ARREST
I — TEN AANZIEN VAN DE FEITEN
Overwegende dat de fungerend-voorzitter van de Centrale Raad van Beroep bij brief van 28 mei 1964 aan het Hof van Justitie een kopie heeft doen toekomen van 's Raads bevel van 29 april 1964 waarbij, overeenkomstig artikel 177 van het Verdrag tot oprichting van de E.E.G. aan het Hof de volgende vragen worden voorgelegd:
1.„ Moeten de artikelen 1 onder b, 2, lid 1, aanhef en onder b en 3 der verordening no. 3 aldus worden uitgelegd, dat onder de daar bedoelde „wettelijke regelingen” ook is begrepen de Interimwet, hoewel deze wet tot stand is gekomen na de vaststelling der verordening en een mededeling als bedoeld in het tweede lid van genoemd artikel 3 niet heeft plaatsgehad ?
Bij bevestigende beantwoording der eerste vraag:
2.Is de bijslag, bedoeld in hoofdstuk II der Interimwet — welke als zodanig op een vast bedrag per jaar, onafhankelijk van de duur der verzekeringstijdvakken, is gesteld, doch waarvan de invaliditeitsrente, waarop de bijslag-gerechtigde aanspraak maakt en waarvan de hoogte wel afhankelijk is van de duur der verzekeringstijdvakken, deel uitmaakt —, een uitkering bij invaliditeit van het type B, als bedoeld in artikel 24, lid 1, der verordening? Bij ontkennende beantwoording der tweede vraag :
3.Is de bijslag, bedoeld in hoofdstuk II der Interimwet, een uitkering bij invaliditeit van het type A, dan wel van het type A en het type B, als bedoeld in artikel 24, lid 1, van de verordening ?
4.Indien de bijslag, bedoeld in hoofdstuk II der Interimwet, moet worden gezien als een uitkering bij invaliditeit van het type A, moet dan niettemin — zoals gedaagde met verwijzing naar vraag 2 van de brief van deze Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Economische Gemeenschap d.d. 11 november 1963, no. A.W.W. 1963/4, 5, 8, 9, 12, 13, 14, 15, 25 en 26, subsidiair van mening is — bij de bepaling van het bedrag van de bijslag artikel 28, eerste lid, sub b, der verordening worden toegepast ?”
Overwegende dat voornoemd bevel met name berust op de volgende overwegingen:
„Overwegende dat gedaagde aan eiseres bij beslissing van 25 april 1956 met ingang van 1 juli 1953 een invaliditeitsrente ingevolge de Invaliditeitswet heeft toegekend van f 6,84 per jaar, waarbij voor het vervullen van de in artikel 71, lid 1, aanhef, der Invaliditeitswet vereiste invaliditeitswachttijd behalve 66 premies, verantwoord krachtens de verzekering ingevolge de Invaliditeitswet, met toepassing van artikel 13 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake sociale verzekering 381 premies, geldende voor de Duitse sociale verzekering, in aanmerking zijn genomen;
Overwegende dat gedaagde bij beslissing van 16 augustus 1963 aan eiseres met ingang van 1 januari 1963 een bijslag krachtens de wet van 19 december 1962, Stb. 534, houdende een interimregeling voor invaliditeitsrentetrek-kers (Interimwet invaliditeitsrentetrekkers) heeft toegekend, waarbij gedaagde de bijslag heeft vastgesteld op een zodanig bedrag, dat bijslag en invali-diteitsrente te zamen f 582, — per jaar bedragen;
Overwegende dat gedaagde daarbij — voormelde Interimwet kennelijk een wettelijke regeling achtende, als bedoeld in artikel 2, lid 1 sub b, juncto artikel 1, sub b, van verordening no. 3 van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers, ten aanzien waarvan, gelet op artikel 1, sub s, van genoemde verordening, die verordening van toepassing zou zijn zonder mededeling, als bedoeld in artikel 3, lid 2, van die verordening, en zonder wijziging van bijlage B van die verordening — het bedrag van de bijslag, genoemd in artikel 5, sub a, van de Interimwet met toepassing van artikel 28, eerste lid, sub b, van meergenoemde verordening no. 3 heeft vastgesteld in verhouding van de duur van de Nederlandse verzekeringstijdvakken tot de gezamenlijke duur van de Nederlandse en Duitse verzekeringstijdvakken, aldus dat bedrag vaststellende op het 66/447 -ste deel van f 3.924, — afgerond op een veelvoud van f 6,— te weten f 582,—”;
II — PROCEDURE
Overwegende dat het verzoek van de Centrale Raad van Beroep op 29 mei 1964 ter Griffie van het Hof werd ontvangen;
dat de Commissie van de E.E.G. overeenkomstig artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de E.E.G. schriftelijke opmerkingen heeft ingediend;
dat de mondelinge behandeling aanving ter terechtzitting van 15 oktober 1964;
dat de Advocaat-Generaal ter terechtzitting van 3 november 1964 heeft geconcludeerd;
III — SAMENVATTING VAN DE OPMERKINGEN VAN DE COMMISSIE
Overwegende dat de opmerkingen van de Commissie van de E.E.G. als volgt kunnen worden samengevat:
1. Ten aanzien van de aan het Hof voorgelegde vragen
A — DE EERSTE VRAAG
Gezien de uitspraak van het Hof in de zaak 100-63 (Van der Veen), dient deze vraag bevestigend te worden beantwoord. De I.W.I. heeft in de zin van artikel 2, eerste lid, sub b, van de verordening betrekking op de „de uitkeringen en verstrekkingen in geval van invaliditeit, met inbegrip van die, welke ten doel hebben de arbeidsgeschiktheid te handhaven of te verbeteren, doch met uitzondering van die, welke in geval van arbeidsongevallen of beroepsziekten worden verleend”.
Bovendien was het — evenals in de zaak 100-63 — op grond van bedoelde wettelijke bepaling niet noodzakelijk een amendement op bijlage B (Nederland) van de verordening aan te brengen, daar deze bepaling zonder meer valt onder letter b) van de rubriek: „de invaliditeitsverzekering, met inbegrip van de bijslagen op de renten”;
B — DE TWEEDE EN DE DERDE VRAAG
Deze beide vragen kunnen tot één enkele vraag worden teruggebracht en als zodanig behandeld.
a) De ontvankelijkheid der vragen
Men kan zich afvragen of deze vragen, zoals ze zijn geformuleerd, niet in werkelijkheid een interpretatie van het nationale recht beogen, te weten in casu het onderzoek naar de aard van het door de Nederlandse wetgever gevolgde systeem van berekening. Men kan de opvatting huldigen dat een zodanig onderzoek aan de Lid-Staten is voorbehouden en dat dit de zin is van artikel 24, lid 2, der verordening, welker bijlage F voor iedere Lid-Staat vaststelt tot welk type zijn wettelijke regelingen op het gebied van de invaliditeitsverzekering behoren.
De gestelde vragen kunnen echter ook worden uitgelegd in die zin dat zij de juiste draagwijdte betreffen van de in artikel 24, lid 1, gegeven definitie van de „wettelijke regelingen van het type A” en „van het type B”.
De vragen zijn voor de beslissing irrelevant. Ten onrechte meent de Nederlandse rechter dat de vierde vraag eerst beantwoord kan worden nadat op de vragen 2 en 3 een antwoord is gegeven.
Uit artikel 26 (1), junctis de artikelen 25 en 24, eerste lid, sub a, van de verordening, volgt dat de artikelen 27 en 28 slechts buiten toepassing blijven in de gevallen waarin de verzekerde uitsluitend verzekeringstijdvakken heeft vervuld overeenkomstig de wettelijke regelingen van het type A. In het onderhavige geval is evenwel vastgesteld dat verzoekster eveneens verzekerd was in de Duitse Bondsrepubliek, welker wettelijke regelingen tot het type B behoren. Bijgevolg is artikel 28 in beginsel van toepassing, onverschillig of de Nederlandse wetgeving van het type A of van het type B is.
b) De beantwoording der vragen
De uitdrukking „in beginsel” in artikel 24, lid 1, sub a, wijst erop dat de definities betrekkelijk onnauwkeurig zijn. Zij zijn waarschijnlijk opzettelijk aldus geredigeerd ten einde de Lid-Staten een zekere vrijheid te laten bij het onderbrengen van hun regelingen onder een bepaald type.
Inderdaad werden alle wettelijke regelingen welke de berekening der uitkeringen — al ware het slechts ten dele — van de verzekeringstijdvakken doen afhangen, tot het type B gerekend.
Terwijl de I.W. ongetwijfeld tot het type B behoort, geeft de rubricering van de I.W.I. aanleiding tot moeilijkheden. Krachtens deze wet wordt de bijslag op de rente berekend op grondslag van een vast totaalbedrag, hetwelk zowel de rente als de bijslag omvat en waarvan het beloop niet afhankelijk is van de vervulde tijdvakken, doch van de invaliditeitsgraad. Weliswaar wordt bij deze wijze van berekening het bedrag van de bijslag indirect van de verzekeringstijdvakken afhankelijk gesteld daar dit bedrag gelijk is aan het verschil tussen de totale vaste uitkering en de rente (welke laatste zelf varieert naar gelang van de vervulde tijdvakken), doch de totale uitkering is daarentegen onafhankelijk van de duur der verzekeringstijdvakken. De Commissie komt tot de slotsom dat de I.W.I. veeleer beacht moet worden tot de wettelijke regelingen van het type A te behoren.
C — DE VIERDE VRAAG
a) Deze vraag wekt verwarring, daar zij een antwoord verlangt los van de vraag tot welk type de onderhavige wettelijke regelingen behoren (vgl. hierboven B, a) 2).
b) De vraag moet worden onderzocht in het licht van het arrest-Van der Veen (100-63) volgens hetwelk artikel 28 van de verordening — en bijgevolg het daarin voorziene percentage — slechts van toepassing zijn wanneer het betreft „het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen” in de zin van artikel 27. In het onderhavige geval is de beantwoording van de vraag „of men zich voor het verkrijgen van de uitkeringen krachtens de Interimwet kan beroepen op artikel 27, eerste lid”, een delicate zaak. Het recht op invaliditeitsrente krachtens de I.W. wordt eerst verkregen nadat de verzekerde een minimum van 150 wekelijkse premiebijdragen heeft voldaan. Anderzijds ontstond het recht van verzoekster op een uitkering krachtens de I.W.I. uit het feit dat zij rechthebbende is op een invaliditeitsrente. Verweerster en de Raad van Beroep te Amsterdam zijn kennelijk van de volgende redenering uitgegaan: ter verkrijging van een op 1 juli 1953 ingaande rente was het noodzakelijk de in Duitsland vervulde tijdvakken in aanmerking te nemen; men heeft de tijdvakken samengeteld op grond van een bepaling van het Duits-Nederlandse Verdrag, welke naderhand is vervangen en overgenomen door artikel 27, eerste lid, der verordening no. 3. Nu het recht op invaliditeitsrente volgens de I.W. slechts verworven was — en ook heden nog slechts verworven zou kunnen worden — dank zij deze samentelling kon ook het recht op de aanvullende uitkering van I.W.I. alleen volgens deze methode worden verkregen. In een noot wijst de Commissie nog op artikel 53, tweede en vierde lid, van de verordening. Krachtens de eerste dezer bepalingen wordt „voor het vaststellen van het recht op uitkering krachtens deze verordening elk tijdvak van verzekering voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening krachtens de wettelijke regeling van één der Lid-Staten vervuld, in aanmerking genomen”, terwijl volgens de tweede bepaling „de rechten van belanghebbenden, aan wie voor de inwerkingtreding van deze verordening een pensioen of rente is uitbetaald op hun verzoek zullen kunnen worden herzien”. „Bijgevolg (aldus de Commissie) had het recht op een Nederlandse rente met terugwerkende kracht tot 1 juli 1953, kunnen ontstaan door toepassing van artikel 27, eerste lid, indien er niet het oudere Duits-Nederlandse Verdrag geweest was”. Deze redenering is ongetwijfeld logisch; niettemin kan hiertegen worden ingebracht dat de I.W.I., op zich zelf beschouwd, de daarin voorziene uitkering niet van een bepaalde wachttijd doet afhangen, doch, gelijk in het onderhavige geval, van het enkele feit dat de verzekerde rentetrekker is krachtens de Invaliditeitswet en dat bijgevolg de verkrijging van rechten volgens de Interimwet onafhankelijk geschiedt van het bestaan van de Duitse verzekeringstijdvakken. Bijgevolg bestaat er geen grond tot toepassing van artikel 27 van de verordening; volgens het arrest van het Hof in de zaak 100-63 is artikel 28, eerste lid, sub b, niet van toepassing, zodat de Nederlandse instanties niet bevoegd zijn om met een beroep op laatstgenoemde bepaling de uit hoofde van de I.W.I. verschuldigde uitkeringen te verminderen.
c) Echter, zelfs indien men in beginsel van een andere opvatting zou willen uitgaan, moet toch altijd volgens arrest 100-63 worden aangenomen dat artikel 28, eerste lid, sub b, „slechts van toepassing is voor zover deze toepassing de belanghebbenden uitkeringen verzekert ten minste gelijkwaardig aan die welke zij op grond van de betrefende nationale wetgeving, los van de verordening no. 3, zouden genieten”. Toepassing van artikel 28 zou in casu echter tot lagere uitkeringen leiden: verzoekster heeft tot 27 februari 1955 150 bijdragen betaald; zelfs indien de Nederlandse instellingen niet op grond van een bepaling uit het Duits-Nederlandse Verdrag — overgenomen en verlengd in artikel 27, eerste lid, van de verordening — waren overgegaan tot een voor verzoekster gunstige samen-telling met de bedoeling aan haar rente terugwerkende kracht toe te kennen tot 1 juli 1953, zou zij — onafhankelijk van verordening no. 3 — krachtens de Nederlandse wetgeving recht gehad hebben op een invaliditeitsrente. Verzoekster zou derhalve — steeds nog op de enkele basis van het Nederlandse recht — aanspraak hebben gehad op een uitkering krachtens de Interimwet en deze uitkering zou veel hoger zijn dan hetgeen zij op het ogenblik ontvangt.
2. Beoordeling van andere vragen
a) De Centrale Raad van Beroep had niet impliciet de mening van de rechter in eerste instantie moeten overnemen dat artikel 28, eerste lid, sub f en derde lid, der verordening niet van toepassing is, doch had deze vragen, welke in casu van belang zijn, aan het Hof moeten voorleggen. De Commissie refereert zich aan 's Hofs oordeel ten aanzien van de vraag of het bevoegd — en wellicht zelfs gehouden — is deze vragen ambtshalve op te werpen.
b) Ten aanzien van de rechtsvraag zelve spreekt de Commisie zich als volgt uit: Artikel 28, eerste lid, sub f, is a priori niet van toepassing nu verzoekster voldoet aan de voorwaarden van de wetgevingen van verschillende Lid-Staten. De vraag van de toepasselijkheid van artikel 28, derde lid, komt eerst aan de orde wanneer moet worden aangenomen dat artikel 28, eerste lid, sub b, van toepassing is.
Artikel 28, derde lid, werd juist in verordening no. 3 opgenomen om te vermijden dat toepassing van artikel 28, eerste lid, sub b, zou leiden tot een totaalbedrag dat lager is dan de uitkering welke nu verzoekster voldoet aan de voorwaarden van de wetkrachtens één enkele wettelijke regeling werd verkregen (aangeno-men dat deze wetgeving daarop recht geeft zonder samentelling). Voor dit geval voorziet artikel 28, derde lid, ten behoeve van de verzekerde een aanvulling ten bedrage van dit verschil.
Gelijk hierboven gezegd (I C c), zou verzoekster sinds 1955 reeds uit hoofde van de Nederlandse wettelijke regeling alléén recht op een invaliditeitsrente hebben verworven, terwijl zij met ingang van 1962 aanspraak gehad zou hebben op het gehele bedrag van de uitkering volgens de Interimwet (I.W.I.).
Bijgevolg heeft verweerster ten onrechte artikel 28, derde lid van verordening no. 3, niet ten behoeve van verzoekster toegepast;
TEN AANZIEN VAN HET RECHT
Overwegende dat de Centrale Raad van Beroep een verzoek tot uitlegging, op grond van artikel 177 E.E.G.-Verdrag, tot het Hof heeft gericht;
dat dit verzoek in hoofdzaak strekt tot vaststelling of een aantal bepalingen van een gemeenschapsverordening van toepassing is op een bepaalde Nederlandse wet, nl. de Interimwet Invaliditeits-rentetrekkers (I.W.I.);
dat volgens artikel 177 het Hof zich bij prejudiciële uitspraak slechts kan uiten over de uitlegging van het Verdrag en door de instelling der Gemeenschap verrichte handelingen, doch niet bevoegd is deze toe te passen op een concreet geval, noch ook uitspraak te doen over de uitlegging van het nationale recht van een Lid-Staat;
dat het Hof zich dan ook slechts onder dit voorbehoud ten aanzien van de in casu gestelde vragen kan uitspreken;
I — Ten aanzien van de eerste vraag
Overwegende dat bij deze vraag voornoemde Raad het Hof verzoekt uit te spreken of de artikelen 1 onder b, 2, lid 1, aanhef en onder b, en 3, der verordening no. 3, aldus moeten worden uitgelegd „dat onder de daar bedoelde „wettelijke regelingen” ook is begrepen de Interimwet Invaliditeitsrentetrekkers, hoewel deze wet tot stand is gekomen na de vaststelling der verordening en een mededeling als bedoeld in het 2e lid van genoemd artikel 3 niet heeft plaatsgehad”;
Overwegende dat uit de door de Centrale Raad van Beroep verschafte inlichtingen blijkt, dat de I.W.I. een invaliditeitsverzekering voorziet met uitkeringen en verstrekkingen ingeval van invaliditeit;
Overwegende dat blijkens artikel 2, lid 1, aanhef en sub b, van de verordening no. 3, deze van toepassing is „op alle wettelijke regelingen inzake … de uitkeringen en verstrekkingen ingeval van invaliditeit met inbegrip van die welke ten doel hebben de arbeidsgeschiktheid te handhaven of te verbeteren, doch met uitzondering van die welke ingeval van arbeidsongevallen of beroepsziekten worden verleend”;
dat de bijlage B tot deze verordening, getiteld „Wettelijke regelingen waarop de verordening van toepassing is”, onder letter b van het gedeelte dat betrekking heeft op Nederland, „de invaliditeitsverzekering, met inbegrip van de bijslagen op de renten” vermeldt;
dat de verordening derhalve van toepassing is op iedere Nederlandse wettelijke regeling welke een invaliditeitsverzekering voorziet met uitkeringen en verstrekkingen ingeval van invaliditeit, doch met uitzondering van die welke ingeval van arbeidsongevallen of beroepsziekten worden verleend;
Overwegende dat het van toepassing zijn der verordening no. 3 op een bepaalde wettelijke regeling niet wordt uitgesloten door de enkele omstandigheid dat deze, hoewel tot stand gekomen na de vaststelling der verordening, wellicht niet aan de voorzitter van de Raad van de E.E.G. is medegedeeld op de wijze voorzien in artikel 3, tweede lid, van de verordening;
dat immers het eerste artikel onder b der verordening aangeeft dat, waar deze de term „wetgeving” bezigt, daaronder de bestaande en toekomstige wetten, reglementen enzovoort, van elke Lid-Staat worden verstaan;
dat deze bepaling van haar inhoud zou worden beroofd, indien het de Lid-Staten vrij zou staan om door het achterwege laten van de genoemde mededeling naar eigen goedvinden het gebied te bepalen, waarop de verordening no. 3 van toepassing is;
dat trouwens blijkens artikel 3, tweede lid, der verordening de mededelingsplicht slechts dan bestaat, wanneer ten gevolge van de invoering van een nieuwe wettelijke regeling in bijlage B een „wijziging” dient te worden aangebracht;
dat zulks niet het geval is, wanneer die wettelijke regeling onder een der in bedoelde bijlage voorziene rubrieken valt;
Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat iedere Nederlandse wettelijke regeling waarbij een invaliditeitsverzekering wordt voorzien met uitkeringen en verstrekkingen ingeval van invaliditeit, doch met uitzondering van die welke ingeval van arbeidsongevallen of beroepsziekten worden verleend, een wettelijke regeling is in de zin van voormelde bepalingen der verordening no. 3, ook indien van deze wettelijke regeling, in werking getreden na bedoelde verordening, geen kennis werd gegeven;
II — Ten aanzien van de tweede vraag
Overwegende dat bij wege van de tweede vraag aan het Hof wordt gevraagd uit te spreken of de bijslag, bedoeld in hoofdstuk II van de Interimwet Invaliditeitsverzekering, een invaliditeitsuitke-ring is van het bij artikel 24, paragraaf 1, van de verordening bedoelde type B;
Overwegende dat, waar het Hof slechts tot het uitleggen van het Verdrag bevoegd is, het zulks in het onderhavige geval niet kan doen ten aanzien van de Nederlandse wet;
dat het in antwoord op het verzoek van de Centrale Raad zich over artikel 24, paragraaf 1, uit te spreken opmerkt dat voornoemde tekst de wetgevingen van het type B omschrijft als die „volgens welke de uitkeringen ingeval van invaliditeit in beginsel worden berekend naar de duur van de vervulde tijdvakken”;
dat intussen in bijlage F, waarvan het opschrift verwijst naar de in artikel 24, paragraaf 1, „omschreven” typen, een wijziging is aangebracht welke is openbaar gemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 14 februari 1964 en derhalve na de afkondiging van de Interimwet Invaliditeitsverzekering, waarbij de Nederlandse wetgeving, met uitzondering van het pensioenstelsel voor bepaalde mijnwerkers, van het type B wordt verklaard;
dat de regelmatigheid van deze wijziging in generlei opzicht is betwist;
dat derhalve deze stand van zaken slechts kan worden vastgesteld;
III — Ten aanzien van de derde en de vierde vraag
Overwegende dat het antwoord op de tweede vraag de derde en vierde vraag doet vervallen;
dat bedoeld antwoord echter in verband met de artikelen 26, eerste lid, 25 en 24, eerste lid, van de verordening no. 3 eventueel mee kan brengen dat de artikelen 27 en 28 dezer verordening van overeenkomstige toepassing zijn;
dat, waar de Centrale Raad het Hof reeds bij een eerder verzoek (zaak 100-63) om uitlegging van laatstgenoemde bepalingen heeft verzocht, hij niet verplicht was deze in het onderhavige geval opnieuw aan de orde te stellen;
dat er derhalve mee kan worden volstaan te herinneren aan de uitlegging gegeven onder punt 2 van het dictum van het in voornoemde zaak gewezen arrest, namelijk dat artikel 28 slechts van toepassing is ingeval van het verkrijgen,, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen;
IV — Ten aanzien van de kosten
Overwegende dat de kosten gemaakt door de Raad en door de Commissie der E.E.G., die hun opmerkingen aan het Hof hebben voorgelegd, niet voor vergoeding in aanmerking komen;
dat de onderhavige procedure ten aanzien van de betrokken partijen het karakter draagt van een incident in het tussen hen aanhangige geding voor de Centrale Raad van Beroep, zodat de beslissing over de gemaakte kosten bij de Centrale Raad moet verblijven;
Dictum
heeft
HET HOF VAN JUSTITIE
uitspraak doende op het verzoek om een prejudiciële beslissing, gedaan door de Centrale Raad van Beroep bij zijn bevel van 29 april 1964,
1. Beslist: de term „wettelijke regeling”, gebezigd in de artikelen 1, onder b, 2, lid 1, aanhef, en 3 der verordening no. 3, van de Raad der E.E.G. inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers (Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1958, blz. 561 e.v.) omvat mede alle Nederlandse wettelijke regelingen waarbij een invaliditeitsverzekering wordt voorzien met uitkeringen en verstrekkingen ingeval van invaliditeit — doch met uitzondering van die welke ingeval van arbeidsongevallen of beroepsziekten worden verleend — ook indien deze wettelijke regeling na de verordening no. 3 in werking is getreden en daarvan niet overeenkomstig artikel 3 van genoemde verordening kennis werd gegeven
2. Vastgesteld: dat blijkens de wijziging van de bijlage F, behorend bij de verordening no. 3, gepubliceerd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 14 februari 1964 en dus na de afkondiging van de Interimwet Invaliditeitsrentetrekkers, de Nederlandse wetgeving van het type B is, met uitzondering van het pensioenstelsel voor bepaalde mijnwerkers;
3. Verstaan: dat de beslissing ten aanzien van de kosten der onderhavige instantie bij de Centrale Raad van Beroep verblijft.
Voetnoten
- 1Twee schrijffouten in punt 1 van het dictum zijn verbeterd bij beschikking van het Hof van 10 februari 1965.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Rechtspraak
2Europese Unie
2Hof van JustitieC-291/0306.10.2005