ARREST
De feiten
De feiten van de zaak, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG ingediende opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:
I — De feiten en het procesverloop
In het Verenigd Koninkrijk is het ingevolge de Fishing Nets (North-East Atlantic) Order 1977 (S.I. 1977, No 440), in werking getreden op 1 april 1977, verboden in een bepaald gedeelte van de Atlantische Oceaan, de Noordelijke Ijszee en de aangrenzende zeeën aan boord van Engelse en andere vissersvaartuigen die in de visserijzones van het Verenigd Koninkrijk varen, bepaalde netten met geringe maaswijdte voorhanden te hebben; de toegelaten minimum maaswijdte varieert naar gelang van de visserijzone. Voor de vangst van bepaalde, niet beschermde soorten is het aan boord hebben van netten met geringe maaswijdte toegestaan.
Meer in het bijzonder verbiedt artikel 5 juncto bijlage I van de Order, dat buitenlandse vissersvaartuigen in de wateren waar het vaartuig van verdachte in het hoofdgeding heeft gevist, netten voor de zeevisserij aan boord hebben, waarvan enig gedeelte bestaat uit dubbel twijn geen manillahennep of sisal bevattende, en met een maaswijdte van minder dan 75 mm. Voor de langoestinevisserij is evenwel een maaswijdte van 40-50 mm toegestaan.
Genoemde Order was het onderwerp van 's Hofs arrest van 4 oktober 1979 (zaak 141/78, Frankrijk t. Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1979, blz. 2923), volgens hetwelk het Verenigd Koninkrijk, door de Order op 1 april 1977 in werking te doen treden, de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichting niet was nagekomen, 's Hofs uitspraak was gebaseerd op het feit dat het Verenigd Koninkrijk de andere Lid-Staten niet van de te nemen maatregel in kennis had gesteld en niet had getracht de goedkeuring van de Commissie te verkrijgen.
De Order van 1977 werd gewijzigd bij de Fishing Nets (North-East Atlantic) (Variation) Order 1979 (S.I. 1979, No 744), die op 1 juli 1979 in werking is getreden en, volgens de gegevens door de verwijzende rechterlijke instantie verstrekt, bijlage I van de Order van 1977 in die zin wijzigde, dat de toegestane minimum maaswijdte van dubbelgetwijnde netten van 75 op 80 mm kwam te liggen.
De Order van 1979 was inmiddels, tezamen met andere Britse maatregelen, onderwerp van 's Hofs arrest van 5 mei 1981 (zaak 804/79, Commissie t. Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1981). In dat arrest heeft het Hof, toepassing gevende aan artikel 169 EEG-Verdrag, vastgesteld dat het Verenigd Koninkrijk de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet was nagekomen, onder meer door genoemde Order op 1 juli 1979 zonder behoorlijk overleg vooraf en in weerwil van de bezwaren van de Commissie vast te stellen.
Op 16 oktober 1979 werd Robert Tymen, van Franse nationaliteit en kapitein van een Franse trawler, aangehouden terwijl hij ongeveer 50 zeemijlen ten zuidwesten van de kust van Pembrokeshire, binnen de visserijzone van het Verenigd Koninkrijk, op langoestines viste. Aan boord van zijn vaartuig werden twee netten van dubbel twijn aangetroffen, waarvan de maaswijdte gemiddeld 62 à 63 mm bleek te bedragen, dus minder dan volgens de visserijvoorschriften van het Verenigd Koninkrijk was toegestaan.
Tymen stond terecht voor de Cardiff Crown Court, alwaar hij wegens overtreding van de Engelse voorschriften werd veroordeeld tot een boete van 250 pond, met verbeurdverklaring van de netten.
In beroep heeft de Court of Appeal, Criminal Division, teneinde de verenigbaarheid van de Britse regeling met het gemeenschapsrecht te kunnen beoordelen, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie verzocht zich krachtens artikel 177 EEG-Verdrag uit te spreken over de navolgende vragen:
1.„ Is een Lid-Staat na het verstrijken op 31 december 1978 van de in artikel 102 Toetredingsakte bedoelde overgangsperiode bevoegd tot het nemen en in werking doen treden van een instandhoudingsmaatregel voor de visserij die, zoals de Fishing Nets (North-East Atlantic) (Variation) Order 1979 (S.I. 1979, No 744), een minimum maaswijdte voor langoestines voorschrijft?
2.Zo niet, hebben dan particulieren die op grond van een dergelijke maatregel worden vervolgd, rechten die de nationale rechterlijke instanties moeten beschermen, en welke?
3.Zo de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, is dan aan
a)de procedurevoorschriften en
b)andere vereisten van
(i)artikel 3 van 's Raads verordening nr. 101/76 van 19 januari 1976,
(ii)bijlage VI bij de resolutie van Den Haag van 3 november 1976,
(iii)besluit nr. 79/590/EEG van 25 juni 1979,
(iv)artikel 5 EEG-Verdrag
voldaan door een Lid-Staat die, alvorens een instandhoudingsmaatre-gel voor de visserij te nemen, handelt zoals het Verenigd Koninkrijk heeft gedaan blijkens het hierbij gevoegde feitenrelaas?
4.Wordt het antwoord op vraag 3 beïnvloed door het feit dat het Hof van Justitie in zaak 141/78 (Frankrijk t. Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1979, blz. 2923) heeft vastgesteld dat het Verenigd Koninkrijk, door de Fishing Nets (North-East Atlantic) Order 1977 (S.I. 1977, No 440) in werking te doen treden, de ingevolge het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet was nagekomen?
5.Indien aan een of meer van vorenbedoelde vereisten niet is voldaan, hebben dan particulieren die op grond van een dergelijke maatregel worden vervolgd, rechten die de nationale rechterlijke instanties moeten beschermen, en welke?”
De verwijzingsbeschikking is op 5 december 1980 ter griffie van het Hof ingeschreven.
Krachtens artikel 20 van 's Hofs Sta-tuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door R. Tymen, vertegenwoordigd door P. O'Connor en X. Ghelber, advocaten te Londen respectievelijk Parijs; de Britse regering, vertegenwoordigd door Lord Mackay of Clashfern, Q.C., en R. D. Munrow van het Treasury Solicitor's Department: de Franse regering, vertegenwoordigd door Th. Le Roy namens de secretaris-generaal van het Comité interministériel pour les questions de coopération économique européenne; en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Wainwright, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en de advocaat-generaal gehoord, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het heeft evenwel partijen in het hoofdgeding, de betrokken Lid-Staten en de Commissie verzocht, in hun schriftelijke opmerkingen alsnog 's Hofs arrest van 5 mei 1981 (zaak 804/79, Commissie t. Verenigd Koninkrijk) in aanmerking te nemen. Tymen, de Britse regering en de Commissie hebben aanvullende opmerkingen ingediend.
II — Schriftelijke opmerkingen
Verdachte in het hoofdgeding, R. Tymen, merkt het navolgende op:
a)De eerste vraag is in feite al beantwoord door het arrest in zaak 804/79, volgens hetwelk „sedert het verstrijken van de overgangsperiode van artikel 102 Toetredingsakte op 1 januari 1979 de bevoegdheid om in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid maatregelen tot instandhouding van de visbestanden te treffen, volledig en onherroepelijk aan de Gemeenschap toekomt.” Nu de overdracht van bevoegdheden aan de Gemeenschap volledig en onherroepelijk is, kan het verzuim van de Raad om binnen de daartoe gestelde termijnen maatregelen tot instandhouding der visbestanden vast te stellen, in geen geval de Lid-Staten de bevoegdheid en vrijheid tot eenzijdig optreden teruggeven. Weliswaar heeft het Hof in zijn arrest de Lid-Staten toegestaan om in voorkomend geval de bestaande instandhoudingsmaatregelen te wijzigen; het Hof heeft er echter bijgezegd dat zulk een wijziging slechts van beperkte draagwijdte mag zijn en dat een Lid-Staat slechts in samenwerking met de Commissie tussentijdse instandhoudingsmaatregelen in werking mag doen treden.
De eerste vraag ware volgens Tymen aldus te beantwoorden, dat een Lid-Staat een maatregel als vervat in S.I. 1979 No 744 van het Verenigd Koninkrijk niet mocht vaststellen en in werking doen treden na het verstrijken van de periode van artikel 102 Toetredingsakte op 31 december 1978.
b)Ten aanzien van de tweede vraag betoogt Tymen dat de volledige en onherroepelijke overdracht van bevoegdheden aan de Gemeenschap verdergaande gevolgen heeft dan individuele „stand-still” -bepalingen. Bedoelde overdracht houdt principieel in, dat geen Lid-Staat zich mag bedienen van maatregelen welke zijn rechtsmacht of bevoegdheid te buiten gaan. Dit wordt zowel erkend in de Engelse „ultra-vires”-leer als in de Franse administratiefrechtelijke opvatting van „onbevoegdheid” en vindt voorts bevestiging in het arrest van het Hof van 9 maart 1978 (zaak 106/77, Simmenthal, Jurispr. 1978, blz. 629).
Gezien de volstrekte onbevoegdheid der Lid-Staten kan een probleem inzake de „rechtstreekse werking” zich niet voordoen. Subsidiair zij evenwel opgemerkt, dat het verbod van eenzijdige instandhoudingsmaatregelen niet slechts besloten ligt in artikel 102 Toetredingsakte op zichzelf beschouwd, maar ook voortvloeit uit de artikelen 3, sub d, 5, 8, lid 7, en 38-47 van het Verdrag junctis de overwegingen van de considerans en de artikelen 1 en 4 van 's Raads verordening nr. 101/76, bijlage VI bij de resolutie van Den Haag en 's Raads besluit van 25 juni 1979. Dat verbod is in overeenstemming met de maatstaven, in 's Hofs rechtspraak met betrekking tot de rechtstreekse werking van communautaire maatregelen vastgesteld.
De rechtstreekse werking van het verbod van eenzijdige maatregelen houdt, naar het Hof in een aantal arresten heeft overwogen (o.m. het arrest van 16 februari 1978, zaak 88/77, Schonenberg, Jurispr. 1978, blz. 473), in dat ook een rechtsvervolging, in verband met zulke maatregelen aanhangig gemaakt, op zichzelf met het gemeenschapsrecht in strijd is te achten.
Het Hof dient derhalve de tweede vraag in die zin te beantwoorden, dat geen Lid-Staat een particulier kan vervolgen op grond van een onbevoegdelijk door hem genomen maatregel die geheel binnen de bevoegdheids- en jurisdictiesfeer van de Gemeenschappen is gelegen. Een dergelijke rechtsvervolging is onverenigbaar met het gemeenschapsrecht.
c)Ten aanzien van de derde vraag betoogt Tymen dat de Fishing Nets (North-East Atlantic) (Variation) Order 1979 is vastgesteld in strijd met de duidelijke verboden van bijlage VI bij de resolutie van Den Haag van 3 november 1976 en paragraaf 2 van 's Raads besluit nr. 79/590 van 25 juni 1979: het Verenigd Koninkrijk heeft niet voldaan aan de op de Lid-Staten rustende verplichting, te trachten de goedkeuring van de Commissie te verkrijgen en haar in alle stadia van de procedure te raadplegen, zulks overeenkomstig de normen, te dien aanzien in 's Hofs rechtspraak vastgelegd. De Britse regering heeft voorts niet voldaan aan de in artikel 3 van 's Raads verordening nr. 101/76 van 19 januari 1976 aan de Lid-Staten opgelegde verplichting, de andere Lid-Staten en de Commissie in kennis te stellen van de wijzigingen die zij in de visserijregeling zouden willen aanbrengen.
d)Met betrekking tot de vierde vraag betoogt Tymen dat aan de overtreding waarom het in het hoofdgeding gaat, terecht de Britse Order van 1977 ten grondslag is gelegd, aangezien deze door de Fishing Nets (North-East Atlantic) (Variation) Order 1979 alleen maar is gewijzigd. Als het Verenigd Koninkrijk, naar het Hof in zijn arrest van 4 oktober 1979 in zaak 141/79 (Frankrijk t. Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1979, blz. 2923) heeft vastgesteld, de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet heeft nageleefd door de Order van 1977 vast te stellen, dan geldt hetzelfde voor de Order van 1979.
Het Verenigd Koninkrijk heeft het gemeenschapsrecht ook geschonden door na 's Hofs uitspraak in zaak 141/78 tot aanhouding en veroordeling op grond van de Britse maatregelen over te gaan. Door dat arrest is niet enkel de Order van 1977 achteraf onwettig geworden, doch ook iedere geheel op de oude tekst gebaseerde wijziging, zoals de onderhavige.
e)Met betrekking tot de vijfde vraag betoogt Tymen dat het verbod van eenzijdige instandhoudingsmaatregelen als bedoeld in bijlage VI en in besluit nr. 79/590, beantwoordt aan de basiscriteria waarvan het Hof in zijn vaste rechtspraak de directe werking van communautaire maatregelen afhankelijk heeft gesteld.
De rechtstreekse werking houdt in dat een rechtsvervolging, ingesteld op grond van eenzijdige maatregelen die in strijd met de verdragsverplichtingen van een Lid-Staat zijn genomen, ook zelf schending van het gemeenschapsrecht oplevert. Het Hof heeft zich herhaaldelijk in die zin uitgesproken, onder meer in het arrest van 16 februari 1978 (zaak 88/77, Schonenberg, Jurispr. 1978, blz. 473).
Tymen stelt het Hof dan ook voor, de vijfde vraag in die zin te beantwoorden, dat de betrokken Lid-Staat, door een eenzijdige maatregel als de Fishing Nets (North-East Atlantic) (Variation) Order 1979 in te roepen of een particulier uit dien hoofde te vervolgen, met het gemeenschapsrecht in strijd komt wanneer de maatregel in strijd met het materiële of formele gemeenschapsrecht is vastgesteld.
De Britse regemig betoogt het navolgende:
a)De eerste vraag ware, in de lijn van het arrest in zaak 804/79, in die zin te beantwoorden, dat een Lid-Staat ook na de in artikel 102 Toetredingsakte bedoelde periode wel degelijk bevoegd is een instandhoudingsmaatregel op het gebied van de visserij te nemen en in werking te doen treden, waarbij, zoals in het geval van de Fishing Nets (North-East Atlantic) (Variation) Order 1979, een minimum maaswijdte voor de langoestinevisserij wordt voorgeschreven, mits:
1.de instandhoudingsmaatregel werkelijk is te beschouwen als een wijziging van de bestaande instandhoudingsmaatregelen in verband met de ontwikkeling van de ter zake relevante biologische en technische gegevens, en niet geacht kan worden een nieuw instandhoudingsbeleid van een Lid-Staat in te houden;
2.de maatregel in samenwerking met de Commissie en met eerbiediging van het haar opgedragen algemeen toezicht wordt ingevoerd.
In casu is hieraan voldaan. De Commissie heeft de omstreden maatregel met ingang van 1 september 1979 stilzwijgend goedgekeurd door gelijkluidende voorstellen in te dienen, die op die dag in werking hadden moeten treden.
Het Verenigd Koninkrijk heeft, eveneens in overeenstemming met het arrest in zaak 804/79, gehandeld als „beheerder van het gemeenschappelijk belang”; dit belang verlangt immers dat er rechtsvoorschriften bestaan ter bescherming van de visbestanden van de Gemeenschap.
Ook al zouden particulieren rechten kunnen ontlenen aan het feit dat het Verenigd Koninkrijk de Commissie niet heeft geraadpleegd en met haar bezwaren geen rekening heeft gehouden, dan brengt het gemeenschappelijk belang toch mee dat dergelijke rechten beperkt moeten blijven tot de periode waarop de bezwaren van de Commissie betrekking hadden, dat wil zeggen het tijdvak van 1 juli tot 1 september 1979. Vanaf 1 september 1979 evenwel was het Verenigd Koninkrijk gerechtigd, én verplicht, een regeling als vervat in de Fishing Nets (North-East Atlantic) (Variation) Order 1979, in het gemeenschappelijk belang te handhaven en te doen naleven, teneinde de vissers te beletten zich te bedienen van netten als door Tymen bij de langoestinevisserij werden gebruikt.
b)De tweede vraag is slechts gesteld voor het geval de eerste, anders dan het Verenigd Koninkrijk meent, ontkennend moet worden beantwoord.
Er zij op gewezen dat zowel artikel 102 Toetredingsakte als de andere voorschriften waarin de bevoegdheid van de Gemeenschap op het gebied van visserij is vastgelegd, te weten de artikelen 3, sub d, en 38-47 EEG-Verdrag (met uitzondering van artikel 40, lid 3, tweede alinea, houdende het verbod van discriminatie), zijn vervat in algemene bewoordingen en algemene bevoegdheden en verplichtingen omschrijven, die naar hun aard verschillen van de bijzondere bepalingen die het Hof rechtstreeks toepasselijk heeft geacht.
De vraag ware derhalve in die zin te beantwoorden, dat de algemene bepalingen van de artikelen 3, sub d, en 38-47 EEG-Verdrag en de niet nagekomen verplichting die krachtens artikel 102 Toetredingsakte op de Raad rust, niet in de weg kunnen staan aan rechtsvervolgingen die op grond van dergelijke nationale voorschriften zijn ingesteld.
c)Met betrekking tot de derde vraag wijst de Britse regering erop, dat ook al mocht de Order van 1979 op 1 juli 1979 in strijd met het gemeenschapsrecht zijn vastgesteld, daardoor niet ook de handhaving van die maatregel en de na 1 september 1979 tegen Tymen ingestelde rechtsvervolging met het gemeenschapsrecht in strijd komen. Door aan de Order van 1979 haar goedkeuring te onthouden op de enkele grond dat hij niet vóór 1 september 1979 in werking had mogen treden, heeft de Commissie hem met ingang van die datum stilzwijgend goedgekeurd.
d)De Britse regering is, wat de vierde vraag betreft, van mening dat de vorm en methode van de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk alleen het Verenigd Koninkrijk aangaan en dat het voor het gemeenschapsrecht onverschillig kan zijn of de minimum maaswijdten die in oktober 1979 in de wateren van het Verenigd Koninkrijk golden, in het nationale recht van het Verenigd Koninkrijk zijn geïntroduceerd door wijziging van de Order van 1977 dan wel door intrekking van deze Order en vaststelling van een nieuwe regeling. Door een later arrest verliest zulk een wijziging dus niet achteraf automatisch haar geldigheid.
e)Met betrekking tot de vijfde vraag stelt de Britse regering zich op het standpunt dat de justitiabelen aan de bijzondere voorschriften bedoeld in de derde vraag, slechts door de nationale rechter te handhaven aanspraken kunnen ontlenen, wanneer het ervoor moet worden gehouden dat aan die voorschriften rechtstreekse werking toekomt, hetgeen niet het geval is.
De Britse regering geeft het Hof mitsdien in overweging, de vijfde vraag in die zin te beantwoorden dat, ook al mocht aan de voorwaarden in de derde vraag bedoeld, noch bij de vaststelling van de Order van 1979, noch bij de aanhouding van Tymen zijn voldaan, particulieren daaraan geen door de nationale rechter te handhaven aanspraken ontlenen.
De Franse regering betoogt dat er na het verstrijken van de overgangsperiode van artikel 102 Toetredingsakte een volstrekt andere rechtstoestand is ingetreden.
a)Met betrekking tot de eerste vraag stelt de Franse regering zich op het standpunt dat het verstrijken van de overgangsperiode alle nationale competenties ten aanzien van de visserij en de instandhouding van de biologische rijkdommen der zee heeft doen verdwijnen. De Lid-Staten kunnen te dien aanzien dus geen nationale maatregelen meer nemen, te minder waar de in afwachting van definitieve communautaire maatregelen genomen „roll-over”-besluiten de bestaande situatie hebben „bevroren”.
De eerste vraag moet dus ontkennend worden beantwoord.
b)Met betrekking tot de derde vraag, die gesteld is voor het geval de eerste vraag in bevestigende zin zou moeten worden beantwoord, merkt de Franse regering subsidiair nog op, dat het Verenigd Koninkrijk niet getracht heeft de goedkeuring van de Commissie te verkrijgen in voege als voorzien in bijlage VI van de resolutie van Den Haag; ofschoon zij om inzage van de beoogde maatregelen had verzocht, heeft de Commissie de tekst van die voorstellen nimmer ontvangen.
Het Verenigd Koninkrijk heeft, door de Lid-Staten niet tijdig van de beoogde maatregelen in kennis te stellen, ook de artikelen 2 en 3 van verordening nr. 101/76 geschonden.
c)De vierde vraag ware in die zin te beantwoorden, dat de bij het arrest van 4 oktober 1979 vastgestelde ongeldigheid van de Fishing Nets (North-East Atlantic) Order 1977 gevolgen heeft voor de wettigheid van de Fishing Nets (North-East Atlantic) (Variation) Order 1979. Op de grondslag van de Order van 1977 kan rechtens geen enkele strafvervolging worden ingesteld wegens overtreding van de maaswijdtevoorschriften van de Order van 1979.
d)Met betrekking tot de tweede en vijfde vraag stelt de Franse regering zich op het standpunt dat een in strijd met het gemeenschapsrecht genomen nationale maatregel door de nationale rechter niet mag worden toegepast. In casu betekent dit dat de verdachte van rechtsvervolging moet worden ontslagen.
De Commissie van de Europese Gemeenschappen verwijst in hoofdzaak naar hetgeen zij heeft betoogd in zaak 804/79 (Commissie t. Verenigd Koninkrijk), en wijst op de consequenties die daaraan in casu dienen te worden verbonden.
a)Bij de beantwoording van de eerste vraag dient zowel te rade te worden gegaan met het arrest in zaak 804/79 als met het arrest van 2 juli 1981 in zaak 124/80 (Van Dam).
In beide arresten is bevestigd dat de Lid-Staten niet meer bevoegd zijn tot het nemen van instandhoudingsmaatregelen op het gebied van de visserij, tenzij zij daartoe uitdrukkelijk door de Gemeenschap zijn gemachtigd. In bedoelde arresten wordt voorts uitgesproken dat wanneer de Raad met het treffen van instandhoudingsmaatregelen in gebreke mocht blijven, het op de weg van de Commissie ligt toezicht op de nationale maatregelen uit te oefenen, door er al dan niet haar goedkeuring aan te hechten.
De eerste vraag ware derhalve te beantwoorden als volgt:
„Na het verstrijken van de overgangsperiode bedoeld in artikel 102 Toetredingsakte, hebben de Lid-Staten geen eigen bevoegdheid meer tot het nemen van instandhoudingsmaatregelen op het gebied van de visserij. Bij stilzitten van de Raad kunnen de Lid-Staten instandhoudingsmaatregelen nemen, indien de noodzaak van zulke maatregelen zich mocht doen gevoelen. Zulke maatregelen kunnen er evenwel slechts komen nadat de Commissie behoorlijk is geraadpleegd en indien zij geen bezwaren, voorbehouden of voorwaarden heeft geformuleerd.”
b)De tweede vraag betreft de mogelijkheid van handhaving van individuele rechten door de nationale rechter.
Blijkens de redactie van de vraag gaat het de verwijzende rechter daarbij om de rechtstreekse werking van een bepaling van gemeenschapsrecht. De Commissie is evenwel van mening dat de vraag naar de rechtstreekse werking, gezien hetgeen zij met betrekking tot de eerste vraag heeft betoogd, niet rijst. Een maatregel, door een Lid-Staat met overschrijding van zijn bevoegdheden genomen, sorteert geen rechtsgevolg en biedt met name geen grondslag voor een rechtsvervolging. Dit beginsel is door het Hof bevestigd, met name in het arrest van 16 februari 1978 (zaak 88/77, Schonenberg, Jurispr. 1978, blz. 473). In dat arrest, heeft het Hof beslist dat „een strafrechtelijke veroordeling op grond van een met het gemeenschapsrecht strijdig bevonden nationale wettelijke bepaling eveneens daarmee onverenigbaar is” (r.o. 16).
De Commissie geeft het Hof derhalve in overweging, de tweede vraag te beantwoorden, als volgt:
„Een strafrechtelijke veroordeling op grond van een met het gemeenschapsrecht strijdig bevonden nationale wettelijke bepaling is eveneens daarmee onverenigbaar.”
c)De derde, vierde en vijfde vraag behoeven volgens de Commissie niet te worden beantwoord, omdat zij een bevestigende beantwoording van de eerste vraag veronderstellen, in die zin dat de Lid-Staten nog tot het nemen van instandhoudingsmaatregelen bevoegd zijn.
III — Mondelinge behandeling
Ter terechtzitting van 29 september 1981 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt en vragen van het Hof beantwoord door R. Tymen, vertegenwoordigd door P. O'Connor, van de balie van Engeland en Wales, en X. Ghelber, advocaat te Parijs; het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door Lord Mackay of Clashfern, Q.C., en D. Vaughan, Q.C; de Franse Republiek, vertegenwoordigd door A. Carnelutti; en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Wainwright, lid van haar juridische dienst.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 11 november 1981 conclusie genomen.
In rechte
Bij beschikking van 14 november 1980, ingekomen ten Hove op 5 december daaropvolgende, heeft de Court of Appeal, Criminal Divison, te Londen, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag vijf prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 102 van de Akte van 22 januari 1972 betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing der Verdragen, alsmede van bepaalde andere voorschriften van gemeenschapsrecht, in verband met een Britse maatregel op het gebied van de visserij.
Deze vragen zijn gerezen in het kader van een strafvervolging, ingesteld tegen de kapitein van een Franse trawler, R. Tymen, ter zake van overtreding van de „Fishing Nets (North-East Atlantic) (Variation) Order 1979 (S.I. 1979, No 744)”. Ingevolge deze Order, in werking getreden op 1 juli 1979 en houdende wijziging van de „Fishing Nets (North-East Atlantic) Order 1977 (S.I. 1977, No 440)”, is het verboden in een bepaald gedeelte van de Atlantische Oceaan, de Noordelijke Ijszee en de aangrenzende zeeën aan boord van vissersvaartuigen netten voorhanden te hebben met een maaswijdte die kleiner is dan de voorgeschreven minimum maaswijdte.
In casu is Tymen door de Cardiff Crown Court veroordeeld wegens overtreding van voornoemde Britse regeling, daar was komen vast te staan dat hij op 16 oktober 1979 binnen de visserijzone van het Verenigd Koninkrijk aan boord van zijn schip netten had met een gemiddelde maaswijdte die kleiner was dan het toegelaten minimum. Van dit vonnis is Tymen in beroep gegaan bij de Court of Appeal, Criminal Division.
Er zij aan herinnerd dat vorenbedoelde Britse regeling het onderwerp is geweest van twee beroepen wegens niet-nakoming van verdragsverplichtingen, tegen het Verenigd Koninkrijk ingesteld door de Franse Republiek en de Commissie krachtens respectievelijk de artikelen 170 en 169 EEG-Verdrag. In de eerste van die zaken heeft het Hof in zijn arrest van 4 oktober 1979 (zaak 141/78, Frankrijk t. Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1979, blz. 2923) verklaard dat het Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1979, blz. 2923) verklaard dat het Verenigd Koninkrijk, door op 1 april 1977 de Fishing Nets (North-East Atlantic) Order 1977 in werking te doen treden, de ingevolge het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet was nagekomen. In de tweede zaak heeft het Hof in zijn arrest van 5 mei 1981 (zaak 804/79, Commissie t. Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1981) vastgesteld dat het Verenigd Koninkrijk de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet was nagekomen door zonder behoorlijk overleg vooraf en in weerwil van de bezwaren van de Commissie, op 1 juli 1979 onder meer de Fishing Nets (North-East Atlantic) (Variation) Order 1979 (S.I. No 744) in werking te doen treden.
Van mening dat een uitspraak van het Hof van Justitie noodzakelijk was om te kunnen vaststellen of de Britse Order van 1979 verenigbaar is met het gemeenschapsrecht, heeft de Court of Appeal, Criminal Division, de navolgende vragen gesteld :
1.„ Is een Lid-Staat na het verstrijken op 31 december 1978 van de in artikel 102 Toetredingsakte bedoelde overgangsperiode bevoegd tot het nemen en in werking doen treden van een instandhoudingsmaatregel voor de visserij die, zoals de Fishing Nets (North-East Atlantic) (Variation) Order 1979 (S.I. 1979, No 744), een minimum maaswijdte voor langoestines voorschrijft?
2.Zo niet, hebben dan particulieren die op grond van een dergelijke maatregel worden vervolgd, rechten die de nationale rechterlijke instanties moeten beschermen, en welke?
3.Zo de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, is dan aan
a)de procedurevoorschriften en
b)andere vereisten van
(i)artikel 3 van s Raads verordening nr. 101/76 van 19 januari 1976,
(ii)bijlage VI bij de resolutie van Den Haag van 3 november 1976,
(iii)besluit nr. 79/590/EEG van 25 juni 1979,
(iv)artikel 5 EEG-Verdrag
voldaan door een Lid-Staat die, alvorens een instandhoudingsmaatregel voor de visserij te nemen, handelt zoals het Verenigd Koninkrijk heeft gedaan blijkens het hierbij gevoegde feitenrelaas?
4.Wordt het antwoord op vraag 3 beïnvloed door het feit dat het Hof van Justitie in zaak 141/78 (Frankrijk t. Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1979, blz. 2923) heeft vastgesteld dat het Verenigd Koninkrijk, door de Fishing Nets (North-East Atlantic) Order 1977 (S.I. 1977, No 440) in werking te doen treden, de ingevolge het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet was nagekomen?
5.Indien aan een of meer van vorenbedoelde vereisten niet is voldaan, hebben dan particulieren die op grond van een dergelijke maatregel worden vervolgd, rechten die de nationale rechterlijke instanties moeten beschermen, en welke?”
De eerste vraag
In de eerste plaats wordt gevraagd of de Lid-Staten na 31 december 1978 nog bevoegd waren instandhoudingsmaatregelen op het gebied van de visserij te nemen van het in de litigieuze Britse regeling vervatte type.
Gelijk het Hof reeds heeft vastgesteld in zijn voornoemd arrest van 5 mei 1981, komt de bevoegdheid om in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid maatregelen tot instandhouding van de visbestanden te treffen, sedert het verstrijken van de overgangsperiode van artikel 102 Toetredingsakte op 1 januari 1979, volledig en onherroepelijk toe aan de Gemeenschap, zodat de Lid-Staten na die datum niet meer gerechtigd zijn een eigen bevoegdheid terzake uit te oefenen en nog slechts kunnen handelen indien passend optreden van de Raad uitblijft, en dan uitsluitend als beheerders van het gemeenschappelijk belang.
Het Hof stelde in dat arrest dan ook vast, dat in een situatie die wordt gekenmerkt door het stilzitten van de Raad en door het in beginsel handhaven van de bestaande instandhoudingsmaatregelen, de Lid-Staten niet enkel verplicht zijn de Commissie omstandig te raadplegen en te goeder trouw te trachten haar goedkeuring te verkrijgen, doch ook om geen nationale instandhoudingsmaatregelen in te voeren tegen de eventueel door de Commissie geformuleerde bezwaren, voorbehouden of voorwaarden in.
De Britse regering heeft betoogd dat de Commissie hoofdzakelijk bezwaar maakte tegen de datum van inwerkingtreding — 1 juli 1979 — van de door de nationale rechter bedoelde Order, maar geen bedenkingen had geuit tegen de inhoud ervan. Aangezien de Commissie rond dezelfde tijd, namelijk in juni 1979, voorstellen voor inhoudelijk identieke maatregelen bij de Raad had ingediend, die per 1 september 1979 van kracht moesten worden, zou zij de Order stilzwijgend hebben goedgekeurd met werking vanaf dezelfde datum.
De Commissie betwist niet dat de Britse Order van 1979 althans in principe overeenkwam met de maatregelen voor het gehele betrokken zeegebied, die zij in diezelfde tijd aan de Raad had voorgesteld. Haar bedenkingen waren ingegeven door de overweging dat de vissers een redelijke termijn moesten krijgen om zich eraan aan te passen. Bovendien, aldus de Commissie, konden dergelijke maatregelen slechts nut afwerpen indien ze voor de gehele Gemeenschap zouden gelden; door de betrokken maatregelen eenzijdig in te voeren, begaf het Verenigd Koninkrijk zich op een gebied waarop sedert 1 januari 1979 de Gemeenschap bevoegd was.
Dienaangaande moet worden opgemerkt dat een voorstel van de Commissie aan de Raad, betreffende een gezamenlijk optreden van de Gemeenschap, op zich niet kan worden geacht de goedkeuring in te houden van een eenzijdige nationale maatregel — ook indien deze inhoudelijk identiek is — op een gebied waarop de Gemeenschap bevoegd is. De redenering van de Britse regering zou erop neerkomen, dat de wettigheid van nationale maatregelen die de bevoegdheidssfeer van d,e Gemeenschap raken, zou worden erkend op de enkele grond dat er een in principe gelijkluidend communautair voorstel bestaat. Dit zou niet slechts tegen de rechtszekerheid indruisen, doch ook de bevoegdheidsverdeling tussen de Gemeenschap en de Lid-Staten scheeftrekken en aldus het door het Verdrag beoogde en als essentieel beschouwde evenwicht verstoren.
Bovendien, wanneer de Commissie op het gebied van instandhoudingsmaatregelen voor de visserij, welke zijn genomen gedurende de periode waarin de Raad nog geen gebruik van zijn bevoegdheden had gemaakt, uitdrukkelijke bezwaren heeft geformuleerd tegen de beoogde nationale maatregel, kunnen die bezwaren slechts worden geacht te zijn vervallen wanneer de Commissie duidelijk en uitdrukkelijk heeft verklaard ze niet langer te willen handhaven. Beziet men nu de door de nationale rechter bedoelde maatregel in het licht van de aldus omschreven rechtssituatie, dan blijkt uit niets dat dat het geval is geweest. Integendeel, uit de Mededeling inzake de goedkeuring van de Commissie van nationale maatregelen tot instandhouding van de visserijbestanden van 4 juni 1980 (PB C 133 van 1980, blz. 2) blijkt dat de Commissie op 3 augustus 1979 weliswaar de aanwijzing, in de litigieuze Order, van een bepaalde vissoort als beschermde soort heeft goedgekeurd, doch uitdrukkelijk aan de Order als zodanig haar goedkeuring heeft onthouden.
Evenzo moet worden verworpen het subsidiair door de Britse regering aangevoerde argument, dat de Commissie door haar goedkeuring te weigeren onredelijk zou hebben gehandeld. Wanneer, gelijk met betrekking tot de litigieuze maatregelen in het arrest van 5 mei 1981 is vastgesteld, de Lid-Staat heeft nagelaten de raadplegingsprocedure zo toe te passen, dat de Commissie de voorgestelde maatregelen behoorlijk kan onderzoeken, kan men haar niet verwijten het recht te hebben geschonden door de maatregel niet achteraf goed te keuren.
Op de eerste vraag moet dus worden geantwoord, dat een Lid-Staat na het verstrijken van de in artikel 102 Toetredingsakte bedoelde periode niet bevoegd is zonder passende raadpleging vooraf van de Commissie en tegen de door deze geformuleerde bezwaren, voorbehouden en voorwaarden in, een instandhoudingsmaatregel op het gebied van de visserij vast te stellen en in werking te doen treden van het type vervat in de „Fishing Nets (North-East Atlantic) (Variation) Order 1979 (S.I. 1979, No 744)”.
De tweede vraag
In de tweede plaats wordt in wezen gevraagd, of particulieren kunnen worden veroordeeld op grond van een met het gemeenschapsrecht strijdig bevonden wettelijke bepaling.
Deze vraag is reeds behandeld in het arrest van 16 februari 1978 (zaak 88/77, Schonenberg, Jurispr. 1978, blz. 473). In dat arrest, dat evenals de onderhavige zak een overtreding van een nationale visserijregeling betrof, heeft het Hof verklaard dat een strafrechtelijke veroordeling op grond van een met het gemeenschapsrecht strijdig bevonden nationale wettelijke bepaling, eveneens daarmee onverenigbaar is.
Op de tweede vraag moet mitsdien worden geantwoord, dat een strafrechtelijke veroordeling op grond van een met het gemeenschapsrecht strijdig bevonden nationale wettelijke bepaling, eveneens daarmee onverenigbaar is.
De derde, vierde en vijfde vraag
De derde, vierde en vijfde vraag, die slechts zijn gesteld voor het geval de eerste bevestigend zou worden beantwoord, behoeven thans geen antwoord meer.
Kosten
De kosten door de Britse en de Franse regering alsmede door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door de Court of Appeal, Criminal Division, bij beschikking van 14 november 1980 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1. Na het verstrijken van de in artikel 102 Toetredingsakte bedoelde periode is een Lid-Staat niet bevoegd, zonder passende raadpleging vooraf van de Commissie en tegen de door deze geformuleerde bezwaren, voorbehouden of voorwaarden in, een instandhoudingsmaatregel op het gebied van de visserij vast te stellen en in werking te doen treden van het type vervat in de „Fishing Nets (North-East Atlantic) (Variation) Order 1979 (S.I. 1979, No 744)”.
2. Een strafrechtelijke veroordeling op grond van een met het gemeenschapsrecht strijdig bevonden nationale wettelijke bepaling, is eveneens daarmee onverenigbaar.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
9Rechtspraak
2Europese Unie
2Conclusie van advocaat-generaal Tesauro165/8824.10.1989
EEG-Verdrag art. 5, Zesde richtlijn 77/388 art. 32
Hof van Justitie5/8413.02.1985