ARREST
De feiten
I — De feiten en het procesverloop
De verwijdering van afgewerkte olie is het onderwerp van richtlijn nr. 75/439 van de Raad van 16 juni 1975 (PB L 194 van 1975, blz. 31).
Ingevolge deze richtlijn nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen teneinde het inzamelen en het onschadelijk verwijderen van afgewerkte olie te waarborgen, bij voorkeur door het opnieuw gebruiken ervan (artikelen 2 tot 4). Artikel 5 van de richtlijn bepaalt dat, wanneer „de doeleinden omschreven in de artikelen, 2, 3 en 4 niet anders kunnen worden bereikt, de Lid-Staten de nodige maatregelen nemen om te bereiken dat een of meer bedrijven het inzamelen en/of het verwijderen verrichten van de produkten die hun door de houders ervan worden aangeboden, in voorkomend geval in het gebied dat hun door de bevoegde instantie is aangewezen”.
De Franse Republiek heeft de richtlijn ten uitvoer gelegd bij decreet nr. 79-981 van 21 november 1979 „tot regeling van de terugwinning van afgewerkte olie” (JORF van 23. 11. 1979, blz. 2900); de uitvoeringsbepalingen daarvan zijn vastgesteld bij besluit van 21 november 1979 inzake de „voorwaarden voor het inzamelen van afgewerkte olie, ter uitvoering van decreet nr. 79-981 tot regeling van de terugwinning van afgewerkte olie” (JORF van 23. 11. 1979, blz. 2901), en bij besluit van 21 november 1979 inzake „de voorwaarden voor het verwijderen van afgewerkte olie, ter uitvoering van decreet nr. 79-981 van 21 november 1979 tot regeling van de terugwinning van afgewerkte olie” (JORF van 23. 11. 1979, blz. 2903).
De Franse regeling bepaalt in wezen het volgende:
zij die als gevolg van hun beroepswerkzaamheden over afgewerkte olie komen te beschikken, zijn verplicht deze over te dragen aan erkende inzamelingsbedrijven of, indien zijzelf voor het vervoer van deze afvalstoffen zorgen, aan erkende verwijderingsbedrijven, dan wel de afgewerkte olie die zij produceren, zelf te verwijderen indien zij houder zijn van een door het Ministerie van Milieuhygiëne afgegeven vergunning (artikel 3 van decreet nr. 79-981 van 21. 11. 1979 tot regeling van de terugwinning van afgewerkte olie);
ter verzekering van de volledige inzameling van afgewerkte olie is het grondgebied verdeeld in geografische zones (meestal het departement), voor elk waarvan de minister van Milieuhygiëne na aanbesteding en na advies van een interministeriële vergunningscommissie een erkend inzamelingsbedrijf aanwijst;
het erkende inzamelingsbedrijf is aansprakelijk voor de inzameling van alle afgewerkte olie die wordt geproduceerd in de zone waarvoor zijn vergunning geldt;
het moet de afgewerkte olie aan erkende verwijderingsbedrijven afleveren, behalve heldere olie, die ook kan worden bestemd voor hergebruik in de toestand waarin zij verkeert (artikel 10 van de bijlage bij het besluit van 21. 11. 1979 inzake de voorwaarden voor het inzamelen van afgewerkte olie);
ook de verwijdering van afgewerkte olie is aan een door de minister van Milieuhygiëne afgegeven vergunning onderworpen;
de erkende verwijderingsbedrijven moeten, op straffe van intrekking van hun vergunning, de afgewerkte olie in hun eigen installaties behandelen.
Het Syndicat national des fabricants raffineurs d'huile de graissage (hierna: het Syndicat) en vier anderen hebben het Tribunal de grande instance te Saint-Etienne gevraagd, de Groupement d'intérêt économique „Rhône Alpes Huiles” (hierna: Rhône Alpes Huiles) en enkele anderen te verbieden in een aantal geografische zones afgewerkte olie in te zamelen. Tot staving van hun vordering voeren de verzoekende partijen aan, dat de wederpartijen hun verenigingen en vennootschappen hadden opgericht met de kennelijke bedoeling de wet te ont-duiken door hun promotoren, die van de administratie geen vergunning voor het inzamelen van afgewerkte olie hadden gekregen, in staat te stellen hun werkzaamheden — die juist daarin bestonden — zonder vergunning voort te zetten. Voorts betoogden zij voor het Tribunal de grande instance te Saint-Etienne, dat de medeverweerders een niet onaanzienlijk deel van de ingezamelde olie bestemden voor uitvoer naar België en naar de Bondsrepubliek Duitsland.
Rhône Alpes Huiles en de andere verweerders in eerste aanleg voerden voor het Tribunal met name aan, dat de toepassing van de interne Franse regeling neerkwam op een krachtens artikel 30 EEG-Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als kwantitatieve invoeren uitvoerbeperkingen, die niet kon worden gerechtvaardigd op grond van de in artikel 36 EEG-Verdrag toegestane afwijkingen. Bij vonnis van 28 oktober 1981 overwoog het Tribunal de grande instance te Saint-Étienne dienaangaande, dat de Franse regeling haar rechtvaardiging vond in artikel 36 EEG-Verdrag.
In het door verweerders ingestelde hoger beroep besloot de Cour d'appel te Lyon bij arrest van 18 november 1982 zijn uitspraak aan te houden en het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag voor te leggen:
„Zijn artikel 3 van decreet nr. 79-981 van 21 november 1979, waarbij de houders van afgewerkte olie die zelf voor het vervoer van die afvalprodukten zorgen, de verplichting wordt opgelegd deze ter beschikking te stellen van een verwijderingsbedrijf dat de in artikel 8 van dat decreet bedoelde vergunning heeft verkregen, en artikel 10 van de bijlage bij het besluit van 21 november 1979 inzake de voorwaarden voor het inzamelen van afgewerkte olie, waarbij de erkende inzamelingsbedrijven de verplichting wordt opgelegd de afgewerkte olie bij erkende verwijderingsbedrijven af te leveren, verenigbaar met de artikelen 30 en volgende EEG-Verdrag betreffende het verbod, tussen Lid-Staten, van kwantitatieve invoerbeperkingen en maatregelen van gelijke werking? Zijn zij verenigbaar met de richtlijnen van de Raad op dit gebied?”
De verwijzingsbeschikking is op 22 november 1982 ter griffie van het Hof ingeschreven.
Krachtens artikel 20 van 's Hofs Sta-tuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door het Syndicat en anderen, vertegenwoordigd door J. F. Renaud en A. Desmazières de Séchelles, advocaten te Parijs; Rhône Alpes Huiles en anderen, vertegenwoordigd door J. Thréard, advocaat te Parijs; de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R. Wägenbaur; de Franse regering, vertegenwoordigd door J. P. Costes van het secretariaat-generaal van het Comité interministériel pour les questions de coopération économique européenne; en de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door P. G. Ferri, avvocato dello Stato.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan en de zaak naar de Derde kamer te verwijzen.
II — Samenvatting van de bij het Hof ingediende opmerkingen
Volgens Rhône Alpes Huiles en de andere appellanten in het hoofdgeding komt de Franse wettelijke regeling neer op een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve uitvoerbeperking en kan zij geen rechtvaardiging vinden in artikel 36 EEG-Verdrag. Voor het overige verwijzen zij naar hun opmerkingen in zaak 172/82 („Inter-Huiles”). Zij wijzen er evenwel op, dat in zaak 172/82 de prejudiciële vraag van het Tribunal de grande instance te Versailles enkel de situatie van de inzamelingsbedrijven betrof, terwijl de vraag van de Cour d'appel te Lyon ook de houders van afgewerkte olie op het oog heeft.
Ook het Syndicat national des fabricants raffineurs d'huile de graissage en de andere geïntimeerden in het hoofdgeding nemen in grote lijnen de argumenten over die zij in zaak 172/82 hebben aangevoerd. Zo stellen zij wederom, dat de rechtmatigheid van de Franse wettelijke regeling niet aan de artikelen 30 e. v. EEG-Verdrag moet worden getoetst, maar aan richtlijn nr. 75/439. De vraag die aan het Hof is gesteld, betreft immers niet de geldigheid van de richtlijn, maar de uitlegging ervan. Voorts herinneren zij eraan, dat artikel 90 EEG-Verdrag, een bepaling van openbare orde, huns inziens de Franse wettelijke regeling rechtvaardigt. De procedureregeling van artikel 90 EEG-Verdrag heeft trouwens tot gevolg dat de betrokken beperkingen, zolang de Commissie er niet tegen optreedt, rechtmatig zijn en bindend voor de nationale rechter.
Volgens geïntimeerden in het hoofdgeding heeft de richtlijn niet tot doel, het vrije verkeer van zwarte afgewerkte olie tussen de Lid-Staten van de EEG te verzekeren. Dit vrije verkeer kan integendeel aan een of meer andere, prioritaire doelstellingen worden opgeofferd (wat de verwijzing naar artikel 235 EEG-Verdrag als rechtsgrondslag voor de richtlijn verklaart).
Het stelsel van exclusieve rechten heeft gunstige gevolgen, die hun rechtvaardiging vinden in artikel 5 van richtlijn nr. 75/439 en in de artikelen 90, lid 2, en 85, lid 3, EEG-Verdrag. Door hun ongeoorloofde activiteiten, die de taak van de erkende inzamelingsbedrijven onrendabel maken, brengen appellanten immers de doelstellingen van milieubescherming en grondstoffenbesparing in gevaar.
Niet door verbranding, maar enkel door regeneratie komt het tot een daadwerkelijk hergebruik van de grondstof. Frankrijk nu heeft absolute voorrang gegeven aan regeneratie en verbranding verboden. Het Franse stelsel van exclusieve rechten is onmisbaar om de distorsies goed te maken die het gevolg zijn van het feit dat de richtlijn in sommige Lid-Staten niet en in andere Lid-Staten op uiteenlopende wijze ten uitvoer is gelegd. Daardoor dreigt er in Frankrijk niet veel terecht te komen van de regeneratie, getuige het feit dat de door de vennootschap Sopaluna verwerkte hoeveelheden sinds enkele maanden beneden haar rentabiliteitsdrempel liggen. Geïntimeerden in het hoofdgeding concluderen derhalve dat het den Hove behage de gestelde vraag aldus te beantwoorden :
„De door de nationale rechter bedoelde regeling moet niet worden getoetst aan de artikelen 30, 34 en 36 EEG-Verdrag, maar aan richtlijn nr. 75/439/EEG van de Raad.
De nationale rechter is krachtens artikel 5 van richtlijn nr. 75/439/EEG van de Raad juncto artikel 90 EEG-Verdrag aan de in geding gebrachte beperkingen gebonden tenzij de Commissie ze volgens de procedure van artikel 90, lid 3, EEG-Verdrag zou aanvechten op grond van de in deze bepaling bedoelde regelingen.”
De Franse regering verwijst naar haar in zaak 172/82 ingediende memorie. Voorts toont zij met cijfers aan, dat de balans van het intracommunautaire handelsverkeer in afgewerkte olie kunstmatige uitvoerstromen van Frankrijk naar Duitsland en België aan het licht brengt.
De Italiaanse regering is van oordeel, dat richtlijn nr. 75/439 de Lid-Staten bindende regels bevat, die tot beperkingen van de handel in afgewerkte olie leiden. Dit blijkt wanneer men de artikelen 5, 6 en 7 van de richtlijn, die de bestemming en de omloop van dit produkt aan controle onderwerpen, in hun onderling verband leest. Wil men er zeker van kunnen zijn, dat de afgewerkte olie bepaalde behandelingen ondergaat om milieuverontreiniging te voorkomen en tegelijkertijd de terugwinning van energiedragers te bevorderen, dan kan men er niet onderuit dit produkt een „verplichte” weg te doen volgen, die het rechtstreeks en op een doeltreffend controleerbare wijze brengt naar de bestemming waar het correct wordt geëlimineerd.
Met name artikel 7 van de richtlijn beperkt de vrije handel in afgewerkte olie. De houder, dat wil zeggen degene bij wie het afgewerkte produkt ontstaat, is ingevolge de verwijzing in artikel 7 naar artikel 5 formeel verplicht zich te houden aan de maatregelen die de Lid-Staat vaststelt „om te bereiken dat een of meer bedrijven het inzamelen en/of verwijderen verrichten van de produkten die hun door de houders ervan worden aangeboden, in voorkomend geval in het gebied dat hun door de bevoegde instantie is aangewezen.”
De Italiaanse regering geeft het Hof derhalve in overweging, de gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
„De ter uitvoering van richtlijn nr. 75/439/EEG vastgestelde nationale rechtsvoorschriften, die, door bepaalde met de voorschriften van de artikelen 5 en 7 van die richtlijn onverenigbare handelsverrichtingen te verbieden, de uitvoer van afgewerkte olie beperken, zijn niet in strijd met artikel 34 EEG-Verdrag. Die verrichtingen zijn inzonderheid:
a) de overdracht van afgewerkte olie door de oorspronkelijke houder aan anderen dan degenen die volgens de nationale regeling onder de in artikel 5 vermelde voorwaarden als inzame-lings- of verwijderingsbedrijven worden aangemerkt;
b) de overdracht van afgewerkte olie door personen die noch oorsponkelijke houders van de afgewerkte olie noch inzamelings- of verwijderingsbedrijven als omschreven sub a) zijn, aan om het even welke andere persoon, zelfs zo het om een erkend verwijderingsbedrijf gaat.”
De Commissie verwijst eveneens naar haar opmerkingen in zaak 172/82. Zij geeft in overweging, de gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
„Artikel 34 moet aldus worden uitgelegd, dat het eraan in de weg staat dat een Lid-Staat de inzameling van afgewerkte olie op zijn grondgebied zo inricht, dat de houders en de inzamelingsbedrijven van afgewerkte olie het recht wordt ontzegd deze af te leveren aan ondernemers in de andere Lid-Staten, die hun werkzaamheden rechtmatig uitoefenen.”
II — Mondelinge behandeling
Ter terechtzitting van 10 november 1983 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door appellanten in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door J. Thréard, advocaat te Parijs; geïntimeerden in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door A. Desmazières de Séchelles, advocaat te Parijs; de Franse regering, vertegenwoordigd door de heer Botte als gemachtigde; de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door P. G. Ferri als gemachtigde; en de Commissie, vertegenwoordigd door R. Wägenbaur, lid van haar juridische dienst.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 12 januari 1984 conclusie genomen.
In rechte
Bij arrest van 18 november 1982, ingekomen ten Hove op 22 november daaropvolgende, heeft de Cour d'appel te Lyon krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van richtlijn nr. 79/439 van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie (PB L 194 van 1975, blz. 31), en van de artikelen 30 e. v. EEG-Verdrag, teneinde te kunnen beoordelen of het Franse decreet nr. 79-981 van 21 november 1979 tot regeling van de terugwinning van afgewerkte olie (JORF van 23. 11. 1979, blz. 2900) en zijn uitvoeringsbesluiten verenigbaar zijn met deze bepalingen.
In het hoofdgeding vorderen het Syndicat national des fabricants raffineurs d'huile de graissage (hierna: het Syndicat) en vier anderen (geïntimeerden voor de Cour d'appel), dat het hun wederpartijen, de Groupement d'intérêt économique „Rhône Alpes Huiles” (hierna: Rhône Alpes Huiles) en drie anderen (appellanten voor de Cour d'appel), zal worden verboden, in een aantal geografische zones afgewerkte olie in te zamelen, aangezien zij niet zouden beschikken over de door de Franse wettelijke regeling vereiste vergunning en de ingezamelde olie in strijd met die wettelijke regeling zouden exporteren.
De verwijdering van afgewerkte olie is geregeld in vorengenoemde richtlijn nr. 75/439 van de Raad. Luidens de artikelen 2 tot 4 van deze richtlijn nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen teneinde het inzamelen en het onschadelijk verwijderen van afgewerkte olie, bij voorkeur door het opnieuw gebruiken ervan, te waarborgen. Artikel 5 van de richtlijn bepaalt: „In de gevallen waarin de doeleinden omschreven in de artikelen 2, 3 en 4 niet anders kunnen worden bereikt, nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen om te bereiken dat een of meer bedrijven het inzamelen en/of het verwijderen verrichten van de produkten die hun door de houders ervan worden aangeboden, in voorkomend geval in het gebied dat hun door de bevoegde instantie is aangewezen.” Artikel 7 verplicht de houders van afgewerkte olie, deze „ter beschikking te houden van één of meer van de bedrijven, als bedoeld in artikel 5”, tenzij zij hem kunnen lozen, bewaren of behandelen op een wijze die niet door artikel 4 om redenen van milieubescherming is verboden.
Ter uitvoering van deze richtlijn heeft de Franse regering op 21 november 1979 decreet nr. 79-981 tot regeling van de terugwinning van afgewerkte olie, alsmede twee uitvoeringsbesluiten vastgesteld. Hierbij werd zowel voor de bedrijven die afgewerkte olie inzamelen, als voor die welke met de verwijdering ervan zijn belast, een stelsel van vergunningen ingevoerd. Decreet nr. 79-981 bepaalt uitdrukkelijk, dat de inzamelingsbedrijven hun afgewerkte olie moeten afleveren aan erkende verwijderingsbedrijven. Bovendien zijn de erkende verwijderingsbedrijven krachtens de artikelen 2 en 9 van het besluit inzake de voorwaarden voor het verwijderen van afgewerkte olie, op straffe van intrekking van hun vergunning verplicht, de afgewerkte olie in hun eigen installaties te behandelen. Tenslotte verplicht artikel 3 van decreet nr. 79-981 de houders van afgewerkte olie, die zelf voor het vervoer van die afvalstoffen zorgen, ze ter beschikking te stellen van een verwijderingsbedrijf dat de in artikel 8 van het decreet bedoelde vergunning heeft verkregen.
De Cour d'appel te Lyon was van oordeel, dat de Franse wettelijke regeling zowel de erkende inzamelingsbedrijven als de houders van afgewerkte olie impliciet verbood, die olie naar het buitenland, met inbegrip van de andere Lid-Staten van de Gemeenschap, uit te voeren.
Rhône Alpes Huiles en de andere appellanten betoogden voor de nationale rechter, dat een dergelijk uitvoerverbod onverenigbaar was met de gemeenschapsvoorschriften betreffende het vrije verkeer van goederen. De Cour d'appel te Lyon heeft daarop de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Zijn artikel 3 van decreet nr. 79-981 van 21 november 1979, waarbij de houders van afgewerkte olie die zelf voor het vervoer van die afvalprodukten zorgen, de verplichting wordt opgelegd deze ter beschikking te stellen van een verwijderingsbedrijf dat de in artikel 8 van dat decreet bedoelde vergunning heeft verkregen, en artikel 10 van de bijlage bij het besluit van 21 november 1979 inzake de voorwaarden voor het inzamelen van afgewerkte olie, waarbij de erkende inzamelingsbedrijven de verplichting wordt opgelegd de afgewerkte olie bij erkende verwijderingsbedrijven af te leveren, verenigbaar met de artikelen 30 en volgende EEG-Verdrag betreffende het verbod, tussen Lid-Staten, van kwantitatieve invoerbeperkingen en maatregelen van gelijke werking? Zijn zij verenigbaar met de richtlijnen van de Raad op dit gebied?”
Deze vraag komt in wezen overeen met die welke aan de orde was in 's Hofs arrest van 10 maart 1983 (zaak 172/82, Inter-Huiles, Jurispr. 1983, blz. 555). Evenals deze strekt zij ertoe te vernemen, of de gemeenschapsvoorschriften betreffende het vrije verkeer van goederen en richtlijn nr. 75/439 van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie, toestaan dat een Lid-Staat de inzameling en verwijdering van afgewerkte olie op zijn grondgebied zo inricht, dat de uitvoer naar een erkend verwijderings- of regeneratiebedrijf in een andere Lid-Staat is verboden. Anders dan de vraag in die eerdere zaak, maakt zij echter onderscheid naargelang de afgewerkte olie door een houder of door een erkend inzamelingsbedrijf wordt afgeleverd.
In voornoemd arrest van 10 maart 1983 heeft het Hof in algemene termen te verstaan gegeven, dat de gemeenschapsvoorschriften betreffende het vrije verkeer van goederen en richtlijn nr. 75/439 van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie, niet toestaan dat een Lid-Staat de inzameling en verwijdering van afgewerkte olie op zijn grondgebied zo inricht, dat de uitvoer naar een erkend verwijderings- of regeneratiebedrijf in een andere Lid-Staat is verboden.
Het Hof heeft dus geen onderscheid gemaakt tussen uitvoer via erkende inzamelingsbedrijven en uitvoer door houders van afgewerkte olie. In zoverre artikel 7 van richtlijn nr. 75/439 toelaat dat houders van afgewerkte olie deze zelf naar een erkend verwijderingsbedrijf vervoeren, kunnen de Lid-Staten hun geen uitvoerbeperking opleggen die onverenigbaar is met de doeleinden van de richtlijn en met artikel 34 EEG-Verdrag.
Mitsdien moet op de vraag van de Cour d'appel te Lyon worden geantwoord, dat de doeleinden van richtlijn nr. 75/439 van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie, en de bepalingen van het EEG-Verdrag betreffende het vrije verkeer van goederen, vereisen dat afgewerkte olie zowel door de houder als door een erkend inzamelingsbedrijf kan worden afgeleverd aan een verwijderingsbedrijf in een andere Lid-Staat, dat in die staat de in artikel 6 van de richtlijn bedoelde vergunning heeft verkregen.
De Franse regering heeft er evenwel op gewezen, dat Frankrijk de belangrijkste exporteur van afgewerkte olie in de Gemeenschap is, en meent dat een Lid-Staat in die positie niet ervan kan worden beschuldigd, de uitvoer van dit produkt te belemmeren. Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat het feit dat een groot deel van de intracommunautaire uitvoer uit een bepaalde Lid-Staat afkomstig is, niet behoeft te betekenen dat de regeling van die Lid-Staat uitvoer door inzamelingsbedrijven en houders naar de overige Lid-Staten toestaat.
Verder betoogt de Franse regering, dat haar nationale wettelijke regeling, gezien in het licht van een douanecirculaire van 20 oktober 1982, de wederverkoop van afgewerkte olie aan erkende verwijderingsbedrijven in andere Lid-Staten feitelijk toestaat. Hierbij moet worden opgemerkt, dat het Hof in een prejudiciële procedure slechts de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht kan verstrekken, maar dat het de taak van de nationale rechter is om, zo nodig met inachtneming van de door het Hof verstrekte gegevens, te beoordelen of de betrokken wettelijke regeling al dan niet een uitvoerverbod behelst.
Voor het overige is het Hof van oordeel, dat de thans gevraagde uitlegging van de gemeenschapsbepalingen inmiddels is gegeven bij voornoemd arrest van 10 maart 1983, waarin antwoord is gegeven op alle argumenten die in de opmerkingen in de onderhavige procedure zijn aangevoerd en ten opzichte waarvan het Hof thans niet van nieuwe feiten of omstandigheden is gebleken.
Kosten
De kosten door de regering van de Franse Republiek, de regering van de Italiaanse Republiek en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
uitspraak doende op de door de Cour d'appel te Lyon bij arrest van 18 november 1982 gestelde vraag, verklaart voor recht:
De doeleinden van richtlijn nr. 75/439 van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie, en de bepalingen van het EEG-Verdrag betreffende het vrije verkeer van goederen, vereisen dat afgewerkte olie zowel door de houder als door een erkend inzamelingsbedrijf kan worden afgeleverd aan een verwijderingsbedrijf in een andere Lid-Staat, dat in die staat de in artikel 6 van de richtlijn bedoelde vergunning heeft verkregen.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
12Rechtspraak
1Europese Unie
1Conclusie van advocaat-generaal Lenz139/8405.03.1985