ARREST
De feiten
De verwijzingsbeschikking, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van's Hofs Statuut-EEG ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:
I — De feiten en het procesverloop
De zaak betreft de invoer in Engeland van grammofoonplaten van herkomst uit Portugal.
Geïntimeerden in het hoofdgeding zijn de vennootschappen Polydor Limited en RSO Records Inc. Deze laatste (hierna te noemen: RSO) heeft het auteursrecht op een aantal geluidsopnamen, onder de gezamenlijke titel „Spirits Having Flown”, met werk van de artiesten bekend als de „The Bee Gees”.
Als RSO's uitsluitende licentiehouder voor het Verenigd Koninkrijk heeft Polydor Limited (hierna te noemen: Polydor) grammofoonplaten en cassettes vervaardigd waarop genoemde opnamen zijn weergegeven, en deze vervolgens in het Verenigd Koninkrijk verkocht en gedistribueerd.
In Portugal worden grammofoonplaten en cassettes met die opnamen vervaardigd en in het verkeer gebracht door RSO's Portugese licentiehouders, de vennootschappen naar Portugees recht Phonogram en Polygram Discos. Beide vennootschappen behoren tot hetzelfde concern als RSO en Polydor.
Harlequin Record Shops Limited (hierna te noemen: Harlequin), appellante in het hoofdgeding, heeft in het Verenigd Koninkrijk een detailhandel in grammofoonplaten. Simons Records Limited (hierna te noemen: Simons), appellante in het hoofdgeding, legt zich in het Verenigd Koninkrijk toe op de importhandel in grammofoonplaten die zij aan groothandelaren in het Verenigd Koninkrijk verkoopt.
Sinds mei 1979 importeert Simons uit Portugal in het Verenigd Koninkrijk exemplaren van de grammofoonplaten die Phonogram en Polygram in Portugal van de auteursrechtelijk beschermde opnamen vervaardigen. Van die grammofoonplaten heeft Simons er een aantal verkocht aan Harlequin, die ze in haar winkel aan de man heeft gebracht. Simons' importen en verkopen en Harlequins verkopen hebben zonder toestemming van Polydor en RSO plaatsgehad.
RSO en Polydor maakten op 17 juli 1979 een zaak aanhangig bij de High Court of Justice, Chancery Division, waarin zij onder meer vorderden dat de rechter Harlequin de verkoop en distributie van genoemde grammofoonplaten en cassettes zou verbieden. Dezelfde dag werd een rekest ingediend, houdende verzoek om een uitspraak in kort geding, waarbij bedoelde gedragingen tot aan de uitspraak in de hoofdzaak zouden worden verboden. Op 20 juli 1979 voegde Simons zich aan de zijde van de gedaagde in het geding en verzocht de behandeling te schorsen en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag drie vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie.
Harlequin en Simons betoogden dat de door Simons ingevoerde grammofoonplaten exemplaren zijn die in Portugal voor rekening van Polygram in een Portugese perserij worden vervaardigd en door Polygram aan Simons' leverancier zijn verkocht.
Bij tussenvonnis van 21 december 1979 heeft de High Court of Justice, Chancery Division, afwijzend beschikt op het verzoek om verwijzing krachtens artikel 177 en een beschikking gegeven waarbij aan Simons de invoer van bedoelde grammofoonplaten uit Portugal en aan Simons en Harlequin de verkoop en distributie van die grammofoonplaten in het Verenigd Koninkrijk werd verboden.
Van deze beschikking gingen Harlequin en Simons in beroep bij de Court of Appeal, stellende dat Polydor zich naar gemeenschapsrecht niet mag beroepen op Section 16 (2) van de Copyright Act 1956.
Dit middel was gebaseerd op de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Portugal, ondertekend te Brussel op 22 juli 1972 en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij verordening nr. 2844/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB L 301 van 1972, blz. 164) (hierna: de Overeenkomst). De tenuitvoerlegging van de in de Overeenkomst voorziene vrijwaringsmaatregelen is nader geregeld in verordening nr. 2845/72 van de Raad van dezelfde datum (PB L 301 van 1972, blz. 368).
De door Harlequin en Simons ingeroepen bepalingen van de Overeenkomst zijn artikel 14, lid 2, en artikel 23. Artikel 14, lid 2, luidt als volgt:
„De kwantitatieve invoerbeperkingen worden per 1 januari 1973, en de maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen uiterlijk per 1 januari 1975 afgeschaft.”
Artikel 23 luidt als volgt:
„De Overeenkomst vormt geen beletsel voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen en dieren of het behoud van planten, van de bescherming van het nationaal artistiek, historisch en archeologisch bezit of uit hoofde van de bescherming van de industriële en commerciële eigendom, noch voor regelingen op het gebied van goud en zilver. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de Partijen bij de Overeenkomst vormen.”
Harlequin en Simons betoogden onder meer, dat volgens het arrest van 5 februari 1976 (zaak 87/75, Bresciani, Jurispr. 1976, blz. 129) aan de artikelen 14 en 23 van de Overeenkomst rechtstreekse werking toekomt. Voorts voerden zij aan, dat's Hofs rechtspraak volgens welke de bepalingen van het EEG-Verdrag inzake het vrije verkeer van goederen, zoals de artikelen 30 en 36, meebrengen dat de houder van een recht van industriële of intellectuele eigendom zich op dat recht niet mag beroepen teneinde de invoer tegen te gaan van een produkt dat door hemzelf of met zijn goedvinden in het verkeer is gebracht, ook voor de Overeenkomst heeft te gelden; de artikelen 14 en 23 van de Overeenkomst zouden op dezelfde beginselen berusten als de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag.
De Court of Appeal vond in dit betoog aanleiding afwijzend te beschikken op Polydors verzoek om voorlopige maatregelen.
Krachtens artikel 177 EEG-Verdrag heeft zij zich tot het Hof van Justitie gewend met verzoek om een prejudiciële uitspraak over de navolgende vragen:
1.„ Wanneer een vennootschap A haar auteursrechten voor het Verenigd Koninkrijk uitoefent ten aanzien van een grammofoonplaat die rechtmatig in de Republiek Portugal is vervaardigd en verkocht door licentiehouders van de overeenkomstige Portugese auteursrechten, vormt dit dan een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 14, lid 2, van genoemde Overeenkomst van 22 juli 1972 tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Portugal?
2.Zo ja,
(a)is een dergelijke uitoefening dan in de zin van artikel 23 van deze Overeenkomst van 22 juli 1972 gerechtvaardigd uit hoofde van de bescherming van deze auteursrechten voor het Verenigd Koninkrijk?
(b)vormt een dergelijke uitoefening door vennootschap A dan een middel tot discriminatie of een verkapte beperking van de handel tussen de Republiek Portugal en de EEG?
3.Kunnen particulieren in de EEG zich rechtstreeks beroepen op artikel 14, lid 2, van de Overeenkomst van 22 juli 1972, met name gelet op de verordening van de Raad van 19 december 1972 waarbij deze Overeenkomst is bekrachtigd?
4.Kan degene die de in vraag 1 bedoelde grammofoonplaten in het Verenigd Koninkrijk invoert, zich te zijner verdediging op artikel 14, lid 2, van de Overeenkomst van 22 juli 1972 beroepen wanneer hij door vennootschap A in rechte wordt aangesproken wegens inbreuk op haar voormelde auteursrechten in het Verenigd Koninkrijk?”
De verwijzingsbeschikking van 15 mei 1980 is op 8 december 1980 ter griffie van het Hof ingeschreven.
Krachtens artikel 20 van's Hofs Sta-tuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door Polydor en RSO, geïntimeerden in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door R.A. Morritt, Q.C., van Lincoln's Inn, geïnstrueerd door Joyn-son-Hicks & Co. en bijgestaan door J. van Bael en J.-F. Bellis, advocaten te Brussel; Harlequin en Simons, appellanten in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door A. Wilson, Q.C., van de balie van Engeland en Wales; de regering van het Verenigd Koninkrijk; de regering van de Bondsrepubliek Duitsland; de regering van het Koninkrijk der Nederlanden; de regering van het Koninkrijk Denemarken; de regering van de Franse Republiek; en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridische adviseurs J. Groux en J. Bourgeois, bijgestaan door D.A.O. Edward, Q.C, van de Schotse balie.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en de advocaat-generaal gehoord, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
II — Samenvatting van de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen
Harlequin en Simons zijn van mening dat artikel 14, lid 2, van de Overeenkomst aan de onderdanen van de Gemeenschap rechten verleent welke de rechterlijke instanties der Lid-Staten hebben te handhaven.
Artikel 1 van verordening nr. 2844/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB L 301 van 1972, blz. 164) bepaalt dat de Overeenkomst „namens de Gemeenschap wordt gesloten, goedgekeurd en bekrachtigd”, terwijl de verordening naar luid van haar artikel 5 „verbindend is in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat”. Ingevolge artikel 189 EEG-Verdrag is de Overeenkomst dus rechtstreeks toepasselijk in de Lid-Staten van de EEG.
Als moet worden uitgemaakt of de afzonderlijke bepalingen van een Overeenkomst aan particulieren rechten verlenen welke de rechterlijke instanties der Lid-Staten hebben te handhaven, slaat het Hof acht op „de geest, de opzet en de bewoordingen” van zulk een Overeenkomst (arrest van 5 februari 1976, zaak 87/75, Bresciani, Jurispr. 1976, blz. 129, 140). Bij zulk een onderzoek wordt duidelijk dat artikel 14, lid 2, van de Overeenkomst inderdaad zulke rechten kan doen ontstaan. Artikel 14, lid 2, is bovendien duidelijk en ondubbelzinnig geredigeerd.
Tot staving van hun opvatting verwijzen Harlequin en Simons naar's Hofs rechtspraak, met name de arresten van 5 februari 1976 (Bresciani, reeds aangehaald), 11 oktober 1979 (zaak 225/78, Bouhelier, Jurispr. 1979, blz. 3151), 30 november 1977 (zaak 52/77, Cayrol, Jurispr. 1977, blz. 2261) en 15 juni 1976 (zaak 51/75, EMI/CBS, Jurispr. 1976, blz. 811), en naar de conclusies van bepaalde schrijvers (March Hunnings, „Enforceability of the EECEFTA Free Trade Agreements”, (1977) 2 E.L. Rev., blz. 163, 180-184; Waelbroeck, „Enforceability of the EECEFTA Free Trade Agreements: A reply”, (1978) 3 E.L. Rev., blz. 27, 29 en 30).
Met betrekking tot artikel 14, lid 2, van de Overeenkomst wijzen Harlequin en Simons erop, dat het evenals artikel 30 EEG-Verdrag in die zin is te verstaan, dat het mede betrekking heeft op maatregelen zoals rechterlijke verboden, die de invoer van waren krachtens een industrieel eigendomsrecht, het auteursrecht daaronder begrepen, in de staat van invoer tegengaan (vgl. het arrest van 8 juni 1971, zaak 78/70, Deutsche Grammophon, Jurispr. 1971, blz. 487). Aan de termen „kwantitatieve invoerbeperkingen” en „maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen”, zoals in de bepaling gebezigd, komt in wezen dezelfde betekenis toe als aan de termen, gebezigd in artikel 30 EEG-Verdrag. Om de navolgende redenen zijn zij dan ook in die zin te verstaan, dat er een zelfde werking van uitgaat:
a) gezien de wijze waarop de voorschriften inzake het vrije verkeer van waren zijn ingericht, kan de Overeenkomst qua opzet met het EEG-Verdrag worden vergeleken; b) in de Overeenkomst komt een aan artikel 36 EEG-Verdrag gelijkluidend artikel 23 voor, waarin uitdrukkelijk van de bescherming van de industriële eigendom wordt gesproken; dit zou volstrekt onnodig zijn geweest, indien artikel 14 geen betrekking had op verboden die de invoer beletten van waren waarmee inbreuk op industriële eigendom wordt gemaakt; c) de Overeenkomst is ondertekend na's Hofs voormeld arrest in de zaak-Deutsche Grammophon; had het in de bedoeling gelegen een rechterlijk verbod tot invoer van inbreuk makende waren niet onder artikel 14 te doen vallen, dan zou het een eenvoudige zaak zijn geweest dit duidelijk in de Overeenkomst tot uitdrukking te brengen; d) rechterlijke verboden die de invoer van inbreuk makende waren volledig beletten, houden een zeer vergaande beperking van het goederenverkeer tussen de Lid-Staten in, en het zou verbazen indien de onderhandelaars dergelijke verboden buiten beschouwing hadden willen laten; e) in de voornoemde zaak-Bresciani heeft het Hof de term „heffingen van gelijke werking” als douanerechten, zoals gebezigd in de tweede Overeenkomst van Jaoende, in dezelfde zin verstaan als de overeenkomstige terminologie van artikel 13, lid 2, EEG-Verdrag.
Met betrekking tot artikel 23 van de Overeenkomst merken Harlequin en Simons op, dat het in dezelfde zin is te verstaan — en hetzelfde effect moet sorteren — als artikel 36 EEG-Verdrag. Dit volgt uit het feit dat in de artikelen vrijwel dezelfde bewoordingen zijn gebezigd, terwijl er met betrekking tot beide bepalingen ook van een zelfde context kan worden gesproken.
Gelet op de feiten van de zaak, is het gevraagde rechterlijke verbod in ieder geval niet „gerechtvaardigd” in de zin van artikel 23 van de Overeenkomst en vormt het een „middel tot willekeurige discriminatie” of een „verkapte beperking van de handel” tussen Portugal en de EEG.
Tot staving van hun opvatting beroepen Harlequin en Simons zich op de navolgende feiten:
a) de hierbedoelde grammofoonplaten zijn legaal in Portugal vervaardigd; b) zij zijn in Portugal vervaardigd en gedistribueerd door zustermaatschappijen van Polydor, die met een parallelle licentie van RSO werken.
Harlequin en Simons concluderen dat het den Hove behage, de gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
„1. Het inroepen van Britse auteursrechten bij invoer in het Verenigd Koninkrijk van grammofoonplaten die in Portugal door een Portugese licentiehouder rechtmatig zijn vervaardigd en verkocht, is een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking als bedoeld in artikel 14, lid 2, van de Overeenkomst. 2. Zulk een uitoefening van het auteursrecht is niet gerechtvaardigd in de zin van artikel 23 van de Overeenkomst en is te beschouwen als een middel tot willekeurige discriminatie dan wel als een verkapte beperking van de handel tussen Portugal en de EEG. 3. De artikelen 14, lid 2, en 23 van de Overeenkomst doen voor particulieren rechten ontstaan welke de rechterlijke instanties der Lid-Staten hebben te handhaven. 4. Mitsdien kan een importeur van zulke grammofoonplaten in het Verenigd Koninkrijk genoemd artikel 14, lid 2, inroepen teneinde zich te verweren tegen een door de houders van de Britse auteursrechten ingestelde inbreukactie.”
Polydor en RSO, geïntimeerden in het hoofdgeding (hierna: Polydor), zijn van mening dat de vier aan het Hof voorgelegde vragen in feite twee problemen doen rijzen en derhalve tot de twee navolgende vragen kunnen worden teruggebracht:
1) Zijn de artikelen 14, lid 2, en 23 van de Overeenkomst in die zin te verstaan, dat's Hofs rechtspraak inzake de uitputting van industriële en intellectuele eigendomsrechten in de Gemeenschap ook geldt voor het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Portugal? 2) Doen de artikelen 14, lid 2, en 23 van de Overeenkomst rechten ontstaan die voor de nationale rechterlijke instanties in de Gemeenschap kunnen worden ingeroepen?
Polydor meent dat beide vragen in ontkennende zin moeten worden beantwoord.
Zij wijst er allereerst op, dat er een fundamenteel verschil bestaat tussen de regels voor de uitlegging van het EEG-Verdrag en die voor de uitlegging van traditionele internationale verdragen.
Het wezenlijke verschil in benadering — ten aanzien van de rechtstreekse werking — tussen het traditionele volkenrecht en het gemeenschapsrecht is door het Hof belicht in de zaak-Van Gend & Loos (arrest van 5 februari 1963, zaak 26/62, Jurispr. 1963, blz. 1). Dit verschil is bevestigd in het arrest van 15 juli 1964 (zaak 6/64, Costa t. ENEL, Jurispr. 1964, blz. 1199).
Niet alleen ten aanzien van de rechtstreekse werking, doch ook als het om de materiële inhoud van een verdrag gaat, gelden andere methoden voor de uitlegging van het gemeenschapsrecht en van het volkenrecht. In afwijking van de traditionele aanpak van het volkenrecht, heeft het Hof ter uitlegging van het EEG-Verdrag dynamische uitleggingsmethoden toegepast, die „teleologisch” kunnen worden genoemd.
Als het Hof in het kader van het EEG-Verdrag dus een bepaling heeft uit te leggen en meent zulk een bepaling rechtstreeks toepasselijk te moeten verklaren, mag die uitlegging niet zonder meer worden getransponeerd naar de gelijkluidende bepalingen van internationale overeenkomsten, door de Gemeenschap met derde landen aangegaan. Dit beginsel is door het Hof bevestigd in het arrest van 12 december 1972 (gevoegde zaken 21-24/72, International Fruit, Jurispr. 1972, blz. 1219) en in voornoemd arrest van 11 oktober 1979 (Bouhelier).
Vergelijking van de Overeenkomst en het EEG-Verdrag leert dat er tussen beide een wezenlijk verschil bestaat. De Overeenkomst blijkt tot de categorie der traditionele volkenrechtelijke overeenkomsten te behoren. Er worden aan de contracterende partijen over en weer verplichtingen opgelegd, zonder dat er van een overdracht van soevereine bevoegdheden aan gemeenschappelijke instellingen sprake is. De Overeenkomst dient dus volgens de regelen van het volkenrecht te worden uitgelegd.
Wat de uitlegging van de artikelen 14, lid 2, en 23 van de Overeenkomst betreft, stelt Polydor zich op het standpunt dat's Hofs rechtspraak inzake de uitputting van industriële en intellectuele eigendomsrechten binnen de Gemeenschap, niet kan worden uitgebreid tot het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Portugal.
De ratio van's Hofs rechtspraak inzake de uitoefening van industriële en intellectuele eigendomsrechten overeenkomstig de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag, is de integratie van de nationale markten tot één markt te bevorderen en de „compartimentering” van de gemeenschappelijke markt te verhinderen: zie de arresten van 8 juni 1971 (Deutsche Grammophon, reeds aangehaald), 31 oktober 1974 (zaak 15/74, Centrafarm t. Sterling Drug, en zaak 16/74, Centrafarm t. Winthrop, Jurispr. 1974, blz. 1147 en 1183), 3 juli 1974 (zaak 192/73, Van Zuylen Frères t. Hag, ibid, blz. 731) en 20 januari 1981 (Musikvertrieb membran GmbH en K-tel t. GEMA, Jurispr. 1981, blz. 147). Die ratio geldt niet voor de Overeenkomst, die enkel een vrijhandelszone tussen de contracterende partijen tot stand wil brengen.
Bovendien wijst niets in de tekst van de Overeenkomst erop, dat de term „maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen” in de zin van artikel 14, lid 2, op precies dezelfde wijze moet worden uitgelegd als in artikel 30 EEG-Verdrag. Tussen artikel 14, lid 2, van de Overeenkomst met Portugal en artikel 2, lid 1, van de Overeenkomst van Jaoende van 1963, waarom het ging in's Hofs arrest in de zaak-Bresciani, bestaat een duidelijk verschil. Genoemd artikel 2, lid 1, verwijst uitdrukkelijk naar de artikelen 12, 13, 14 en 17 EEG-Verdrag. Dat is de reden waarom het Hof tot de slotsom kwam dat aan artikel 2, lid 1, van de Overeenkomst van Jaoende dezelfde betekenis moest worden gehecht als aan artikel 13 EEG-Verdrag. Iets dergelijks is evenwel in artikel 14, lid 2, van de Overeenkomst met Portugal niet te vinden.
Voorts treft men de term „maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen” niet alleen aan in artikel 30 EEG-Verdrag, maar ook in artikel 10 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Vrijhandels Associatie (EVA) en in artikel XI van de GATT. Noch in het bestek van de EVA, noch in dat van de GATT wordt aan die term een betekenis gehecht, die ook de leer betreffende de uitputting van rechten omvat. Er is dus geen enkele reden om die leer in artikel 14, lid 2, te willen lezen, te minder waar de EVA en de Overeenkomst dezelfde doelstelling hebben: de totstandbrenging van een vrijhandelszone. Het is dus wel zo waarschijnlijk, dat de betekenis van artikel 14, lid 2, dichter ligt bij die van artikel 10 EVA-Verdrag dan bij die van artikel 30 EEG-Verdrag.
Polydor wijst erop, dat volgens de laatste overweging van de considerans van de Overeenkomst „geen der bepalingen van deze Overeenkomst zodanig kan worden uitgelegd dat de overeenkomstsluitende Partijen daardoor worden ontslagen van de krachtens andere internationale overeenkomsten op hen rustende verplichtingen”. In verband hiermee dient bij de uitlegging van artikel 14, lid 2, van de Overeenkomst te rade te worden gegaan met de internationale auteursrechtconventies.
De houding van de contracterende partijen bij de toepassing van de Overeenkomst houdt een bevestiging in van het feit dat geen van beide, wat de uitoefening van industriële en intellectuele eigendomsrechten betreft, de bedoeling had aan de artikelen 14, lid 2, en 23 van de Overeenkomst een zelfde betekenis te hechten als aan de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag toekomt.
Noch de Gemeenschap en haar Lid-Staten, noch Portugal en de Lid-Staten van de EVA hebben enige wijziging aangebracht in hun wettelijke regelingen betreffende het auteursrecht en de andere industriële en intellectuele eigendomsrechten.
De door appellanten in het hoofdgeding voorgestane uitlegging van de hierbedoelde bepalingen is bovendien verworpen door de hoogste rechterlijke instanties van enkele EVA-landen (Oostenrijks Hooggerechtshof, arrest van 10 juli 1979, Austro-Mechana t. Gramola Winter et Co., Rev. Int. Dr. Aut. 1980, nr. 104; Federaal Gerechtshof van Zwitserland, arrest van 25 januari 1979, Sunlight AG t. Bosshard Partners Intertrading, de „Omo-zaak”, C.M.L.R. 1980, 3, blz. 664).
Ten aanzien van de rechtstreekse werking betoogt Polydor dat particulieren aan de artikelen 14, lid 2, en 23 van de Overeenkomst geen rechten kunnen ontlenen waarop zij zich in rechte kunnen beroepen.
Om te beginnen wijzen de bewoordingen van de Overeenkomst er nergens op, dat de contracterende partijen eraan hebben gedacht dat particulieren rechtstreeks zouden kunnen worden geraakt. Integendeel, het in artikel 14, lid 2, gebezigde werkwoord „afschaffen” wil zeggen dat partijen nadere stappen moeten ondernemen om de bepaling in werking te doen treden. Artikel 14, lid 2, is dan ook duidelijk anders geredigeerd dan artikel 30 EEG-Verdrag, waarin kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking worden „verboden” (arrest van 22 maart 1977, zaak 74/76, Ianelli en Volpi, Jurispr. 1977, blz. 557, 575).
In de tweede plaats kunnen de bepalingen betreffende de afschaffing van „maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen” (artikel 14, lid 2) en „verkapte beperking van de handel” (artikel 23), in het institutionele kader van de Overeenkomst niet als zodanig worden toegepast door de rechterlijke instanties van de contracterende partijen.
Waar gemeenschappelijke instellingen, belast met de zorg voor een eenvormige, alle partijen bindende uitlegging ontbreken, zijn deze termen te vaag om voor de rechterlijke instanties van de contracterende partijen te kunnen worden ingeroepen.
De zienswijze dat de artikelen 14, lid 2, en 23 van de Overeenkomst niet voor de nationale rechter kunnen worden ingeroepen, is in overeenstemming met's Hofs rechtspraak betreffende de rechtstreekse werking van internationale overeenkomsten (arresten van 12 december 1972, International Fruit, reeds aangehaald; 24 oktober 1973, zaak 9/73, Schlüter, Jurispr. 1973, blz. 1235; 5 februari 1976, Bresciani, reeds aangehaald).
Bovendien heeft het Zwitserse Federale Gerechtshof voorschriften, overeenkomende met de artikelen 14, lid 2, en 23 van de Overeenkomst, als bepalingen zonder rechtstreekse werking aangemerkt (arrest van 25 januari 1977, Sunlight, reeds aangehaald).
Voor de vraag of artikel 14, lid 2, voor de nationale rechter kan worden ingeroepen, is tenslotte evenmin van belang dat de Overeenkomst namens de Gemeenschap in de vorm van een „verordening” is aangegaan.
Hoewel het Verdrag te dezen geen bijzondere procedure voorschrijft, blijkt uit de praktijk van de Gemeenschap, dat iedere internationale overeenkomst waarbij de Gemeenschap partij is, voor haar inwerkingtreding het onderwerp vormt van een handeling van de Raad „houdende sluiting” van de overeenkomst. Die handeling wordt tezamen met de tekst van de overeenkomst in het Publikatieblad geplaatst. De handeling houdende sluiting van de overeenkomst, kan een „verordening” zijn of een „besluit”.
Welke ook de vorm is waarin de handeling wordt gegoten, zij heeft niets uitstaande met het probleem van de rechtstreekse toepasselijkheid van de overeenkomst. Het voornaamste doel ervan is, de overeenkomst namens de Gemeenschap goed te keuren. In samenhang daarmee kan het ook een doel van de handeling zijn, de voorzitter van de Raad te machtigen de andere'verdragsluitende partijen mee te delen dat de voor inwerkingtreding der overeenkomst vereiste procedures door de Gemeenschap zijn voltooid, of wanneer het gaat om overeenkomsten in vereenvoudigde vorm, de voorzitter te machtigen iemand tot ondertekening van de overenkomst aan te wijzen. In sommige gevallen bevat de handeling houdende sluiting van de overeenkomst, ook bepalingen voor de uitvoering ervan.
Uit de wijze waarop het Hof deze problematiek in eerdere zaken heeft benaderd, blijkt ook dat de vorm — verordening of besluit — van de handeling houdende sluiting van een internationale overeenkomst namens de Gemeenschap, niet van belang is voor de vraag inzake de rechtstreekse toepasselijkheid ervan. In geen van die zaken heeft het Hof die vorm in zijn overwegingen betrokken. Steeds weer heeft het Hof alleen op „de geest, de opzet en de bewoordingen” van de betrokken overeenkomst gelet: zie de reeds aangehaalde arresten van 12 december 1972 (International Fruit), 24 oktober 1973 (Schlüter) en 5 februari 1976 (Bresciani).
De uitbreiding van de communautaire leer inzake de uitputting van rechten tot vrijhandelsovereenkomsten zou de producenten in derde landen eenzijdig bevoordelen, ten detrimente van de industrie van de Gemeenschap. In de Gemeenschap gevestigde houders van octrooien, auteursrechten en andere industriële en intellectuele eigendomsrechten zouden zich niet op hun rechten kunnen beroepen om importen uit EVA-landen tegen te gaan, terwijl zij anderzijds in de landen geen aanspraak kunnen maken op een zelfde behandeling.
Polydor concludeert dat de gestelde vragen moeten worden beantwoord als volgt:
„1. Het antwoord op de eerste vraag dient ontkennend te luiden. Wanneer een vennootschap haar auteursrechten in het Verenigd Koninkrijk doet gelden tegen een grammofoonplaat die in de Republiek Portugal door licentiehouders rechtmatig is vervaardigd en verkocht krachtens gelijkwaardige Portugese auteursrechten, is dat niet een maatregel van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen in de zin van artikel 14, lid 2, van de Overeenkomst. 2. Het antwoord op de eerste vraag brengt mee, dat de tweede vraag, die slechts is gesteld voor het geval de eerste bevestigend zou worden beantwoord, geen beantwoording behoeft. 3. Het antwoord op de derde en vierde vraag dient ontkennend te luiden. Particulieren kunnen aan artikel 14, lid 2, van de Overeenkomst geen rechten ontlenen die zij in de Gemeenschap voor de nationale rechter kunnen inroepen.”
De regering van bet Verenigd Koninkrijk, de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, de regering van het Koninkrijk Denemarken, de regering van de Franse Republiek en de regering van het Koninkrijk der Nederlanden, stellen zich op het standpunt dat de artikelen 14, lid 2, en 23 van de Overeenkomst niet in die zin zijn te verstaan, dat:
1) een auteursrechthebbende in het Verenigd Koninkrijk of zijn licentiehouder hun rechten niet zouden kunnen inroepen om de invoer tegen te gaan van grammofoonplaten die in Portugal door een licentiehouder naar Portugees recht rechtmatig zijn vervaardigd en verkocht; 2) de justitiabelen er rechten aan zouden kunnen ontlenen die zij voor de nationale rechter in de Gemeenschap kunnen inroepen.
Hun opmerkingen komen overeen met het betoog van Polydor.
Zij beklemtonen, dat het naar de structuur van de Overeenkomst en de bedoelingen der auteurs in geval van schending van een bepaling der Overeenkomst moet komen tot overleg tussen de beide contracterende partijen, de Gemeenschap en Portugal, dan wel — eventueel — tot toepassing van vrijwaringsmaatregelen door één van beide partijen. Dat dit in de bedoeling heeft gelegen, blijkt onder meer ten duidelijkste uit de artikelen 26, lid 1, en 30, lid 3, sub a, van de Overeenkomst. Door aan zulke bepalingen rechtstreekse werking toe te kennen, zou men dan ook met de algemene opzet der Overeenkomst in strijd geraken.
De regering van het Verenigd Koninkrijk voegt hieraan nog toe, dat het verbod van maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen niet slechts te vinden is in de zeven vrijhandelsovereenkomsten die met de Lid-Staten van de EVA zijn gesloten, doch ook — en in vrijwel gelijkluidende bewoordingen — in alle overeenkomsten die door de Gemeenschap met de Middellandse-Zeelanden zijn aangegaan (bijvoorbeeld de Maghreb- en Machrak-overeenkomsten, de handelsovereenkomsten met Cyprus, Israël, Malta en Spanje, en de overeenkomsten met Turkije en Joegoslavië). Een zelfde tekst is ook te vinden in de GATT (artikelen XI en XX).
De Commissie wijst erop, dat de Overeenkomst en het EEG-Verdrag naar geest en opzet verschillen, ook al zijn hun bewoordingen wellicht identiek. Een zelfde formulering wettigt dus nog geen conclusies omtrent de aard of inhoud van de aangegane verplichtingen c.q. de draagwijdte en rechtsgevolgen van de betrokken bepalingen.
Met betrekking tot de vraag naar de rechtstreekse werking van de artikelen 14, lid 2, en 23 van de Overeenkomst wijst de Commissie erop, dat wanneer het verbod van maatregelen van gelijke werking wordt ingeroepen met betrekking tot beperkingen die met de bescherming van industriële en commerciële eigendom samenhangen, het niet aangaat om wat draagwijdte en werking betreft, verbod en rechtvaardigingsgronden van elkander los te maken.
De Commissie acht het in zoverre veelzeggend, dat het Hof in zijn rechtspraak betreffende het intracommunautaire handelsverkeer een nauw verband legt tussen de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag en bij de beantwoording van te dezen rijzende uitleggingsvragen deze bepalingen „gezamenlijk” in zijn overwegingen betrekt.
Als moet worden uitgemaakt, in hoeverre een beperking gebaseerd op de bescherming van industriële en commerciële eigendom, een rechtvaardiging kan vinden in de eis van het vrije verkeer van goederen, dienen twee belangen tegen elkander te worden afgewogen. Heeft men te maken met door de Gemeenschap gesloten overeenkomsten, dan dienen bij zulk een afweging ook de doelstellingen van die overeenkomsten in aanmerking te worden genomen.
De doelstellingen van de Overeenkomst — die beoogt „geleidelijk de belemmeringen voor het voornaamste gedeelte van ... [hun] handelverkeer op te heffen” en „een harmonische ontwikkeling van ... [hun] handel te verzekeren” — zijn zowel minder ambitieus als minder omlijnd dan de doelstellingen van het EEG-Verdrag. Zij leiden tot een beoordeling waarin voor beleidsoverwegingen een grote rol is weggelegd.
De Commissie trekt de rechtstreekse werking van artikel 14, lid 2, dan ook in twijfel, met name waar het gaat om maatregelen die, in het handelsverkeer binnen de Gemeenschap, als „zonder onderscheid” toepasselijk kunnen worden aangemerkt. Zij is van mening dat aan artikel 14, lid 2, bezien in samenhang met artikel 23 van de Overeenkomst, geen rechtstreekse werking toekomt, wanneer het gaat om maatregelen betreffende de bescherming van de industriële en commerciële eigendom.
Met betrekking tot de uitlegging van de artikelen 14, lid 2, en 23 van de Overeenkomst betoogt de Commissie dat's Hofs rechtspraak inzake de uitlegging van de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag niet zo maar kan worden overgenomen bij de uitlegging van de hierbedoelde bepalingen. In bedoelde uitspraken heeft het Hof zich allereerst laten leiden door de fundamentele premisse, dat het EEG-Verdrag een gemeenschappelijke markt ofwel één enkele markt heeft gecreëerd — en ook moest creëren. Voorts is het voor de door het EEG-Verdrag tot stand gebrachte gemeenschappelijke markt kenmerkend, dat dit Verdrag ook het institutionele kader en de institutionele voorzieningen heeft geschapen die de Gemeenschap als zodanig is staat stellen een einde te maken aan dispariteiten van de nationale wettelijke regelingen en van land tot land aan de dag tredende beleidsdivergenties te neutraliseren.
De Commissie betwijfelt of een verplichting om „maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen” af te schaffen, volkenrechtelijk aldus kan worden geïnterpreteerd, dat houders van een auteursrecht en hun licentienemers binnen de Gemeenschap van hun rechten geen gebruik zouden kunnenmaken om de invoer van in Portugal in licentie gefabriceerde produkten tegen te gaan.
De internationale bescherming van zulk een recht hangt af van de bescherming die door het nationale recht van soevereine staten wordt geboden. De beperking van rechten tot het grondgebied van de staat die de bescherming verleent (of wel tot de onderdanen van die staat), is een wezenlijk bestanddeel van het stelsel van internationale bescherming. Aan het bestaande stelsel ontlenen de houders van een vermogensrecht, zoals het auteursrecht, bovendien het gewettigd vertrouwen dat hun aanspraken zullen worden erkend.
Het is in zulk een redeverband nauwelijks waarschijnlijk dat een bilaterale vrijhandelsovereenkomst naar internationaal recht uitsluitend zou mogen worden uitgelegd op een wijze die meebrengt dat er aan de uitoefening van zulke rechten beperkingen zijn gesteld, wanneer die uitoefening algemeen rechtmatig wordt geacht en in overeenstemming is met hetgeen de houders van zulke rechten verwachten. Het systeem van internationale bescherming van auteursrecht, dat zelf weer berust op internationale overeenkomsten die na langdurige en ingewikkelde onderhandelingen tot stand zijn gekomen, maakt het ook al niet waarschijnlijk dat er naar internationaal recht impliciet een uitzondering zou kunnen bestaan op de beginselen die bij zulke overeenkomsten zijn vastgelegd.
Concluderend verklaart de Commissie het meest te voelen voor de-opvatting, dat de verplichting welke de Gemeenschap bij de artikelen 14 en 23 van de Overeenkomst heeft aanvaard, niet meebrengt dat het recht der Lid-Staten aan binnen de Gemeenschap gevestigde houders van auteursrechten en aan hun aldaar gevestigde licentienemers verbiedt hun rechten uit te oefenen op zodanige wijze, dat de invoer in de Gemeenschap van in Portugal in licentie vervaardigde produkten kan worden belet.
III — Mondelinge behandeling
Ter terechtzitting van 13 oktober 1981 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door Polydor, vertegenwoordigd door R. A. Morritt, Q. C, van Lincoln's Inn, bijgestaan door I. van Bael en J.-F. Bellis, advocaten te Brussel; Harlequin en Simons, vertegenwoordigd door A. Wilson, van de Engelse balie; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door G. Dagtoglou als gemachtigde, bijgestaan door R. Jacob, Q. C, van Gray's Inn; de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door M. Seidl als gemachtigde; de regering van de Franse Republiek, vertegenwoordigd door G. Guillaume als gemachtigde; en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C.-D. Ehlermann, directeur-generaal van haar juridische dienst, en J. Bourgeois, juridisch adviseur van de Commissie, als gemachtigde, bijgestaan door D. A. O. Edward, Q. C, van de Schotse balie.
Ter terechtzitting heeft de Commissie haar zienswijze nader toegelicht als volgt:
Volgens het arrest van 12 december 1971 (gevoegde zaken 21-24/72, International Fruit, Jurispr. 1972, blz. 1219) kan een particulier de geldigheid van een gemeenschapshandeling betwisten met een beroep op een bepaling van volkenrecht indien die bepaling a) de Gemeenschap bindt en b) directe werking heeft. De vraag inzake de directe werking is dan van fundamenteel belang voor de positie van de Gemeenschap in haar internationale betrekkingen, voor haar autonomie, haar identiteit en haar mogelijkheid haar eigen belangen en die van de Lid-Staten waarvoor zij de verantwoordelijkheid heeft aanvaard, te behartigen. In een ander opzicht stelt het vraagstuk van de directe werking het probleem aan de orde van de juiste verdeling van bevoegdheden en competenties in het rechtsstelsel van de Gemeenschap tussen enerzijds de wetgevende en uitvoerende organen en anderzijds de rechterlijke macht.
Het in het gemeenschapsrecht ontwikkelde begrip directe werking kan niet zonder meer op de internationale betrekkingen worden getransponeerd, en wel om twee redenen. De eerste is gelegen in de geheel andere aard en de doelstellingen van internationale overeenkomsten, de tweede in de noodzaak het evenwicht te bewaren tussen de voor- en nadelen die in het kader van die vrijhandelsovereenkomsten tussen de verdragsluitende partijen kunnen bestaan.
Wat de afwijkende aard en de doelstellingen van internationale overeenkomsten betreft, moet erop worden gewezen dat die overeenkomsten niet voorzien in een harmonisatie van het recht of in een gemeenschappelijke politiek en al evenmin in een stelsel van geschillenregeling, waarbij de verdragsbepalingen op een de partijen bindende wijze worden uitgelegd.
Wat de noodzaak betreft van een evenwichtige verdeling van voor- en nadelen tussen de verdragsluitende partijen, dit evenwicht zou verloren gaan indien de particulieren zich in de Gemeenschap wel, doch in de andere betrokken landen niet op een internationale overeenkomst kunnen beroepen. Men zou dan tenslotte zelfs in de situatie kunnen komen dat derde landen alle rechten verkrijgen die aan het lidmaatschap van de Gemeenschap zijn verbonden, zonder de overeenkomstige verplichtingen op zich te moeten nemen. Dit is met name het geval bij overeenkomsten tussen de Gemeenschap en de oude EVA-landen.
In het geval van een wederkerige overeenkomst gelijk de onderhavige zou het Hof de directe werking slechts moeten aanvaarden voor zover de bepalingen voor alle parijen volstrekt duidelijk geredigeerd zijn, of voor zover de bepalingen die een zekere ruimte voor uitlegging laten, door de verdragsluitende partijen zijn verduidelijkt.
In dit verband herinnert de Commissie eraan, dat het Hof de directe werking van de bepalingen inzake staatssteun slechts heeft erkend, voor zover artikel 92 EEG-Verdrag overeenkomstig artikel 93, lid 2, was toegepast. Anderzijds heeft het Hof in de tweede zaak-Defrenne (arrest van 8 april 1976, zaak 43/75, Jurispr. 1976, blz. 455) geoordeeeld dat men ten aanzien van de directe werking onderscheid moet maken tussen de „harde kern” van artikel 119, waaraan directe werking verbonden is, en de, wat men zou kunnen noemen, grauwe randzone, waarvoor een voorafgaand optreden van de wetgever noodzakelijk is.
Gelet op dit onderscheid, komt de Commissie tot de conclusie, ten eerste, dat artikel 14 van de Overeenkomst geen directe werking. heeft, uitgezonderd wellicht de „harde kern” ervan, en ten tweede, dat artikel 14 in samenhang met artikel 23 zeker geen directe werking heeft. Zelfs indien een uitlegging van deze bepalingen, die aan de uitoefening van industriële en commerciële eigendomsrechten raakt, zou worden aanvaard, zou zij stellig niet binnen de „harde kern” van artikel 14 vallen. Het is bovendien beter om een dergelijke interpretatie eventueel tot ontwikkeling te laten komen in het kader van de regelmatige betrekkingen tussen de partijen bij de Overeenkomst, dan om ze via de rechtspraak op te leggen aan één daarvan, namelijk de Gemeenschap.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 1 december 1981 conclusie genomen.
In rechte
Bij beschikking van 15 mei 1980, ingekomen ten Hove op 8 december daaropvolgende, heeft de Court of Appeal of England and Wales krachtens artikel 177 EEG-Verdrag vier prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 14, lid 2, en 23 van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Portugal, ondertekend te Brussel op 22 juli 1972 en namens de Gemeenschap goedgekeurd en bekrachtigd bij verordening nr. 2844/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB L 301, van 1972, blz. 165).
Het hoofdgeding betreft een vordering wegens inbreuk op auteursrecht, ingesteld tegen twee Britse ondernemingen, Harlequin Record Shops Ltd. en Simons Records Ltd. (hierna: Harlequin en Simons), die zich bezig houden met de import en verkoop van grammofoonplaten. Deze ondernemingen zouden opnamen van popmuziek van de groep „The Bee Gees” uit Portugal hebben ingevoerd en in het Verenigd Koninkrijk ten verkoop hebben aangeboden zonder toestemming van de rechthebbende op de auteursrechten of van diens uitsluitende licentiehouder in het Verenigd Koninkrijk.
De rechthebbende op de auteursrechten op de betrokken geluidsopnamen, RSO Records Inc. (hierna: RSO), heeft aan een zustermaatschappij, Polydor Ltd. (hierna: Polydor), een exclusieve licentie verleend voor de vervaardiging en distributie in het Verenigd Koninkrijk van grammofoonplaten en muziekcassettes met de betrokken opnamen. Platen en cassettes met dezelfde opnamen werden in Portugal vervaardigd en in de handel gebracht door twee vennootschappen naar Portugees recht, die de licentiehouders van RSO in Portugal waren. Simons kocht grammofoonplaten met die opnamen in Portugal, teneinde ze in te voeren in het Verenigd Koninkrijk voor verkoop aldaar. Harlequin kocht een aantal van die platen van Simons voor de verkoop en détail.
Naar de Court of Appeal heeft vastgesteld, hebben Harlequin en Simons daardoor naar Engels recht inbreuk gemaakt op Section 16 (2) van de Copyright Act 1956. Volgens deze bepaling wordt inbreuk gemaakt op een auteursrecht door degene die zonder toestemming van de rechthebbende een artikel in het Verenigd Koninkrijk invoert, wetende dat door de vervaardiging van dat artikel inbreuk is gemaakt op het auteursrecht of zou zijn gemaakt indien het artikel in het land van invoer was vervaardigd.
Harlequin en Simons betoogden evenwel dat de rechthebbende op een auteursrecht geen beroep op dat recht mag doen teneinde de invoer van een produkt in een Lid-Staat van de Gemeenschap tegen te gaan, indien dat produkt door hem of met zijn toestemming in Portugal rechtmatig in het verkeer is gebracht. Tot staving hiervan verwezen zij naar de artikelen 14, lid 2, en 23 van de Overeenkomst van 1972 tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Portugal (hierna: de Overeenkomst), stellende dat aan deze bepalingen dezelfde beginselen ten grondslag lagen als aan de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag en dat zij derhalve op overeenkomstige wijze moesten worden uitgelegd.
Teneinde dit verweer te kunnen beoordelen heeft de Court of Appeal het Hof de navolgende vragen ter prejudiciële beslissing voorgelegd:
1.„ Wanneer een vennootschap A haar auteursrechten voor het Verenigd Koninkrijk uitoefent ten aanzien van een grammofoonplaat die rechtmatig in de Republiek Portugal is vervaardigd en verkocht door licentiehouders van de overeenkomstige Portugese auteursrechten, vormt dit dan een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 14, lid 2, van genoemde Overeenkomst van 22 juli 1972 tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Portugal?
2.Zo ja,
a)is een dergelijke uitoefening dan in de zin van artikel 23 van deze Overeenkomst van 22 juli 1972 gerechtvaardigd uit hoofde van de bescherming van deze auteursrechten voor het Verenigd Koninkrijk?
b)vormt een dergelijke uitoefening door vennootschap A dan een middel tot discriminatie of een verkapte beperking van de handel tussen de Republiek Portugal en de EEG?
3.Kunnen particulieren in de EEG zich rechtstreeks beroepen op artikel 14, lid 2, van de Overeenkomst van 22 juli 1972, met name gelet op de verordening van de Raad van 19 december 1972 waarbij deze overeenkomst is bekrachtigd?
4.Kan degene die de in vraag 1 bedoelde grammofoonplaten in het Verenigd Koninkrijk invoert, zich te zijner verdediging op artikel 14, lid 2, van de Overeenkomst van 22 juli 1972 beroepen wanneer hij door vennootschap A in rechte wordt aangesproken wegens inbreuk op haar voormelde auteursrechten in het Verenigd Koninkrijk?”
Volgens's Hofs vaste rechtspraak vormt de uitoefening van een industrieel of commercieel eigendomsrecht door de rechthebbende, daaronder begrepen de commerciële exploitatie van een auteursrecht, teneinde de invoer in een Lid-Staat te verhinderen van een produkt dat in een andere Lid-Staat door of met toestemming van de rechthebbende rechtmatig in het verkeer is gebracht, een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 30 van het Verdrag, die niet is gerechtvaardigd uit hoofde van de bescherming van de industriële en commerciële eigendom in de zin van artikel 36.
De eerste twee vragen, die tezamen kunnen worden beschouwd, strekken er in wezen toe te vernemen of de artikelen 14, lid 2, en 23 van de Overeenkomst voor een zelfde uitlegging vatbaar zijn. Om deze vragen te kunnen beantwoorden moeten genoemde bepalingen worden onderzocht in het licht zowel van de inhoud en het doel van de Overeenkomst als van de bewoordingen ervan.
Krachtens artikel 228 van het Verdrag is de Overeenkomst gelijkelijk verbindend voor de Gemeenschap en voor de Lid-Staten. De onderwerpelijke bepalingen van de Overeenkomst luiden als volgt:
Artikel 14, lid 2: „De kwantitatieve invoerbeperkingen worden per 1 januari 1973, en de maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen uiterlijk per 1 januari 1975 afgeschaft.”
Artikel 23: „De Overeenkomst vormt geen beletsel voor verboden of beperkingen van invoer, ... de bescherming van de industriële en commerciële eigendom ... Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de Partijen bij de Overeenkomst vormen.”
Volgens de preambule van de Overeenkomst heeft deze tot doel, de tussen de Gemeenschap en Portugal bestaande economische betrekkingen te versterken en uit te breiden en een harmonische ontwikkeling van hun handel te verzekeren, met inachtneming van billijke mededingingsvoorwaarden, teneinde bij te dragen tot de opbouw van Europa. Daartoe besloten de Partijen bij de Overeenkomst, geleidelijk de belemmeringen voor het voornaamste gedeelte van hun handelsverkeer op te heffen, zulks overeenkomstig de bepalingen van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel (hierna: GATT) inzake de totstandkoming van vrijhandelszones.
Volgens artikel XXIV, lid 8, van de GATT is onder een vrijhandelszone te verstaan „een groep van twee of meer douanegebieden waarin de douanerechten en andere beperkende regelingen op het gebied van de handel... worden afgeschaft ten aanzien van vrijwel de gehele handel tussen de samenstellende gebieden in produkten van oorsprong uit deze gebieden.”
Ter verwezenlijking van bovenvermeld doel beoogt de Overeenkomst de liberalisatie van het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Portugal. Volgens artikel 2 is de Overeenkomst, behoudens bijzondere regelingen voor sommige produkten, van toepassing op produkten van oorsprong uit de Gemeenschap en uit Portugal, die onder de hoofdstukken 25 tot en met 99 van de Naamlijst van Brussel vallen.
In verband daarmee regelen de artikelen 3 tot en met 7 van de Overeenkomst de afschaffing van douanerechten en heffingen van gelijke werking in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Portugal. Hetzelfde beginsel vindt in artikel 14 toepassing ten aanzien van kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking. Deze bepalingen worden in artikel 21 aangevuld met het verbod van fiscale maatregelen en gedragingen met een discriminerend karakter, en in artikel 22 met de afschaffing van alle beperkingen voor betalingen die betrekking hebben op het goederenverkeer. Verder bevat de Overeenkomst in de artikelen 26 en 28 regels op het gebied van de mededinging, steunmaatregelen van de overheid en dumping. Krachtens artikel 32 wordt er een Gemengd Comité ingesteld dat belast is met het beheer van de Overeenkomst en toeziet op de juiste uitvoering ervan.
De formulering van de bepalingen van de Overeenkomst betreffende de afschaffing van handelsbeperkingen tussen de Gemeenschap en Portugal komt in verscheidene opzichten overeen met die van de bepalingen van het EEG-Verdrag betreffende de afschaffing van beperkingen in het intracommunautaire handelsverkeer. Harlequin en Simons hebben inzonderheid gewezen op de overeenkomsten tussen de artikelen 14, lid 2, en 23 van de Overeenkomst en de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag.
Deze overeenkomstige formulering vormt echter onvoldoende reden om vorenbedoelde rechtspraak, die — in het kader van de Gemeenschap — de verhouding bepaalt tussen de bescherming van de industriële en commerciële eigendomsrechten en de regels inzake het vrije goederenverkeer, ook van toepassing te achten op de bepalingen van de Overeenkomst.
De draagwijdte van die rechtspraak moet immers worden beoordeeld in het licht van de doelen en activiteiten van de Gemeenschap, zoals omschreven in de artikelen 2 en 3 EEG-Verdrag. Gelijk het Hof bij verschillende gelegenheden heeft beklemtoond, wil het Verdrag, door het instellen van een gemeenschappelijke markt en door het geleidelijk nader tot elkaar brengen van het economische beleid van de Lid-Staten, de nationale markten verenigen tot één enkele markt die de kenmerken van een binnenlandse markt vertoont.
Met het oog op die doelen heeft het Hof, onder meer in zijn arrest van 22 juni 1976 (zaak 119/75, Terrapin, Jurispr. 1976, blz. 1039), de artikelen 30 en 36 van het Verdrag aldus uitgelegd, dat de territoriale bescherming die door nationale bepalingen in zake de industriële en commerciële eigendom wordt geboden, geen. legitimatie kan opleveren voor de afscherming van de nationale markten en niet tot een kunstmatige verdeling van de markten mag leiden, en dat mitsdien de gerechtigde tot een in een Lid-Staat wettelijk beschermd recht van industriële of commerciële eigendom zich niet op die wettelijke regeling kan beroepen om de invoer van een produkt dat in een andere Lid-Staat door hemzelf of met zijn toestemming rechtmatig in het verkeer is gebracht, te verhinderen.
De overwegingen die aan deze uitlegging van de artikelen 30 en 36 van het Verdrag ten grondslag lagen, gelden niet in het kader van de betrekkingen tussen de Gemeenschap en Portugal, zoals die in de Overeenkomst zijn omschreven. Beziet men deze Overeenkomst, dan blijkt zij weliswaar te voorzien in de onvoorwaardelijke afschaffing van de handelsbeperkingen tussen de Gemeenschap en Portugal, zoals kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking, doch niet hetzelfde doel te hebben als het EEG-Verdrag, in zoverre dit laatste, zoals hierboven opgemerkt, beoogt één enkele markt tot stand te brengen die de omstandigheden van een binnenlandse markt zoveel mogelijk benadert.
Hieruit volgt dat in het kader van de Overeenkomst beperkingen van het goederenverkeer beschouwd kunnen worden als gerechtvaardigd uit hoofde van de bescherming van industriële en commerciële eigendom in een situatie waarin een dergelijke rechtvaardiging binnen de Gemeenschap niet mogelijk zou zijn.
In het onderhavige geval is een dergelijk onderscheid te meer noodzakelijk, omdat er in het kader van de betrekkingen tussen de Gemeenschap en Portugal geen equivalent bestaat voor de instrumenten waarover de Gemeenschap beschikt om binnen de gemeenschappelijke markt een eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht en een geleidelijke afschaffing van wettelijke dispariteiten te verwezenlijken.
Uit het voorgaande volgt, dat een op de bescherming van auteursrecht gebaseerd verbod om een produkt van oorsprong uit Portugal in de Gemeenschap in te voeren, in het kader van de door de Overeenkomst ingestelde vrijhandelsregeling gerechtvaardigd is krachtens de eerste zin van artikel 23. Niets in de vaststellingen van de nationale rechter laat de conclusie toe, dat de uitoefening van het auteursrecht in een geval als het onderhavige een middel tot willekeurige discriminatie of een verkapte beperking van de handel vormt in de zin van de tweede zin van dat artikel.
Mitsdien moet op de eerste twee vragen worden geantwoord, dat de uitoefening van door de wetgeving van een Lid-Staat beschermde auteursrechten, door de gerechtigde of zijn rechtverkrijgenden, ten aanzien van de invoer en de verhandeling van grammofoonplaten die door de licentiehouders van de gerechtigde in de Republiek Portugal rechtmatig zijn vervaardigd en in het verkeer gebracht, gerechtvaardigd is öm redenen verband houdend met de bescherming van de industriële en commerciële eigendom in de zin van artikel 23 van de Overeenkomst en dus geen bij artikel 14, lid 2, van de Overeenkomst verboden beperking van het handelsverkeer is. Een dergelijke uitoefening vormt geen middel tot willekeurige discriminatie of eeñ verkapte beperking van de handel tussen' de Gemeenschap en Portugal.
Gezien het antwoord op de eerste twee vragen, behoeven de derde en de vierde vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk, de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, de regering van het Koninkrijk Denemarken, de regering van de Franse Republiek, de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door de Court of Appeal bij beschikking van 15 mei 1980 gestelde vragen, verklaart voor recht:
De uitoefening van door de wetgeving van een Lid-Staat beschermde auteursrechten, door de gerechtigde of zijn rechtverkrijgenden, ten aanzien van de invoer en de verhandeling van grammofoonplaten die door licentiehouders van de gerechtigde in de Republiek Portugal rechtmatig zijn vervaardigd en in het verkeer gebracht, is gerechtvaardigd om redenen verband houdend met de bescherming van de industriële en commerciële eigendom in de zin van artikel 23 van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Portugal van 22 juli 1972 (PB L 301 van 1972, blz. 165), en is dus geen bij artikel 14, lid 2, van die Overeenkomst verboden beperking van het handelsverkeer. Een dergelijke uitoefening vormt geen middel tot willekeurige discriminatie of een verkapte beperking van de handel tussen de Gemeenschap en Portugal in de zin van genoemd artikel 23.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
14Rechtspraak
3Europese Unie
3Conclusie van de advocaat-generaalC-582/0820.05.2010
Belasting over toegevoegde waarde, teruggaaf
Hof van JustitieC-312/9101.07.1993