Arrest van het Hof van 14 februari 1984, 278/82 · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Voltallige zitting 278/82 ECLI:EU:C:1984:59 14 februari 1984

Zoeken

Arrest van het Hof van 14 februari 1984, 278/82Richtlijn 69/169 art. 2 en art. 6

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-278-82-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Voltallige zitting
Zaak
278/82
ECLI
ECLI:EU:C:1984:59
Datum
14 februari 1984

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Prejudiciële verwijzing
Verwijzende rechter
Finanzgericht Hamburg (Duitsland) beslissing van 4 augustus 1982 IV 42/82 S-H
Zaak ingediend op
18 oktober 1982
Advocaat-generaal
Rozès
Opmerkingen
Duitse, Ierse, Britse regering Commissie
Nationale beslissing na het arrest
Finanzgericht Hamburg beslissing van 12 september 1984 IV 42/82 S-H

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Duits
Jurisprudentie
Jurispr. 1984, blz. 721
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Galmot
Repertorium van het Hof

Tekst

244 paragrafen

ARREST

De feiten

De feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Sta-tuut-EEG ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

I — De feiten en het procesverloop

A — De feiten
1.

Voorgeschiedenis van het geschil

De verwijzingsbeschikking heeft betrekking op feiten die overeenkomen met die in verband waarmee het Finanzgericht Hamburg het Hof reeds eerder om een prejudiciële beslissing heeft verzocht (arrest van 7. 7. 1981, zaak 158/80, Rewe-Handelsgesellschaft Nord mbH en Rewe-Markt Steffen, Jurispr. 1981, blz. 1805). In die zaak heeft het Hof zich uitgesproken over de vraag of, en zo ja in hoeverre, de verkoop met vrijstelling van invoerrechten en heffingen van goederen aan boord van zogenoemde „Butterschiffen” en de belastingvrije invoer van die goederen in de persoonlijke bagage van reizigers verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht.

Deze zaak, die bekend staat als de „But-terfahrten”-zaak, had betrekking op een geding voor hetzelfde Finanzgericht tussen de groothandel Rewe-Handelsgesellschaft Nord mbH en een van haar kleinhandelsbedrijven enerzijds en het Hauptzollamt Kiel anderzijds.

Het Finanzgericht Hamburg heeft op 13 januari 1982 in voornoemd geding vonnis gewezen, rekening houdende met de uitspraak van het Hof.

2.

Achtergronden van de onderhavige zaak

Terwijl in de vorige zaak de zogenoemde „Butterfahrten”, dat wil zeggen korte zeereizen waarbij niet of slechts symbolisch een ander land werd aangedaan, het kernpunt van het geding vormden, gaat het in de onderhavige zaak om de inkopen met vrijstelling van invoerrechten en heffingen aan boord van veerboten op geregelde lijnen en tijdens gecombineerde bootbusreizen.

Verzoeksters in het hoofdgeding zijn Rewe-Handelsgesellschaft Nord mbH, groothandel in onder meer cosmetica, koffie, thee, lucifers, levensmiddelen als boter, kaas, vlees en versnaperingen, en sterke drank, bier, wijn en tabak, en Fa. Rewe-Markt Herbert Kureit, die een detailhandel drijft te Niendorf, een plaats aan de bocht van Lübeck, waar zij produkten verkoopt die haar worden geleverd door de eerste verzoekster, wier afnemers trouwens hoofdzakelijk kleinhandelaren aan de Noord- en Oostzeekust van Sleeswijk-Holstein zijn.

Hun beroep is gericht tegen de voor het gebied van de Noord- en Oostzeekust bevoegde Hauptzollämter van de deelstaat Sleeswijk-Holstein en strekt tot veroordeling van deze douanekantoren om het in strijd met de betrokken bepalingen van gemeenschapsrecht binnen bepaalde grenzen belastingvrij inklaren van tijdens bootreizen gekochte goederen achterwege te laten.

Verzoeksters hebben hun oorspronkelijke vordering later uitgebreid tot de inkopen met vrijstelling van invoerrechten en heffingen aan boord van lijnschepen en veerboten.

Voorts is het Finanzgericht ter kennis gekomen, dat schepen vanuit havens van de Bondsrepubliek Duitsland naar Denemarken varen, vanwaar de reizigers, zonder dat daar op de tijdens de bootreis vrij van belasting gekochte goederen invoerrechten zijn geheven, per bus terugkeren naar de Bondsrepubliek, waar zij eveneens fiscale faciliteiten genieten.

Het Finanzgericht verklaart, dat het voornemens is zijn rechtspraak inzake het veerbotenverkeer opnieuw in overweging te nemen, en te dien einde stelt het een aantal prejudiciële vragen.

Volgens het Finanzgericht ondervinden de levensmiddelenhandelaren aan de Noord- en Oostzeekust vooral nadeel van het verkeer met veerboten op de korte trajecten tussen de Bondsrepubliek Duitsland en Denemarken, aan boord waarvan met vrijstelling van douanerechten en belastingen kan worden gekocht, alsmede van de gecombineerde bootbusreizen.

Door deze praktijken ontgaat de plaatselijke groot- en kleinhandelaren een aanzienlijk gedeelte van de koopkracht van de bewoners van de Noord- en Oostzeekust.

B — De gemeenschapsregeling
1.

Verordening nr, 1544/69, zoals gewijzigd bij verordening nr. 3313/81 van de Raad van 17 november 1981, stelt goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van uit derde landen komende reizigers binnen bepaalde kwantitatieve en waardegrenzen vrij van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief, voor zover het invoer betreft waaraan elk handelskarakter vreemd is.

2.

Richtlijn nr. 69/169, zoals aangevuld bij de tweede richtlijn van 12 juni 1972 (PB L 139 van 1972, blz. 28), de derde richtlijn van 19 december 1978 (PB L 366 van 1978, blz. 28), de vierde richtlijn van dezelfde datum (ibid., blz. 31), richtlijn nr. 81/933/EEG van de Raad van 17 november 1981 (PB L 338 van 1981, blz. 2) en tenslotte richtlijn nr. 82/443/EEG van de Raad van 29 juni 1982 (PB L 206 van 1982, blz. 35) — regelt in artikel 1 de vrijstelling van omzetbelasting en accijnzen voor goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van uit derde landen komende reizigers, en bepaalt vervolgens in artikel 2, binnen welke waardegrenzen diezelfde vrijstelling geldt voor goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van uit Lid-Staten van de Gemeenschap komende reizigers; in artikel 4 worden dan de kwantitatieve beperkingen ten aanzien van de invoer met vrijstelling van omzetbelasting en accijnzen van de aldaar opgesomde goederen vastgesteld, terwijl artikel 6 tenslotte bepaalt, in welke gevallen en onder welke voorwaarden de Lid-Staten de nodige maatregelen moeten nemen ten aanzien van de verkoop in de kleinhandelsfase, teneinde ontheffing van omzetbelasting voor leveringen van goederen die de reizigers bij het verlaten van een Lid-Staat in hun persoonlijke bagage meevoeren, mogelijk te maken.

3.

Bij verordening nr. 1818/75 van de Raad van 10 juli 1975 betreffende de landbouwheffingen, compenserende bedragen en andere invoerheffingen die van toepassing zijn op landbouwprodukten en op bepaalde goederen, verkregen door verwerking van deze produkten, die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers (PB L 185 van 1975, blz. 3), is het toepassingsgebied van verordening nr. 1544/69 tot landbouwheffingen en andere invoerheffingen uitgebreid en in het reizigersverkeer tussen Lid-Staten een vrijstelling van compenserende bedragen en andere invoerheffingen ingesteld, waarvan de limieten en toepassingsvoorwaarden gelijk zijn aan die van de bij artikel 2 van richtlijn nr. 69/169/EEG ingevoerde vrijstelling.

C — Het procesverloop en de prejudiciële vragen

Bij beschikking van 4 augustus 1982 heeft het Finanzgericht Hamburg (Vie Senat) het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

Moeten verordening (EEG) nr. 1544/69 van de Raad van 23 juli 1969, zoals laatstelijk gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3313/81 van de Raad van 17 november 1981, verordening (EEG) nr. 1818/75 van de Raad van 10 juli 1975, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2780/78 van de Raad van 27 november 1978, en richtlijn nr. 69/169/EEG van de Raad van 28 mei 1969, zoals laatstelijk gewijzigd bij richtlijn nr. 81/933/EEG van de Raad van 17 november 1981, aldus worden uitgelegd, dat de daarin bedoelde vrijstellingen van invoerrechten, invoerheffingen op landbouwprodukten of door verwerking daarvan verkregen produkten en omzetbelasting en accijnzen ook gelden voor goederen die zich niet in de Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden respectievelijk niet met omzetbelasting of accijnzen van een Lid-Staat of een derde land zijn belast en door reizigers zijn gekocht aan boord van veerboten die het reizigersverkeer tussen een Lid-Staat en een derde land verzorgen?

2. Moeten de in de eerste vraag genoemde bepalingen aldus worden uitgelegd, dat bedoelde vrijstellingen ook gelden voor goederen die zich niet in de Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden respectievelijk niet met omzetbelasting of accijnzen van een Lid-Staat of een derde land zijn belast en door reizigers zijn gekocht aan boord van veerboten die het reizigersverkeer tussen Lid-Staten verzorgen?

3. Moeten de in de eerste vraag genoemde bepalingen aldus worden uitgelegd, dat bedoelde vrijstellingen ook gelden voor goederen die zich niet in de Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden respectievelijk niet met omzetbelasting of accijnzen van een Lid-Staat of een derde land zijn belast en door reizigers zijn gekocht aan boord van een schip dat vanuit een haven van een Lid-Staat vaart naar een haven van een andere Lid-Staat, waar de reizigers aan land gaan en vanwaar zij vervolgens, zonder dat in het land van aankomst belasting is geheven, over land naar de Lid-Staat van vertrek terugkeren?”

Het Finanzgericht acht de door verweerders in het hoofdgeding opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid ongegrond en verklaart in zijn verwijzingsbeschikking, van oordeel te zijn dat de rechtssituatie met betrekking tot de aan boord van veerboten respectievelijk tijdens gecombineerde bootbusreizen gekochte goederen onzeker is.

Het wijst er voorts op, dat in de Bondsrepubliek Duitsland gezagvoerders van schepen die goederen mogen inslaan, die goederen vrij van invoerrechten en belastingen kunnen betrekken en dat die mogelijkheid onder meer bestaat voor schepen die een buitenlandse haven aandoen.

Tenslotte wordt in de verwijzingsbeschikking het volgende overwogen:

a) Het reizigersverkeer met veerboten tussen derde landen en Lid-Staten Volgens het Finanzgericht kan verordening nr. 1544/69, gelet op haar bewoordingen en strekking, aldus worden uitgelegd, dat alleen op het grondgebied van een derde land gekochte goederen binnen de daarbij vastgestelde grenzen vrij van belasting mogen worden ingevoerd. Het Finanzgericht meent voor deze uitlegging steun te vinden in de samenhang tussen artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1544/69 en het Toerismeverdrag van New York, waaruit zou blijken dat de vrijstellingen het toeristenverkeer moeten vergemakkelijken, en niet de belastingvrije inkoop — met het oog op invoer — aan boord van veerboten. Het Finanzgericht acht het evenwel niet uitgesloten, dat verordening nr. 1544/69 niet een vergemakkelijking van het toeristenverkeer beoogt, maar een vlottere inklaring in het belang van de douanediensten. Dat doel zou niet worden bereikt, indien de douane verplicht was de herkomst vast te stellen van ingevoerde goederen waarvoor om vrijstelling van belasting wordt verzocht. Met betrekking tot de landbouwheffingen kan volgens het Finanzgericht artikel 1 van verordening nr. 1818/75 op grond van gelijkaardige overwegingen worden uitgelegd. Wat de omzetbelasting betreft, verwijst het Finanzgericht voor de uitlegging van richtlijn nr. 69/169/EEG naar de vierde overweging van haar considerans, volgens welke in de regel de goederen in het land van herkomst slechts inclusief belasting kunnen worden verworven. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat de richtlijn ziet op inkopen in het land van herkomst, en niet op inkopen aan boord van schepen.

b) Het intracommunautaire reizigersverkeer met veerboten Wat de landbouwheffingen betreft, geldt volgens het Finanzgericht hetgeen hiervoor over het veerbotenverkeer met derde landen is opgemerkt, ook voor de uitlegging van verordening nr. 1818/75. Met betrekking tot de omzetbelasting en accijnzen leidt het Finanzgericht uit artikel 4, lid 4, van richtlijn nr. 69/169 af, dat geen belastingvrijstellingen mogen worden toegestaan voor goederen die eerst tijdens de bootreis vrij van belasting zijn gekocht. Deze opvatting zou steun vinden in de considerans van deze richtlijn, omdat de met de richtlijn beoogde doelstellingen naar hun aard geen verband houden met het recht op belastingvrijstellingen tijdens bootreizen tussen Lid-Staten. De belastingvrije invoer dient ook niet ter voorkoming van dubbele belastingheffing. Gesteld daarentegen dat de richtlijn op analoge wijze moet worden toegepast, zouden voor aan boord van het schip gekochte goederen dezelfde vrijstellingen kunnen worden toegestaan als aan uit derde landen komende reizigers.

c) Met betrekking tot de gecombineerde bootbusreizen lijdt het volgens het Finanzgericht nauwelijks twijfel, dat bij invoer van aan boord van de boten gekochte goederen geen vrijstelling mag worden toegestaan wanneer die goederen in een andere Lid-Staat zonder formaliteiten met het oog op doorvoer zijn ingeklaard; in dat geval zou ook de andere Lid-Staat de goederen niet belastingvrij mogen inklaren. De verwijzingsbeschikking is op 18 oktober 1982 ter griffie van het Hof ingeschreven. Krachtens artikel 20 van 's Hofs Sta-tuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door Rewe-Handelsgesellschaft Nord mbH en Rewe-Markt Kureit, vertegenwoordigd door G. Meier, juridisch hoofdadviseur van Rewe-Central AG; de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door Deringer, Tessin, Hermann en Sedemund, advocaten te Keulen; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door G. Dagtoglou van het Treasury Solicitor's Department als gemachtigde; de regering van de Ierse Republiek, vertegenwoordigd door L. J. Dockery, Chief State Solicitor, als gemachtigde; en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur E. Zimmermann. Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het heeft evenwel besloten de Commissie te verzoeken om overlegging, vóór de mondelinge behandeling, van haar recente voorstellen voor richtlijnen betreffende de vrijstelling van douanerechten en belastingen voor goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers, en betreffende de regeling voor de verkoop vanuit onder douanetoezicht staande verkoopinrichtingen.

II — Bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen

A — De ontvankelijkheid van het prejudiciële verzoek

Onder verwijzing naar de beschikking van het Hof van 28 maart 1980 (gevoegde zaken 24 en 97/80 R, Commissie t. Frankrijk, Jurispr. 1980, blz. 1319), trekken verzoeksters in het hoofdgeding de ontvankelijkheid van het prejudiciële verzoek in twijfel.

Het Hof heeft zich in voornoemd arrest van 7 juli 1981 (zaak 158/80) reeds ondubbelzinnig over de onverenigbaarheid van de „Butterfahrten” met het gemeenschapsrecht uitgesproken, en dit niet alleen ten aanzien van de vrijstelling van invoerrechten, doch ook ten aanzien van de vrijstelling van accijnzen. De verplichting om onverwijld alle nodige maatregelen te treffen ter uitvoering van een arrest van het Hof, geldt voor alle organen van een Lid-Staat, niet alleen wanneer het Hof een arrest wijst krachtens de gezamenlijke bepalingen van de artikelen 169, 170 en 171 EEG-Verdrag, doch ook wanneer zijn arrest op artikel 177 berust.

De Bondsrepubliek heeft daarentegen besloten, de uitspraak van het Hof in zaak 158/80 op bepaalde wezenlijke punten niet na te komen.

Dit rechtvaardigt het vermoeden, dat de Bondsregering en de Duitse douaneautoriteiten zich evenmin zullen voegen naar een nieuw arrest van het Hof, zoals het Finanzgericht Hamburg er met zijn verwijzingsbeschikking van 4 augustus 1982 een wenst te verkrijgen, ongeacht de inhoud van dat arrest.

Aangezien de conclusies in het hoofdgeding in zaak 158/80 volledig overeenstemmen met die in de onderhavige zaak, verlangt de nationale rechter van het Hof een arrest met in wezen hetzelfde voorwerp als dat van het arrest van 7 juni 1981. Bijgevolg is de met de verwijzingsbeschikking gevraagde prejudiciële beslissing niet noodzakelijk in de zin van artikel 177 EEG-Verdrag.

B — Inleidende opmerkingen van enkele partijen
1.

Inleidende opmerkingen van het Verenigd Koninkrijk

De regering van het Verenigd Koninkrijk verklaart in de eerste plaats, dat zij alleen opmerkingen zal maken over de eerste twee prejudiciële vragen, die belangrijke problemen doen rijzen, met name wat de structuur en de kosten van het intracommunautaire reizigersverkeer betreft.

In de tweede plaats schetst zij de historische ontwikkeling van de speciale winkels voor de belastingvrije verkoop van goederen aan passagiers van schepen, vliegtuigen en luchtkussenvoertuigen. Zij wijst erop, dat wat aanvankelijk slechts een algemeen aanvaarde internationale gewoonte was, formeel is bekrachtigd door het op 4 juni 1954 ondertekende Internationale Verdrag inzake douanefaciliteiten ten behoeve van het toeristenverkeer (Verdrag van New York), waarbij alle Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap partij zijn.

Deze preferentiële regeling ten gunste van toeristen is door alle Lid-Staten toegepast en een dergelijke praktijk strookt trouwens met artikel 234 EEG-Verdrag.

In de derde plaats wijst de Britse regering erop, dat de afschaffing van de vrijstelling van omzetbelasting en accijnzen voor goederen die in belastingvrije winkels („duty-free shops”) op luchthavens en aan boord van vliegtuigen en schepen worden verkocht aan reizigers die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, ernstige economische en politieke gevolgen zou hebben.

Dit zou met name leiden tot een merkbare verslechtering van de financiële situatie van alle Britse ondernemingen die zich met intracommunautair reizigers- en vrachtvervoer bezig houden, ernstige sociale gevolgen hebben voor de vervoerondernemingen en voor sommige industrien in de produktiesector, wegens het wegvallen van deze uiterst belangrijke bron van inkomsten onmiddellijk tot een vrij aanzienlijke verhoging van de prijs van een Kanaalovertocht leiden, en het voortbestaan van bepaalde lijnen en vervoermaatschappijen rechtstreeks in gevaar brengen.

Volgens de Britse regering rijst in verband met de vragen in de onderhavige zaak het probleem of de Raad voornemens is een regeling tot wijziging van de stelsels van belastingvrije verkoop in voornoemde gevallen vast te stellen, dan wel de Lid-Staten het recht behouden om op dit gebied hun eigen voorschriften verder toe te passen.

2.

Inleidende opmerkingen van de regering van de Ierse Republiek

Ook de Ierse regering wijst op het belang van de status van de belastingvrije winkels aan boord van veerboten op geregelde lijnen, die in het geval van Ierland uitsluitend het verkeer tussen Lid-Staten onderhouden.

In een bijlage bij haar opmerkingen verklaart zij, dat de afschaffing van de belastingvrije verkoopinrichtingen ernstige gevolgen zou hebben voor de industrie, de werkgelegenheid en de financiële situatie van de betrokken scheepvaartondernemingen.

Tenslotte voert zij aan, dat Ierland als eilandstaat voor al zijn intracommunautaire handel op vrachtvervoer per schip of per vliegtuig is aangewezen en dat met de financiële opbrengst van de belastingvrije winkels op geregelde veerdiensten terdege rekening moet worden gehouden.

3.

Inleidende opmerkingen van de Commissie

De Commissie gaat eerst in op het arrest van het Hof van 7 juli 1981 (zaak 158/80), het vonnis van de verwijzende rechter van 13 januari 1982 en de overwegingen van de onderhavige verwijzingsbeschikking en geeft vervolgens een overzicht van de maatregelen die zij na het arrest van 7 juli 1981 zelf heeft getroffen.

Vooreerst heeft zij de regeringen van de Lid-Staten verzocht, uiterlijk op 1 april 1982 de nodige maatregelen te treffen om hun administratieve praktijk met voornoemd arrest in overeenstemming te brengen. Vervolgens heeft zij bij brief van 2 april 1982 tegen de Lid-Staten de procedure van artikel 169 EEG-Verdrag ingeleid en hun op 11 juni 1982 een met redenen omkleed advies toegezonden. Alle Lid-Staten hebben toen verklaard, dat zij de nodige maatregelen zouden treffen, opdat met ingang van 1 januari 1983 in het intracommunautaire verkeer goederen uit derde landen en landbouwprodukten niet langer vrij van douanerechten en landbouwheffingen aan reizigers zouden worden verkocht in de belastingvrije winkels op luchthavens en aan boord van vliegtuigen en schepen.

Tenslotte heeft zij tegen de Bondsrepubliek Duitsland een afzonderlijke procedure ingeleid ter zake van de voortzetting van de „Butterfahrten” en de daarmee gepaard gaande belastingvrije invoer van goederen in de persoonlijke bagage van reizigers.

Deze procedure heeft geleid tot een beroep wegens niet-nakoming ex artikel 169 EEG-Verdrag, ten Hove ingeschreven op 20 december 1982 (zaak 325/82).

Tenslotte beklemtoont de Commissie het onderscheid tussen de onderhavige zaak en die van de „Butterfahrten”.

Terwijl het in de zaak die tot het arrest van 7 juli 1981 heeft geleid, ging om boottochten waarbij niet of slechts symbolisch een ander land werd aangedaan, heeft de onderhavige zaak betrekking op inkopen met vrijstelling van douanerechten en belastingen aan boord van lijnschepen en veerboten en tijdens gecombineerde bootbusreizen.

C — Opmerkingen over de eigenlijke prejudiciële vragen
1. De vrijstelling van invoerrechten en landbouwheffingen
1.1. De eerste prejudiciële vraag: het reizigersverkeer tussen derde landen en Lid-Staten
a) Verzoeksters in het hoofdgeding

Volgens hen is de kernvraag, of reizigers die de betrokken goederen niet in een Lid-Staat of in een derde land, doch aan boord van een veerboot hebben gekocht, aanspraak kunnen maken op vrijstelling van invoerrechten.

In dit verband moet vooreerst de rechtspositie worden onderzocht van veerboten die tussen Lid-Staten en derde landen varen.

Verzoeksters beroepen zich in de eerste plaats op punt 1 van het dictum van 's Hofs arrest van 7 juli 1981, waaruit zij afleiden dat personen die de goederen waarvoor zij aanspraak maken op vrijstelling van invoerrechten, niet in het derde land, doch eerst aan boord van de veerboot hebben gekocht, a fortiori niet als uit een derde land komende reizigers kunnen worden beschouwd.

In de tweede plaats voeren zij aan dat, zoals het Finanzgericht Hamburg terecht heeft verklaard, deze uitlegging ook bevestiging vindt in artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1544/69.

Volgens deze bepaling moet voor als bagage ingeschreven goederen immers het bewijs worden geleverd, dat de reizigers deze als bagage heeft opgegeven bij de maatschappij die zijn vervoer heeft verzorgd. Deze regeling kan slechts worden gezien als de uitdrukking van de wil van de auteurs van de verordening, de vrijstelling van invoerrechten te beperken tot goederen die (tezamen met de reizigers) uit een derde land zijn binnengekomen.

Verzoeksters trekken hieruit het besluit, dat bij gebreke van duidelijke, in geval van twijfel restrictief uit te leggen, uitzonderingsbepalingen, goederen die zijn gekocht aan boord van veerboten die tussen een Lid-Staat (het land van invoer) en een derde land varen, bij invoer in de Gemeenschap volledig onder de bepalingen van het gemeenschappelijk douanetarief vallen.

b) De regering van de Bondsrepubliek Duitsland, de Britse regering en de Commissie nemen in hun opmerkingen het tegenovergestelde standpunt in

In zoverre zij overeenstemmen, verwijzen hun opmerkingen in de eerste plaats naar punt 1 van het dictum van het arrest van het Hof van 7 juli 1981, luidens hetwelk de door het gemeenschapsrecht voorziene vrijstelling van invoerrechten enkel geldt voor goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers die uit een derde land komen, ongeacht oorsprong en herkomst van de goederen en ongeacht de douanerechten en andere belastingen die daarop vóór hun invoer in de Gemeenschap zijn geheven.

De vrijstellingen in het reizigersverkeer met derde landen hangen dus niet af van de fiscaalrechtelijke status van de goederen, noch van hun oorsprong of de omstandigheden waaronder zij zijn gekocht, zodat men tot de slotsom moet komen, dat zij ook gelden voor goederen die de reizigers aan boord van veerboten vrij van invoerrechten of zelfs vrij van belastingen hebben gekocht.

De bezwaren die het Finanzgericht hiertegen heeft, lijken dan ook niet gegrond.

Bovendien vindt de tegengestelde opvatting geen steun in de strekking van verordening nr. 1544/69, noch in de tekst van artikel 1, lid 1, tweede alinea, waar het begrip persoonlijke bagage wordt omschreven.

Hetzelfde geldt voor de heffingen op landbouwprodukten, aangezien artikel 1 van verordening nr. 1818/75 van de Raad het toepassingsgebied van verordening nr. 1544/69 heeft uitgebreid tot de landbouwheffingen en andere invoerheffingen bedoeld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, zodat voor de vrijstelling van deze heffingen dezelfde bepalingen gelden als voor de vrijstelling van invoerrechten.

De Duitse regering voert voorts aan, dat een andere uitlegging van verordening nr. 1544/69 volledig in strijd zou zijn met de tot dusver in het internationale reizigersverkeer per schip en per vliegtuig gevolgde praktijk. Het op 4 juni 1954 ondertekende Verdrag inzake douanefaciliteiten ten behoeve van het toeristenverkeer is in dit verband irrelevant.

De door de gemeenschapsregeling voorziene vrijstelling is immers ruimer dan die van voornoemd verdrag, die geldt voor het reisgoed van toeristen, dat wil zeggen personen die een bepaalde tijd in een land komen doorbrengen en hun benodigdheden voor onderweg uit het buitenland meebrengen. Onder de gemeenschapsregeling vallen daarentegen ook goederen die zich bevinden in de persoonlijke bagage van reizigers die naar hun land terugkeren.

Het doel van de gemeenschapsregeling, de inklaring van goederen in het reizigersverkeer met derde landen te vergemakkelijken, zou niet worden bereikt, indien de herkomst van de goederen waarvoor vrijstelling van invoerrechten wordt gevraagd, moest worden geverifieerd.

De Britse regering betoogt, dat de tweede en de derde overweging van de considerans van verordening nr. 1544/69 voor deze uitlegging pleiten.

De Commissie voert dezelfde argumenten aan en merkt op, dat zij de twijfels van het Finanzgericht Hamburg op dit punt dan ook niet deelt. Voorts gelden volgens haar de vrijstellingen slechts voor zover het om echt reizigersverkeer met derde landen gaat.

1.2. De tweede prejudiciële vraag: het intracommunautaire reizigersverkeer

Op dit punt stemmen de opmerkingen van verzoeksters in het hoofdgeding, de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, de Britse regering en de Commissie overeen: gelijk het Hof in voornoemde zaak 158/80 heeft verklaard, geldt volgens verordening nr. 1544/69, die een uitputtende regeling terzake bevat, de vrijstelling van invoerrechten enkel voor goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers die uit derde landen komen. De Lid-Staten is geen bevoegdheid gelaten om op dit gebied vrijstellingen toe te staan die verder gaan dan die welke door het gemeenschapsrecht zijn voorzien. In het intracommunautaire reizigersverkeer is voor dergelijke vrijstellingen dan ook geen plaats.

De regering van de Bondsrepubliek Duitsland voert in dit verband voorts aan, dat de Duitse regeling aan deze rechtssituatie is aangepast bij verordening van 28 september 1982, die uitdrukkeiijk bepaalt dat goederen die zich niet in het vrije verkeer bevinden, bij binnenkomst vanuit een andere Lid-Staat of bij binnenkomst in een Duitse haven niet voor vrijstelling van invoerrechten in aanmerking komen.

De algemene douaneregeling („Allgemeine Zollordnung”) is eveneens in die zin gewijzigd en bepaalt thans dat aan schepen die geen haven in een derde land aandoen, niet langer goederen mogen worden geleverd die zich niet in het vrije verkeer bevinden, tenzij ze voor onmiddellijk verbruik aan boord zijn bestemd.

Goederen die zich douanerechtelijk in het vrije verkeer bevinden, maar waarop geen andere belastingen zijn geheven en die in het intracommunautaire reizigersverkeer worden ingevoerd, zijn evenwel ook volgens de gewijzigde Duitse bepalingen vrijgesteld van belasting, mits zij de voor het reizigersverkeer met derde landen geldende kwantitatieve of waardegrenzen niet overschrijden.

De Britse regering verklaart van mening te zijn, dat alle goederen die door reizigers worden gekocht aan boord van veerboten die het intracommunautaire reizigersverkeer verzorgen, aan de voorwaarden van de artikelen 9 en 10 EEG-Verdrag moeten voldoen.

Evenals andere Lid-Staten heeft het Verenigd Koninkrijk zich aan deze uitlegging van de verordening gehouden, door aan alle „duty-free”-verkopen aan reizigers in het intracommunautaire verkeer een dergelijke voorwaarde te verbinden.

Volgens de Commissie zou, gelet op de bewoordingen van verordening nr. 1544/69, het probleem van de verkoop van goederen met vrijstelling van douanerechten in het intracommunautaire reizigersverkeer zich niet mogen voordoen.

Bij de beantwoording van de onderhavige vraag moet ervan worden uitgegaan, dat dergelijke goederen ook worden aangeboden en gekocht aan boord van veerboten die tussen havens van verschillende Lid-Staten varen.

1.3. De derde prejudiciële vraag: bet gecombineerde intracommunautaire reizigersverkeer (heenreis per schip/terugreis per autobus)

a) Op dit punt stemmen de opmerkingen van verzoeksters in het hoofdgeding en van de Commissie overeen. Het uitgangspunt van deze vraag is in wezen hetzelfde als dat van de tweede, alleen met dit verschil dat de reizigers per schip of per veerboot van een Lid-Staat naar een andere Lid-Staat varen, daar van boord gaan en vervolgens over land, per autobus, terugkeren naar de Lid-Staat van vertrek en dat de goederen die aan boord van het schip vrij van rechten en heffingen zijn gekocht, bij aankomst in de haven van de andere Lid-Staat noch bij terugkeer in de Lid-Staat van vertrek door rechten of heffingen worden getroffen. Verzoeksters en de Commissie verwijzen op dit punt dan ook naar hun opmerkingen over de verkoop van goederen met vrijstelling van invoerrechten en landbouwheffingen in het intracommunautaire reizigersverkeer en voeren aan, dat ook in dit geval deze vrijstellingen niet mogen worden toegestaan. Verzoeksters beklemtonen, dat de aan boord van de veerboot gekochte goederen in de Lid-Staat van aankomst moeten worden belast; in ieder geval moeten in de Lid-Staat van vertrek rechten worden geheven wanneer de reiziger daarnaar terugkeert en de goederen die hij bij zich had, in de Lid-Staat van aankomst alleen voor doorvoer zonder formaliteiten zijn vrijgegeven. Volgens de Commissie vertoont dit geval punten van overeenkomst met de „Butterfahrten”, aangezien het in beide gevallen gaat om georganiseerde excursies die in wezen de reizigers de mogelijkheid willen bieden, met vrijstelling van invoerrechten en belastingen goederen te kopen die normaal door hoge rechten worden getroffen. Weliswaar gaan bij de gecombineerde bootbusreizen de reizigers in de haven van een andere Lid-Staat aan land, terwijl bij de „Butterfahrten” hetzij in het geheel geen derde land of andere Lid-Staat wordt aangedaan, hetzij in zodanige omstandigheden dat de reizigers niet van boord kunnen gaan om inkopen te doen. Volgens de Commissie kan evenwel in het midden worden gelaten, of de deelnemers aan bootbusreizen de mogelijkheid hebben om in de haven van aankomst inkopen te verrichten; de prejudiciële vraag betreft immers uitsluitend de goederen die de reizigers vrij van belasting hebben gekocht aan boord van het schip waarmee zij de excursie hebben gemaakt.

b) De regering van de Bondsrepubliek Duitsland maakt op dit punt de volgende opmerkingen. Vooraf wijst zij erop, dat deze vraag en de twee overige vragen van het Finanzgericht betrekking kunnen hebben op twee categorieën van goederen.

Onder „goederen die zich niet in de Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden” moeten de produkten uit derde landen worden verstaan, die niet door de daarop toepasselijke rechten van het gemeenschappelijk douanetarief zijn getroffen en zich bijgevolg (vanuit douanerechtelijk oogpunt) niet in een Lid-Staat in het vrije verkeer bevinden in de zin van artikel 10, lid 1, EEG-Verdrag en de richtlijnen ter uitvoering daarvan.

Daarmee moeten worden gelijkgesteld de goederen bedoeld in artikel 1, lid 2, sub b, van verordening nr. 222/77 van de Raad van 13 december 1976 (PB L 38 van 1977, blz. 1).

Naast deze „niet-vrijgemaakte” goederen ziet de vraag van het Finanzgericht ook op produkten die zich weliswaar douanerechtelijk in het vrije verkeer bevinden, doch niet door omzetbelasting of accijnzen van een Lid-Staat zijn getroffen, alsmede goederen die in een Lid-Staat van belasting zijn vrijgesteld „niet-belaste” goederen).

De opmerkingen van de Duitse regering in verband met deze vraag hebben zowel betrekking op de vrijstelling van invoerrechten als op de vrijstelling van invoerheffingen op landbouwprodukten en de vrijstelling van omzetbelasting en accijnzen.

Volgens de Duitse regering gaat het Finanzgericht er bij zijn derde vraag van uit, dat goederen die „vrij van rechten” zijn gekocht aan boord van een schip dat tussen de havens van verschillende Lid-Staten vaart, en die deel uitmaken van de bagage van de reizigers die het schip verlaten, in de haven van aankomst niet in het vrije verkeer worden gebracht, doch onder een dporvoerregeling worden geplaatst.

In dat geval bevindt de Lid-Staat waarnaar de reizigers over land terugkeren, zich in dezelfde situatie als die waarin de Lid-Staat waar de bootreis is geëindigd zich zou hebben bevonden, indien de goederen daar in het vrije verkeer waren gebracht.

De Duitse regering trekt hieruit de volgende conclusies:

Op goederen die zich niet in een Lid-Staat in het vrije verkeer bevinden, moeten invoerrechten worden geheven; vrijstelling daarvan is uitgesloten.

Goederen die zich weliswaar douanerechtelijk in het vrije verkeer bevinden, doch vrij van belasting — dat wil zeggen niet onder de voor de binnenlandse markt geldende voorwaarden — zijn verkregen, zijn binnen de voor het reizigersverkeer met derde landen vastgestelde grenzen van belasting vrijgesteld.

Dezelfde behandeling moet bij terugkeer in de Lid-Staat van vertrek worden toegepast op goederen die in de haven van aankomst niet in het vrije verkeer zijn gebracht, maar onder een doorvoerregeling zijn geplaatst.

Goederen die in de haven van aankomst in het vrije verkeer zijn gebracht, moeten daarentegen bij terugkeer in de Lid-Staat van vertrek binnen de bij de artikelen 2 en 4, lid 1, kolom II, van richtlijn nr. 69/169/EEG bepaalde grenzen worden vrijgesteld van belasting, zelfs wanneer bij het in het vrije verkeer brengen de heffing van eventueel verschuldigde invoerrechten achterwege is gelaten.

In het algemeen is de Duitse regering van oordeel, dat de vraag hoe een informele inklaring in de haven van aankomst moet worden gekwalificeerd — als toelating tot het vrije verkeer of als plaatsing onder een doorvoerregeling —, een feitelijke vraag is en dat wellicht van toelating tot het vrije verkeer kan worden gesproken, indien de aan boord gekochte goederen zonder fiscaalrechtelijke gevolgen kunnen worden verkocht aan inwoners van de Lid-Staat waar de bootreis is geëindigd.

Tenslotte doet het ook in dat geval niet ter zake, of in een derde land over de goederen rechten zijn geheven.

2. Vrijstelling van omzetbelasting en accijnzen
2.1. De regering van de Ierse Republiek heeft opmerkingen ingediend die betrekking hebben op de drie prejudiciële vragen te zamen

Uit de omstandigheid dat richtlijn nr. 69/169/EEG door de Zes is vastgesteld vóór de toetreding van Ierland, uit de tekst van de laatste overweging van de considerans van de tweede richtlijn van de Raad (nr. 72/230/EEG) en uit de conclusie van de advocaat-generaal in voornoemde zaak 158/80 leidt de Ierse regering af, dat bij gebreke van een gemeenschapsregeling betreffende de belastingvrije winkels op geregelde veerdiensten de Lid-Staten op dit gebied over een discretionaire bevoegdheid beschikken.

Deze zienswijze vindt haars inziens ook steun in de volgende zes argumenten:

ten eerste: er bestaan oudere volkenrechtelijke verplichtingen, met name voortvloeiende uit het Verdrag van New York, waarbij Ierland vóór zijn toetreding tot de Gemeenschap partij is geworden;

ten tweede: de Commissie heeft haar voorstel van 22 september 1972 voor een derde richtlijn (tot wijziging van richtlijn nr. 69/169/EEG), dat onder meer uitdrukkelijk betrekking had op belastingvrije inkopen op geregelde veerdiensten en tot afschaffing daarvan zou hebben geleid, teruggenomen;

ten derde: de zinsnede „onverminderd de regeling welke van toepassing is op de verkoop vanuit onder douanetoezicht staande verkoopinrichtingen in luchthavens en op de verkoop aan boord van vliegtuigen” in artikel 6, lid 2, van richtlijn nr. 69/169 beperkt het toepassingsgebied van de richtlijn en erkent het bestaan in de intracommunautaire handel van belastingvrijstellingen op grond van het nationale recht. Aangezien ten tijde van de vaststelling van de richtlijn nog geen enkele eilandstaat lid van de Gemeenschap was, lijkt het aannemelijk dat, ofschoon de auteurs alleen voor de belastingvrije winkels in het luchtverkeer uitdrukkelijk een uitzondering hebben gemaakt, het eigenlijk de bedoeling was dat die uitzondering zou gelden voor alle reizigersverkeer, verkeer met veerboten daaronder begrepen;

ten vierde: de richtlijnen van de Raad op dit gebied zijn harmonisatiemaatregelen die hun rechtsgrondslag hebben in artikel 99 EEG-Verdrag;

ten vijfde: luidens de laatste overweging van de considerans van richtlijn nr. 72/230/EEG gelden de richtlijnen voor belastingontheffingen „in het algemeen”, terwijl de hier bedoelde belastingvrijstelling een uitzonderingskarakter heeft;

ten zesde en ten laatste: uit het feit dat luidens de laatste overweging van de considerans van richtlijn nr. 72/230/EEG de algehele afschaffing van de belastingvrijstellingen slechts geleidelijk kan worden verwezenlijkt, blijkt duidelijk dat de betrokken regeling een beperkt toepassingsgebied heeft en de „duty-free” stelsels daarvan zijn uitgesloten.

Volgens de Ierse regering moet in aanmerking worden genomen, dat de bestaande belastingvrijstellingen op geregelde veerdiensten niet alleen economische voordelen bieden, maar bovendien de bevolking van de Lid-Staten het bestaan van een gemeenschappelijke markt sterker doen beseffen, de burgers van de Gemeenschap ertoe aanzetten naar andere Lid-Staten te reizen, en aldus tot wederzijdse culturele en menselijke verrijking leiden.

Volgens haar zou het Hof moeten verklaren dat, nu de gemeenschapsinstellingen er tot dusver niet in zijn geslaagd de nodige maatregelen te treffen, de belastingvrije verkoop op geregelde veerdiensten in het intracommunautaire reizigersverkeer buiten het toepassingsgebied van richtlijn nr. 69/169/EEG valt.

Een uitspraak van het Hof in die zin zou voor de gemeenschapsinstellingen een aansporing zijn, het harmonisatieproces in deze sector te versnellen, hetgeen de Ierse regering uitermate wenselijk acht.

2.2. De overige bij bet Hof ingediende opmerkingen hebben betrekking op elk van de prejudiciële vragen afzonderlijk
2.2.1. De eerste prejudiciële vraag: het reizigersverkeer tussen derde landen en Lid-Staten

a) Verzoeksters in bet hoofdgeding menen, dat tijdens dergelijke reizen gekochte goederen niet voor enige vrijstelling in aanmerking komen, omdat de uitdrukking „uit derde landen komende reizigers” in richtlijn nr. 69/169/EEG niet anders kan worden uitgelegd dan in verordening nr. 1544/69. Tot staving van dit betoog voeren verzoeksters vier argumenten aan : Ten eerste: een dergelijke uitlegging vloeit voort uit de ontstaansgeschiedenis van de betrokken regeling, zoals het Hof in zijn arrest in zaak 158/80 heeft aangegeven. Ten tweede: artikel 3, lid 3, van richtlijn nr. 69/169 bepaalt, dat de reiziger ten aanzien van ingeschreven bagage het bewijs moet leveren, dat deze bij zijn vertrek als begeleide bagage was ingeschreven bij de maatschappij die zijn vervoer heeft verzorgd. Op het gebied van belastingvrijstellingen gaat de communautaire wetgever er dus van uit, dat goederen die voor vrijstelling in aanmerking komen, in ieder geval in het derde land moeten zijn gekocht. Ten derde: deze uitlegging vindt ook steun in de vierde overweging van de considerans van richtlijn nr. 69/169/EEG, volgens welke belastingfaciliteiten moeten worden verleend omdat de goederen — in het derde land of in een andere Lid-Staat — inclusief belasting zijn verworven en dubbele belastingheffing moet worden voorkomen. In het onderhavige geval worden de goederen door de scheepseigenaren of reders daarentegen over het algemeen vrij van belasting ingekocht en zou een vrijstelling van die goederen bij invoer in een Lid-Staat geen dubbele belastingheffing voorkomen, doch een fiscaal voorrecht vormen. Voor aan boord van veerboten aangeboden, niet uit de Gemeenschap afkomstige goederen zou een dergelijke vrijstelling bovendien afbreuk doen aan het beginsel van de communautaire preferentie. Ten vierde: ingevolge de bepalingen van de zesde BTW-richtlijn (nr. 77/388/EEG) zijn de Lid-Staten ten aanzien van alle invoer tot heffing van omzetbelasting gehouden, tenzij aan de voorwaarden voor vrijstelling op grond van artikel 14, lid 1, is voldaan (hetgeen in casu niet het geval is). Bijgevolg moet richtlijn nr. 69/169/EEG, die als een uitzonderingsregeling is te beschouwen, restrictief worden uitgelegd en moeten goederen, gekocht aan boord van veerboten die het verkeer tussen een derde land en een Lid-Staat verzorgen, bij invoer in die Lid-Staat aan omzetbelasting en accijnzen worden onderworpen.

b) De regering van de Bondsrepubliek Duitsland, de Britse regering en de Commissie verdedigen daarentegen het standpunt, dat de belastingvrijstellingen van richtlijn nr. 69/169/EEG, zoals gewijzigd, gelden voor de in de verwijzingsbeschikking bedoelde goederen, voor zover deze door reizigers zijn gekocht aan boord van veerboten die het verkeer tussen een derde land en een Lid-Staat verzorgen.

Volgens hun opmerkingen, die in zoverre overeenstemmen, kan zulks worden afgeleid uit artikel 1 van richtlijn nr. 69/169/EEG en uit het arrest van het Hof in zaak 158/80 (r.o. 34).

Evenals bij de vrijstelling van invoerrechten is het bijgevolg voor de toekenning van de belastingvrijstelling irrelevant, waar de reiziger de in zijn bagage meegevoerde goederen heeft gekocht, of dit nu in het betrokken derde land of aan boord van de veerboot is.

2.2.2. De tweede prejudiciële vraag: het intracommunautaire reizigersverkeer

Verzoeksters in het hoofdgeding betogen, dat de door de gemeenschapsregeling voorziene vrijstelling van omzetbelasting en accijnzen niet geldt voor de in de verwijzingsbeschikking bedoelde, tijdens dergelijke reizen gekochte goederen.

Tot staving van deze zienswijze voeren zij drie argumenten aan:

Ten eerste: volgens artikel 2, lid 1, van richtlijn nr. 69/169/EEG kunnen van omzetbelasting en accijnzen alleen goederen worden vrijgesteld die uit Lid-Staten van de Gemeenschap komende reizigers onder de algemene belastingregeling van de binnenlandse markt van een Lid-Staat hebben verkregen.

Het gaat hier om een wezenlijke voorwaarde voor de toekenning van vrijstelling, die niet door een loutere procedureregel als artikel 2, lid 4, van de richtlijn opzij kan worden gezet.

Aan boord van veerboten gekochte goederen kunnen niet worden geacht deel uit te maken van de bagage van uit een Lid-Staat komende reizigers en zijn bovendien niet onder de algemene belastingregeling van de binnenlandse markt van een Lid-Staat, doch bij uitzondering vrij van belasting verkregen,

Ten tweede: volgens artikel 2, lid 4, van de richtlijn hebben weliswaar uit Lid-Staten komende reizigers die niet kunnen aantonen dat de in hun bagage meegevoerde goederen onder de algemene belastingregeling van de binnenlandse markt van een Lid-Staat zijn verkregen, onder bepaalde voorwaarden recht op de vrijstelling die geldt voor het reizigersverkeer met derde landen. Met deze bepaling kan in casu echter geen rekening worden gehouden. Zij is niet toepasselijk op het veerbotenverkeer tussen Lid-Staten en in casu gaat het niet om een van de twee in artikel 2, lid 4, bedoelde gevallen.

Ten derde: in zoverre richtlijn nr. 69/169/EEG aan de algemene bepalingen van het gemeenschappelijk douanetarief derogeert, moet zij restrictief worden uitgelegd.

De regering van de Bondsrepubliek Duitsland heeft over dit punt van de verwijzingsbeschikking het volgende opgemerkt:

Ten eerste: het gaat hier om een nieuwe vraag, waarop punt 5 noch punt 6 van het dictum van het arrest van het Hof van 7 juli 1981 (zaak 158/80) een antwoord geeft.

Ten tweede: vrij van belasting gekochte goederen ten aanzien waarvan de belastingvrijstelling niet aan kwantitatieve beperkingen is onderworpen, zijn in het intracommunautaire reizigersverkeer niet binnen de bij artikel 2, lid 1, van richtlijn nr. 69/169/EEG vastgestelde waardegrenzen van belasting vrijgesteld, omdat zij niet onder de algemene belastingregeling van de binnenlandse markt van een Lid-Staat zijn verkregen.

Ten derde : met betrekking tot goederen ten aanzien waarvan aan de belastingvrijstelling kwantitatieve beperkingen zijn gesteld (tabaksprodukten, alcoholische dranken, parfum, koffie en thee) en die een aanzienlijk gedeelte van de inkopen aan boord van veerboten vertegenwoordigen, verbindt het gemeenschapsrecht aan de toekenning van de voor het intracommunautaire verkeer geldende vrijstellingen niet uitdrukkelijk de voorwaarde, dat, deze goederen onder de regeling van de binnenlandse markt van een Lid-Staat zijn verkregen.

Uit artikel 4, lid 4, van de richtlijn volgt evenwel, dat die voorwaarde ook voor „zwaarbelastbare” goederen geldt.

Ten vierde: ingevolge de artikelen 2 en 4 van de richtlijn kunnen vrij van belasting gekochte goederen in het intracommunautaire reizigersverkeer weliswaar niet van bij invoer geheven omzetbelasting en accijnzen worden vrijgesteld, doch dit betekent nog niet dat zij ook niet in aanmerking kunnen komen voor de vrijstellingen die volgens de artikelen 1 en 4, lid 1, kolom I, van de richtlijn in het reizigersverkeer met derde landen gelden. Laatstbedoelde vrijstellingen, die minder omvangrijk zijn, worden in de Bondsrepubliek Duitsland evenals in de overige Lid-Staten in het intracommunautaire reizigersverkeer per veerboot en per vliegtuig toegestaan.

Volgens de Duitse regering is deze praktijk niet in strijd met de richtlijn, ook al bevat deze laatste geen uitdrukkelijke bepalingen betreffende in het intracommunautaire verkeer vrij van belasting gekochte goederen.

Blijkens de voorlaatste overweging van de considerans van de richtlijn is de Raad ervan uitgegaan, dat goederen die in het intracommunautaire reizigersverkeer worden ingevoerd, in het land van herkomst in de regel inclusief belasting zijn verworven. Het kon de Raad niet onbekend zijn, dat er uitzonderingen op deze regel bestaan. Dit wordt bevestigd door artikel 6 van de richtlijn, zoals gewijzigd, dat de verkoop vanuit onder douanetoezicht staande verkoopinrichtingen in luchthavens en aan boord van vliegtuigen van het algemene stelsel van belastingvrijstellingen voor de levering van goederen aan reizigers in het intracommunautaire verkeer uitsluit.

Deze uitzonderingsbepaling, die slechts zin heeft in samenhang met een beperkte belastingvrijstelling in het land van aankomst, moet op het gelijkaardige geval van het reizigersverkeer met veerboten worden getransponeerd.

Worden deze goederen bij aankomst in beperkte mate — doch niet binnen de voor inkopen onder de voorwaarden van de binnenlandse markt geldende grenzen — vrijgesteld van belasting, dan ontstaat daardoor geen situatie die uniek zou zijn in het gemeenschapsrecht. Van een vergelijkbare situatie is veeleer ook sprake bij de invoer van goederen in het kader van het reizigersverkeer door leden van de strijdkrachten van een Lid-Staat, die in een andere Lid-Staat zijn gestationeerd (artikel 5, lid 3, van de richtlijn).

Tot staving van dit betoog voert de Duitse regering voorts aan dat, anders dan douanerechten, accijnzen tot dusver niet onder een verbindende gemeenschapsregeling vallen. Zo zijn tot op heden in wezen noch de structuren noch de tarieven van de accijnzen geharmoniseerd.

Derhalve bestaat er op het gebied van de accijnzen geen onderscheid tussen invoer uit derde landen en invoer uit de Gemeenschap.

Bij gebreke van een harmonisatie van de accijnzen is geen objectieve grond voorhanden om in belastingvrije winkels gekochte goederen bij invoer uit de Gemeenschap ongunstiger te behandelen dan bij invoer uit derde landen.

Ter weerlegging van de bezwaren die de vewijzende rechter hiertegen inbrengt, wijst de Duitse regering erop, dat uit de bepalingen van de richtlijn noch uit haar considerans kan worden afgeleid, dat alleen op het grondgebied van een staat — en niet aan boord van een schip — gekochte goederen in het intracommunautaire verkeer van belasting kunnen worden vrijgesteld.

De richtlijn laat ook niet de conclusie toe, dat de belastingvrijstelling volledig vervalt, wanneer niet is voldaan aan de voorwaarden die de richtlijn aan de toekenning van de — ruimere — vrijstelling voor reeds ten volle belaste produkten in het intracommunautaire verkeer verbindt.

Tenslotte is voor de vrijstelling niet van belang, of de aan boord van vervoermiddelen in het intracommunautaire verkeer gekochte goederen in een derde land door belasting zijn getroffen.

De regering van bet Verenigd Koninkrijk is van oordeel, dat de beantwoording van dit onderdeel van de prejudiciële vraag van het allergrootste belang is. Stelsels van belastingvrije verkoop aan reizigers waren lang voor de oprichting van de Gemeenschap volkenrechtelijk erkend.

Het is dan ook ondenkbaar dat zij zouden worden afgeschaft zonder dat met eerbiediging van alle door het Verdrag gewilde waarborgen bijzondere regels van gemeenschapsrecht zijn vastgesteld.

Dergelijke regels bestaan niet. Veeleer wordt het voortbestaan van de „dutyfree shops” uitdrukkelijk erkend door artikel 6, lid 2, van richtlijn nr. 69/169/EEG, zoals gewijzigd.

Tot staving van deze zienswijze beroept de regering van het Verenigd Koninkrijk zich in de eerste plaats op de ontstaansgeschiedenis van de gemeenschapsregeling terzake, in de tweede plaats op de bewoordingen van richtlijn nr. 69/169/EEG en de richtlijnen tot wijziging daarvan, en in de derde plaats op de verenigbaarheid van een dergelijke uitlegging met het arrest van het Hof in zaak 158/80.

c)1. Ontstaansgeschiedenis van de gemeenschapsregeling
c)l.a) De voorstukken en de considerans van richtlijn nr. 69/169/EEG

In de eerste plaats wijst de Britse regering erop, dat ten tijde van de vaststelling van deze richtlijn de belastingvrije handel reeds een belangrijke economische activiteit was, zodat bij gebreke van een uitdrukkelijke wilsuiting in de considerans of in de tekst van de richtlijn het daarmee beoogde doel niet het doen verdwijnen van die handel kon zijn.

Ware dit wel het geval geweest, dan had deze bedoeling, gelet op de artikelen 190 en 234 EEG-Verdrag, duidelijk tot uitdrukking moeten zijn gebracht.

Met de opmerking in de vierde overweging van de considerans van de richtlijn, dat goederen in de regel in het land van herkomst slechts inclusief belasting kunnen worden verworven, wordt echter impliciet erkend dat het toen, in 1969, onder bijzondere omstandigheden mogelijk was goederen vrij van belasting uit het land van herkomst in te voeren.

Voorts was blijkens de tweede overweging van haar considerans een van de doeleinden van de richtlijn de verdere liberalisatie van de regeling voor de belastingheffing bij invoer in het reizigersverkeer tussen Lid-Staten. Een dergelijke overweging ware niet op haar plaats geweest, indien het de bedoeling was geweest de bestaande praktijk van belastingvrije verkoop aan reizigers af te schaffen.

In de tweede plaats vinden richtlijn nr. 69/169/EEG en de richtlijnen tot wijziging daarvan hun rechtsgrondslag in artikel 99 EEG-Verdrag, betreffende de harmonisatie van de indirecte belastingen, omzet- en verbruiksbelastingen daaronder begrepen. Verordening nr. 1544/69 van de Raad, betreffende de vrijstelling van invoerrechten, is daarentegen vastgesteld op grond van artikel 28 EEG-Verdrag.

Ook al heeft het Hof in zijn arrest in zaak 158/80 verklaard, dat verordening nr. 1544/69 voor de materie waarop zij van toepassing is, een volledige gemeenschapsregeling bevat, dan nog vormen richtlijn nr. 69/169/EEG en de latere wijzigingsrichtlijnen een regeling met het oog op de harmonisatie van de fiscale wetgeving van de Lid-Staten. De verschillende betekenis van de twee voornoemde verdragsbepalingen ligt trouwens impliciet aan 's Hofs redenering ten grondslag.

In de derde plaats meent de Britse regering dat, ondanks de twijfels en meningsverschillen over de uitlegging van artikel 6, lid 1, van de richtlijn, deze bepaling in werkelijkheid slechts de heffing van belasting op reeds belaste en de vrijstellingen van de richtlijn in aanmerking komende goederen uitsluit.

Na onderzoek van dit probleem kwam de Commissie tot de conclusie, dat het wenselijk was aanvullende bepalingen voor te stellen teneinde de ontheffing van belasting uitdrukkelijk te beperken voor goederen waarvoor reeds de door de richtlijn voorziene vrijstellingen waren toegekend.

Volgens de Britse regering was het op dat ogenblik duidelijk, dat die voorstellen geen betrekking hadden op de verkoop vanuit onder douanetoezicht staande verkoopinrichtingen in luchthavens noch op de verkoop aan boord van vliegtuigen, waarvoor aan een later voorstel van de Commissie werd gedacht.

Deze zienswijze wordt bevestigd door het voorstel van de Commissie voor een tweede richtlijn tot wijziging van de oorspronkelijke richtlijn (PB C 106 van 1971, blz. 16). Bij richtlijn nr. 72/230/EEG is artikel 6 van de oorspronkelijke richtlijn gewijzigd en — wat zeer belangrijk is — in de aanhef van het nieuwe lid 2 van artikel 6 het volgende voorbehoud ingevoegd: „onverminderd de regeling welke geldt voor de verkoop vanuit onder douanetoezicht staande verkoopinrichtingen in luchthavens en voor de verkoop aan boord van vliegtuigen ...”. Door deze zinsnede werden reeds in de Lid-Staten bestaande stelsels van belastingvrije verkoop aan reizigers rechtens uitdrukkelijk erkend.

c)1.b) De latere regelingsvoorstellen

Na de vaststelling van richtlijn nr. 72/230/EEG van 12 juni 1972 diende de Commissie bij de Raad op 22 september 1972 een voorstel voor een derde richtlijn in (PB C 113 van 1972, blz. 15) en op 16 november van hetzelfde jaar een voorstel voor een verordening van de Raad (PB C 134 van 1972, blz. 34); deze bevatten bepalingen betreffende de belastingvrije verkoop in winkels op luchthavens en aan boord van vliegtuigen, schepen en luchtkussenvoertuigen.

Ofschoon deze voorstellen niet zijn aangenomen, blijkt alleen al uit het feit dat de Commissie in 1972 een bijzondere regeling betreffende belastingvrije winkels wenselijk achtte, dat richtlijn nr. 69/169/EEG — zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 72/230/EEG — nooit de afschaffing van de regelingen van de Lid-Staten betreffende belastingvrije verkoop tot doel of tot gevolg heeft gehad.

c)l.c) De latere wijzigingen van de richtlijn

Nu de zinsnede „onderminderd ...” is behouden in de derde richtlijn (nr. 78/1032), waarvan de considerans niet van de status van belastingvrije winkels rept, laat deze richtlijn volgens de Britse regering ook de in de Lid-Staten bestaande regelingen onverlet.

c)2. De tekst van richtlijn nr. 69/169, zoals gewijzigd
c)2.a) De betekenis van het voorbehoud „onverminderd ...” in artikel 6, lid 2, van de richtlijn

Volgens de Britse regering dient de juiste draagwijdte van dit voorbehoud te worden onderzocht, teneinde vast te stellen of het — ook al laat het de regelingen betreffende de verkoop vanuit onder douanetoezicht staande verkoopinrichtingen op luchthavens en de verkoop aan boord van vliegtuigen onverlet — kan worden geacht te gelden voor goederen die met vrijstelling van omzetbelasting en accijnzen worden verkocht aan reizigers aan boord van veerboten die tussen twee Lid-Staten varen.

Volgens de Britse regering is het evenwel wenselijk en in overeenstemming met het klaarblijkelijke doel van dit voorbehoud, het in die zin uit te leggen, dat het mede van toepassing is op regelingen betreffende verkopen aan land, met name in onder douanetoezicht staande winkels in hovercraftterminals, en op regelingen betreffende verkopen aan boord van veerboten in het intracommunautaire reizigersverkeer.

De richtlijn strekt immers tot handhaving van het algemene stelsel dat is ontstaan uit de verkoop aan boord van vervoermiddelen in het grensoverschrijdend verkeer.

Deze opvatting vindt steun in de omstandigheid dat er in 1969 respectievelijk 1972 tussen de oorspronkelijke Lid-Staten nog geen sprake was van geregeld verkeer met veerboten of luchtkussenvoertuigen, waarbij een handel in belastingvrije goederen had kunnen ontstaan.

In de praktijk bestaat er geen onderscheid tussen de verschillende regelingen betreffende verkopen vanuit onder douanetoezicht staande verkoopinrichtingen, of deze nu plaatsvinden in hovercraftterminals, op luchthavens of aan boord van vliegtuigen of veerboten.

De Britse regering trekt hieruit de conclusie, dat een extensieve uitlegging van het voorbehoud met het duidelijke doel van de bepaling strookt.

c)2.b) De overige bepalingen van richtlijn nr. 69/169/EEG, zoals gewijzigd

De gehele tekst van deze richtlijn, zoals gewijzigd, bevestigt de uitlegging dat het nooit de bedoeling is geweest, met bepalingen van gemeenschapsrecht de eigen regelingen van de Lid-Staten inzake belastingvrije verkoop en met name hun voorschriften betreffende omzetbelasting en accijnzen buiten werking te doen treden.

In zoverre richtlijn nr. 69/169/EEG, zoals gewijzigd, betrekking heeft op omzetbelastingen, derogeert zij aan het grondbeginsel, neergelegd in de zesde richtlijn van de Raad betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting (nr. 77/388/EEG), volgens hetwelk een omzetbelasting waarvan bij uitvoer vrijstelling is verleend, bij invoer in een andere Lid-Staat moet worden geheven. Binnen het beperkte toepassingsgebied van richtlijn nr. 69/169/EEG is het hoofddoel daarentegen de vrijstelling van belasting bij invoer in een andere Lid-Staat.

Ook artikel 2, lid 1, van richtlijn nr. 69/169/EEG, zoals gewijzigd, moet in deze context worden bezien.

Ingevolge deze bepaling mogen goederen bij invoer in een Lid-Staat weliswaar onder bepaalde omstandigheden worden vrijgesteld van omzetbelasting en accijnzen, doch alleen in zoverre zij onder de algemene belastingregeling van de binnenlandse markt van een Lid-Staat zijn verkregen. Artikel 2, lid 1, laat niet toe van deze voorwaarde af te wijken.

Het bepaalt dus binnen welke waardegrenzen reeds belaste goederen van verdere belasting mogen worden vrijgesteld wanneer zij in de bagage van een uit een Lid-Staat komende reiziger in een andere Lid-Staat worden ingevoerd. Dit staat volkomen los van de regelingen betreffende de verkoop in belastingvrije winkels op het grondgebied van een Lid-Staat of aan boord van een vervoermiddel dat het verkeer tussen twee Lid-Staten verzorgt.

In de oorspronkelijke versie van dit artikel was van een dergelijke voorwaarde trouwens geen sprake.

Deze uitlegging wordt bevestigd door het bij de derde richtlijn van 19 december 1978 in de oorspronkelijke richtlijn ingevoegde artikel 2, lid 4, dat betrekking heeft op twee bijzondere gevallen van reizen tussen Lid-Staten.

Wat artikel 4, lid 1 van de richtlijn betreft, dat voor bepaalde goederen kwantitatieve beperkingen vaststelt, meent de Britse regering uit de bewoordingen van het eveneens bij de derde richtlijn van 1978 ingevoerde artikel 4, lid 4, te mogen afleiden, dat de situatie bij deze goederen dezelfde is als bij die waarvoor geen kwantitatieve beperkingen gelden.

Artikel 6, lid 1, volgens hetwelk geen ontheffing van omzetbelasting mag worden verleend aan reizigers die in een Lid-Staat hun woonplaats, hun gewone verblijfplaats of het centrum van hun beroepsbezigheden hebben en die voor in een Lid-Staat ingevoerde goederen reeds een belastingvrijstelling op grond van artikelen 2 en 4 van de richtlijn hebben gekregen, moet eveneens in deze context worden beoordeeld.

Het in deze bepaling vervatte verbod wordt hierdoor gerechtvaardigd, dat dergelijke goederen reeds onder de algemene belastingregeling van de binnenlandse markt van een Lid-Staat moeten zijn verkregen. Verder gaat de regeling van artikel 6, lid 1, niet en met de in de Lid-Staten bestaande stelsels van belastingvrije verkoop heeft zij niets te maken.

Afgezien van het voorbehoud in lid 2, hebben de overige leden van artikel 6 uitsluitend betrekking op de gewone detailverkoop in een Lid-Staat en op de procedure ter verkrijging van een ontheffing van belasting. Zij zien enkel op goederen waarvoor de vrijstellingen van artikel 2, lid 1, of artikel 4 van de richtlijn niet gelden.

Bijgevolg hebben deze niet uitstaande met belastingvrije verkoop. Het in de laatste zin van artikel 6, lid 2, vermelde verbod van ontheffing van accijnzen betreft derhalve de gewone verkoop in de kleinhandelsfase, waarbij ontheffing van BTW plaatsvindt.

Gelet op het voorgaande en op de doeleinden die de Commissie naar eigen zeggen met haar wijzigingsvoorstellen beoogt, komt de Britse regering tot de conclusie, dat de in het Verenigd Koninkrijk bestaande praktijk ondanks het toepassingsgebied van richtlijn nr. 69/169/EEG met de bepalingen van die richtlijn in overeenstemming is.

In afwachting van een volledige gemeenschapsregeling terzake verleent het Verenigd Koninkrijk binnenkomende reizigers, ook wanneer zij rechtstreeks uit een andere Lid-Staat komen, slechts de aan lagere kwantitatieve en waardegrenzen gebonden vrijstellingen van omzetbelasting en accijnzen, die volgens de artikelen 1 en 4, lid 1, kolom I, van de richtlijn (zoals gewijzigd) in het reizigersverkeer met derde landen gelden, tenzij de reiziger kan aantonen dat hij de goederen waarvoor hij vrijstelling vraagt, onder de algemene belastingregeling van de binnenlandse markt van een Lid-Staat heeft verkregen.

Alleen in dit laatste geval kan de reiziger aanspraak maken op de hogere vrijstellingen van de artikelen 2 en 4, lid 1, kolom II, van de richtlijn.

c)3. De betekenis van bet arrest van 7 juli 1981 in zaak 158/80

De Britse regering meent dat de uitlegging die zij in casu aan het Hof voorstelt, niet met dit arrest in strijd is.

In de eerste plaats kent het voorbehoud in artikel 6, lid 2, van de richtlijn de Lid-Staten een beperkte bevoegdheid toe om vrijstelling toe te staan. In de tweede plaats betekent punt 6 van het dictum van 's Hofs arrest niet dat de bestaande richtlijnen een uitputtende regeling bevatten, zodat de bevoegdheid van een Lid-Staat om vrijstelling van omzetbelasting en accijnzen toe te staan, alleen op de richtlijnen, zoals gewijzigd, en op geen andere rechtsgrondslag kan berusten, doch veeleer dat de Raad geleidelijk een volledig stelsel van vrijstellingen van omzetbelasting en accijnzen heeft willen invoeren voor goederen die zich in de persoonlijke bagage van reizigers bevinden.

Een dergelijk volledig stelsel van vrijstellingen is evenwel nog niet verwezenlijkt en tot dusver is met name de verkoop in belastingvrije winkels niet door het gemeenschapsrecht geregeld.

In afwachting daarvan moet elke Lid-Staat die andere dan de uitdrukkelijk door de richtlijnen voorziene vrijstellingen wenst toe te staan, rekening houden met die richtlijnen en inzonderheid met het voorbehoud in artikel 6, lid 2, van richtlijn nr. 69/169.

In de derde plaats wijst de Britse regering erop dat, ook al heeft het Hof in zijn arrest niets over de betekenis van het voorbehoud in artikel 6, lid 2, gezegd, de advocaat-generaal in zijn conclusie daarop is ingegaan en aan dit voorbehoud een ruime draagwijdte heeft toegekend.

Tot besluit meent de regering van het Verenigd Koninkrijk, dat dit onderdeel van de vraag van de nationale rechter zou kunen worden beantwoord als volgt:

„De invoer met vrijstelling van omzetbelasting en accijnzen van goederen die door reizigers in het intracommunautaire verkeer aan boord van schepen of vliegtuigen of in onder douanetoezicht staande verkoopinrichtingen zijn gekocht, wordt tot dusver uitsluitend beheerst door de nationale regelingen van de Lid-Staten, die in aanzienlijke mate tot rechtsgelijkheid leiden ... Mochten de Lid-Staten daarentegen nog slechts beschikken over de hun door de bestaande richtlijnen toegekende beperkte bevoegdheid om andere dan de door die richtlijnen uitdrukkelijk voorziene vrijstellingen toe te staan, dan moet de toepassing door een Lid-Staat van de bij de artikelen 2, lid 4, en 4 van richtlijn nr. 69/169 voor gelijkaardige gevallen van invoer vastgestelde kwantitatieve en waardegrenzen als de rechtmatige toekenning van een door deze richtlijn voorziene vrijstelling worden beschouwd.”

d) De Commissie refereert zich voor dit punt aan het oordeel van het Hof

Zij maakt vooraf vier opmerkingen.

Volgens richtlijn nr. 69/169/EEG (artikel 2, lid 1) zijn goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van uit Lid-Staten komende reizigers, bij invoer vrijgesteld van BTW en accijnzen, mits zij aan de voorwaarden van de artikelen 9 en 10 EEG-Verdrag voldoen, dat wil zeggen zich in de Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden en onder de algemene belastingregeling van de binnenlandse markt van een Lid-Staat zijn verkregen.

Volgens de verwijzende rechter is in casu niet aan deze voorwaarden voldaan, omdat het bij aan boord van veerboten verkochte goederen gaat om goederen uit derde landen, die zich niet in de Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden, of om goederen uit de Gemeenschap, die in geen der Lid-Staten door omzetbelasting of accijnzen zijn getroffen.

De vraag van het Finanzgericht doet een nieuwe rechtsvraag rijzen, waarop s Hofs arrest in zaak 158/80 geen antwoord geeft. Wat het intracommunautaire reizigersverkeer betreft, worden in dit arrest alleen de uitzonderingsbepalingen van artikel 2, lid 4, behandeld.

Om een dergelijk geval gaat het in casu niet, aangezien de prejudiciële vraag niet preciseert, of de reis plaatsvindt via het grondgebied van een derde land, noch of het schip een gebiedsdeel van een Lid-Staat aandoet, waar de algemene belastingregeling niet van toepassing is.

De beslissende vraag voor de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van de belastingvrije verkoop van goederen aan boord van veerboten in het intracommunautaire verkeer en van de belastingvrije invoer van die goederen in de Lid-Staat van bestemming is derhalve, of deze uitzondering al dan niet onder richtlijn nr. 69/169/EEG valt.

De Commissie meent dat, indien mocht blijken dat het voorbehoud ten gunste van de belastingvrije winkels in artikel 6, lid 2, aan de grondbeginselen van de richtlijn derogeert, een overeenkomstige toepassing van deze uitzonderingsbepaling op de belastingvrije verkoop van goederen aan boord van veerboten niet ondenkbaar is, aangezien dit voorbehoud in de richtlijn is ingevoegd in 1972, dat wil zeggen op een ogenblik waarop er nauwelijks sprake was van verkeer met veerboten tussen Lid-Staten van de Gemeenschap.

De beslissende vraag is volgens de Commissie evenwel, of het voorbehoud ten gunste van de belastingvrije winkels in artikel 6, lid 2, als een algemene afwijking van het stelsel van de richtlijn kan worden beschouwd.

d)3.a) Argumenten van de Commissie voor een restrictieve uitlegging van het voorbehoud in artikel 6, lid 2

In de eerste plaats voert de Commissie aan dat, in zoverre artikel 2, lid 1, van de richtlijn bepaalt dat de goederen aan de voorwaarden van de artikelen 9 en 10 EEG-Verdrag moeten voldoen, dat wil zeggen zich in de Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden, op dit punt moet worden verwezen naar hetgeen is gezegd over de vrijstelling van invoerrechten in het intracommunautaire reizigersverkeer.

In de tweede plaats gaat het volgens de Commissie bij richtlijn nr. 69/169/EEG om een regeling die aan de bapalin-. gen van gemeenschapsrecht betreffende de BTW derogeert. Volgens de zesde BTW-richtlijn wordt deze materie beheerst door het beginsel van het land van bestemming: goederen die door de Lid-Staat van uitvoer worden vrijgesteld van BTW, moeten aan de BTW van de Lid-Staat van invoer worden onderworpen.

Richtlijn nr. 69/169/EEG wijkt hiervan af, in zoverre zij voor de belastingheffing in het intracommunautaire reizigersverkeer het beginsel van het land van herkomst heeft ingevoerd.

Goederen die in een Lid-Staat door belasting zijn getroffen, kunnen immers zonder formaliteiten in de bagage van reizigers in een andere Lid-Staat worden binnengebracht.

Daarom verbiedt artikel 6, lid 1, voor leveringen aan reizigers die in een Lid-Staat hun woonplaats hebben, de dooide richtlijn voorziene ontheffing van belasting te verlenen.

Dit ontheffingsverbod strekt ertoe te voorkomen, dat in het intracommunautaire reizigersverkeer goederen die in de staat van herkomst niet daadwerkelijk door belasting zijn getroffen, vrij van belasting in een andere Lid-Staat worden ingevoerd.

In de derde plaats wijst de Commissie erop, dat het belang van het in artikel 6, lid 2, vervatte voorbehoud ten gunste van verkopen in belastingvrije winkels hierin ligt, dat die verkopen niet onder het verbod tot ontheffing van accijnzen in het verkeer met derde landen vallen (artikel 6, lid 2, tweede volzin), noch onder de verplichting tot naleving van de in artikel 6, lid 4, bedoelde vormvoorschriften (ontheffing achteraf op grond van een visum van de douane).

Aldus is de juridische betekenis die aan dit voorbehoud moet worden toegekend, verstaan. De Commissie geeft evenwel toe, dat de uit juridisch-technisch oogpunt niet al te gelukkige formulering van de regeling voor accijnzen (ontheffingsverbod bij uitvoer) het vermoeden zou kunnen wekken, dat — evenals voor de overige detailhandel — ook voor belastingvrije winkels ontheffing van belasting uitsgesloten is.

In de vierde plaats beklemtoont de Commissie, dat uit deze uitlegging van het voorbehoud in artikel 6, lid 2, volgt, dat het absolute ontheffingsverbod voor goederen die deel uitmaken van de bagage van reizigers en de aan de vrijstellingen verbonden kwantitatieve en waardegrenzen niet overschrijden, ook geldt voor de verkopen in belastingvrije winkels op luchthavens en aan boord van vliegtuigen.

Bijgevolg is de belastingvrije verkoop, binnen de bij de artikelen 2 en 4 van richtlijn nr. 69/169/EEG vastgestelde kwantitatieve en waardegrenzen, van goederen in belastingvrije winkels niet in overeenstemming met de bepalingen van deze richtlijn.

Deze uitlegging vindt ook steun in de omstandigheid dat deze artikelen niet voorzien in uitzonderingen voor de belastingvrije invoer in het land van bestemming van in de bagage van reizigers meegevoerde, vrij van belasting gekochte goederen.

In de vijfde plaats wijst de Commissie op de door haar op 22 september en 16 november 1972 bij de Raad ingediende voorstellen voor een derde richtlijn en een verordening, die er beide toe strekten de verkoop van goederen met vrijstelling van douanerechten en belastingen te beperken tot reizigers die in het bezit zijn van een passagebiljet naar een bestemming in een derde land.

Deze voorstellen werden tenslotte ingetrokken na verscheidende jaren van vruchteloos overleg, tijdens hetwelk de Lid-Staten uiteenlopende standpunten innamen.

Samenvattend stelt de Commissie op dit punt, dat een dergelijke uitlegging van het voorbehoud in artikel 6, lid 2, in wezen berust op de context ervan, te weten regels betreffende ontheffing van belasting in het reizigersverkeer voor uitvoer naar derde landen of van een Lid-Staat naar een andere, voor zover het om goederen gaat waarvan de waarde of hoeveelheid de door de richtlijn voorziene vrijstellingen overschrijdt.

Mocht deze uitlegging door het Hof worden aanvaard, dan moet dit — gelet op de bewoordingen van punt 6 van het dictum van het arrest van 7 juli 1981 (zaak 158/80) — tot de conclusie leiden, dat de Lid-Staten niet bevoegd zijn om buiten de in de richtlijn vermelde gevallen belastingvrije verkoop van goederen in het intracommunautaire verkeer toe te staan. Deze conclusie heeft noodzakelijkerwijs ook te gelden voor de belastingvrije verkoop van goederen aan boord van veerboten die het verkeer tussen Lid-Staten verzorgen.

d)3.b) Argumenten van de Commissie voor een ruime uitlegging van het voorbehoud in artikel 6, lid 2

In de eerste plaats voert de Commissie aan, dat een restrictieve uitlegging zoals hiervoor uiteengezet, niet zou stroken met het doel van het voorbehoud.

De mogelijkheid tot ontheffing van accijnzen is voor de „duty-free shops” economisch veel belangrijker dan de ontheffing van BTW.

De bijzondere status die het voorbehoud in artikel 6, lid 2, de belastingvrije winkels wil toekennen, zou dan ook grotendeels van zijn inhoud worden beroofd, indien ook die winkels onder het verbod van ontheffing van accijnzen vielen.

In de tweede plaats staat de formulering van het voorbehoud niet aan een dergelijke uitlegging in de weg, aangezien in 1972, toen deze bepaling in de richtlijn werd ingevoegd, nog geen gemeenschapsregeling betreffende de verkoop vanuit onder douanetoezicht staande verkoopinrichtingen op luchthavens en aan boord van vliegtuigen bestond, zodat het toen alleen om de dooide Lid-Staten toegepaste regelingen kon gaan.

Op dat ogenblik was de belastingvrije verkoop van goederen in „duty-free shops” een algemeen aanvaarde praktijk in de Lid-Staten.

In de derde plaats herinnert de Commissie eraan, dat de advocaat-generaal in zijn conclusie in zaak 158/80 aan het voorbehoud in artikel 6, lid 2, een zeer ruime draagwijdte heeft toegekend. Bovendien wierp hij de vraag op, of het voorbehoud ook niet in die zin zou kunnen worden uitgelegd, dat het geldt voor alle vormen van belastingvrije verkoop van goederen aan reizigers in het intracommunautaire verkeer.

Tenslotte betoogt de Commissie, dat de afschaffing van de vrijstellingen voor belastingvrije winkels ernstige economische gevolgen zou hebben en tot een gevoelige verhoging van de prijzen van vluchten en overtochten per veerboot zou leiden.

De Commissie trekt hieruit de conclusie, dat men zou kunnen stellen dat de communautaire wetgever met het voorbehoud in artikel 6, lid 2, de in de Lid-Staten bestaande praktijk heeft bekrachtigd in afwachting van de vaststelling van een gemeenschapsregeling terzake.

Mocht het Hof van oordeel zijn dat dit voorbehoud een algemene afwijking van het stelsel van de richtlijn inhoudt, dan impliceert dit dat de belastingvrije verkoop van goederen in „duty-free shops” is toegelaten in de in de richtlijn vermelde gevallen (onder douanetoezicht staande verkoopinrichtingen op luchthavens en aan boord van vliegtuigen). Dezelfde redenering heeft dan ook te gelden voor de belastingvrije verkoop aan boord van veerboten binnen de door de richtlijn aan de vrijstellingen gestelde grenzen.

2.2.3. De derde prejudiciële vraag: de gecombineerde boot-busreizen

a) Voor de opmerkingen van verzoeksters in het hoofdgeding zie hiervóór, sub C.1.3.a.

b) Voor de opmerkingen van de regering van de Bondsrepubliek Duitsland zie hiervóór, sub C.1.3.b.

c) Volgens de Commissie moet de vraag of de vrijstelling van omzetbelasting en accijnzen in het kader van gecombineerde bootbusreizen binnen de Gemeenschap verenigbaar is met het gemeenschapsrecht, ontkennend worden beantwoord. Mocht het Hof het voorbehoud in artikel 6, lid 2, niet als een afwijking van het algemene stelsel van richtlijn nr. 69/169/EEG beschouwen, dan ligt dit antwoord voor de hand. In dat geval moet het verbod dat geldt voor het intracommunautaire reizigersverkeer met veerboten, immers worden uitgebreid tot cruiseschepen waarmee gecombineerde bootbusreizen worden gemaakt. Zelfs indien het Hof tot de conclusie mocht komen, dat het voorbehoud in artikel 6, lid 2, aan het algemene stelsel van de richtlijn derogeert, kan dit voorbehoud niet gelden voor gecombineerde excursies. Anders dan in het geval van belastingvrije verkoop in „duty-free shops” op luchthavens en aan boord van vliegtuigen en veerboten, waar de reiziger de mogelijkheid heeft tijdens een vlucht of overtocht goederen vrij van belasting te kopen, is het wezenlijke doel van de gecombineerde bootbusreizen — en overigens ook van de „Butterfahrten” — niet de reis als zodanig, doch het scheppen van de mogelijkheid om tegen betaling van geringe vervoerkosten aan boord van het schip goederen te kopen die niet door omzetbelasting en accijnzen zijn getroffen, en deze zonder betaling van belasting in het land van vertrek in te voeren. Het gaat hier dus om een omzeiling van de fiscale bepalingen van het gemeenschapsrecht. Derhalve mogen in dit geval geen belastingsvrijstellingen worden toegestaan.

D — Voorstellen aan het Hof voor de beantwoording van de prejudiciële vragen
1.

Verzoeksters in het hoofdgeding stel-, len voor, de vragen van het Finanzgericht te beantwoorden als volgt:

„'s Raads verordeningen (EEG) nrs. 1544/69 van 23 juli 1969 en 1818/75 van 10 juli 1975 en richtlijn nr. 69/169/EEG van de Raad van 28 mei 1969 — zoals gewijzigd — moeten aldus worden uitgelegd, dat de daarin voorziene vrijstellingen van invoerrechten, heffingen bij invoer van landbouwprodukten of door verwerking daarvan verkregen produkten en omzetbelasting en accijnzen niet gelden voor goederen die zich niet in de Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden respectievelijk niet door omzetbelasting en accijnzen van een Lid-Staat of een derde land zijn getroffen en die door reizigers aan boord van veerboten zijn gekocht, ongeacht of de veerboot het verkeer tussen een Lid-Staat en een derde land of tussen Lid-Staten verzorgt.”

2.

De regering van de Bondsrepubliek Duitsland stelt voor, de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:

Vraag 1 :

„Verordening (EEG) nr. 1544/69 van de Raad van 23 juli 1969 en richtlijn nr. 69/169/EEG van de Raad van 28 mei 1969 — in hun destijds geldende versie — moeten aldus worden uitgelegd, dat de vrijstellingen van invoerrechten en belastingen voor goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van uit derde landen komende reizigers, voor zover aan de overige voorwaarden is voldaan, ook gelden voor produkten die zijn gekocht aan boord van veerboten die het reizigersverkeer tussen een derde land en een Lid-Staat verzorgen. Daarbij is niet van belang, of de produkten reeds zijn getroffen door rechten van het gemeenschappelijk douanetarief, door landbouwheffingen of uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende heffingen van gelijke werking als invoerrechten, door omzetbelasting of accijnzen van een Lid-Staat of door rechten van een derde land, noch of op deze produkten een preferentiële uitvoerregeling is toegepast in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.”

Vraag 2 en 3:

„Richtlijn nr. 69/169/EEG van de Raad van 28 mei 1969 — in haar destijds geldende versie — laat toe bij de invoer, in de persoonlijke bagage van reizigers, van aan boord van veerboten in het intracommunautaire reizigersverkeer gekochte produkten die zich in een Lid-Staat in het vrije verkeer bevinden, doch niet door omzetbelasting of accijnzen van een Lid-Staat zijn getroffen, de belastingvrijstellingen toe te kennen die gelden voor goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van uit derde landen komende reizigers. Dit is ook het geval wanneer de produkten niet in de Lid-Staat waar de bootreis is geëindigd, doch eerst in een andere Lid-Staat in het vrije verkeer worden gebracht. Het doet er niet toe, of de produkten reeds in een derde land zijn belast.”

3.

De regering van bet Verenigd Koninkrijk stelt voor, de vragen van de nationale rechter te beantwoorden als volgt:

Vraag 1:

„'s Raads verordeningen (EEG) nrs. 1544/69 van 23 juli 1969 en 1818/75 van 10 juli 1975 (zoals laatstelijk gewijzigd bij 's Raads verordeningen (EEG) nrs. 3313/81 van 17 november 1981 respectievelijk 2780/78 van 27 november 1978) en richtlijn nr. 69/169/EEG van de Raad van 28 mei 1969 (zoals laatstelijk gewijzigd bij richtlijn nr. 81/933/EEG van 17 november 1981) moeten aldus worden uitgelegd, dat de daarin voorziene vrijstellingen van respectievelijk invoerrechten, heffingen bij invoer van landbouwprodukten of door verwerking daarvan verkregen produkten en omzetbelasting en accijnzen ook gelden voor goederen die zich niet in de Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden respectievelijk niet door omzetbelasting of accijnzen van een Lid-Staat of een derde land zijn getroffen en die door reizigers zijn gekocht aan boord van veerboten die het verkeer tussen een Lid-Staat en een derde land verzorgen.”

Vraag 2:

„De in de tweede vraag genoemde bepalingen moeten aldus worden uitgelegd, dat de vrijstellingen van invoerrechten en van heffingen bij invoer van landbouwprodukten of door verwerking daarvan verkregen produkten niet gelden voor goederen die zich niet in de Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden en die door reizigers zijn gekocht aan boord van veerboten die het verkeer tussen Lid-Staten verzorgen. Indien dergelijke goederen zich in het vrije verkeer bevinden en alle daarover verschuldigde invoerrechten en invoerheffingen op landbouwprodukten zijn voldaan, mogen de Lid-Staten ze bij invoer door reizigers die ze aan boord van veerboten in het intracommunautaire reizigersverkeer hebben gekocht, verder vrijstellen van omzetbelasting en accijnzen.”

4.

De regering van de Ierse Republiek stelt het volgende antwoord voor:

„Belastingvrije winkels op geregelde veerdiensten in het intracommunautaire reizigersverkeer vallen reeds daarom buiten het toepassingsgebied van richtlijn nr. 69/169/EEG, zoals gewijzigd, omdat de gemeenschapsinstellingen er tot dusver niet in zijn geslaagd passende maatregelen terzake te treffen.”

5.

De Commissie stelt voor, de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:

Vraag 1:„ De bepalingen van gemeenschapsrecht betreffende de belastingvrijstellingen voor goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers ('s Raads verordeningen nrs. 1544/69 en 1818/75 en richtlijn nr. 69/169 van de Raad), moeten aldus worden uitgelegd, dat de vrijstellingen van invoerrechten, heffingen bij invoer van landbouwprodukten of bepaalde door verwerking daarvan verkregen produkten en omzetbelasting en accijnzen ook gelden voor goederen die zich niet in de Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden respectievelijk niet door omzetbelasting en accijnzen van een Lid-Staat zijn getroffen en die door reizigers zijn gekocht aan boord van veerboten die het verkeer tussen een Lid-Staat en een derde land verzorgen.

Vraag 2:De in de vraag 1 genoemde bepalingen moeten aldus worden uitgelegd, dat in het intracommunautaire reizigersverkeer de verkoop van goederen met vrijstelling van invoerrechten en landbouwheffingen aan reizigers aan boord van veerboten en de belastingvrije invoer van de goederen in de Lid-Staat waar de reis eindigt, verboden zijn.

Met betrekking tot de ontheffing van BTW en accijnzen en de verenigbaarheid daarvan met het gemeenschapsrecht hangt het antwoord op deze vraag volgens de Commissie af van de uitlegging van artikel 6, lid 2, van richtlijn nr. 69/169. De Commissie refereert zich op dit punt aan het oordeel van het Hof.

Vraag 3:Wat de gecombineerde reizen over zee en over land betreft, geldt voor de vrijstellingen van invoerrechten en landbouwheffingen hetgeen hiervóór is gezegd met betrekking tot vraag 2.

De vraag of de vrijstelling van omzetbelasting en accijnzen verenigbaar is met het gemeenschapsrecht, moet ontkennend worden beantwoord.”

III — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 20 september 1983 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door Rewe-Handelsgesellschaft Nord mbH en Rewe-Markt Herbert Kureit, vertegenwoordigd door G. Meier, juridisch hoofdadviseur van Rewe-Central AG; de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door Α. Deringer als gemachtigde, bijgestaan door F. Olbertz als deskundige; Förde-Reederei GmbH, vertegenwoordigd door W. Seuffert, advocaat; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door G. Dagtoglou en J. Laws als gemachtigden; de regering van de Ierse Republiek, vertegenwoordigd door J. O'Riley als gemachtigde; de regering van de Franse Republiek, vertegenwoordigd door G. Boivineau als gemachtigde; en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Zimmermann als gemachtigde.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 9 november 1983 conclusie genomen.

In rechte

1.

Bij beschikking van 4 augustus 1982, ingekomen ten Hove op 18 oktober daaropvolgende, heeft het Finanzgericht Hamburg krachtens artikel 177 EEG-Verdrag enkele prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van verordening nr. 1544/69 van de Raad van 23 juli 1969 (zoals gewijzigd) betreffende de invoerrechten die van toepassing zijn op goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers (PB L 191 van 1969, blz. 1), richtlijn nr. 69/169 van de Raad van 28 mei 1969 (zoals gewijzigd) inzake de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen met betrekking tot de vrijstellingen van omzetbelastingen en accijnzen die bij invoer worden geheven in het internationale reizigersverkeer (PB L 133 van 1969, blz. 6), en verordening nr. 1818/75 van de Raad van 10 juli 1975 (zoals gewijzigd) betreffende de landbouwheffingen, compenserende bedragen en andere invoerheffingen die van toepassing zijn op landbouwprodukten en op bepaalde goederen, verkregen door verwerking van deze produkten, die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers (PB L 185 van 1975, blz. 3).

2.

Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen enerzijds een groothandelaar en een detailhandelaar, beide gevestigd in de Bondsrepubliek Duitsland, en anderzijds de voor het gebied van de Noord- en Oostzeekust bevoegde Hauptzollämter van de deelstaat Sleeswijk-Holstein. De vordering van verzoeksters in het hoofdgeding strekte oorspronkelijk tot veroordeling van deze douanekantoren om het belastingvrij inklaren van goederen die door reizigers bij de terugkeer van bootreizen in hun persoonlijke bagage worden ingevoerd, achterwege te laten.

3.

Het geding, dat oorspronkelijk in hoofdzaak betrekking had op de zogenoemde „Butterfahrten”, dat wil zeggen korte zeereizen en cruises waarbij niet of slechts symbolisch een ander land wordt aangedaan, werd tijdens de mondelinge behandeling voor het Finanzgericht uitgebreid tot de douane- en fiscaalrechtelijke behandeling bij invoer van goederen die aan boord van lijnschepen en veerboten vrij van invoerrechten en belastingen zijn gekocht. Verder kreeg het Finanzgericht er kennis van, dat schepen vanuit havens van de Bondsrepubliek Duitsland naar Denemarken varen, vanwaar de reizigers, zonder dat daar op de tijdens de boottocht vrij van belasting gekochte goederen invoerrechten worden geheven, per bus terugkeren naar de Bondsrepubliek, waar hun eveneens belastingvrijstelling wordt verleend.

4.

Blijkens de verwijzigingsbeschikking voerden verzoeksters voor het Finanzgericht aan, dat de scheepvaartondernemingen die deze korte overtochten organiseren, daarmee een aanzienlijk gedeelte van de koopkracht van de bewoners van de Noord- en Oostzeekust aan de plaatselijke groot- en kleinhandel onttrekken.

5.

Daarom vorderden verzoeksters voor het Finanzgericht een verklaring voor recht, dat de betrokken douanekantoren het belastingvrij inklaren van onder deze omstandigheden ingevoerde goederen achterwege hebben te laten.

6.

In dit verband heeft het Finanzgericht het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld :

1.„ Moeten verordening (EEG) nr. 1544/69 van de Raad van 23 juli 1969, zoals laatstelijk gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3313/81 van de Raad van 17 november 1981, verordening (EEG) nr. 1818/75 van de Raad van 10 juli 1975, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2780/78 van de Raad van 27 november 1978, en richtlijn nr. 69/169/EEG van de Raad van 28 mei 1969, zoals laatstelijk gewijzigd bij richtlijn nr. 81/933/EEG van de Raad van 17 november 1981, aldus worden uitgelegd, dat de daarin bedoelde vrijstellingen van invoerrechten, invoerheffingen op landbouwprodukten of door verwerking daarvan verkregen produkten en omzetbelasting en accijnzen ook gelden voor goederen die zich niet in de Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden respectievelijk niet met omzetbelasting of accijnzen van een Lid-Staat of een derde land zijn belast en door reizigers zijn gekocht aan boord van veerboten die het reizigersverkeer tussen een Lid-Staat en een derde land verzorgen?

2.Moeten de in de eerste vraag genoemde bepalingen aldus worden uitgelegd, dat bedoelde vrijstellingen ook gelden voor goederen die zich niet in de Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden respectievelijk niet met omzetbelasting of accijnzen van een Lid-Staat of een derde land zijn belast en door reizigers zijn gekocht aan boord van veerboten die het reizigersverkeer tussen Lid-Staten verzorgen?

3.Moeten de in de eerste vraag genoemde bepalingen aldus worden uitgelegd, dat bedoelde vrijstellingen ook gelden voor goederen die zich niet in de Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden respectievelijk niet met omzetbelasting of accijnzen van een Lid-Staat of een derde land zijn belast en door reizigers zijn gekocht aan boord van een schip dat vanuit een haven van een Lid-Staat vaart naar een haven van een andere Lid-Staat, waar de reizigers aan land gaan en vanwaar zij vervolgens, zonder dat in het land van aankomst belasting is geheven, over land naar de Lid-Staat van vertrek terugkeren?”

De toepassing van artikel 177

7.

Verzoeksters in het hoofdgeding menen, dat het Hof zich in zijn arrest van 7 juli 1981 (zaak 158/80, Rewe-Handelsgesellschaft Nord mbH en Rewe-Markt Steffen, Jurispr. 1981, biz. 1805) in antwoord op een prejudiciële vraag van hetzelfde Finanzgericht reeds ondubbelzinnig over de onverenigbaarheid van de „Butterfahrten” met het gemeenschapsrecht heeft uitgesproken, zowel ten aanzien van het niet heffen van invoerrechten als ten aanzien van het niet heffen van accijnzen. Zij voeren aan, dat de petita van de verzoekende partijen in het hoofdgeding dat tot voornoemd arrest heeft geleid, identiek waren aan die van verzoekers in het hoofdgeding in de onderhavige zaak, en dat de nationale rechter van het Hof een arrest verlangt met in wezen hetzelfde voorwerp als het arrest van 7 juli 1981 heeft. Bijgevolg zou de met de verwijzingsbeschikking gevraagde prejudiciële beslissing niet noodzakelijk zijn in de zin van artikel 177 EEG-Verdrag.

8.

Zoals al eerder werd beslist, staat het niet aan het Hof, zich uit te spreken over de noodzakelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing. In het kader van de taakverdeling tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof overeenkomstig artikel 177 EEG-Verdrag is het immers de nationale rechter — de enige die de feiten van de zaak en de door partijen aangevoerde argumenten rechtstreeks kent en verantwoordelijk is voor de te geven beslissing — die met volle kennis van zaken heeft te beoordelen, of de in het voor hem aanhangige geschil opgeworpen rechtsvragen relevant zijn en of een prejudiciële uitspraak noodzakelijk is om vonnis te kunnen wijzen.

9.

In ieder geval moet erop worden gewezen, dat voornoemd arrest van 7 juli 1981 betrekking had op de douane- en fiscaalrechtelijke behandeling bij invoer van goederen die zijn gekocht tijdens boottochten die speciaal worden georganiseerd om van vrijstellingen te kunnen profiteren („Butterfahrten”). In casu echter betreft de verwijzingsbeschikking de douane- an fiscaalrechtelij ke behandeling bij invoer van goederen die zijn gekocht aan boord van veerboten of tijdens gecombineerde bootbusreizen.

De beantwoording van de onderscheiden prejudiciële vragen

10.

Vooraf zij opgemerkt, dat de vragen van de nationale rechter betrekking hebben op drie soorten vrijstellingen, die bij invoer kunnen worden verleend voor goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van uit een derde land of uit een Lid-Staat komende reizigers :

1.vrijstellingen van invoerrechten, bedoeld in verordening nr. 1544/69 van de Raad;

2.vrijstellingen van landbouwheffingen en andere heffingen bij invoer van landbouwprodukten en bepaalde door verwerking daarvan verkregen produkten, bedoeld in verordening nr. 1818/85 van de Raad van 10 juli 1975, zoals gewijzigd;

3.vrijstellingen van omzetbelasting en accijnzen, bedoeld in richtlijn nr. 69/169 van de Raad van 28 mei 1969, zoals gewijzigd.

11.

Voor het reizigersverkeer tussen derde landen en Lid-Staten evenwel kunnen de vraag betreffende de vrijstelling van invoerrechten en die betreffende de vrijstelling van de in artikel 1 van verordening nr. 1818/75 genoemde landbouwheffingen en andere heffingen bij de invoer van landbouwprodukten te zamen worden beantwoord. Volgens die bepaling is verordening nr. 1544/69 immers ook van toepassing op landbouwheffingen en andere invoerheffingen op goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers die de Gemeenschap binnenkomen.

12.

Voor het intracommunautaire reizigersverkeer kunnen de vraag betreffende de vrijstelling van omzetbelasting en accijnzen en die betreffende de in artikel 2 van verordening nr. 1818/75 bedoelde vrijstelling van de andere heffingen bij de invoer van landbouwprodukten eveneens te zamen worden beantwoord. Ingevolge die bepaling immers zijn landbouwprodukten en door verwerking daarvan verkregen produkten die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van uit een Lid-Staat komende reizigers, vrijgesteld van de invoerheffingen die zijn verschuldigd in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of van op grond van artikel 235 EEG-Verdrag toepasselijke bijzondere regelingen. De limieten en toepassingsvoorwaarden van deze vrijstelling zijn gelijk aan die van de vrijstelling bedoeld in richtlijn nr. 69/169.

1. De eerste vraag: het reizigersverkeer met schepen tussen derde landen en Lid-Staten
13.

Met deze vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of in het reizigersverkeer tussen een derde land en een Lid-Staat goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers en die zich niet in het vrije verkeer bevinden respectievelijk niet met omzetbelasting of accijnzen zijn belast, bij invoer in de Lid-Staat in aanmerking kunnen komen voor de bij voornoemde verordeningen en richtlijnen voorziene vrijstellingen van invoerrechten en landbouwheffingen en andere invoerheffingen op landbouwprodukten enerzijds en omzetbelasting en accijnzen anderzijds.

a) Vrijstellingen van invoerrechten, landbouwheffingen en andere heffingen bij de invoer van landbouwprodukten
14.

In dit verband heeft het Hof in zijn arrest van 7 juli 1981 reeds vastgesteld, dat verordening nr. 1544/69 geldt voor goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van uit derde landen komende reizigers, „ongeacht de oorsprong en herkomst van de goederen en ongeacht de douanerechten en andere belastingen die daarop vóór hun invoer in de Gemeenschap zijn geheven.”

15.

Van mening dat deze vaststelling alleen betrekking heeft op goederen uit derde landen, wenst het Finanzgericht artikel 1 van verordening nr. 1544/69 en artikel 1 van verordening nr. 1818/75 opnieuw te zien uitgelegd in verband met goederen die zijn gekocht aan boord van veerboten in het reizigersverkeer tussen derde landen en Lid-Staten, omdat — aldus de verwijzingsbeschikking — veerboten in de Gemeenschap, met name in de Bondsrepubliek Duitsland, goederen aan boord kunnen nemen waarop invoerrechten noch accijnzen zijn geheven. Gelet op de bewoordingen en de strekking van verordening nr. 1544/69, zijn er volgens het Finanzgericht goede gronden aanwezig om die bepalingen aldus uit te leggen, dat alleen goederen die op het grondgebied van een derde land zijn gekocht, binnen de in die bepalingen genoemde grenzen belastingvrij kunnen worden ingevoerd.

16.

Dienaangaande zij erop gewezen dat, gelijk het Hof reeds in zijn arrest van 7 juli 1981 overwoog, verordening nr. 1544/69 ten doel heeft, de inklaring van goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van uit derde landen komende reizigers, te vergemakkelijken; dit doel zou niet worden bereikt, indien de douane verplicht was om bij de invoer van goederen waarvoor vrijstelling van invoerrechten wordt gevraagd, de herkomst ervan te verifiëren. Dit geldt ook in de thans door de nationale rechter beschreven omstandigheden. Deze geven dus geen aanleiding tot wijziging van het in het arrest van 7 juli 1981 gegeven antwoord.

17.

Mitsdien moet op dit eerste onderdeel van de vraag worden geantwoord, dat in het reizigersverkeer met veerboten tussen derde landen en Lid-Staten de vrijstellingen bedoeld in verordning nr. 1544/69 (zoals gewijzigd bij verordening nr. 3061/78) en in artikel 1 van verordening nr. 1818/75 (zoals gewijzigd bij verordening nr. 2780/78), gelden voor goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van uit een derde land komende reizigers, ongeacht de oorsprong en herkomst dier goederen en ongeacht de douanerechten en andere belastingen die vóór de invoer in de Gemeenschap erover zijn geheven.

b) Vrijstellingen van omzetbelasting en accijnzen
18.

Op deze vraag heeft het Hof in zijn arrest van 7 juli 1981 reeds geantwoord, dat de vrijstelling van omzetbelastingen en accijnzen, bedoeld in richtlijn nr. 69/169, slechts wordt verleend aan reizigers die vanuit een derde land het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen, en dat in dat geval „de omstandigheden waaronder de goederen zijn verkregen, van geen belang [zijn] voor de toekenning van de vrijstelling.”

19.

Ook hier verwijst het Finanzgericht naar de vorenbeschreven omstandigheden waaronder eigenaars van veerboten voor hun schepen goederen kunnen betrekken; het is van mening, dat de door richtlijn nr. 69/169 voorziene vrijstelling enkel geldt voor goederen die in het land van herkomst — en niet aan boord van een veerboot — zijn gekocht.

20.

Hetgeen hiervóór werd overwogen met betrekking tot dę vrijstellingen van invoerrechten, geldt evenwel ook voor de vrijstellingen van belastingen. Bijgevolg ziet het Hof geen reden om het eerder op deze vraag gegeven antwoord niet ook toe te passen op goederen die aan boord van een veerboot zijn gekocht.

21.

Mitsdien moet op dit tweede onderdeel van de vraag worden geantwoord, dat in het reizigersverkeer met veerboten tussen derde landen en Lid-Staten de vrijstelling bedoeld in richtlijn nr. 69/169 van de Raad van 28 mei 1969, wordt verleend aan reizigers die vanuit een derde land het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen, en dat het voor het verlenen van die vrijstelling niet van belang is, onder welke voorwaarden de goederen zijn verworven.

2. De tweede vraag: het intracommunautaire reizigersverkeer met veerboten
22.

Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of in het kader van dit reizigersverkeer goederen die niet in het vrije verkeer zijn gebracht respectievelijk niet met omzetbelasting en accijnzen zijn belast en die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers, bij invoer in de Lid-Staat van bestemming in aanmerking kunnen komen voor de vrijstellingen van

invoerrechten,

omzetbelasting en accijnzen, en

de in artikel 2 van verordening nr. 1818/75 bedoelde andere heffingen bij invoer van landbouwprodukten.

a) Vrijstellingen van invoerrechten
23.

Voor zover deze vraag van de nationale rechter goederen betreft die reeds overeenkomstig artikel 10 EEG-Verdrag in het vrije verkeer zijn gebracht, is zij irrelevant, aangezien er in het intracommunautaire goederenverkeer geen invoerrechten worden geheven.

24.

Voor het geval dat goederen uit derde landen, die niet overeenkomstig artikel 10 EEG-Verdrag in het vrije verkeer zijn gebracht, in het intracommunautaire reizigersverkeer met veerboten aan reizigers worden verkocht, zij er evenwel aan herinnerd dat, gelijk het Hof in zijn arrest van 7 juli 1981 heeft beslist, verordening nr. 1544/69 een uitputtende regeling bevat inzake de vrijstelling van invoerrechten voor goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers, en dat die vrijstelling alleen geldt voor goederen die deel uitmaken van de bagage van reizigers die uit derde landen komen. Bijgevolg zijn de Lid-Staten niet meer bevoegd om op het door deze verordening bestreken gebied vrijstellingen van invoerrechten toe te staan die verder gaan dan die welke door de verordening zijn voorzien.

25.

Mitsdien kan in het intracommunautaire reizigersverkeer met veerboten geen vrijstelling van invoerrechten worden verleend wanneer goederen die nog niet in het vrije verkeer zijn gebracht, als deel van de persoonlijke bagage van reizigers in een Lid-Staat worden ingevoerd.

b) Vrijstellingen van omzetbelasting en accijnzen en van de in artikel 2 van verordening nr. 1818/75 bedoelde andere heffingen bij invoer van land-bouwprodukten
26.

Volgens artikel 2, lid 1, van richtlijn nr. 69/169, zoals gewijzigd, zijn goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van uit Lid-Staten komende reizigers, binnen bepaalde waardegrenzen vrijgesteld van omzetbelasting en accijnzen. Deze vrijstelling wordt echter slechts op een drietal voorwaarden verleend : de betrokken goederen moeten voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 9 en 10 EEG-Verdrag, dat wil zeggen zich reeds in het vrije verkeer bevinden; zij moeten zijn verkregen onder de algemene belastingregeling van de binnenlandse markt van een van de Lid-Staten; en het moet gaan om invoer waaraan elk handelskarakter vreemd is.

27.

In hun schriftelijke opmerkingen hebben enkele Lid-Staten betoogd, dat de bepalingen van artikel 2 van richtlijn nr. 69/169 niet van toepassing zijn in het intracommunautaire reizigersverkeer met veerboten; daartoe hebben zij drie argumenten aangevoerd.

28.

ïn de eerste plaats zou volgens de Ierse en de Britse regering artikel 2 van richtlijn nr. 69/169 niet toepasselijk,zijn omdat er oudere internationale verplichtingen bestaan, met name die welke voortvloeien uit het op 4 juni 1954 te New York ondertekende Verdrag inzake douanefaciliteiten ten behoeve van het toeristenverkeer (Recueil des Traités des Nations Unies, deel 276, 1957, biz. 231), waarbij alle Lid-Staten partij zijn.

29.

Dit argument houdt geen steek. In zijn arrest van 27 februari 1962 (zaak 10/61, Commissie t. Italië, Jurispr. 1962, blz. 1) heeft het Hof verklaard, dat „het EEG-Verdrag voor wat betreft de daarbij geregelde materies, voorrang heeft boven de vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag tussen de Lid-Staten gesloten overeenkomsten.” Het is duidelijk, dat dezelfde werking moet worden toegekend aan handelingen van afgeleid gemeenschapsrecht. Richtlijn nr. 69/169 zou dus in ieder geval de bepalingen van het Verdrag van New York ten aanzien van het scheepvaartverkeer tussen Lid-Staten geldig terzijde hebben kunnen stellen.

30.

In de tweede plaats voeren de Bondsrepubliek Duitsland, Ierland en het Verenigd Koninkrijk aan, dat zolang er geen gemeenschapsregeling terzake bestaat, de Lid-Staten bevoegd blijven om naar eigen goeddunken vrijstellingen te verlenen voor goederen die in belastingvrije winkels of aan boord van veerboten worden verkocht.

31.

Ook dit argument moet worden verworpen. Gelijk het Hof in zijn arrest van 7 juli 1981 overwoog, heeft de Raad immers „met de vaststelling van richtlijn nr. 69/169 en van de tweede en derde richtlijn van respectievelijk 12 juni 1972 en 10 december 1978, die de eerstgenoemde aanvullen, voor goederen die zich in de persoonlijke bagage van reizigers bevinden, geleidelijk een volledig stelsel van vrijstellingen van omzetbelasting en accijnzen willen invoeren, zodat de Lid-Staten op dit gebied nog slechts beschikken over de hun door de richtlijnen verleende beperkte bevoegdheid om andere vrijstellingen toe te staan dan die welke in de richtlijn zijn genoemd.” De gemeenschapsregeling terzake is dus uitputtend en de Lid-Staten hebben nog slechts de beperkte bevoegdheid die hun door de bepalingen van voornoemde richtlijnen is toegekend.

32.

Ten betoge dat artikel 2 van richtlijn nr. 69/169 niet-toepasselijk is, beroepen de Duitse, de Ierse en de Britse regering zich in de derde plaats op artikel 6, lid 2, van die richtlijn, dat bepaalt: „Onverminderd de regeling welke van toepassing is op de verkoop vanuit onder douanetoezicht staande verkoopinrichtingen in luchthavens en op de verkoop aan boord van vliegtuigen, nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen ten aanzien van de verkoop in de kleinhandelsfase teneinde het [...] mogelijk te maken dat ontheffing van omzetbelasting wordt verleend voor levering van goederen welke de reizigers bij het verlaten van een Lid-Staat in hun persoonlijke bagage meevoeren.” Genoemde regeringen stellen zich op het standpunt, dat deze bepalingen de Lid-Staten een weliswaar beperkte, doch toereikende bevoegdheid toekennen om vrijstellingen van omzetbelasting en accijnzen te verlenen voor goederen die in belastingvrije winkels aan boord van veerboten op intracommunautaire lijnen worden verkocht en in de persoonlijke bagage van de reizigers worden ingevoerd.

33.

Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat voornoemd artikel 6 uitsluitend de vrijstelling regelt voor goederen die worden meegevoerd in de bagage van reizigers die een Lid-Staat verlaten, en dat het voorbehoud in artikel 6, lid 2, eerste volzin, er slechts toe strekt, in afwijking van het door de overige bepalingen van artikel 6 ingevoerde algemene stelsel van belastingvrijstellingen, de mogelijkheid van belastingvrij inkopen in luchthavens en aan boord van vliegtuigen door reizigers die een Lid-Staat verlaten, te laten voortbestaan.

34.

Zowel uit het voorwerp van het bij de nationale rechterlijke instantie aanhangige geding als uit de formulering van de prejudiciële vraag blijkt echter, dat het Hof zich niet heeft uit te spreken over de rechtmatigheid van belastingvrije verkoop aan reizigers die een Lid-Staat verlaten, maar over de rechtmatigheid van de vrijstellingen die op grond van de artikelen 1 tot 5 van richtlijn nr. 69/169 worden toegekend aan reizigers die een Lid-Staat binnenkomen.

35.

Geen der bepalingen van artikel 6 van richtlijn nr. 69/169 is in casu dus relevant voor de beantwoording van de vraag, of goederen die deel uitmaken van de bagage van reizigers die een Lid-Staat binnenkomen, mogen worden vrijgesteld van omzetbelasting en accijnzen.

36.

Anders dan verzoeksters in het hoofdgeding menen, betekent dit evenwel nog niet, dat bij de invoer van dergelijke goederen in het geheel geen vrijstelling van omzetbelasting en accijnzen mag worden verleend, op rond dat deze goederen — in de hypothese waarvan in de prejudiciële vraag wordt uitgegaan — niet in het vrije verkeer zijn gebracht en niet onder de algemene belastingregeling van de binnenlandse markt van een van de Lid-Staten zijn verkregen.

37.

Voor het intracommunautaire reizigersverkeer immers bevat artikel 2, lid 4, van richtlijn nr. 69/169, zoals gewijzigd bij de derde richtlijn van de Raad van 19 december 1978 (nr. 78/1032), een regeling voor de gevallen waarin de reis van de ene naar de andere Lid-Staat plaatsvindt via het grondgebied van een derde land of waarin wordt vertrokken uit een gebiedsdeel van een andere Lid-Staat, waar de in de richtlijn bedoelde belastingen niet van toepassing zijn op goederen die aldaar worden verbruikt. In deze gevallen moet de reiziger kunnen aantonen, dat de in zijn bagage meegevoerde goederen zijn verkregen onder de voor de binnenlandse markt van een der Lid-Staten in het algemeen geldende belastingregeling en niet voor enigerlei teruggaaf ván omzetbelastingen en/of accijnzen in aanmerking komen. Kan de reiziger dit bewijs niet leveren, dan kan hij nog altijd aanspraak maken op de (naar waarde) beperktere vrijstelling voor het reizigersverkeer tussen derde landen en de Gemeenschap.

38.

Artikel 4, lid 4, van de richtlijn bevat overeenkomstige bepalingen voor de in kwantitatieve termen uitgedrukte vrijstellingen van bepaalde goederen.

39.

Blijkens voornoemde bepalingen en inzonderheid het tweede streepje van elk van genoemde leden gelden de naar waarde en hoeveelheid beperkte vrijstellingen van artikel 1, lid 1, en artikel 4, lid 1, van de richtlijn niet enkel voor reizigers die uit derde landen komen, maar onder bepaalde voorwaarden ook voor reizigers die uit Lid-Staten van de Gemeenschap komen, ook wanneer niet is aangetoond dat aan de voorwaarde voor toekenning van de ruimere, in het reizigersverkeer tussen Lid-Staten geldende vrijstelling — te weten verwerving van de goederen onder de algemene belastingsregeling van de binnenlandse markt van een Lid-Staat — is voldaan.

40.

Bijgevolg moet worden aangenomen, dat deze beperkte vrijstellingen ook hebben te gelden voor goederen die worden verkocht in belastingvrije winkels aan boord van veerboten die het lijnverkeer tussen Lid-Staten verzorgen. De ruimere vrijstellingen van de artikelen 2, lid 1, en 4, lid 1, van de richtlijn kunnen daarentegen enkel worden toegekend wanneer aan alle voorwaarden van artikel 2, lid 1, is voldaan.

41.

Op grond van een en ander moet op dit onderdeel van de vraag worden geantwoord, dat richtlijn nr. 69/169 (zoals gewijzigd) aldus moet worden uitgelegd, dat in het intracommunautaire reizigersverkeer bij de invoer van goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers en die zijn verworven in belastingvrije winkels aan boord van veerboten die lijndiensten tussen Lid-Staten onderhouden, vrijstellingen van omzetbelasting en accijnzen enerzijds en van de in artikel 2 van verordening nr. 1818/75 bedoelde andere invoerheffingen op landbouwprodukten anderzijds worden verleend, die zowel naar waarde als naar hoeveelheid zijn beperkt tot de vrijstellingen die worden verleend aan uit een derde land komende reizigers.

3. De derde vraag: bet gecombineerde intracommunautaire reizigersverkeer — heenreis per veerboot, terugreis per autobus
42.

In het door de nationale rechter bedoelde geval gaat het om schepen die van een haven van een Lid-Staat (in casu de Bondsrepublik Duitsland) naar een haven van een andere Lid-Staat (in casu Denemarken) varen en aan boord waarvan de reizigers vrij van invoerrechten, omzetbelastingen en accijnzen goederen kopen die zich niet in het vrije verkeer bevinden en waarover geen omzetbelasting en accijnzen zijn geheven; na in de haven van de tweede Lid-Staat van boord te zijn gegaan, keren de passagiers over land terug naar de Lid-Staat waar de reis is begonnen.

43.

Met deze vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of deze tijdens de overtocht gekochte goederen bij invoer in de Lid-Staat waar de reis is begonnen en waarnaar de reizigers terugkeren, in aanmerking komen voor vrijstelling van invoerrechten enerzijds en van omzetbelasting en accijnzen en de in artikel 2 van verordening nr. 1818/75 bedoelde andere invoerheffingen op landbouwprodukten anderzijds.

a) Vrijstellingen van invoerrechten
44.

Het door de nationale rechter beschreven geval is slechts een bijzondere vorm van intracommunautair reizigersverkeer; uit het hiervóór sub 2 a overwogene volgt, dat geen vrijstelling kan worden verleend.

b) Vrijstellingen van omzetbelasting en accijnzen en van de in artikel 2 van verordening nr. 1818/75 bedoelde andere heffingen bij invoer van land-bouwprodukten
45.

In dit verband zij opgemerkt, dat zowel uit de doelstellingen van richtlijn nr. 69/169 als uit de bepalingen van artikel 2, lid 1, ervan volgt, dat de door de richtlijn voorziene vrijstellingen voor goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers in het intracommunautaire reizigersverkeer, uitsluitend gelden voor reizigers „afkomstig uit Lid-Staten van de Gemeenschap”, dat wil zeggen reizigers die vanuit een Lid-Staat een andere Lid-Staat binnenkomen na in de gelegenheid te zijn geweest om in de Lid-Staat van vertrek daadwerkelijk inkopen te doen.

46.

Als reiziger in de zin van voornoemde bepalingen kan derhalve niet worden aangemerkt degene die tijdens een bootreis vanuit een haven van een Lid-Staat in een andere Lid-Staat niet of slechts symbolisch aan land gaat, en daar niet lang genoeg verblijft om daadwerkelijk inkopen te kunnen doen.

47.

Wanneer — gelijk doorgaans het geval is — het gecombineerde intracommunautaire reizigersverkeer met veerboot en autobus zodanig is georganiseerd, dat de reizigers in de Lid-Staat waar zij vóór hun terugkeer over land van boord gaan, daadwerkelijk inkopen kunnen doen, mag dus worden aangenomen dat het om echte reizigers in de zin van richtlijn nr. 69/169 (zoals gewijzigd) gaat. Bijgevolg geldt hier dezelfde oplossing als hiervóór met betrekking tot het intracommunautaire lijnverkeer is gegeven, dat wil zeggen dat een naar waarde en hoeveelheid beperkte vrijstelling moet worden verleend, overeenkomend met de vrijstellingen die aan uit een derde land komende reizigers worden verleend, ook wanneer de betrokken goederen niet onder de algemene belastingregeling van de binnenlandse markt van een Lid-Staat zijn verkregen.

48.

Zou echter een dergelijke gecombineerde reis in een uitzonderlijk geval zo zijn georganiseerd, dat de reizigers tijdens het oponthoud in de Lid-Staat die onderweg wordt aangedaan, geen inkopen kunnen doen, dan kan niet van reizigers in de zin van richtlijn nr. 69/169 worden gesproken en komen de tijdens zo'n overtocht gekochte goederen niet voor vrijstelling in aanmerking.

49.

Uit het voorgaande volgt, dat op dit onderdeel van de derde vraag moet worden geantwoord, dat voor goederen die in het gecombineerde intracommunautaire reizigersverkeer met veerboot en autobus vrij van omzetbelastingen en accijnzen zijn verworven, in beginsel de beperkte vrijstellingen hebben te gelden die aan uit derde landen komende reizigers worden verleend. Voor deze goederen kan evenwel geen vrijstelling worden verleend indien het oponthoud in de Lid-Staat via welke de terugreis plaatsvindt, slechts een symbolisch karakter heeft en geen gelegenheid biedt om daadwerkelijk inkopen te doen.

Kosten

50.

De kosten door de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Ierse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure al een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door het Finanzgericht Hamburg bij beschikking van 4 augustus 1982 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Het gemeenschapsrecht betreffende de vrijstellingen van invoerrechten, omzetbelasting, accijnzen, landbouwheffingen en andere heffingen bij invoer van landbouwprodukten, die van toepassing zijn op goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers, moet worden uitgelegd als volgt:

1. In het reizigersverkeer met veerboten tussen derde landen en Lid-Staten Vrijstellingen van invoerrechten, landbouwheffingen en andere heffingen bij invoer van landbouwprodukten De vrijstellingen bedoeld in verordening nr. 1544/69 (zoals gewijzigd bij verordening nr. 3061/78) en artikel 1 van verordening nr. 1818/75 (zoals gewijzigd bij verordening nr. 2780/78), gelden voor goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van uit een derde land komende reizigers, ongeacht de oorsprong en herkomst dier goederen en ongeacht de douanerechten en andere heffingen die vóór de invoer in de Gemeenschap erover zij geheven. Vrijstellingen van omzetbelasting en accijnzen De vrijstelling bedoeld in richtlijn nr. 69/169 van de Raad van 28 mei 1969 wordt verleend aan reizigers die vanuit een derde land het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen; voor het verlenen van die vrijstelling is niet van belang, onder welke voorwaarden de goederen zijn verworven.

2. In het intracommunautaire reizigersverkeer met veerboten Vrijstellingen van invoerrechten Vrijstelling van invoerrechten kan niet worden verleend wanneer goederen die nog niet in het vrije verkeer zijn gebracht, als deel van de persoonlijke bagage van reizigers in een Lid-Staat worden ingevoerd. Vrijstellingen van omzetbelasting en accijnzen en van de in artikel 2 van verordening nr. 1818/75 bedoelde vrijstellingen van andere heffingen bij invoer van landbouwprodukten Richtlijn nr. 69/169 (zoals gewijzigd) moet aldus worden uitgelegd, dat in het intracommunautaire reizigersverkeer bij de invoer van goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers en die zijn verworven in belastingvrije winkels aan boord van veerboten die lijndiensten tussen Lid-Staten onderhouden, vrijstellingen van omzetbelasting en accijnzen enerzijds en van de in artikel 2 van verordening nr. 1818/75 bedoelde andere invoerheffingen op landbouwprodukten anderzijds worden verleend, die zowel naar waarde als naar hoeveelheid zijn beperkt tot de vrijstellingen die worden verleend aan uit een derde land komende reizigers.

3. In het gecombineerde intracommunautaire reizigersverkeer — heenreis naar een Lid-Staat per veerboot, terugreis naar de Lid-Staat van vertrek over land (autobus) Vrijstellingen van invoerrechten Voor goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers, kan bij invoer in geval van terugkeer over land naar de Lid-Staat van vertrek geen vrijstelling van invoerrechten worden verleend. Vrijstellingen van omzetbelasting en accijnzen en van de in artikel 2 van verordening nr. 1818/75 bedoelde vrijstellingen van andere heffingen bij invoer van landbouwprodukten Voor goederen die in het gecombineerde intracommunautaire reizigersverkeer met veerboot en autobus vrij van omzetbelasting en accijnzen zijn verworven, hebben in beginsel de beperkte vrijstellingen te gelden die aan uit derde landen komende reizigers worden verleend. Voor deze goederen kan evenwel geen vrijstelling worden verleend indien het oponthoud in de Lid-Staat via welke de terugreis plaatsvindt, slechts een symbolisch karakter heeft en geen gelegenheid biedt om daadwerkelijk inkopen te doen.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

23
richtlijn 69/169 art. 217 voorkomens
richtlijn 69/169 art. 610 voorkomens
verordening 1818/75 art. 2uitgelegd9 voorkomens
richtlijn 69/169 art. 48 voorkomens
EEG-Verdrag art. 107 voorkomens
verordening 1818/75 art. 1uitgelegd6 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1774 voorkomens
EEG-Verdrag art. 94 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1693 voorkomens
Derde richtlijn 69/463 art. 43 voorkomens
verordening 1544/69 art. 13 voorkomens
EEG-Verdrag art. 2342 voorkomens
EEG-Verdrag art. 992 voorkomens
richtlijn 69/169 art. 12 voorkomens
richtlijn 69/169 art. 52 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1701 voorkomen
EEG-Verdrag art. 1711 voorkomen
EEG-Verdrag art. 1901 voorkomen
EEG-Verdrag art. 2351 voorkomen
EEG-Verdrag art. 281 voorkomen
richtlijn 69/169 art. 31 voorkomen
Derde richtlijn 69/463 art. 21 voorkomen
verordening 222/77 art. 11 voorkomen

Rechtspraak

3

Europese Unie

3

Conclusie van advocaat-generaal SaggioC-394/9719.01.1999

EG-Verdrag art. 36, richtlijn 92/12 art. 26

Hof van JustitieC-96/9109.06.1992

Richtlijn 69/169 art. 6, richtlijn 78/1032 art. 6

Bekijk de 3 documenten

Rechtsleer

3
Schuler, Robert: Recht der Internationalen Wirtschaft / Außenwirtschaftsdienst des Betriebs-Beraters 1984 p.309-310
Olbertz, Frank Florian: Zur Eingangsabgabenfreiheit unversteuerter Einkäufe im innergemeinschaftlichen Schiffsreiseverkehr, Zeitschrift für Zölle und Verbrauchsteuern 1984 p.98-100
Cartou, Louis: Recueil Dalloz Sirey 1984 IR. p.223