Arrest van het Hof van 21 juni 1988, 283/86 · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Voltallige zitting 283/86 ECLI:EU:C:1988:325 21 juni 1988

Zoeken

Arrest van het Hof van 21 juni 1988, 283/86Niet-omzetting in nationaal recht van richtlijn 82/470/EEG van de Raad, daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor de anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden van bepaalde tussenpersonen op het gebied van het vervoer en van reisbureaubedrijven alsmede van opslagbedrijven

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-283-86-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Voltallige zitting
Zaak
283/86
ECLI
ECLI:EU:C:1988:325
Datum
21 juni 1988

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Beroep wegens niet-nakoming gegrond
Zaak ingediend op
19 november 1986
Advocaat-generaal
Lenz

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Frans
Jurisprudentie
Jurispr. 1988, blz. 3271
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Moitinho de Almeida
Repertorium van het Hof

Tekst

13 paragrafen

Arrest

1.

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 19 november 1986, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn voor het volgen van richtlijn 82/470/EEG van de Raad van 29 juni 1982 houdende maatregelen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor de anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden van bepaalde tussenpersonen op het gebied van het vervoer en van reisbureaubedrijven (groep 718 CITI) alsmede van opslagbedrijven (groep 720 CITI) (PB 1982, L 213, biz. 1), de krachtens die richtlijn en de artikelen 189, derde alinea, en 5, eerste alinea, EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

2.

Volgens artikel 8 van richtlijn 82/470 moesten de Lid-Staten de nodige maatregelen treffen om zich binnen achttien maanden na kennisgeving van de richtlijn naar de bepalingen daarvan te voegen, en moesten zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen. Deze termijn verstreek op 2 januari 1984.

3.

Toen de Belgische regering binnen de gestelde termijn geen mededeling had gedaan van de maatregelen tot omzetting van de richtlijn, zond de Commissie haar op 16 april 1985 een schriftelijke ingebrekestelling met het verzoek, binnen twee maanden haar opmerkingen kenbaar te maken. Daar de Commissie geen genoegen kon nemen met de bij brieven van 2 en 28 augustus 1985 meegedeelde opmerkingen van de Belgische regering, bracht de Commissie op 11 april 1986 krachtens artikel 169, eerste alinea, EEG-Verdrag haar met redenen omkleed advies uit. In antwoord daarop deelde de Belgische regering in een brief van 4 september 1986 mee, welke problemen aan de vaststelling van de nodige maatregelen voor het volgen van de richtlijn in de weg hadden gestaan. Van oordeel dat het Koninkrijk België nog steeds niet de nodige maatregelen had getroffen, heeft de Commissie het onderhavige beroep wegens niet-nakoming ingesteld.

4.

Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het geding, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

5.

De Belgische regering geeft toe, dat zij nog niet alle nationale maatregelen heeft getroffen die voor de omzetting van de richtlijn noodzakelijk zijn. Ter terechtzitting heeft zij aangevoerd, dat de Belgische wettelijke bepalingen inzake reisbureaus thans in overeenstemming zijn met de richtlijn, dank zij het koninklijk besluit van 22 oktober 1987 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 juni 1966 betreffende het statuut van de reisbureaus/reisagentschappen. Met betrekking tot de tussenpersonen op het gebied van het vervoer zou een wetsontwerp tot wijziging van de wet van 26 juni 1967 betreffende het statuut van de tussenpersonen op het gebied van het goederenvervoer zijn opgesteld, doch nog niet ter goedkeuring aan het parlement zijn voorgelegd omdat eind 1987 de wetgevende kamers ontbonden waren.

6.

De grief betreffende de niet-vaststelling van maatregelen tot omzetting van de bepalingen van de richtlijn inzake reisbureaus moet door het Hof worden onderzocht. Immers, ook al is deze niet-nakoming opgeheven door de door het Koninkrijk België vastgestelde wettelijke bepalingen — hetgeen de Commissie betwist aangezien de in de artikelen 4 en 7 van de richtlijn voorgeschreven aanduiding van nationale instanties en organisaties niet tot stand is gekomen —, het is vaste rechtspraak van het Hof, dat ook wanneer het verzuim na het verstrijken van de krachtens artikel 169, tweede alinea, EEG-Verdrag vastgestelde termijn wordt opgeheven, de voortzetting van de procedure haar belang behoudt.

7.

Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat een Lid-Staat zich volgens vaste rechtspraak van het Hof niet kan beroepen op bepalingen, praktijken of omstandigheden in zijn nationale rechtsorde, ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van uit communautaire richtlijnen voortvloeiende verplichtingen en daarin voorgeschreven termijnen.

8.

Mitsdien moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn de bepalingen vast te stellen die nodig zijn voor het volgen van richtlijn 82/470 van de Raad van 29 juni 1982, de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Kosten

9.

Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien verweerder in het ongelijk is gesteld, dient hij in de kosten te worden verwezen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende, verklaart:

1) Door niet binnen de gestelde termijn de bepalingen vast te stellen die nodig zijn voor het volgen van richtlijn 82/470 van de Raad van 29 juni 1982, is het Koninkrijk België de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.

2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten van de procedure.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

6
EEG-Verdrag art. 1693 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1891 voorkomen
EEG-Verdrag art. 51 voorkomen
richtlijn 82/470 art. 41 voorkomen
richtlijn 82/470 art. 71 voorkomen
richtlijn 82/470 art. 81 voorkomen

Rechtspraak

1

Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal TesauroC-234/9128.09.1993

Zesde richtlijn 77/388 art. 33

Bekijk het document