ARREST
De feiten
De feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:
I — De feiten en het procesverloop
De commanditaire vennootschap Schneider-Import GmbH & Co. KG, te Bingen, liet tussen 3 en 28 augustus 1978 verschillende soorten alcoholhoudende dranken (te zamen ongeveer 50000 liter), bestemd voor het vrije verkeer, bij het douanekantoor Bingen inklaren. Bij de ingevoerde produkten bevond zich 23118 liter cognac van het merk „Remy Martin”, afkomstig uit Frankrijk.
Ingevolge het Duitse Branntweinmonopolgesetz van 8 april 1922 (sedertdien herhaaldelijk gewijzigd) wordt op gedistilleerd een verbruiksbelasting geheven die drie verschillende vormen kan aannemen: de Branntweinsteuer, die ingevolge § 84, lid 1, wordt geheven op door de Bundesmonopolverwaltung in de handel gebracht gedistilleerd; de Branntweinaufschlag, die ingevolge § 78 wordt geheven op gedistilleerd dat is vrijgesteld van de verplichte levering aan de Bundesmonopolverwaltung of dat in strijd met deze verplichting niet daaraan is geleverd; en de Monopolausgleich, een compenserend monopolierecht, dat ingevolge § 151, lid 1, op ingevoerd gedistilleerd wordt gelegd.
Na 's Hofs arresten van 17 februari 1976 in de zaken 45/75 (Rewe) en 91/75 (Miritz; Jurispr. 1975, blz. 181 en 217) is het Branntweinmonopolgesetz gewijzigd bij wet van 2 mei 1976 (BGBl. I, blz. 1145). Daarbij werden de Branntweinaufschlag en de Monopolausgleich op hetzelfde niveau gebracht als de Branntweinsteuer, terwijl ook verscheidene andere bepalingen van de wet van 1922 werden gewijzigd. Zo voorziet § 79, lid 2, in zijn gewijzigde versie in een verlaging van de Branntweinaufschlag voor gedistilleerd, tot een bepaalde hoeveelheid vervaardigd in een Abfindungsbrennerei of door een eigenaar van grondstoffen (Stoffbesitzer) of in een Verschlußbrennerei met een jaarproduktie van maximaal 4 hl ethylalcohol, of in een coöperatieve vruchtendistilleerderij tot het hieraan toegekende quantum. De belastingverlaging bedroeg 21 % en voor gedistilleerd, vervaardigd uitsluitend uit pitvruchten, bessen of gentiaanwortels, 30,5 %.
Dit laatste percentage gold krachtens § 151, lid 1, derde zin, ook voor ingevoerd gedistilleerd op basis van vruchten, afkomstig uit een distilleerderij met een maximum jaarproduktie van 4 hl ethylalcohol.
Bij wet van 5 juli 1976 (BGBl. I, blz. 1770) werd de Branntweinsteuer, en dus ook de Branntweinaufschlag en de Monopolausgleich, per 1 januari 1977 verhoogd van DM 1650 tot DM 1950 per hl ethylalcohol.
Bij wet van 13 juli 1978 (BGBl. I, blz. 1002) werd § 79, lid 2 van het Branntweinmonopolgesetz in dier voege gewijzigd, dat de coöperatieve vruchtendistilleerderijen niet meer van de verlaagde Branntweinaufschlag profiteren; volgens de nieuwe versie van § 151, lid 1, derde zin, is de verlaagde Branntweinaufschlag voortaan van toepassing op alle ingevoerd gedistilleerd dat afkomstig is van distilleerderijen met een maximum jaar-produktie van 4 hl ethylalcohol, ongeacht of het op basis van vruchten is vervaardigd of niet.
Bij wet van 13 november 1979 (BGBl. I, biz. 1937) is het Branntweinmonopolgesetz nogmaals gewijzigd. Deze wijziging heeft echter geen betrekking op § 79 en ook § 151, lid 1, heeft geen fundamentele wijziging ondergaan.
Overeenkomstig de toepasselijke regeling vorderde het douanekantoor Bingen van Schneider betaling van de Monopolausgleich voor de ingevoerde cognac, uitgaande van een hoeveelheid van 4104 liter ethylalcohol tegen het tarief van DM 1950/hl ethylalcohol.
Hiertegen diende Schneider op 28 augustus 1978 een bezwaarschrift in, dat door het Hauptzollamt Mainz op 22 juni 1979 werd afgewezen.
Van deze beslissing ging Schneider in beroep bij het Finanzgericht Rheinland-Pfalz, daartoe in hoofdzaak stellende dat de belasting op de ingevoerde cognac hoger was dan die op gedistilleerd dat op basis van vruchten in een Abfindungsbrennerei wordt vervaardigd.
Het Finanzgericht besloot bij beschikking van 20 december 1979 de behandeling van de zaak te schorsen en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
Moet artikel 95, eerste en tweede alinea, EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat uit de Gemeenschap ingevoerde gedistilleerde drank, die vergelijkbaar (gelijksoortig in de zin van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag) is met binnenlands gedistilleerd op basis van vruchten (§ 27 Branntweinmonopolgesetz), met het oog op de voor binnenlands gedistilleerd op basis van vruchten toegekende belastingfaciliteiten van § 79, lid 2, Branntweinmonopolgesetz slechts voor een overeenkomstig verlaagd compenserend monopolierecht (Monopolausgleich) in aanmerking kan komen, wanneer het ingevoerde gedistilleerd afkomstig is uit een distilleerderij met een geringe jaarproduktie (Kleinbrennerei) in de zin van § 79, lid 2, Branntweinmonopolgesetz (§151, lid 1, derde alinea, van de wet) ?
2. Zo ja: Is het met het oog op de aanvullende belastingfaciliteiten voor binnenlands gedistilleerd op basis van vruchten (belastingvrije ‚Überausbeute’, overschrijding van de maximum produktiegrenzen doordat ‚im Abschnitt’ wordt gedistilleerd) met artikel 95, eerste en tweede alinea, EEG-Verdrag verenigbaar dat de verlaging van de Monopolausgleich wordt beperkt tot de in §79, lid 2, Branntweinmonopolgesetz vastgelegde verlaagde tarieven (21 % respectievelijk 30,5 %), of moet de vermindering verder gaan dan deze tarieven, en de bovengrens voor de toepassing van het verlaagde Monopolaus-gleich-tarief voor de buitenlandse distilleerderij wordt gelegd bij een jaarproduktie van 4 hl ethylalcohol?”
De verwijzingsbeschikking van het Finanzgericht is op 17 januari 1980 ter griffie van het Hof ingeschreven.
Krachtens artikel 20 van 's Hofs Sta-tuut-EEG zijn op 1 april 1980 schriftelijke opmerkingen ingediend door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, te dezen vertegenwoordigd door haar juridisch adviseurs R.-C. Béraud en R. Wägenbaur; op 2 april door Schneider-Import GmbH & Co. KG, verzoekster in het hoofdgeding, te dezen vertegenwoordigd door D. Ehle, advocaat te Keulen; en op 14 april door de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, te dezen vertegenwoordigd door M. Seidel van het Bondsministerie van Economische Zaken, bijgestaan door J. Sedemund, advocaat te Keulen.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het heeft echter verzoekster in het hoofdgeding, de regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Commissie uitgenodigd, vóór de mondelinge behandeling schriftelijk een aantal vragen te beantwoorden. Zulks is binnen de gestelde termijn geschied.
Bij beschikking van 21 mei 1980 heeft het Hof overeenkomstig artikel 95, par. 1 en 2, van het Reglement voor de procesvoering besloten de zaak naar de Tweede kamer te verwijzen.
II — Bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen
Schneider-Import GmbH & Co. KG, verzoekster in het hoofdgeding, geeft eerst een overzicht van de voornaamste door haar bekritiseerde aspecten van het alcoholmonopolie en merkt vervolgens het volgende op.
De eerste vraag
a) Het Hof is gevraagd te beslissen of de beperking die § 151, lid 1, derde zin, van het Duitse Branntweinmonopolgesetz stelt aan de in § 79, lid 2, van deze wet voorziene belastingfaciliteiten voor gedistilleerd dat afkomstig is van een distilleerderij met een jaarlijkse produktie van maximaal 4 hl ethylalcohol, verenigbaar is met artikel 95 EEG-Verdrag. Deze vraag dient te worden bezien in het licht van 's Hofs rechtspraak, met name de arresten van 10 oktober 1978 (zaak 148/77, Hansen, Jurispr. 1978, blz. 1787), 8 januari 1980 (zaak 21/79, Commissie t. Italië, Jurispr. 1980, blz. 1) en 27 februari 1980 (zaak 171/78, Commissie t. Denemarken, ibid. blz. 447). Hieruit valt af de leiden dat, in verband met artikel 95, nationale belastingfaciliteiten, ongeacht de sociale of andere grondslagen waarop zij berusten, zonder onderscheid ook ten aanzien van ingevoerde produkten moeten worden toegepast; wat de vergelijkbaarheid betreft, mag die toepassing slechts worden beperkt wanneer de gronden waarop de belastingfaciliteiten berusten objectief gerechtvaardigd zijn; een beperkte toepassing is echter uitgesloten wanneer een rechtstreekse of zijdelingse discriminatie van ingevoerde produkten enkel kan worden voorkomen door algehele afschaffing van de belastingfaciliteiten.
b) In het kader van artikel 95 EEG-Verdrag moeten nationale belastingfaciliteiten in beginsel onbeperkt op ingevoerde produkten uit andere Lid-Staten worden toegepast. Cognac is als produkt gelijkwaardig aan Duits gedistilleerd uit vruchten, aangezien ook cognac uit vruchten wordt verkregen. De aard van de grondstoffen en de omvang van het bedrijf of de produktie kunnen stellig de prijs van een produkt beïnvloeden. Dit zijn echter economische factoren, die bij een vergelijking van de belastingdruk in het kader van artikel 95 buiten beschouwing dienen te blijven.
c) In elk geval moeten zulke factoren objectief gerechtvaardigd zijn. Wat hun juridische rechtvaardiging betreft, dient allereerst te worden vastgesteld dat de belastingfaciliteiten, die door § 79, lid 2, van het Branntweinmonopolgesetz aan Abfindungsbrennereien, Stoffbesitzer en Verschlußkleinbrennereien worden verleend, slechts een — ondergeschikt — deelaspect vormen van de algemene regeling. Deze regeling is op zichzelf alleen maar denkbaar door het bestaan en functioneren van een monopolie dat, in strijd met de verplichting van artikel 37 EEG-Verdrag, discriminaties in de voorwaarden van voorziening en afzet handhaaft of zelfs bevordert. Volgens de rechtspraak van het Hof laat artikel 37, lid 1, EEG-Verdrag na het einde van de overgangsperiode geen uitzonderingen meer toe op het verbod van artikel 95, dat volledig geldt voor de belastingheffing op ingevoerde produkten vergeleken met nationale produkten. Belastingregelingen die slechts een alternatief vormen voor een monopolie en alleen te begrijpen zijn vanuit de werking en de gevolgen van het alcoholmonopolie, mogen er daarom niet toe leiden dat in het kader van artikel 95 ook ingevoerde produkten aan die beperkingen worden onderworpen. De beperking van § 151, lid 1, derde zin, Branntweinmonopolgesetz is juridisch evenmin te rechtvaardigen bij vergelijking met § 79, lid 2, en de hieraan ten gronde liggende feitelijke en juridische voorwaarden. § 151 trekt veel engere grenzen voor ingevoerd gedistilleerd dan voor de kleine Duitse distilleerderijen. De jaarlijkse produktie van Abfindungsbrennereien en Verschlußbrennereien kan ruimschoots boven 4 hl uitkomen en een niet onaanzienlijk deel van hun produktie mag belastingvrij in de handel worden gebracht. Deze mogelijkheid vloeit voor de kleine Verschlußbrennereien voort uit § 116, lid 7, en voor Abfindungsbrennereien uit § 116, lid 4, van de Brennereiverordnung. Beperking van het fiscale voordeel van artikel 79, lid 2, Branntweinmonopolgesetz tot enkele producenten of een bepaalde jaarlijkse produktieomvang is juridisch niet te rechtvaardigen. Wat de economische gerechtvaardigheid betreft, moet worden opgemerkt dat de aan Abfindungsbrennereien en Stoffbesitzer toegekende fiscale voordelen evenmin — en zeker niet in hun huidige omvang — bepaalde economische of sociale doelen in de zin van de rechtspraak van het Hof nastreven. De Stoffbesitzer, waarvan sommigen hoge inkomsten genieten en vermogende lieden zijn, kunnen hun eigen vruchten zelf distilleren of dit voor hun eigen rekening door een Abfindungsbrennerei laten doen. De Abfindungsbrennereien op hun beurt hebben nauwelijks nog een band met de landbouw. Zonder de hoge overdrachtskosten, het belastingvrije produktie-excedent („Überausbeute”) en de differentiële belastingtarieven hadden zich in plaats van Abfindungsbrennereien distilleerderijen kunnen ontwikkelen met een, bedrijfseconomisch gezien, optimale produktiecapaciteit. Het alcoholmonopolie heeft dit echter verhinderd. Het gaat niet zo zeer om de instandhouding van bepaalde categorieën bedrijven of de verwerking van bepaalde grondstoffen door de distilleerderijen, als wel om het behoud van buitensporige en ongerechtvaardigde belastingfaciliteiten die in de loop van de laatste jaren gestaag zijn toegenomen. Kleine distilleerderijen, die typische streekgebonden gedistilleerde dranken produceren en tot de hun toegestane hoeveelheid zelf verhandelen, kunnen ook op een andere manier in stand worden gehouden. Ook economische redenen kunnen derhalve niet rechtvaardigen, dat de belastingfaciliteiten van § 79, lid 2, en het belastingvrije produktie-excedent worden beperkt tot de invoer uit distilleerderijen met een jaarlijkse produktie van 4 hl ethylalcohol.
d) In elk geval dient een differentiële belasting op ingevoerd gedistilleerd af te stuiten op het feit dat de exporterende ondernemingen in andere Lid-Staten niet aan de voorwaarden van § 79, lid 2, Branntweinmonopolgesetz en de daaraan ten grondslag liggende monopoliebepalingen kunnen voldoen. Gelijkstelling van alle ingevoerde produkten voor wat het belastingtarief van § 79, lid 2, betreft, respectievelijk afschaffing in de toekomst van deze bepaling vormt het enige middel ter voorkoming van rechtstreekse of zijdelingse discriminatie van ingevoerd gedistilleerd. De toekenning van belastingfaciliteiten wordt niet uitsluitend gekoppeld aan een bepaalde produktieomvang; § 79, lid 2, gaat veeleer uit van bepaalde grondstoffen, legt verschillende belastingtarieven vast en is in wezen gebaseerd op het bestaan van bijzondere instituten als „Abfindungsbrennereien” en „Stoffbesitzer”. Het zijn specifiek binnenlandse kenmerken van de vervaardiging van gedistilleerd, waaraan de fiscale faciliteiten zijn gekoppeld. Deze zijn in het buitenland onbekend en kunnen bijgevolg ook niet dienen als criteria bij de beoordeling van de „gelijksoortigheid” van nationale en ingevoerde produkten. Uit de rechtspraak van het Hof, met name het arrest van 22 juni 1976 (zaak 125/75, Bobie, Jurispr. 1976, blz. 1079), valt af te leiden dat de belastingfaciliteiten voor Abfindungsbrennereien, Verschlußbrennereien en Stoffbesitzer niet zijn gebaseerd op objectieve of zelfs maar plausibele overwegingen; die faciliteiten zijn ook niet doorzichtig, terwijl evenmin goed valt te overzien welke voordelen eruit voortvloeien.
e) De eerste vraag zou kunnen worden beantwoord als volgt: Artikel 95, eerste en tweede alinea, EEG-Verdrag dient aldus te worden uitgelegd, dat de bij § 79, lid 2, Branntweinmonopolgesetz aan binnenlands gedistilleerd op basis van vruchten toegekende belastingfaciliteiten ook dienen te gelden voor uit de Gemeenschap ingevoerd gedistilleerd.
De tweede vraag
Deze vraag heeft betrekking op de „aanvullende” belastingfaciliteiten die niet uit de bewoordingen van § 79, lid 2, blijken, maar wel zijn af te leiden uit de instituten „Abfindungsbrennerei” en „Stoffbesitzer”.
a) Het is vaste rechtspraak van het Hof dat belastingfaciliteiten, ook al komen zij slechts aan een gering gedeelte van de nationale produktie ten goede, zich in het kader van artikel 95 EEG-Verdrag dienen uit te strekken tot uit de Gemeenschap ingevoerd gedistilleerd. Sociale of andere redenen vormen in het kader van artikel 95 geen rechtvaardiging voor een verschil in belastingdruk.
b) Verlaging van het compenserend monopolierecht („Monopolausgleich”). met 30,5 % voor ingevoerde cognac, krachtens §79, lid 2, is onvoldoende; ook het belastingvrije produktie-excedent moest tenminste pro rata en percentueel worden berekend.
c) De bovengrens voor de toepassing van het verlaagde Monopolausgleich-tarief moet aanmerkelijk worden verhoogd. Maatstaf zou kunnen zijn de omvang van het stookrecht van een oude Abfindungsbrenner voor de duur van de periode (30 hl), vermeerderd met een gemiddeld produktie-excedent van ± 50 °/o (15 hl). Rekening houdend met de periode, zou daar nog de jaarlijkse hoeveelheid gedistilleerd moeten worden bijgeteld, die een Abfindungsbrenner voor een nog nader te bepalen aantal Stoffbesitzer per jaar kan en mag vervaardigen en het hierbij weer optredende produktie-excedent. De regering van de Bondsrepubliek Duitsland merkt het volgende op :
De eerste vraag
a) De verwijzende rechter stelt de vraag of de verlaagde Monopolausgleich ook dan voor ingevoerd gedistilleerd moet gelden, wanneer het niet voldoet aan de voorwaarden die voor een overeenkomstige belastingverlaging gelden voor nationaal gedistilleerd. Volgens de rechtspraak van het Hof wordt artikel 95 EEG-Verdrag niet geschonden als een Lid-Staat op zijn grondgebied een progressieve belasting heft over een bepaald produkt en gelijksoortige ingevoerde produkten alleen dan voor een lager tarief in aanmerking doet komen, wanneer zij aan dezelfde voorwaarden voldoen die voor een overeenkomstig lager tarief voor nationale produkten gelden.
b) Geen enkele van de krachtens § 79, lid 2, fiscaal bevoorrechte groepen producenten mag de toegestane jaarproduktie van 4 hl gedistilleerd overschrijden. Voor Abfindungsbrennereien en Stoffbesitzer ligt deze bovengrens zelfs beduidend lager. § 151, lid 1, derde zin, waarborgt dan ook dat kleine distillateurs uit andere Lid-Staten, die niet meer dan 4 hl gedistilleerd vervaardigen, voor hetzelfde belastingvoordeel in aanmerking komen als de betrekkelijk kleine groep binnenlandse distillateurs die aan de voorwaarden van § 79, lid 2, voldoen.
c) Toepassing van het laagste in de Bondsrepubliek geldende belastingtarief op alle ingevoerde gedistilleerde dranken, ook als zij niet afkomstig zijn van kleine distilleerderijen, gaat echter veel verder dan waartoe het discriminatieverbod van artikel 95 EEG-Verdrag verplicht. Daarom zou 95 % van het Duitse gedistilleerd fiscaal aanzienlijk worden benadeeld ten opzichte van gelijksoortige ingevoerde produkten en zou de Bondsrepubliek belastinginkomsten van DM 300-500 miljoen derven.
d) De eerste in deze zaak gestelde vraag is reeds volledig beantwoord in 's Hofs arrest van 10 oktober 1978 (zaak 148/77, Hansen, Jurispr. 1978, blz. 1787), dat nauw samenhangt met het arrest van 22 juni 1976 (zaak 127/75, Bobie). Het Hof besliste dat het gemeenschapsrecht in zijn huidige stand de Lid-Staten niet verbiedt aan bepaalde soorten gedistilleerde dranken of bepaalde groepen producenten belastingvoordelen toe te kennen, en dat belastingfaciliteiten als deze ter bereiking van wettige economische en sociale doelen kunnen worden aangewend. Met erop te wijzen dat zulke begunstigingsregelingen zich zonder onderscheid tot gedistilleerde dranken uit andere Lid-Staten moeten uitstrekken, heeft het Hof niet alleen het oog gehad op de omvang, maar ook op de voorwaarden van de begunstiging. De ingevoerde produkten kunnen in beginsel alleen voor nationale belastingvoordelen in aanmerking komen, indien zij voldoen aan dezelfde voorwaarden waaraan concurrerende nationale produkten moeten voldoen. Volgens het Hof eist artikel 95 dat belastingvoordelen voor nationale produkten zonder onderscheid ook moeten worden toegekend aan gedistilleerde dranken uit andere Lid-Staten. Wanneer een Lid-Staat — op geoorloofde wijze — verschillende belastingtarieven op gelijksoortige produkten toepast, leidt toepassing van alleen het laagste belastingtarief op alle gelijksoortige ingevoerde produkten noodzakelijkerwijs tot discriminatie van die produkten, die volgens het nationale recht van dat voordeel zijn uitgesloten en toch evenzeer concurreren met de ingevoerde produkten als de begunstigde produkten.
e) Naar het Finanzgericht heeft uiteengezet, zou er sprake kunnen zijn van een zijdelingse discriminatie doordat een lager belastingtarief voor de invoer uitsluitend aan een jaarlijkse maximum produktie is gekoppeld, terwijl § 79, lid 2, ten aanzien van nationale produkten nog een aantal andere voorwaarden stelt voor toekenning van het belastingvoordeel, waaraan de buitenlandse producenten in het algemeen niet zouden kunnen voldoen. Dit is een puur feitelijke vraag. Ten aanzien hiervan moet overigens op de duidelijke rechtspraak van het Hof worden gewezen, volgens welke de voorwaarden waaraan het nationale recht het belastingvoordeel verbindt, niet zodanig mogen zijn, dat nationale producenten er wel zonder meer aan kunnen voldoen en buitenlandse niet. In het onderhavige geval wordt de drie begunstigde groepen producenten een jaarlijkse maximum produktiegrens van 4 hl alcohol opgelegd. Bij Abfindungsbrennereien wordt echter bij de berekening van de maximum produktie geen rekening gehouden met het belastingvrije produktie-excedent, dat ontstaat door bepaalde onnauwkeurigheden in de schatting van de produktie. In verband met de jaarlijkse bovengrens van 4 hl is dit echter van weinig belang, omdat het produktiecijfer afwijkingen van 20 % en meer krachtens dwingende wetsbepaling moet worden gewijzigd. In feite is de Duitse regeling gunstiger voor ingevoerd dan voor binnenlands gedistilleerd: indien het ingevoerde produkt afkomstig is van een distilleerderij met een jaarlijkse produktie van minder dan 4 hl, komt het namelijk zonder meer in aanmerking voor de toekenning van het belastingvoordeel. Binnenlandse distilleerderijen daarentegen moeten aan een extra voorwaarde voldoen: als de jaarlijkse produktie beneden de 4 hl alcohol ligt, moet deze „onder zegel” zijn vervaardigd. De voorwaarde die § 151, lid 1, derde zin, Branntweinmonopolgesetz voor de toekenning van de belastingfaciliteit van § 79, lid 2, aan buitenlandse distillateurs stelt, is dus niet restrictiever dan de voorwaarden die krachtens § 79, lid 2, voor binnenlandse distillateurs gelden. Het is evenmin een typische, specifiek voor het eigen land geldende eis, waaraan buitenlandse distillateurs slechts met moeite zouden kunnen voldoen.
f) Overigens kan de litigieuze invoerregeling alleen al daarom niet in strijd zijn met artikel 95 EEG-Verdrag, omdat de belastingfaciliteit van § 79, lid 2, het karakter heeft van een steunmaatregel in de zin van artikel 92 e.v. EEG-Verdrag. De Commissie is daarover naar behoren ingelicht en heeft geen bedenkingen geuit. Ook dient erop te worden gewezen dat toepassing van het onderhavige belastingvoordeel op alle ingevoerde gedistilleerde dranken, hetgeen meer is dan waartoe artikel 95 verplicht, in feite tot beëindiging van deze rechtmatige steunverlening zou leiden. Dit kan het voortbestaan van de kleine distillateurs op het spel zetten en is daarom om verschillende sociale en landbouwpolitieke redenen niet verdedigbaar.
g) De eerste vraag zou kunnen worden beantwoord als volgt: Het is niet in strijd met artikel 95 EEG-Verdrag, wanneer in een Lid-Staat bepaalde soorten gedistilleerd of bepaalde groepen producenten worden begunstigd door middel van een belastingvrijstelling of -verlaging, voor zover zij met inachtneming van de criteria van artikel 95 aan dezelfde voorwaarden voldoen.
De tweede vraag
a) Deze vraag heeft betrekking op twee modaliteiten betreffende de heffingtechniek respectievelijk de procedure voor de belastingheffing bij bepaalde groepen binnenlandse distilleerderijen. Omdat deze regelingen van procedureeltechnische aard zijn vallen zij buiten het toepassingsgebied van artikel 95. Beide onderdelen van de vraag moeten dan ook bevestigend worden beantwoord.
b) Distillatie „unter Abfindung” vormt een heffingtechnische faciliteit die mede op sociale en landbouwpolitieke overwegingen berust. Met dit systeem kan de belasting bij de Ideine distillateurs zonder onevenredig hoge perceptiekosten worden geheven. Tevens wordt door de aan het forfaitaire systeem inherente kans op een belastingvrij produktie-excedent zowel belastingontduiking als clandestien distilleren tegengegaan. De eventuele belastingverlichting voor deze groep distillateurs is in wezen een neveneffect van het op nationaal vlak enige praktisch uitvoerbare heffingsysteem voor de kleinste distilleerderijen. Als heffingtechnische regeling valt distillatie „unter Abfindung” niet onder het fiscale discriminatieverbod van artikel 95: het is belastingtechnisch gezien de meest geschikte heffingswijze en de eventuele bijkomstige voordelen zijn in sociaal en landbouwpolitiek opzicht als positief te waarderen.
c) De regeling van de distillatie „im Abschnitt” valt eveneens buiten het bereik van artikel 95: zij brengt geen belastingvoordeel mee. De enkele mogelijkheid om op fiscaal gunstige voorwaarden een aantal jaar meer alcohol te distilleren en in andere jaren evenredig minder, werkt niet begunstigend, gelet op de compensatie binnen een periode. Het feit dat dit voordeel niet voor ingevoerde produkten geldt, vormt geen inbreuk op artikel 95: buitenlandse distillateurs de mogelijkheid bieden om „im Abschnitt” te distilleren, leidt niet tot een fiscaal gelijke behandeling, maar betekent wel een aanmerkelijke bevoordeling van ingevoerd gedistilleerd.
d) De tweede vraag dient in haar beide onderdelen bevestigend te worden beantwoord. De Commissie meent — steunend op de rechtspraak van het Hof — dat de vragen van het Finanzgericht niet vanuit artikel 37 EEG-Verdrag moeten worden bezien, maar uitsluitend vanuit artikel 95. De rechtspraak over artikel 95 is onlangs zeer duidelijk bevestigd in de arresten van 27 februari 1980 (zaak 168/78, Commissie t. Frankrijk, zaak 169/78, Commissie t. Italië, zaak 171/78, Commissie t. Denemarken, Jurispr. 1980, blz. 347, 385 en 447). In deze arresten heeft het Hof met name verklaard dat de overwegingen van het arrest van 10 oktober 1978 (Hansen) niet mogen worden opgevat als een legitimatie voor fiscale differentiaties met een discriminerend of protectionistisch karakter.
De eerste vraag
a) De Bondsrepubliek Duitsland kent met de litigieuze regeling fiscale voordelen toe aan gedistilleerd op basis van vruchten, volgens een maatstaf die abstraheert van het gelijksoortige of concurrerende karakter van deze produkten met gelijke produkten die afkomstig zijn uit ondernemingen met een produktie die boven de wettelijk bepaalde grens ligt, en ook andere gelijksoortige of concurrerende produkten niet in aanmerking neemt.
b) Dit stelsel vormde het onderwerp van geschil in de zaak-Hansen, waarin het Finanzgericht Hamburg bij vonnis van 23 mei 1979 heeft beslist dat, krachtens het fiscale gelijkheidsbeginsel, op rum uit Martinique het gunstigste tarief van § 79, lid 2, Branntweinmonopolgesetz moet worden toegepast, dat alleen voor gedistilleerd op basis van vruchten geldt.
c) Met het in de arresten van 27 februari uitgesproken oordeel, dat de betrokken Lid-Staten de ingevolge artikel 95 EEG-Verdrag op hen rustende verplichtingen niet zijn nagekomen, heeft het Hof te kennen gegeven dat het Italiaanse, Franse en Deense belastingstelsel zodanig moet worden gewijzigd, dat op alle ingevoerd gedistilleerd hetzelfde tarief wordt toegepast. De redenen op grond waarvan het Hof de verschillende „soorten gedistilleerd” als criterium voor het in stand houden van bepaalde „pro-dukties” heeft verworpen, gelden ook voor het criterium van de productiehoeveelheden van ondernemingen, zoals dat in de litigieuze Duitse regeling is neergelegd.
d) Wat de economische en sociale redenen betreft, die eventueel ten gunste van de bestreden belastingfaciliteiten kunnen worden aangevoerd, moet erop worden gewezen dat de gemeenschappelijke marktordening voor groente en fruit in interventiemaatregelen voorziet voor bepaalde vruchten, die als grondstof voor het onderhavige gedistilleerd worden gebruikt.
e) Het antwoord op de eerste vraag dient te luiden als volgt: Artikel 95 EEG-Verdrag eist dat belastingfaciliteiten die krachtens een nationale regeling uitsluitend zijn voorbehouden aan ondernemingen waarvan de jaarlijkse produktie een bepaalde hoeveelheid alcohol niet te boven gaat, ook worden toegepast op alle gelijksoortige of concurrerende ingevoerde alcoholhoudende dranken.
De tweede vraag
Aangezien de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord, is beantwoording van deze vraag overbodig. Ten overvloede merkt de Commissie echter nog het volgende op.
a) Een belasting die op een schatting van de hoeveelheid verbruikte grondstoffen berust, leidt noodzakelijkerwijs tot een verschil in de effectieve belasting al naar gelang de produktie van de onderneming. Het komt vaak voor dat een produktie-excedent boven de „normale” produktie wordt gehaald; gemiddeld bedraagt die extra-produktie 20 %, in sommige gevallen echter wel 50 tot 60 %. De kleine nationale distilleerderijen kunnen aldus zeer wel een feitelijke produktie van 5 hl bereiken zonder hun bevoorrechte positie te verliezen, terwijl de buitenlandse ondernemingen niet voor de belastingverlaging in aanmerking komen, zodra zij meer dan 4 hl produceren. Ondanks de doorgevoerde correcties en beperkingen op het forfaitaire belastingsysteem, vormt een dergelijke produktie-excedent, waarbij de boven de „normale” produktie uitgaande hoeveelheid onbelast blijft, tenminste voor sommige nationale distilleerderijen beslist een bevoordeling ten opzichte van distilleerderijen uit andere Lid-Staten. Een dergelijk, alleen op nationale distilleerderijen toegepast systeem discrimineert derhalve ingevoerd gedistilleerd en is mitsdien onverenigbaar met artikel 95. Deze conclusie geldt ook voor de eigenaren van grondstoffen („Stoffbesitzer”).
b) Ook de alleen voor nationale Abfindungsdistilleerderijen bestaande faciliteit om binnen een periode van tien jaar het produktierecht van 4 hl ethylalcohol per jaar te cumuleren met dat van een volgend jaar, vormt een begunstiging die niet geldt voor ingevoerde produkten uit overeenkomstige distilleerderijen in de andere Lid-Staten. Voor hen geldt de jaarlijks vastgestelde produktiegrens van 4 hl ethylalcohol; is de oogst maar middelmatig geweest, dan missen zij de belastingverlaging voor de hoeveelheid waarmee zij beneden die grens blijven.
c) De litigieuze faciliteiten, die alleen zijn afgestemd op de nationale ondernemingen, zijn niet over te brengen op distilleerderijen in andere Lid-Staten.
d) De tweede vraag zou derhalve kunnen worden beantwoord als volgt: De begunstiging van nationaal gedistilleerd, bestaande in aanvullende belastingverlagingen — zoals een belastingvrij produktie-excedent ingevolge een forfaitair belastingsysteem of het overschrijden van maximum produktiegrenzen door distillatie „im Abschnitt” —, voor ingevoerd gedistilleerd. Zelfs indien deze voordelen formeel openstaan voor ingevoerd gedistilleerd, maar materieel daarop niet kunnen worden toegepast, dienen zij krachtens artikel 95 op alle ingevoerd gedistilleerd te worden toegepast.
III — Mondelinge behandeling
Ter terechtzitting van 10 juli 1980 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt en vragen van het Hof beantwoord door Schneider-Import GmbH & Co. KG, verzoekster in het hoofdgeding, te dezen vertegenwoordigd door D. Ehle, advocaat; de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, te dezen vertegenwoordigd door J. Sedemund, advocaat, bijgestaan door J.-A. Jarsombeck van het Bondsministerie van Financiën; en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, te dezen vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R. Wägenbaur.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 2 oktober 1980 conclusie genomen.
In rechte
Bij beschikking van 20 december 1979, ingekomen ten Hove op 17 januari 1980, heeft het Finanzgericht Rheinland-Pfalz krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee vragen gesteld over de uitlegging van artikel 95 EEG-Verdrag, teneinde de verenigbaarheid met het Verdrag te kunnen beoordelen van sommige nationale wettelijke voorschriften inzake de belasting op gedistilleerd, betreffende de toepassing van lagere belastingtarieven voor verschillende categorieën van producenten.
Blijkens de verwijzingsbeschikking heeft verzoekster in het hoofdgeding in 1978 een partij cognac, die zij van een grote Franse producent had aangekocht, ingevoerd en in het vrije verkeer gebracht en daarvoor het destijds geldende normale Monopolausgleich-tarief van DM 1950/hl ethylalcohol voldaan. Nadat haar bezwaarschrift door de douane was afgewezen, heeft verzoekster beroep in rechte ingesteld, daartoe aanvoerend dat ingevoerd gedistilleerd, in strijd met inzonderheid artikel 95 EEG-Verdrag, wordt gediscrimineerd doordat op bepaalde binnenlandse soorten gedistilleerd een gunstiger tarief wordt toegepast.
Zoals uit de stukken en de toelichtingen van verzoekster tijdens de procedure blijkt, wordt niet betwist dat het door de douane in het onderhavige geval toegepaste tarief precies overeenkomt met het op binnenlands gedistilleerd toegepaste algemene tarief. De bezwaren van verzoekster berusten hierop, dat de nationale regeling bepaalde uitzonderingen op dit algemene tarief kent ten gunste van verschillende groepen kleine producenten, voor wie een lager tarief geldt. Zij verlangt dat dit tarief ook op het door haar ingevoerde produkt wordt toegepast.
De regels die verzoekster wenst te zien toegepast, zijn vervat in § 79, lid 2, Branntweinmonopolgesetz. Krachtens deze bepaling komen drie groepen producenten voor een verlaging van het belastingtarief in aanmerking, namelijk:
—Abfindungsbrennereien (forfaitair belaste distilleerderijen),
—Stoffbesitzer (eigenaren van grondstoffen) en
—Verschlußkleinbrennereien (kleine distilleerderijen die „onder zegel” produceren).
De belastingverlaging geldt alleen voor een produktie die per jaar een bepaalde hoeveelheid ethylalcohol niet overschrijdt. Voor de eerste groep ligt deze tussen 50 1 en 3 hl, voor de tweede bedraagt zij maximaal 50 1 en voor de derde maximaal 4 hl.
De Duitse belastingdienst heeft het verwijt van discriminatie van de hand gewezen met het betoog dat krachtens § 151, lid 1, Branntweinmonopolgesetz, laatstelijk gewijzigd bij wet van 14 juli 1978 (BGBl. I, blz. 1002), het belastingvoordeel van § 79 voor alle uit de andere Lid-Staten ingevoerde gedistilleerde dranken geldt, mits kan worden aangetoond dat zij afkomstig zijn van een distilleerderij met een maximale jaarproduktie van 4 hl ethylalcohol. Volgens de belastingdienst voldoet deze regeling aan de eisen van artikel 95, omdat de aan bepaalde soorten binnenlands gedistilleerd en bepaalde groepen binnenlandse producenten toegekende belastingfaciliteiten ook voor alle ingevoerde gedistilleerde dranken gelden, die aan dezelfde voorwaarden voldoen. Met de onderhavige cognac zou dit echter niet het geval zijn, aangezien deze afkomstig is van een producent wiens produktie ver boven genoemde grens ligt.
Verzoekster stelt hiertegenover dat de produktiegrens van 4 hl die krachtens § 151 voor ingevoerd gedistilleerd geldt, in werkelijkheid niet op één lijn kan worden gesteld met de belastingregeling die op de binnenlandse produktie van toepassing is. Aangezien deze regeling noch objectief noch doorzichtig is, zou zij niet meer op ingevoerde produkten kunnen worden toegepast. Hiertoe wijst verzoekster met name op de volgende aspecten: Abfindungsbrennereien kunnen de op basis van de belasting op mout vastgestelde produktiegrenzen overschrijden met een belastingvrije „Überausbeute” (produktieexcedent) van 20 tot 50 % per jaar; distillatie „im Abschnitt” biedt de distillateur de mogelijkheid om binnen perioden van telkens 10 jaar vrijelijk over zijn distillatierecht te beschikken, waardoor dat voordeel nog zou worden vergroot; ten slotte zou de grens van 4 hl aanmerkelijk overschreden kunnen worden door die distilleerderijen, waarbij de Stoffbesitzer hun distillatierechten hebben geconcentreerd.
Om in dit geschil uitspraak te kunnen doen, heeft het Finanzgericht de navolgende vragen gesteld:
1.„ Moet artikel 95, eerste en tweede alinea, EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat uit de Gemeenschap ingevoerde gedistilleerde drank, die vergelijkbaar (gelijksoortig in de zin van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag) is met binnenlands gedistilleerd op basis van vruchten (§ 27 Branntweinmonopolgesetz), met het oog op de voor binnenlands gedistilleerd op basis van vruchten toegekende belastingfaciliteiten van § 79, lid 2, Branntweinmonopolgesetz slechts voor een overeenkomstig verlaagd compenserend monopolierecht (Monopolausgleich) in aanmerking kan komen, wanneer het ingevoerde gedistilleerd afkomstig is uit een distilleerderij met een geringe jaarproduktie (Kleinbrennerei) in de zin van § 79, lid 2, Branntweinmonopolgesetz (§ 151, lid 1, derde alinea, van de wet) ?
2.Zo ja:
Is het met het oog op de aanvullende belastingfaciliteiten voor binnenlands gedistilleerd op basis van vruchten (belastingvrije „Überausbeute”, overschrijding van de maximum produktiegrenzen doordat „im Abschnitt” wordt gedistilleerd, met artikel 95, eerste en tweede alinea, EEG-Verdrag verenigbaar dat
a)de verlaging van de Monopolausgleich wordt beperkt tot de in § 79, lid 2, Branntweinmonopolgesetz vastgelegde verlaagde tarieven (21 % respectievelijk 30,5 %) of moet de vermindering verder gaan dan deze tarieven, en
b)de bovengrens voor de toepassing van het verlaagde Monopolaus-gleich-tarief voor de buitenlandse distilleerderij wordt gelegd bij een jaarproduktie van 4 hl ethylalcohol?”
Deze vragen komen in wezen erop neer, of een bepaling als § 151, lid 1, in samenhang met § 79, lid 2, Branntweinmonopolgesetz verenigbaar is met artikel 95 EEG-Verdrag. Opdat het Finanzgericht hierover kan oordelen, moeten de nodige aan het gemeenschapsrecht ontleende interpretatiegegevens worden verstrekt.
Daartoe zij er vooreerst aan herinnerd dat het Hof in zijn arrest van 10 oktober 1978 (zaak 148/77, Hansen & Balle, Jurispr. 1978, blz. 1787), heeft overwogen „dat het bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht en zolang de betrokken bepalingen niet zijn eengemaakt of geharmoniseerd, het de Lid-Staten niet verboden is aan bepaalde soorten gedistilleerde dranken of bepaalde groepen producenten belastingvoordelen in de vorm van een ontheffing of vermindering van rechten toe te kennen.” Het Hof vervolgde: „dat immers belastingfaciliteiten als deze ter bereiking van wettige economische en sociale doelen kunnen worden aangewend, zoals het gebruik van bepaalde grondstoffen door de branderijen, het behoud van de produktie van typische gedistilleerde dranken van hoge kwaliteit of het in stand houden van bepaalde categorieën bedrijven, zoals de branderijen in de landbouwsector; dat evenwel zulke begunstigingsregelingen zich naar de eisen van artikel 95 zonder onderscheid tot gedistilleerde dranken uit andere Lid-Staten moeten uitstrekken.” In een reeks arresten van 27 januari 1980 heeft het Hof dit standpunt bevestigd met de overweging „dat het weliswaar in het arrest-Hansen & Balle, gelet op de huidige stand van het gemeenschapsrecht, de wettigheid van ontheffing of vermindering van belasting in bepaalde gevallen heeft erkend, doch zulks onder voorwaarde dat de Lid-Staten die van deze mogelijkheid gebruik maken, dergelijke faciliteiten zonder onderscheid ook uitbreiden tot de geïmporteerde produkten die in dezelfde omstandigheden verkeren” (zie inzonderheid het arrest in zaak 168/78, Commissie t. Frankrijk, Jurispr. 1980, blz. 347, r.o. 16).
De in de eerste vraag aan de orde gestelde uitleggingsproblemen zijn te wijten aan de nauwe samenhang tussen de belastingfaciliteiten van § 79 en de heffings- en controletechnieken van de Duitse wettelijke regeling. Dit maakt het bijzonder moeilijk de desbetreffende bepalingen te transponeren op de fiscale behandeling van gedistilleerd dat onder de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat is vervaardigd. Met het oog op deze situatie moet worden gepreciseerd dat aan de eisen van artikel 95 van het Verdrag is voldaan, indien de wettelijke regeling van een Lid-Staat de mogelijkheid biedt om op de invoer van gedistilleerd uit andere Lid-Staten een belastingregiem toe te passen, dat in zijn praktische uitwerking als gelijkwaardig is te beschouwen met het regiem voor binnenlands gedistilleerd.
In het kader van de prejudiciële procedure krachtens artikel 177 EEG-Verdrag staat het niet aan het Hof de Duitse voorschriften vanuit dit gezichtspunt te toetsen; dit is de taak van de nationale rechter. Volstaan kan worden met de constatering dat, vanuit het gemeenschapsrecht gezien, geen van verzoeksters argumenten twijfel kunnen doen rijzen over de verenigbaarheid van een regeling zoals neergelegd in § 151 juncto §79 van de Duitse wet, met artikel 95 EEG-Verdrag.
Verzoekster in het hoofdgeding is er niet in geslaagd te bewijzen dat de Abfindungsbrennereien, dankzij het hun toegestane produktie-excedent, de maximum produktie van 4 hl per jaar zouden kunnen bereiken of aanmerkelijk overschrijden dan wel de belastingdruk noemenswaardig zouden kunnen verminderen. Hetzelfde geldt voor haar opmerkingen over distillatie in perioden van 10 jaar („Brennen im Abschnitt”), aangezien is gebleken dat deze faciliteit alleen overdracht van het distillatierecht binnen een tijdsbestek van 10 jaar mogelijk maakt en geen verruiming daarvan. Ten aanzien van de distillatierechten van „Stoffbesitzer” heeft de Duitse regering uiteengezet dat het distilleren in dit geval in loonarbeid geschiedt, zodat de identiteit van de stookrechten der afzonderlijke gerechtigden niet wordt aangetast.
De door verzoekster voor het Hof geoefende kritiek faalt ook wanneer zij stelt dat § 151 Branntweinmonopolgesetz de voorwaarden die aan de verschillende door deze wet fiscaal begunstigde produkties worden gesteld, niet op exact dezelfde wijze voor ingevoerde produkten overneemt. Er zij echter op gewezen, dat de Duitse wetgever slechts één voorwaarde heeft gesteld voor toekenning van de betrokken belastingfaciliteiten, namelijk de omvang van de jaarproduktie van de distilleerderijen van andere Lid-Staten, en daarmee heeft vermeden aan ingevoerd gedistilleerd een aantal, voor de Duitse wetgeving typerende, technische voorwaarden te stellen, waaraan de producenten in andere Lid-Staten, in wier rechtsorde een equivalent van de hierboven in hoofdzaken weergegeven bepalingen ontbreken, nu juist niet zouden kunnen voldoen.
Ten slotte moet ook de stelling van verzoekster worden verworpen, dat wegens de ruime kring van personen die van § 79 Branntweinmonopolgesetz gebruik kunnen maken, het fiscaal begunstigde gedeelte van de produktie de mededinging op de markt van gedistilleerd merkbaar beïnvloedt. Uit de door de Bondsregering in de loop van het geding verstrekte gegevens, die door verzoekster niet serieus konden worden betwist, blijkt immers dat het fiscaal begunstigde gedeelte in werkelijkheid maar een onbeduidend aandeel (5 %) van de totale binnenlandse produktie vertegenwoordigt.
Mitsdien moet op de gestelde vragen worden geantwoord, dat artikel 95 EEG-Verdrag, bij toepassing op fiscale voordelen die een nationale wettelijke regeling aan bepaalde groepen van kleine producenten van gedistilleerd toekent, aldus moet worden verstaan, dat aan het daarin uitgedrukte discriminatieverbod is voldaan wanneer de regeling die op uit andere Lid-Staten ingevoerd gedistilleerd wordt toegepast, gelijkwaardig is aan de regeling voor de nationale produktie, in dier voege dat de ingevoerde produkten daadwerkelijk dezelfde voordelen kunnen genieten als vergelijkbare nationale produkten.
Wanneer krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat de producenten uit andere Lid-Staten slechts dan in aanmerking komen voor toepassing van een lager belastingtarief, indien hun produktie een bepaald maximum niet overschrijdt, dan is dit in overeenstemming met de vereisten van artikel 95 EEG-Verdrag, zo dat maximum globaal overeenkomt met het maximum dat voor de toekenning van hetzelfde belastingvoordeel ten aanzien van de nationale producenten is vastgesteld. Artikel 95 verplicht de Lid-Staten niet, dat voordeel ook toe te kennen aan ingevoerde produkten afkomstig van ondernemingen wier produktie het aldus vastgestelde maximum overschrijdt.
Kosten
De kosten door de regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechter over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de bij beschikking van 20 december 1979 gestelde vragen van het Finanzgericht Rheinland-Pfalz, verklaart voor recht:
1. Artikel 95 EEG-Verdrag moet, bij toepassing op fiscale voordelen die een nationale wettelijke regeling aan bepaalde groepen van kleine producenten van gedistilleerd toekent, aldus worden verstaan, dat aan het daarin uitgedrukte discriminatieverbod is voldaan wanneer de regeling die op uit andere Lid-Staten ingevoerd gedistilleerd wordt toegepast, gelijkwaardig is aan de regeling voor de nationale produktie, in dier voege dat de ingevoerde produkten daadwerkelijk dezelfde voordelen kunnen genieten als vergelijkbare nationale produkten.
2. Wanneer krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat de producenten uit andere Lid-Staten slechts dan in aanmerking komen voor toepassing van een lager belastingtarief, indien hun produktie een bepaald maximum niet overschrijdt, dan is dit in overeenstemming met de vereisten van artikel 95 EEG-Verdrag, zo dat maximum globaal overeenkomt met het maximum dat voor de toekenning van hetzelfde belastingvoordeel ten aanzien van de nationale producenten is vastgesteld. Artikel 95 verplicht de Lid-Staten niet, dat voordeel ook toe te kennen aan ingevoerde produkten afkomstig van ondernemingen wier produktie het aldus vastgestelde maximum overschrijdt.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
4Rechtspraak
2Europese Unie
2Hof van Justitie319/8115.03.1983