ARREST
De feiten
I — Feiten en schriftelijke behandeling
Ten tijde van de eerste uitbreiding van de Gemeenschap in 1973 bestonden er aanzienlijke verschillen tussen de in de oorspronkelijke Lid-Staten geldende prijzen en die welke in de nieuwe Lid-Staten werden toegepast. Deze verschillen zijn echter — gedurende een in de Toetredingsakte voorziene overgangsperiode van vijf jaar — slechts geleidelijk opgeheven. In die periode golden zogenoemde compenserende bedragen „toetreding”, ter voorkoming van een verstoring van de voorwaarden waaronder een produkt uit de ene Lid-Staat op het grondgebied van een andere Lid-Staat kon worden verhandeld. Doordat de voor elke nieuwe Lid-Staat vastgestelde prijzen en de gemeenschappelijke prijzen geleidelijk naar elkaar toegroeiden, werden deze bedragen geleidelijk gereduceerd, totdat zij aan het einde van de overgangsperiode volledig waren verdwenen.
De voorschriften betreffende de toepassing van bovengenoemde compenserende bedragen waren neergelegd in de Toetredingsakte (artikelen 55 tot 58). Krachtens de artikelen 73, 51 en 55 Toetredingsakte waren deze voorschriften eveneens van toepassing op granen. Nadien gold voor de sector granen verordening (EEG) nr. 229/73 van de Raad van 31 januari 1973 (PB L 27 van 1973, blz. 25), die van kracht bleef tot 1 november 1975, toen zij werd vervangen door verordening (EEG) nr. 2757/75 van de Raad van 29 oktober 1975 (PB L 281 van 1975, blz. 104).
Volgens de bij bovengenoemde bepaling ingestelde regeling waren de compenserende bedragen die moesten worden toegepast in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen deze laatste en derde landen, gelijk aan het verschil tussen de voor de betrokken nieuwe Lid-Staat vastgestelde prijzen en de gemeenschappelijke prijzen.
Voor het handelsverkeer tussen twee nieuwe Lid-Staten waren de compenserende bedragen gelijk aan het verschil tussen de bedragen die van toepassing waren in het handelsverkeer tussen elk van deze nieuwe Lid-Staten en de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling.
Ten einde de communautaire preferentie te waarborgen werden deze compenserende bedragen voortdurend in dier voege herzien, dat zij, behoudens een door de Raad toegestane uitzondering, niet hoger konden zijn dan de heffingen bij invoer in het handelsverkeer met derde landen.
Ingevolge artikel 6 van verordening nr. 229/73 kon, indien zulks noodzakelijk bleek, een stelsel van voorafgaande vaststelling van het compenserende bedrag worden ingevoerd. De daardoor noodzakelijke bepalingen werden vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 3280/73 van de Commissie van 4 december 1973 (PB L 337 van 1973, blz. 11). Deze bepaalde onder meer dat bij voorfixatie van het compenserende bedrag een waarborg van 3 RE per ton moest worden gesteld, die werd vrijgegeven na overlegging van de bescheiden waaruit bleek dat de douaneformaliteiten waren vervuld en, bij uitvoer, na het aanvullende bewijs dat het produkt het geografisch grondgebied had verlaten van de Lid-Staat waar deze formaliteiten waren vervuld.
De compenserende bedragen „toetreding” werden in het handelsverkeer tussen de nieuwe Lid-Staten onderling of tussen deze laatste en de oorspronkelijke Lid-Staten geheven of toegekend door die der beide betrokken Lid-Staten waarvan het prijspeil dat bij de vaststelling van de compenserende bedragen in aanmerking was genomen, het hoogst was.
De uitvoeringsbepalingen van het stelsel van compenserende bedragen „toetreding” werden vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 269/73 van de Commissie van 31 januari 1973.
Volgens artikel 5 van deze verordening, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1466/73 van de Commissie van 30 mei 1973, was de betaling van het compenserende bedrag door de uitvoerende staat afhankelijk van de overlegging van het bewijs dat het produkt waarvoor de douaneformaliteiten bij uitvoer waren vervuld, het geografisch grondgebied van de Lid-Staat waar deze formaliteiten waren vervuld, had verlaten.
In bepaalde gevallen evenwel, onder meer wanneer het compenserende bedrag werd toegepast op een produkt waarvoor een restitutie was vastgesteld — zoals het geval is met het in casu uitgevoerde produkt —, was betaling ervan bovendien afhankelijk van het bewijs van de vervulling van de formaliteiten bij invoer en van de oplegging van de rechten en heffingen van gelijke werking die in de Lid-Staat van bestemming verschuldigd waren.
Dit bewijs diende te worden geleverd door overlegging van het controle-exemplaar (T 5), als bedoeld in artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2315/69, betreffende het communautaire douanevervoer. Blijkens artikel 5, lid 2, laatste alinea, van verordening nr. 269/73, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1466/73, was een van de op dat exemplaar in te vullen bijzondere vermeldingen vak 104, waarin de niet toepasselijke vermeldingen moesten worden doorgehaald en een bepaalde vermelding moest worden aangebracht, die in genoemd artikel in de verschillende gemeenschapstalen was aangegeven. In sommige taalversies komt deze vermelding overeen met de uitdrukking „bestemd om voor verbruik te worden vrijgegeven”, in andere versies met de uitdrukking „bestemd om in het vrije verkeer te worden gebracht”. Dit verschil in formulering heeft geleid tot de onderhavige zaak, waarvan de feiten als volgt kunnen worden weergegeven.
Op 29 juli 1975 gaven de Deense autoriteiten de firma Alfred C. Töpfer te Hamburg (hierna: Töpfer), internationaal tarwehandelaar, een certificaat af inzake de voorafgaande vaststelling van het voor de uitvoer van 5000 ton tarwe van Denemarken naar het Verenigd Koninkrijk toe te kennen compenserende bedrag „toetreding” volgens het tarief van 24,05 RE per ton (later verlaagd tot 20,62 RE per ton), nadat een waarborg van 3 RE per ton was gesteld. Het certificaat was geldig tot 26 september 1975.
Op 27 augustus 1975 verkreeg Töpfer van de Belgische autoriteiten voorafgaande vaststelling van het compenserende bedrag „toetreding” voor de invoer van tarwe uit respectievelijk Denemarken en het Verenigd Koninkrijk naar een Lid-Staat van de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling. Het door de importeur te betalen compenserende bedrag bedroeg 2 RE per ton, waarbij een waarborg van 3 RE per ton werd gesteld. Het certificaat was geldig tot 25 oktober 1975 voor alle oorspronkelijke Lid-Staten.
Op 4 september 1975 sloot Töpfer een overeenkomst voor de verkoop van 1800 ton Deense tarwe aan de firma Bremer Rolandmühle te Bremen. Op 15 september verkocht zij 1800 ton Deense tarwe aan een Engelse firma, Dalgety Franklin Ltd., van wie zij het de daaropvolgende dag weer terugkocht.
Op 17, 23 en 25 september 1975 verlieten drie door Töpfer bevrachte schepen met in totaal 1800 ton tarwe Denemarken, met eindbestemming Bremen. Bij aankomst in het Verenigd Koninkrijk werd de tarwe uit deze schepen gelost in de silo's van een Engelse onderneming, gemeenschappelijk beheerd door voornoemde Engelse koper en Töpfer. Zodra de invoerformaliteiten waren vervuld, werd de 1800 ton tarwe opnieuw in dezelfde schepen geladen en weer uitgevoerd naar Bremen, waar de verschillende partijen op respectievelijk 26 september, 1 en 13 oktober 1975 aankwamen.
Daar Töpfer op het — door de Engelse autoriteiten geviseerde — T 5-formulier had verklaard dat Engeland de plaats van bestemming van het goed was en dat het goed bestemd was om voor verbruik te worden vrijgegeven „bestemt til afsætning til forbrug”), kreeg zij in Denemarken een compenserend bedrag „toetreding” van DKR 287501,21 (20,62 RE per ton) en werd de door haar in dat land gestelde waarborg vrijgegeven.
Bij invoer in de Bondsrepubliek Duitsland betaalde Töpfer een compenserend bedrag „toetreding” van DM 11611 (2 RE per ton) op basis van het op 27 augustus in België verkregen certificaat.
Bij dagvaarding van 14 november 1979 stelde de „Statsadvocat for særlig økonomisk kriminalitet” (de officier van justitie voor bijzondere economische delicten) voor het Byret te Kopenhagen een strafvervolging in tegen Töpfer en drie werknemers van deze firma die bij bovengenoemde exporten betrokken waren. De „statsadvocat” beschuldigde verdachten ervan enkele bepalingen van de Deense wet nr. 595 van 22 december 1972, houdende tenuitvoerlegging van de communautaire verordeningen betreffende de organisatie van de markten van bepaalde landbouwprodukten, te hebben overtreden, en vorderde dat zij zouden worden veroordeeld tot terugbetaling van de in Denemarken geïnde compenserende bedragen en van de waarborg, zulks op grond dat zij reeds vóór de uitvoer van het onderhavige produkt vanuit Denemarken voornemens waren geweest het in de Bondsrepubliek Duitsland in te voeren, en zij, teneinde de Deense compenserende bedragen „toetreding” uitbetaald te krijgen voor exporten naar het Verenigd Koninkrijk zonder de waarborg te verbeuren, bij de Deense douane opzettelijk een onjuiste en valse aangifte hadden gedaan door op het betrokken T 5-formulier aan te geven dat de produkten bestemd waren voor binnenlands verbruik in het Verenigd Koninkrijk.
Tijdens een terechtzitting in het voorbereidend onderzoek op 12 augustus 1980 bekenden verdachten, van meet af aan voornemens te zijn geweest de goederen naar de Bondsrepubliek Duitsland uit te voeren, doch betoogden zij dat hun gedrag niet in strijd was met de communautaire voorschriften. Zij herinnerden eraan dat in hun verklaring melding werd gemaakt van de inklaring van het goed in het Verenigd Koninkrijk, die metterdaad had plaatsgehad, en dat niets in bovengenoemde voorschriften hen belette deze ingeklaarde goederen weer uit te voeren naar een andere staat.
Bij beschikking van 17 oktober 1980 heeft het Byret te Kopenhagen besloten, het Hof de volgende vraag te stellen:
„Mag een Lid-Staat (A) die een voorfixatiecertificaat heeft afgegeven betreffende het compenserende bedrag „toetreding” bij uitvoer van tarwe naar een andere Lid-Staat (B), op grond van artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 269/73 van de Commissie, zoals gewijzigd bij artikel 2 van verordening (EEG) nr. 1466/73, aan de rechthebbende betaling van dit bedrag weigeren, wanneer de tarwe douanetechnisch in Β in het vrije verkeer is gebracht en de rechthebbende een in Β afgegeven controledocument als bedoeld in verordening (EEG) nr. 2315/69 van de Commissie heeft overgelegd dat onder meer de vermelding bevat „bestemt til afsætning til forbrug” of „für den freien Verkehr bestimmt”, doch de tarwe in Β uitsluitend in het vrije verkeer is gebracht met het oog op onmiddellijke wederuitvoer naar een derde Lid-Staat (C)? Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de bepalingen inzake de compenserende bedragen „toetreding” bij uitvoer van Β naar C in acht worden genomen”.
De verwijzingsbeschikking is op 13 november 1980 ter griffie van het Hof ingeschreven.
Krachtens artikel 20 van 's Hofs Sta-tuut-EEG zijn schriftelijk opmerkingen ingediend door verdachten in het hoofdgeding, te dezen vertegenwoordigd door H. Viltoft, advocaat te Kopenhagen, en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, te dezen vertegenwoordigd door R. Wainright en Η. P. Hartvig, leden van haar juridische dienst.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
II — Schriftelijke opmerkingen, ingediend krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG
Verdachten in het hoofdgeding ontkennen, de Deense douane onjuiste en valse inlichtingen te hebben verstrekt.
Zij verklaren dat geen van hen zich ervan bewust was dat er een. verschil kon bestaan tussen het in hun land, Duitsland, gebezigde „für den freien Verkehr bestimmt” (bestemd om in het vrije verkeer te worden gebracht), en het „bestemt til afsætning til forbrug” (bestemd om te worden vrijgegeven voor verbruik), dat in Denemarken op het Τ 5-formulier moet voorkomen.
Voorts hebben zij nimmer getracht de werkelijke gebeurtenissen te verhullen en hebben zij de bevoegde autoriteiten steeds alle gevraagde inlichtingen verstrekt. Overigens zijn zij van mening dat de onderhavige gang van zaken niet in strijd is met de gemeenschapsrechtelijke bepalingen.
Met betrekking tot de door de verwijzende rechter gestelde vraag betogen verdachten dat de beslissing van het Hof dient te worden gebaseerd op zuiver objectieve criteria en niet op criteria die verband houden met de subjectieve bedoelingen van de uitvoerende firma's. Tot staving van deze stelling verwijzen zij naar een arrest van het Hof van 2 juni 1976 (zaak 125/75, Milch-, Fett- und Eier-Kontor GmbH, Jurispr. 1976, blz. 771), waarin met betrekking tot de toekenning van een restitutie bij uitvoer wordt verklaard: „de vraag of de waar de markt van het bestemmingsgebied heeft bereikt kan slechts aan de hand van objectieve criteria worden beantwoord, zodat weinig ter zake doet of de exporteur die de aanvraag heeft ingediend op de betrokken dag wist dat de waar uiteindelijk naar een ander land zou worden vervoerd”.
Volgens hen dient dit beginsel eveneens in het onderhavige geval te gelden.
Het moet op zichzelf afdoende zijn dat de exporteur de feitelijke handelingen verricht waarvan het toekennen van het compenserende bedrag afhankelijk is. In het onderhavige geval is aan deze voorwaarden voldaan, daar de litigieuze goederen metterdaad in het Verenigd Koninkrijk in het vrije verkeer zijn gebracht.
Weliswaar bestaat er een verschil tussen de Duitse versie van het Τ 5-formulier, waarvan verdachten zijn uitgegaan, en de dienovereenkomstige Deense versie, maar ter zake is duidelijk dat het Hof aan de criteria voor toekenning van compenserende bedragen „toetreding” een voor alle Lid-Staten uniforme uitlegging moet geven, daar een verschillende uitlegging met de doelstellingen van het EEG-Verdrag strijdige distorsies zou veroorzaken.
Met het oog op deze uitlegging achten verdachten het nuttig te beklemtonen dat de in het kader van de Europese marktordeningen opererende im- en exportfirma's gelijkelijk rekening moeten houden met het compenserende bedrag „toetreding”, het verbeuren van de waarborg, eventuele heffingen en restituties en dat men mitsdien moet kunnen afgaan op bewoordingen van de bepalingen. Verder achten zij het veel belangrijker dat duidelijke en vaste richtsnoeren met betrekking tot de criteria voor toekenning van het monetair compenserende bedrag worden toegepast, dan dat ernaar wordt gestreefd in uitzonderlijke situaties — als gevolg van onverwachte wijzigingen in een marktsituatie — te voorkomen dat een monetair compenserend bedrag wordt uitbetaald dat in het geheel niet of slechts gedeeltelijk beantwoordt aan de doelstellingen waarop in het algemeen de gemeenschappelijke landbouworganisaties berusten.
Op grond van overwegingen van rechtszekerheid geldt zulks te meer wanneer de onterechte betaling van een compenserend bedrag „toetreding” leidt tot strafvervolging van de exporteur die het bedrag heeft ontvangen.
De Commissie van de Europese Gemeenschappen merkt om te beginnen op dat in een geval als het onderhavige zowel de uitbetaling van de compenserende bedragen „toetreding” als de vrijgifte van de waarborg ingevolge artikel 5, lid 1, van verordening nr. 269/73, respectievelijk artikel 8 van verordening nr. 3280/73, onder meer afhankelijk zijn gesteld van het overleggen van een bewijsstuk, bestaande in het controle-exemplaar Τ 5 van het document voor communautair douanevervoer, geviseerd door het bevoegde douanekantoor van de Lidstaat van bestemming.
Zij merkt op dat wanneer dat bewijs alsmede de andere door deze verordeningen vereiste bewijzen zijn geleverd, betrokkene wordt geacht te hebben voldaan aan de formele voorwaarden voor betaling van de compenserende bedragen en vrijgifte van de waarborg.
Volgens de Commissie is het van geen belang dat de in vak 104 van het controledocument in te vullen vermelding in de diverse taalversies van verordening nr. 269/73, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1466/73, verschilt. Dit onderscheid is een zuiver taalkundig probleem, dat verband houdt met de omstandigheid dat er destijds op communautair niveau geen gemeenschappelijke terminologie bestond op douanegebied. Men was derhalve gedwongen, veelvuldig terug te vallen op de in elke Lid-Staat gebezigde nationale uitdrukkingen, hetgeen echter in de praktijk niet tot moeilijkheden heeft geleid. In dit verband zij erop gewezen dat vorengenoemde vermelding er uitsluitend toe dient, de met de betaling van de compenserende bedragen belaste instantie het bewijs te leveren dat aan de voorwaarde van artikel 5, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 269/73 is voldaan. Deze vermelding is dus geen aanvulling op de in bovengenoemde bepaling vervatte voorwaarde „van de vervulling van de formaliteiten bij invoer en van de oplegging van rechten en heffingen van gelijke werking die in de Lid-Staat van bestemming verschuldigd zijn”.
Volgens de Commissie is echter de omstandigheid dat aan de formele voorwaarden voor betaling van het compenserende bedrag en vrijgifte van de waarborg is voldaan, niet bepalend voor de vraag of een uitvoer van de ene Lid-Staat naar een andere recht geeft op een compenserend bedrag. Het gaat immers om bewijsvoorschriften die volgens de communautaire wetgever in het algemeen voldoende aanwijzingen dienen te geven dat de betrokkene recht heeft op een compenserend bedrag. Deze voorschriften zelf roepen een dergelijke recht echter niet in het leven.
Daarentegen moeten de voorwaarden voor het ontstaan van het recht op een compenserend bedrag worden vastgesteld op basis van de bewoordingen van de bepalingen betreffende de compenserende bedragen, hun context en hun economisch doel. Daartoe wijst de Commissie erop dat de compenserende bedragen „toetreding” met name ten doel hadden, het handelsverkeer van produkten tussen twee Lid-Staten met een verschillend prijspeil onder bevredigende omstandigheden mogelijk te maken; uitvoer van de ene Lid-Staat naar een andere, waar het prijspeil lager is dan in de eerste, kan derhalve slechts aan dat doel beantwoorden indien het betrokken produkt įn het land van invoer op de markt wordt gebracht. Immers alleen dan treedt het ingevoerde produkt in concurrentie met andere produkten op basis van het lagere prijspeil van het land van invoer. Daarentegen zou het doel van de compensatie van. prijsverschillen niet worden bereikt, wanneer het produkt zich in het land van bestemming slechts in doorvoer bevond of onmiddellijk na vervulling van de formaliteiten bij invoer weer werd uitgevoerd. Wil een recht op een compenserend bedrag ontstaan, dan is het dus noodzakelijk dat het ingevoerde produkt in het land van bestemming wordt verwerkt en/of gebruikt, behoudens wanneer een latere wederuitvoer van het produkt in onverwerkte toestand objectief gezien wordt gerechtvaardigd door een wijziging van de marktvoorwaarden.
Op grond van deze overwegingen, die zij ontleent aan een aantal arresten van het Hof in zaken betreffende restituties bij uitvoer en die zij per analogiam toepast op compenserende bedragen, concludeert de Commissie dat in een geval als het onderhavige geen recht op een compenserend bedrag kan ontstaan en bijgevolg evenmin een recht op vrijgifte van de waarborg.
Verder is de Commissie van mening dat er geen recht op een compenserend bedrag bestaat bij misbruik of bedrog ter zake van het communautaire stelsel van compenserende bedragen, „toetreding”.
Het voordeel dat een onderneming uit de verschillen tussen de tarieven van de monetair compenserende bedragen trekt door transacties zonder enig objectief economisch doel, vormt haars inziens stellig de. zwaarste vorm van speculatie waartoe deze bedragen aanleiding kunnen geven. De Gemeenschap kan deze transacties echter niet beletten of bemoeilijken zonder het risico van onnodige belemmering van de afwikkeling van echte handelstransacties. Evenzo kan wijziging van de bepalingen met terugwerkende kracht bij ontdekking van misbruik, schending van het beginsel van het gewettigd vertrouwen opleveren voor de ondernemingen die niet hebben deelgenomen aan de speculatieve transacties.
Nu het derhalve moeilijk is, ontduiking van de communautaire regeling te voorkomen, moet volgens de Commissie de betaling van een compenserend bedrag kunnen worden geweigerd wanneer wordt bewezen dat een transactie die weliswaar aan de formele voorwaarden voor betaling van dat bedrag voldoet, geen economisch doel heeft en er uitsluitend op is gericht een voordeel te behalen dank zij de verschillen tussen de door de Gemeenschap vastgestelde tarieven van de compenserende bedragen.
Tot staving van haar stelling legt de Commissie als bijlage bij haar opmerkingen een overzicht over van de voorschriften waarbij in de meeste Lid-Staten rechtsmisbruik en wetsontduiking strafbaar zijn gesteld.
Volgens haar dienen voor wat het gemeenschapsrecht betreft vergelijkbare voorschriften te gelden, en zij vermeldt in dit verband een arrest van het Hof van 11 oktober 1977 (zaak 125/76, Cremer, Jurispr. 1977, blz. 1593), blijkens hetwelk gemeenschapsverordeningen met name niet „zo ruim mogen worden toegepast, dat zij misbruiken van exporteurs ... zouden dekken”.
Om redenen van rechtszekerheid dient de toepassing van een voorschrift op grond waarvan de betaling van een compenserend bedrag bij misbruik of ontduiking van het gemeenschapsrecht kan worden geweigerd, vanzelfsprekend te worden beperkt tot gevallen waarin het zuiver speculatieve karakter van een transactie kan worden bewezen. De Commissie geeft het Hof derhalve in overweging, de door het Byret te Kopenhagen gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
De bepalingen betreffende de monetair compenserende bedragen ‚toetreding’, daaronder begrepen verordening nr. 269/73, moeten des worden uitgelegd dat het recht op het compenserende bedrag ‚toetreding’ en op vrijgifte van de bij voorfixatie gestelde waarborg, afhankelijk is van de voorwaarde dat de uitvoer van de ene Lidstaat naar een andere in overeenstemming is met het doel van de regeling, te weten compensatie van het verschil in prijspeil van deze Lid-Staten. Daartoe dient het ingevoerde goed daadwerkelijk in het land van invoer te worden verhandeld.
2. Een export van de ene Lid-Staat naar een andere, ten aanzien waarvan wordt bewezen dat hij geen economisch doel dient en er enkel op is gericht, voordeel te behalen uit de verschillen tussen de door de Gemeenschap vastgestelde compenserende bedragen, levert misbruik of ontduiking van het communautaire stelsel op en geeft geen recht op toekenning van een compenserend bedrag, noch op vrijgifte van een in geval van voorfixatie gegestelde waarborg.”
III — Mondelinge behandeling
Ter terechtzitting van 30 juni 1981 hebben verdachten in het hoofdgeding, te dezen vertegenwoordigd door H. Viltoft, advocaat te Kopenhagen, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, te dezen vertegenwoordigd door H. P. Hartvig, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, mondelinge opmerkingen gemaakt.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 29 september 1981 conclusie genomen.
In rechte
Bij beschikking van 17 oktober 1980, ingekomen ten Hove op 13 november 1980, heeft het Byret te Kopenhagen krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 269/73 van de Commissie van 31 januari 1973 houdende uitvoeringsbepalingen van het stelsel van compenserende bedragen „toetreding” (PB L 30 van 1973, blz. 73), zoals gewijzigd bij artikel 2 van verordening nr. 1466/73 van de Commissie van 30 mei 1973 (PB L 146 van 1973, blz. 13).
Deze vraag is gerezen in een door de „Statsadvokat for særlig økonomisk kriminalitet” (de officier van justitie voor bijzondere economische delicten) ingestelde strafzaak tegen een internationaal tarwehandelaar en drie van zijn werknemers, die ervan worden beschuldigd bij uitvoer van tarwe vanuit Denemarken met als bestemming de Bondsrepubliek Duitsland enkele bepalingen van de Deense wet betreffende de toepassing van de communautaire verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der markten voor landbouwprodukten te hebben overtreden; de „Statsadvokat” vordert terugbetaling van zowel de voor deze export betaalde compenserende bedragen „toetreding” als de ten onrechte vrijgegeven waarborg.
Verordening nr. 269/73 van de Commissie, waarvan de nationale rechter om uitlegging heeft verzocht, bepaalt in artikel 5, lid 1, dat „de betaling van het compenserende bedrag ... afhankelijk (is) van de overlegging van het bewijs dat het produkt waarvoor de douaneformaliteiten bij uitvoer zijn vervuld, het geografisch grondgebied van de Lid-Staat waar deze formaliteiten zijn vervuld, heeft verlaten”. Lid 2, tweede streepje voegt daaraan toe dat „indien het compenserende bedrag wordt toegepast voor een produkt waarvoor geen restitutie is vastgesteld, ... de betaling ervan bovendien afhankelijk (is) van het bewijs van de vervulling van de formaliteiten bij invoer en van de oplegging van de rechten en heffingen van gelijke werking die in de Lid-Staat van bestemming verschuldigd zijn”.
In de laatste alinea van genoemd lid 2, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1466/73 van de Commissie, wordt voorts verklaard dat bovengenoemd bewijs „wordt geleverd door overlegging van het in artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2315/69 bedoelde controle-exemplaar”, te weten het document voor intern communautair douanevervoer, het zogenoemde formulier Τ 5. Diezelfde alinea bepaalt tenslotte sub b, dat als een van de bijzondere vermeldingen van het controle-exemplaar vak 104 moet worden ingevuld, waarin de niet toepasselijke vermeldingen moeten worden doorgehaald en een van de volgende vermeldingen moet worden aangebracht:
„bestemd om in het vrije vrije verkeer te worden gebracht”
„bestemt til afsætning til forbrug”
„für den freien Verkehr bestimmt”
„intended for entry for home use”
„destiné à être mis à la consommation”
„destinato ad essere immesso in consumo”
Blijkens het dossier van de zaak en de verwijzingsbeschikking kreeg de tarwehandelaar, verdachte in het hoofdgeding, overeenkomstig artikel 6 van verordening nr. 229/73 van de Raad van 31 januari 1973 (PB L 27 van 1973, blz. 25) bij op 29 juli 1975 afgegeven certificaat voorafgaande vaststelling van een aan hem uit te keren compenserend bedrag „toetreding” voor de uitvoer van 5000 ton tarwe vanuit Denemarken haar het Verenigd Koninkrijk. Het compenserende bedrag bedroeg 24,05 RE per ton — later krachtens artikel 4, lid 2, van verordening nr. 3280/73 (PB L 337 van 1973, blz. 11) verlaagd tot 20,62 RE — en de handelaar stelde ter zake een waarborg van 3 RE per ton.
Op 27 augustus 1975 verkreeg hij tevens van de Belgische autoriteiten voorafgaande vaststelling van de door hem te betalen compenserende bedragen voor de invoer van tarwe vanuit respectievelijk Denemarken en het Verenigd Koninkrijk naar een Lid-Staat van de Gemeenschap in haar oorspronkelijke sammenstelling. In het geval van het Verenigd Koninkrijk bedroeg het te betalen compenserende bedrag 2 RE per ton en de te stellen waarborg 3 RE per ton. Het desbetreffende voorfixatiecertificaat was geldig tot en met 25 oktober 1975.
Op 4 september 1975 sloot genoemde handelaar een overeenkomst tot verkoop van 1800 ton Deense tarwe aan een te Bremen, Bondsrepubliek Duitsland, gevestigde onderneming. Op 15 september 1975 verkocht hij een gelijke hoeveelheid van hetzelfde produkt aan een Engelse firma, waarvan hij hetzelfde tonnage de volgende dag tegen een met UKL 3,35 per ton brutogewicht verhoogde prijs terugkocht. Inmiddels had verdachte in het hoofdgeding per telexberichten van 15 en 19 september 1975 bij een Engelse rederij, drie schepen bevracht en daarbij de volgende opdracht gegeven: „for destination Lowestoft” — „discharging and reloading into the same vessel” — „final destination: Bremen”.
Deze schepen verlieten Denemarken op respectievelijk 17, 23 en 25 september 1975 en vervoerden bovengenoemde, aan de onderhavige exporteur toebehorende 1800 ton tarwe naar Lowestoft, Groot-Brittannië, waar zij werden gelost. Zodra de invoerformaliteiten waren vervuld, werden zij opnieuw geladen en weer uitgevoerd naar Bremen, alwaar zij aankwamen op 26 september, 1 en 13 oktober 1975.
Waar het in casu gaat om een compenserend bedrag „toetreding” voor een produkt waarvoor geen restitutie was vastgesteld, moest de exporteur ingevolge artikel 5, lid 2, van verordening nr. 269/73 het controle-exemplaar Τ 5 invullen. In dat document vermeldde hij het Verenigd Koninkrijk als bestemming van het onderhavige produkt en verklaarde hij in vak 104 dat het produkt bestemd was om te worden vrijgegeven voor verbruik „bestemt til afsætning til forbrug”. Op grond van dit — door de Britse douane-instanties regelmatig geviseerde — document ontving de exporteur in Denemarken een compenserend bedrag van 20,62 RE per ton en werd zijn waarborg vrijgegeven. Bij invoer in de Bondsrepubliek Duitsland betaalde hij op grond van het in België verkregen invoercertificaat evenwel een compenserend bedrag „toetreding” van 2 RE per ton en werd de desbetreffende waarborg vrijgegeven.
Gelet op de bijzondere omstandigheden waaronder deze uitvoer plaatsvond en de verklaringen op het aan de Deense autoriteiten overgelegde controleexemplaar Τ 5, legde de „Statsadvokat for særlig økonomisk kriminalitet” de exporteur en drie van zijn werknemers bij dagvaarding van 14 november 1979 ten laste, bij genoemde autoriteiten onjuiste en valse aangifte te hebben gedaan door op het controle-exemplaar te vermelden dat het een uitvoer naar het Verenigd Koninkrijk betrof, terwijl het produkt na vervulling van de douaneformaliteiten bij invoer onmiddellijk weer uit die Lid-Staat werd uitgevoerd.
Verdachten hebben weliswaar toegegeven dat reeds vóór de uitvoer vanuit Denemarken naar het Verenigd Koninkrijk het voornemen bestond, het onderhavige produkt aan een cliënt in de Bondsrepubliek Duitsland te leveren, doch staande gehouden dat een dergelijke transactie niet in strijd was met de communautaire voorschriften. Tot staving van deze bewering hebben zij zich beroepen op de Duitse versie van artikel 5, lid 2, laatste alinea, van verordening nr. 269/73, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1466/73, in het bijzonder de in vak 104 van het controle-exemplaar Τ 5 aan te brengen vermelding; daaruit volgt huns inziens dat in de tweede alinea van genoemd lid het bewijs wordt verlangd „van de vervulling van de formaliteiten bij invoer en van de oplegging van de rechten en heffingen van gelijke werking die in de Lid-Staat van bestemming verschuldigd zijn”, aan welke voorwaarden zij menen te hebben voldaan door inklaring in het Verenigd Koninkrijk.
Gelet op dit betoog en gezien de omstandigheid dat de verschillende taalversies van artikel 5, lid 2, laatste alinea en de vierde overweging van verordening nr. 269/73 op het onderhavige punt verschillen, heeft het Byret te Kopenhagen, van oordeel dat de oplossing van het geschil afhankelijk is van de uitlegging van het in casu toepasselijke gemeenschapsrecht, het Hof de volgende vraag gesteld:
„Mag een Lid-Staat (A) die een voorfixatiecertificaat heeft afgegeven betreffende het compenserende bedrag „toetreding” bij uitvoer van tarwe naar een andere Lid-Staat (B), op grond van artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 269/73 van de Commissie, zoals gewijzigd bij artikel 22 van verordening (EEG) nr. 1466/73, aan de rechthebbende betaling van dit bedrag weigeren, wanneer de tarwe douanetechnisch in Β in het vrije verkeer is gebracht en de rechthebbende een in Β afgegeven controledocument als bedoeld in verordening (EEG) nr. 2315/69 van de Commissie heeft overgelegd dat onder meelde vermelding bevat „bestemt til afsætning til forbrug” of „für den freien Verkehr bestimmt”, doch de tarwe in Β uitsluitend in het vrije verkeer is gebracht met het oog op onmiddellijke wederuitvoer naar een derde Lid-Staat (C)? Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de bepalingen inzake de compenserende bedragen „toetreding bij uitvoer van Β naar C in acht worden genomen”.
Gezien het onderscheid tussen de verschillende taalversies van vorengenoemde bepalingen van verordening nr. 269/73, dienen deze bepalingen en de verordening waarin zij zijn vervat voor de beantwoording van de onderhavige vraag te worden bezien in het kader van alle communautaire regels inzake het stelsel van compenserende bedragen „toetreding” en met name in het licht van het doel van deze regeling te worden uitgelegd.
De rechtsgrondslag van het stelsel van compenserende bedragen „toetreding” is gelegen in de artikelen 55 tot en met 58 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing der verdragen. Blijkens artikel 55, lid 1, heeft het onderhavige stelsel ten doel, de verschillen in het prijspeil in het handelsverkeer tussen de nieuwe Lid-Staten onderling en met de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling te compenseren; daartoe is voorzien in de betaling van compenserende bedragen, die worden geheven door de invoerende staat of toegekend door de uitvoerende staat. Hiermee laat artikel 55 Toetredingsakte dus uitkomen dat het stelsel van compenserende bedragen „toetreding” slechts van toepassing is indien de betrokken produkten tussen de uitvoerende staat en invoerende staat daadwerkelijk worden verhandeld.
In de negende overweging van verordening nr. 229/73 van de Raad, die de algemene regels vaststelt voor de toepassing van genoemd stelsel met betrekking tot granen en andere produkten, wordt voorts verklaard dat de compenserende bedragen „toetreding” in het intracommunautaire handelsverkeer ertoe dienen „het goederenverkeer onder bevredigende voorwaarden mogelijk te maken tussen twee Lid-Staten met verschillend prijspeil”, en wordt derhalve bevestigd dat het onderhavige stelsel slechts in aanmerking kan komen, indien het betrokken produkt zich daadwerkelijk in het handelsverkeer tussen deze beide staten bevindt en indien, doordat het produkt binnen de als land van invoer opgegeven staat wordt verhandeld, het eventuele prijsverschil tussen deze Lid-Staat en de uitvoerende Lid-Staat een economische factor blijkt te zijn die het handelsverkeer tussen beide staten daadwerkelijk beïnvloedt.
Blijkens deze regeling is derhalve de omstandigheid dat een produkt afkomstig uit een nieuwe Lid-Staat of de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling zich uitsluitend ten behoeve van en gedurende de vervulling van de douaneformaliteiten op het grondgebied van de als Lid-Staat van invoer opgegeven staat heeft bevonden en, zonder in die staat in de handel te zijn gebracht, onmiddellijk weer is uitgevoerd om in een derde Lid-Staat in de handel te worden gebracht, op zichzelf onvoldoende grondslag voor toepassing van een compenserend bedrag „toetreding” tussen de uitvoerende en invoerende staat. Daar het doel van de prijscompensatie in dat geval niet wordt bereikt, is aan een wezenlijke voorwaarde voor de toepassing van een compenserend bedrag „toetreding” niet voldaan.
Op grond van het bovenstaande kan uit de discrepantie tussen de verschillende taalversies van het in artikel 5, lid 2, laatste alinea, van verordening nr. 269/73 bedoelde controle-exemplaar niet zonder meer worden geconcludeerd, dat het bewijs dat met het onderhavige controle-exemplaar moet worden overgelegd voor de betaling van het compenserende bedrag „toetreding”, enkel betrekking heeft op de vervulling van de douaneformaliteiten in de Lid-Staat van bestemming, ongeacht of het betrokken produkt in die staat daadwerkelijk in de handel is gebracht. Integendeel, uit de omstandigheid dat verordening nr. 1466/73 van de Commissie de oorspronkelijke tekst van voornoemd artikel heeft aangevuld met de bepaling dat het van de vermeldingen in vak 104 voorziene controle-exemplaar Τ 5 moet worden overgelegd, blijkt juist dat bedoeld bewijs verder gaat dan de loutere vervulling van de in de oorspronkelijke versie van deze bepaling voorziene douaneformaliteiten, en, gelet op de doelstellingen en samenhang van de bepalingen betreffende het onderhavige stelsel, moet worden geacht mede het in de handel brengen van het produkt in de als staat van bestemming aangeduide Lid-Staat te omvatten.
Derhalve dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 5, lid 2, van verordening nr. 269/73 van de Commissie van 31 januari 1973, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1466/73 van de Commissie van 30 mei 1973, aldus moet worden uitgelegd dat een exporteur die landbouwprodukten verzendt naar een nieuwe Lid-Staat vanuit een Lid-Staat die hogere prijzen toepast, geen aanspraak kan maken op compenserende bedragen toetreding, indien de produkten na het vervullen van de douaneformaliteiten in de Lid-Staat die aan de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van uitvoer als staat van bestemming is opgegeven, niet metterdaad op de markt van die staat in de handel worden gebracht.
Kosten
De kosten door de Commissie wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Byret te Kopenhagen bij beschikking van 17 oktober 1980 gestelde vraag, verklaart voor recht:
„Artikel 5, lid 2, van verordening nr. 269/73 van de Commissie van 31 januari 1973, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1466/73 van de Commissie van 30 mei 1973, moet aldus worden uitgelegd dat een exporteur die landbouwprodukten verzendt naar een nieuwe Lid-Staat vanuit een Lid-Staat die hogere prijzen toepast, geen aanspraak kan maken op compenserende bedragen toetreding, indien de produkten na het vervullen van de douaneformaliteiten in de Lid-Staat die aan de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van uitvoer als staat van bestemming is opgegeven, niet metterdaad op de markt van die staat in de handel worden gebracht.
Voetnoten
- 1lees: artikel 1.
- 2lees: artikel 1.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
7Rechtspraak
2Europese Unie
2Hof van JustitieC-116/1626.02.2019
Gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten
Conclusie van advocaat-generaal Poiares MaduroC-255/0207.04.2005