, kan het de betrokken Lid-Staat krachtens het gemeenschapsrecht niet geheel worden verboden kostendekkende rechten te heffen.
Bij het onderzoek van de vraag of de betrokken Lid-Staat bij de vaststelling van de hoogte van de sanitaire keuringsrechten in aanmerking moet nemen hoe hoog de in het derde land van uitvoer geheven rechten zijn, onderscheidt de Commissie twee mogelijkheden:
a) De hoogte van de in het land van uitvoer wegens de voorgeschreven keuringen geheven rechten is in overeenstemming met het beginsel van de kostendekking. In dat geval betaalt de importeur zowel de in het derde land geheven rechten, alsook de rechten voor de keuring bij invoer. Deze heffing is geoorloofd, daar artikel 15 van richtlijn nr. 71/118/EEG de Lid-Staten de mogelijkheid biedt, importen uit derde landen aan een strengere keuring te onderwerpen dan communautaire produkten en daarvoor een kostendekkend recht te heffen.
b) Problemen zouden ten hoogste kunnen rijzen in het theoretische geval dat het land van uitvoer rechten heft waarvan het bedrag de gemaakte kosten overschrijdt. Men kan zich dan afvragen of de Lid-Staat van invoer deze aanvullende belasting niet zou moeten compenseren door het bedrag van zijn eigen rechten te verminderen met het verschil tussen de in het derde land geheven keuringsrechten en de gemaakte kosten. Nog afgezien van het feit dat die situatie nauwelijks overeenstemt met de economische realiteit, meent de Commissie dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord, enerzijds omdat de Lid-Staten niet over voldoende inlichtingen beschikken over de in het derde land gemaakte kosten, en anderzijds omdat dan een voortdurende aanpassing aan eventuele wijzigingen van die kostenfactoren moet plaatsvinden.
Op grond van het voorgaande stelt de Commissie voor, de door het Bundesverwaltungsgericht gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
„Artikel 15 van richtlijn nr. 71/118/EEG van de Raad van 15 februari 1971 machtigt een Lid-Staat rechten te heffen ter dekking van de keuringskosten bij de invoer van vers vlees van pluimvee uit derde landen, ook indien volgens de wettelijke regeling van die Lid-Staat de invoer van dergelijk vlees slechts is toegestaan op voorwaarde dat in het land van uitvoer alle voorschriften betreffende sanitaire keuring in acht zijn genomen welke genoemde richtlijn in het intracommunautaire handelsverkeer aan het land van verzending oplegt, en daarvoor volgens het recht van het derde land aldaar rechten worden geheven. Daarvoor is het van geen belang hoe hoog de in het derde land geheven rechten zijn.”
III — Mondelinge behandeling
Ter terechtzitting van 7 november 1979 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door verzoekster in het hoofdgeding, te deze vertegenwoordigd door B. Festge, advocaat; de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, te deze vertegenwoordigd door M. Seidel, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische Zaken; en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, te deze vertegenwoordigd door M. Beschel als gemachtigde.
Partijen hebben verklaard het erover eens te zijn, dat diepgevroren vlees van pluimvee met het oog op de toepassing van verordening nr. 2777/75 als vers vlees van pluimvee moet worden beschouwd.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 27 november 1979 conclusie genomen:
In rechte
Bij beschikking van 1 december 1978, ingekomen ten Hove op 23 februari 1979, heeft het Bundesverwaltungsgericht krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een vraag gesteld over de uitlegging van artikel 15 van richtlijn nr. 71/118 van de Raad van 15 februari 1971 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het handelsverkeer in vers vlees van pluimvee (PB L 55 van 1971, blz. 23).
De gestelde vraag luidt: „Staat artikel 15 van richtlijn nr. 71/118/EEG van de Raad van 15 februari 1971 de heffing toe van rechten ter dekking van de keuringskosten bij de invoer van vers vlees van pluimvee uit derde landen, waarbij wordt nagegaan of de partijen van de vereiste aanduidingen en verklaringen zijn voorzien en of het ten invoer aangeboden vlees van pluimvee, blijkens de getrokken monsters, voor menselijke consumptie geschikt is, wanneer volgens het recht van de Lid-Staat invoer van dergelijk vlees slechts is toegestaan op voorwaarde dat in het (derde) land van uitvoer alle voorschriften betreffende sanitaire keuring in acht zijn genomen, die door genoemde richtlijn voor het intracommunautaire handelsverkeer aan het land van verzending worden opgelegd, en daarvoor volgens het recht van het derde land aldaar rechten worden geheven? Is het van belang hoe hoog de in het derde land geheven rechten zijn?”
Deze vraag is gerezen in een geschil tussen het Land Berlijn en een onderneming die in de loop van 1976 partijen vers vlees van pluimvee úit Hongarije in West-Berlijn heeft ingevoerd, waarvoor krachtens de Gebührenverordnung — Geflügelfleischhygiene (verordening inzake de rechten wegens sanitaire keuring van vlees van pluimvee) rechten werden geheven wegens de sanitaire keuringen die bij de invoer van dat vlees ter uitvoering van het Geflügelfleischhygienegesetz van 12 juli 1973 (BGBl. I, S. 776) hebben plaatsgevonden.
De betrokken onderneming komt tegen de heffing van die rechten op, op grond dat het heffingen van gelijke werking als douanerechten zouden zijn, waarvan de toepassing onverenigbaar is met artikel 11, lid 2, van verordening nr. 2777/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee (PB L 282 van 1975, blz. 77), dat per 1 november 1975 in de plaats is getreden van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 123/67 (PB 1967, blz. 2301). Volgens genoemd artikel 11, lid 2, in de ten tijde van de onderhavige importen geldende versie, waren „behoudens andersluidende bepalingen van deze verordening en afwijkingen, waartoe de Raad op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid besluit,... verboden :
—de toepassing van enig douanerecht of enige heffing van gelijke werking,
—de toepassing van enige kwantitatieve beperking of maatregel van gelijke werking.
...”
Het Land Berlijn heeft die opvatting bestreden en aanvankelijk betoogd dat het begrip heffingen van gelijke werking als douanerechten, toegepast op rechten wegens sanitaire keuring, een verschillende betekenis heeft al naar gelang het importen uit derde landen dan wel het intracommunautaire handelsverkeer betreft.
Het Bundesverwaltungsgericht heeft vastgesteld dat de litigieuze rechten inderdaad heffingen van gelijke werking als douanerechten zijn in de zin van artikel 9 EEG-Verdrag en artikel 11, lid 2, van de verordeningen nrs. 123/67 en 2777/75, en vervolgens erop gewezen dat laatstgenoemde bepaling de mogelijkheid biedt, van het erin vervatte verbod af te wijken. Gezien het arrest van het Hof van Justitie van 28 juni 1978 (zaak 70/77, Simmenthal, Jurispr. 1978, blz. 1453), waarin werd overwogen dat artikel 9 van verordening nr. 64/433 van 26 juni 1964 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees (PB 1964, blz. 2012), voor de betrokken marktordening een afwijking bevat van het verbod om rechten wegens sanitaire keuring toe te passen, stelt de nationale rechter de vraag of artikel 15 van richtlijn nr. 71/118 van de Raad van 15 februari 1971 eveneens een dergelijke afwijking bevat. Volgens die bepaling passen de Lid-Staten „tot op het tijdstip van de inwerkingstelling van de communautaire bepalingen voor de invoer van vers vlees van pluimvee uit derde landen... op deze invoer bepalingen toe welke ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke uit deze richtlijn voortvloeien.” Het Bundesverwaltungsgericht verklaart weliswaar dat er geen twijfel bestaat omtrent het aan artikel 15 toe te kennen afwijkend karakter, doch acht het niettemin ter verduidelijking van de rechtssituatie noodzakelijk bovengenoemde prejudiciële vraag te stellen.
Inderdaad verbiedt artikel 11, lid 2, van de verordeningen nrs. 123/67 en 2777/75, in het handelsverkeer in vers vlees met derde landen andere dan in het gemeenschappelijk douanetarief voorziene douanerechten of nationale heffingen van gelijke werking toe te passen. Dit verbod geldt echter behoudens andersluidende bepalingen van deze verordeningen zelf — hetgeen niet het geval is ten aanzien van de litigieuze rechten — of een afwijking waartoe de Raad op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid besluit.
Het door de nationale rechter genoemde artikel 15 van richtlijn nr. 71/118 van 15 februari 1971 vormt inderdaad een afwijking — in de zin van artikel 11, lid 2, van de verordeningen nrs. 123/67 en 2777/75 — van het tot de Lid-Staten gerichte verbod om heffingen van gelijke werking als douanerechten toe te passen. De bewoordingen van deze bepaling komen immers overeen met die van artikel 9 van verordening nr. 64/433 van de Raad van 26 juni 1964 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees (PB 1964, blz. 2012), en uit de redactie van beide bepalingen blijkt duidelijk dat hun strekking dezelfde is.
In zijn arrest van 28 juni 1978 (zaak 70/77, Simmenthal, reeds aangehaald) heeft het Hof overwogen dat genoemd artikel 9 als specifiek voorwerp heeft om in afwachting van de tenuitvoerlegging van het communautaire stelsel van sanitaire keuringen bij de invoer van vers vlees uit derde landen, een voorlopige norm vast te stellen voor de van kracht blijvende nationale regelingen inzake sanitaire keuring. Ten einde te voorkomen dat die nationale regelingen minder streng of minder bezwaarlijk zouden zijn voor de produkten uit derde landen dan de controleregeling die bij de betrokken richtlijn voor de intracommunautaire handel is ingevoerd, hetgeen tot distorsies van de mededinging zou leiden, bepaalt artikel 9 van richtlijn nr. 64/433 dat de controles voor de produkten uit derde landen niet „gunstiger” mogen zijn dat die welke ingevolge de richtlijn voor het intracommunautaire handelsverkeer gelden. Het Hof heeft erop gewezen dat deze norm dient te voorkomen dat de handelaars die vers vlees van oorsprong uit de Gemeenschap op de markt brengen, in een ongunstiger positie komen te verkeren dan hun concurrenten die vlees uit derde landen invoeren, en dat zij deswege niet slechts betrekking heeft op de controles zelf, maar ook op de uit dien hoofde geheven rechten.
Gelet op de gelijkaardige formulering van de artikelen 15 van richtlijn nr. 71/118 en 9 van richtlijn nr. 64/433, moet men concluderen dat aan artikel 15 van richtlijn nr. 71/118, voor wat betreft de aan de Lid-Staten geboden mogelijkheid rechten wegens sanitaire keuringen te heffen, hetzelfde derogerende karakter moet worden toegekend als aan artikel 9 van richtlijn nr. 64/433.
Bijgevolg kan het in artikel 11, lid 2, van de verordeningen nrs. 123/67 en 2777/75 vervatte verbod om heffingen van gelijke werking als douanerechten toe te passen, niet worden ingeroepen om de Lid-Staten te beletten aan de buitengrenzen van de Gemeenschap rechten wegens sanitaire keuringen bij de invoer van vers vlees van pluimvee uit derde landen te heffen.
De omstandigheid dat richtlijn nr. 71/118 de heffing van rechten wegens sanitaire keuring in het intracommunautaire handelsverkeer niet uitdrukkelijk vermeldt, doet in dit verband niet ter zake. Het Hof heeft immers in zijn arrest van 25 januari 1977 (zaak 46/76, Bauhuis, Jurispr. 1977, blz. 5) vastgesteld dat nationale heffingen wegens sanitaire keuringen die krachtens een gemeenschapsvoorschrift — zoals in casu richtlijn nr. 71/118 (vlees van pluimvee) — vóór de verzending in de Lid-Staat van verzending op eenvormige wijze moeten worden verricht, geen heffingen van gelijke werking als douanerechten vormen en derhalve door de Lid-Staten mogen worden ingesteld, mits het bedrag ervan de werkelijke kosten van de keuring terzake waarvan zij worden toegepast, niet overschrijdt. Het bestaan van die rechten rechtvaardigt op zijn beurt de heffing van rechten wegens sanitaire keuringen aan de buitengrenzen van de Gemeenschap, ten einde te voldoen aan de bij artikel 15 van richtlijn nr. 71/118 op de Lid-Staten gelegde verplichting, op de invoer uit derde landen bepalingen toe te passen welke „ten minste gelijkwaardig” zijn aan die welke uit die richtlijn voortvloeien voor het intracommunautaire handelsverkeer in dezelfde produkten.
Het staat dan ook aan de nationale rechterlijke instanties waarbij geschillen aanhangig worden gemaakt betreffende rechten wegens sanitaire keuring, door een Lid-Staat geheven bij de invoer in die Lid-Staat van vers vlees van pluimvee uit derde landen, deze rechten te vergelijken met die welke die staat heft ter zake van de in verordening nr. 71/118 voorziene interne controles in het intracommunautaire handelsverkeer. Ook al kan niet worden verlangd dat de twee soorten rechten nauwkeurig overeenstemmen — enerzijds omdat artikel 15 van richtlijn nr. 71/118 enkel voorschrijft dat de heffingen aan de buitengrenzen „ten minste gelijkwaardig” zijn aan de belastingen die voortvloeien uit de toepassing van genoemde richtlijn in intracommunautair verband, en anderzijds omdat het niet is uitgesloten dat keuringen aan de buitengrenzen van de Gemeenschap duurder blijken te zijn dan keuringen die vóór verzending in de Lid-Staat plaatsvinden —, toch moet erop worden gewezen dat sanitaire keuringen aan de buitengrenzen van de Gemeenschap, die kennelijk onevenredig zouden zijn aan het beoogde doel, of rechten die duidelijk de keuringskosten zouden overschrijden, buiten de werkingssfeer zouden vallen van de krachtens artikel 11, lid 2, van voornoemde verordeningen nrs. 123/67 en 2777/75 toegestane afwijking.
Blijkens zowel de formulering van de gestelde vraag als de overwegingen van de verwijzigingsbeschikking wenst het Bundesverwaltungsgericht tevens te vernemen of de betrokken Lid-Staat zich op de in artikel 15 van richtlijn nr. 71/118 toegestane afwijking kan beroepen om rechten wegens sanitaire keuring te heffen indien: 1) de wettelijke regeling van die Lid-Staat de invoer van vlees van pluimvee slechts toestaat op voorwaarde dat in het derde land van uitvoer een reeks voorschriften betreffende sanitaire keuring in acht zijn genomen, gelijkwaardig aan die welke de communautaire richtlijnen voorschrijven voor het handelsverkeer tussen Lid-Staten, en 2) indien wegens die keuringen bovendien in het derde land van uitvoer rechten worden geheven.
Bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht roepen systematische sanitaire keuringen als omschreven in de gestelde vraag, en de ermee verbonden rechten geen bezwaren op, ook indien zij strenger en bezwaarlijker blijken te zijn dan die welke voor het intracommunautaire handelsverkeer voortvloeien uit de toepassing van richtlijn nr. 71/118. Immers, uit de bewoordingen van artikel 15 van richtlijn nr. 71/118 blijkt reeds dat die bepaling aan de buitengrenzen strengere keuringen toestaat dan die waarin de richtlijn voor het intracommunautaire handelsverkeer voorziet. Voor het overige legt het gemeenschapsrecht de Lid-Staten niet de verplichting op, ten opzichte van derde landen blijk te geven van een even groot vertrouwen als dat wat, op grond van verordening nr. 71/118, de betrekkingen tussen Lid-Staten dient te kenmerken en dat de afschaffing van de systematische controles in het handelsverkeer tussen Lid-Staten tot gevolg heeft.
Dezelfde overwegingen leiden tot de gevolgtrekking dat de omstandigheid dat in het derde land van uitvoer rechten wegens sanitaire keuring zijn geheven, in beginsel niet relevant is voor de hoogte van de rechten wegens sanitaire keuring, die door de Lid-Staten aan de buitengrenzen van de Gemeenschap worden toegepast. Zowel voor de aard van de keuringen als voor de hoogte van de rechten geldt enkel de hierboven reeds genoemde beperking, dat onder de uitzondering van artikel 15 van verordening nr. 71/118 geen overdreven en onnodig strenge keuringen en aan de keuringskosten onevenredige rechten vallen, waarbij de Lid-Staten evenwel over een redelijke beoordelingsvrijheid beschikken.
De door het Bundesverwaltungsgericht gestelde vraag moet derhalve aldus worden beantwoord, dat artikel 15 van richtlijn nr. 71/118/EEG van de Raad van 15 februari 1971 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het handelsverkeer in vers vlees van pluimvee, een Lid-Staat machtigt een recht te heffen ter dekking van de keuringskosten bij de invoer van vers vlees van pluimvee uit derde landen, ook indien de wettelijke regeling van de Lid-Staat de invoer slechts toestaat op voorwaarde dat in het derde land van uitvoer voorschriften betreffende sanitaire keuring in acht zijn genomen gelijkwaardig aan die welke richtlijn nr. 71/118 voorschrijft voor het handelsverkeer tussen de Lid-Staten, en ook indien wegens die keuringen in het derde land van uitvoer reeds rechten worden geheven. De omstandigheid dat in het derde land van uitvoer rechten wegens sanitaire keuring zijn geheven, is in beginsel niet relevant voor de hoogte van de keuringsrechten die door de Lid-Staten aan de buitengrenzen van de Gemeenschap worden toegepast. Deze keuringen kunnen systematisch zijn en tot doel hebben vast te stellen of de ingevoerde partijen van de vereiste aanduidingen zijn voorzien en of, blijkens genomen monsters, het ter invoer aangeboden vlees van pluimvee geschikt is voor consumptie. Evenwel moet worden opgemerkt dat sanitaire keuringen aan de buitengrenzen van de Gemeenschap, die kennelijk onevenredig zouden zijn aan het beoogde doel, of rechten die duidelijk de keuringskosten zouden overschrijden, buiten de werkingssfeer vallen van de afwijking die is toegestaan krachtens artikel 11, lid 2, van verordening nr. 2777/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee.
Kosten
De kosten door de Duitse regering en door de Commissie wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de vraag door het Bundesverwaltungsgericht gesteld bij beschikking van 1 december 1978, ten Hove ingekomen op 23 februari 1979, verklaart voor recht:
1. Artikel 15 van richtlijn nr. 71/118/EEG van de Raad van 15 februari 1971 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het handelsverkeer in vers vlees van pluimvee, machtigt een Lid-Staat een recht te heffen ter dekking van de keuringkosten bij de invoer van vers vlees van pluimvee uit derde landen, ook indien de wettelijke regeling van die Lid-Staat de invoer slechts toestaat op voorwaarde dat in het derde land van uitvoer voorschriften betreffende sanitaire keuring in acht zijn genomen gelijkwaardig aan die welke richtlijn nr. 71/118 voorschrijft voor het handelsverkeer tussen Lid-Staten, en ook indien wegens die keuringen in het derde land van uitvoer reeds rechten worden geheven.
2. De omstandigheid dat in het derde land van uitvoer rechten wegens sanitaire keuring zijn geheven, is in beginsel niet relevant voor de hoogte van de keuringsrechten die door de Lid-Staten aan de buitengrenzen van de Gemeenschap worden toegepast. Deze keuringen kunnen systematisch zijn en tot doel hebben vast te stellen of de ingevoerde partijen van de vereiste aanduidingen zijn voorzien en of, blijkens genomen monsters, het ter invoer aangeboden vlees van pluimvee geschikt is voor consumptie.
3. Sanitaire keuringen aan de buitengrenzen van de Gemeenschap, die kennelijk onevenredig zouden zijn aan het beoogde doel, of rechten die duidelijk de keuringskosten zouden overschrijden, vallen buiten de werkingssfeer van de afwijking die is toegestaan krachtens artikel 11, lid 2, van verordening nr. 2777/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee.
Voetnoten
- 1In de verwijzingsbeschikking en in de schriftelijke procedure wordt bij vergissing verwezen naar artikel 11, lid 2, van verordening nr. 123/67/EEG van de Raad van 13 juni 1967 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee (PB 1967, blz. 2301). Hoewel verordening nr. 123/67/EEG per I november 1975 is afgeschaft en vervangen door verordening nr. 2777/75, is deze vergissing niet van belang daar beide teksten in grote lijnen identiek zijn.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
8Rechtspraak
1Europese Unie
1Conclusie van advocaat-generaal JacobsC-166/9426.10.1995