Arrest van het Hof van 12 juli 1984, 237/83 · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Vijfde kamer 237/83 ECLI:EU:C:1984:277 12 juli 1984

Zoeken

Arrest van het Hof van 12 juli 1984, 237/83EEG-Verdrag art. 48 en art. 177

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-237-83-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Vijfde kamer
Zaak
237/83
ECLI
ECLI:EU:C:1984:277
Datum
12 juli 1984

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Prejudiciële verwijzing
Verwijzende rechter
Commission de première instance du contentieux de la sécurité sociale et de la mutualité sociale agricole de Paris (Frankrijk) beslissing van 3 juni 1983 11.746/82
Zaak ingediend op
21 oktober 1983
Advocaat-generaal
Lenz
Nationale beslissing na het arrest
Commission de première instance du contentieux de la sécurité sociale et de la mutualité sociale agricole de Paris beslissing van 4 januari 1985 11.746/82

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Frans
Jurisprudentie
Jurispr. 1984, blz. 3153
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Due
Repertorium van het Hof

Tekst

58 paragrafen

ARREST

De feiten

De feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van's Hofs Sta-tuut-EEG ingediende opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

I — De feiten en het procesverloop

Verzoekster in het hoofdgeding, de besloten vennootschap naar Frans recht Sàri Prodest (hierna: verzoekster), die een uitzendbureau voor tijdelijke arbeidskrachten bedrijft, zond op 17 juni 1981 M. van Robaeys uit naar Nigeria. Van Robaeys heeft de Belgische nationaliteit, maar woont in Frankrijk en is aangesloten bij het Franse socialezekerheidsstelsel.

Verzoekster vroeg de Caisse primaire d'assurance maladie de Paris (verweerster), de aansluiting van Van Robaeys als sociaal verzekerde gedurende diens verblijf in Nigeria te handhaven. Verweerster wees dit verzoek af onder verwijzing naar artikel 39, lid 2, van de wet van 3 januari 1972, thans artikel L 341-3, lid 3, van de Code du travail, dat bepaalt als volgt:

„Onverminderd internationale overeenkomsten, is het een onderneming die tijdelijke arbeidskrachten ter beschikking stelt, verboden aan wie dan ook buitenlandse arbeidskrachten ter beschikking te stellen indien de dienst buiten het Franse grondgebied moet worden verricht.”

Nadat de Commission de recours gracieux dit afwijzende besluit had bevestigd, bracht verzoekster de zaak voor de Commission de première instance du contentieux. Verzoekster stelde dat de bestreden afwijzing rechtsgrondslag miste, omdat bedoelde beperking op de tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten niet toepasselijk is op werknemers die onderdaan zijn van een Lid-Staat van de EEG. Zij verwees daartoe naar de bepalingen van verordening nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257 van 1968, blz. 2).

Van oordeel dat de beslissing van het aan haar kennisneming onderworpen geschil afhangt van de uitlegging van verordening nr. 1612/68 — met name van de vraag of op grond van deze verordening artikel 39, lid 2, van de wet van 3 januari 1972 buiten toepassing dient te blijven —, heeft de Commission de première instance du contentieux krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof verzocht te beslissen

„of een verzekerde die onderdaan is van een Lid-Staat van de Europese Economische Gemeenschap en die in loondienst is van een Franse vennootschap en in Frankrijk woonachtig is, krachtens verordening (EEG) nr. 1612/68 aanspraak kan maken op behoud van zijn aansluiting bij het Franse algemene socialezekerheidsstelsel gedurende zijn uitzending naar Nigeria, en of in casu de beperking van artikel 39, lid 2, van de wet van 3 januari 1972, thans artikel L 341-3, lid 3, van de Code du travail, buiten toepassing dient te blijven.”

De verwijzingsbeschikking is op 21 oktober 1983 ingeschreven ter griffie van het Hof.

Krachtens arikel 20 van's Hofs Sta-tuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de Caisse primaire d'assurance maladie de Paris, vertegenwoordigd door J. Salvadori, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. Griesmar als gemachtigde, bijgestaan door F. Herbert, advocaat te Brussel.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en de advocaat-generaal gehoord, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

Bij beschikking van 14 maart 1984 heeft het Hof besloten de zaak naar de Vijfde kamer te verwijzen.

II — Bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen

Verweerster is van oordeel, dat een onderdaan van een Lid-Staat van de EEG zich slechts op de bepalingen van de gemeenschapsverordeningen kan beroepen indien hij naar een andere Lid-Staat van de Gemeenschap wordt uitgezonden. In casu evenwel is de betrokken werknemer weliswaar onderdaan van een der Lid-Staten, maar is hij uitgezonden naar een derde land en niet naar een Lid-Staat.

Verweerster meent derhalve in haar recht te staan met haar besluit om Van Robaeys voor de duur van zijn uitzending naar Nigeria niet te handhaven als aangeslotene bij het Franse algemene socialezekerheidsstelsel.

De Commissie constateert dat het bij de prejudiciële vraag in wezen gaat om de afbakening van het toepassingsgebied van het beginsel van het vrije werknemersverkeer. De vraag is in feite, of artikel 39, lid 2, van de wet van 3 januari 1972 ook geldt voor de tewerkstelling van gemeenschapsonderdanen voor diensten die buiten de Gemeenschap worden verricht.

In zijn algemene formulering lijkt deze bepaling een discriminatie op grond van nationaliteit te bevatten, die met het gemeenschapsrecht in strijd is in zoverre zij nadelig is voor onderdanen van andere Lid-Staten, die worden uitgezonden naar landen buiten Frankrijk, doch binnen de Gemeenschap. Daarnaast dient men echter artikel L 341-1 van de Code du travail in aanmerking te nemen, luidende:

„De bepalingen van deze titel zijn van toepassing behoudens, in voorkomend geval, de bepalingen van de behoorlijke geratificeerde of goedgekeurde en bekendgemaakte verdragen, overeenkomsten of akkoorden, en met name van de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen alsmede van de voor de toepassing dier verdragen verrichte handelingen van de autoriteiten dier Gemeenschappen.”

Rest nog de vraag waarom het juist in de onderhavige zaak gaat, namelijk of de bepaling van artikel L 341-3, voor zover zij betrekking heeft op arbeid die buiten de Gemeenschap wordt verricht, treedt op een terrein waarop het gemeenschapsrecht van toepassing is. In dat geval zou zij in casu niet toepasselijk zijn.

Volgens de Commissie zijn bij voorbaat drie opvattingen denkbaar:

1. het gemeenschapsrecht is van toepassing op arbeidsverhoudingen die binnen de Gemeenschap tot stand zijn gekomen en/of op grond waarvan aldaar werkzaamheden of diensten worden verricht.

2. het gemeenschapsrecht is van toepassing op al die arbeidsverhoudingen, onverschillig waar (binnen of buiten de Gemeenschap) de werkzaamheden of diensten worden verricht;

3. het gemeenschapsrecht is van toepassing op alle werkzaamheden die binnen de Gemeenschap worden verricht, onverschillig waar de arbeidsovereenkomst is gesloten.

Vervolgens bespreekt de Commissie de gemeenschapsbepalingen die naar haar mening van toepassing zouden kunnen zijn. Zij komt tot de slotsom, dat de bepalingen van de artikelen 3, sub c, 48, leden 1, 2 en 3, 49, sub b en c, 52 en 59 van het Verdrag eerder steun lijken te verlenen aan de these van de vrije toegang tot arbeid dan aan die van het vrij verrichten van arbeid, hetgeen voor werknemers in loondienst betekent dat zij vrije toegang tot de arbeidsmarkt hebben, onverschillig op welke plaats de arbeid moet worden verricht. Wat de verordeningen en richtlijnen betreffende het vrije verkeer van werknemers betreft, merkt de Commissie op, dat het gezien de terminologieverschillen niet mogelijk is tot een definitieve conclusie te komen ten aanzien van de bepaling van een criterium ter afbakening van de materiële werkingssfeer van het vrije verkeer van personen. De auteurs van de betrokken bepalingen lijken uitsluitend de bedoeling te hebben gehad om, van alle mogelijke discriminaties, in elk geval die uit te sluiten die de meest directe en belangrijkste belemmering vormen.

Ingaande op de rechtspraak van het Hof betreffende het vrije personenverkeer, waaronder met name het arrerst van 12 december 1974 (zaak 36/74, Walrave, Jurispr. 1974, blz. 1405), merkt de Commissie op, dat het Hof aansluiting heeft gezocht bij een criterium dat de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht uitbreidt tot buiten het terrein van de twee criteria waarom het hier gaat, namelijk de toegang tot en het verrichten van arbeid. Vanuit het gezichtspunt van het arrest-Walrave zou het beginsel van gelijke behandeling immers ook gelden voor arbeidsverhoudingen die buiten de Gemeenschap tot stand zijn gekomen en waarbij de arbeid ook buiten de Gemeenschap wordt verricht, wanneer zij op enigerlei wijze gevolgen hebben voor de werkgelegenheid in de Gemeenschap.

Wat het specifieke gebied van de sociale zekerheid betreft, verwijst de Commissie in hoofdzaak naar de arresten van 8 april 1976 (zaak 112/75, Hirardin, Jurispr. 1976, blz. 553), 31 maart 1977 (zaak 87/76, Bozzone, Jurispr. 1977, blz. 687) en 11 juli 1980 (zaak 150/79, Commissie t. België, Jurispr. 1980, blz. 2621). Deze rechtspraak lijkt de strekking van het arrest-Walrave te bevestigen, met name het feit dat de toepasselijkheid van het gemeenschapsrecht in geen geval afhangt van de plaats waar de arbeid wordt verricht.

Uit deze rechtspraak leidt de Commissie af, dat onder de toepassing van het gemeenschapsrecht vallen rechtsbetrekkingen die op het grondgebied van de Gemeenschap zijn ontstaan. Deze oplossing vloeit dwingend voort uit overwegingen verband houdend met de doelstellingen van het Verdrag, maar ook uit praktische overwegingen.

Het fundamentele karakter van het gelijkheidsbeginsel in de communautaire rechtsorde, blijkend uit de bewoordingen van artikel 48, lid 2, van het Verdrag, waar sprake is van discriminaties „wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden”, impliceert dat een arbeidsverhouding die binnen de Gemeenschap is ontstaan, als een geheel wordt beschouwd.

Echte gelijkheid van behandeling valt immers enkel te garanderen indien zij voor de arbeidsactiviteit in haar geheel geldt. Voor het overige heeft het Hof in zijn arresten over de uitlegging van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 bevestigd, dat het beginsel van gelijke behandeling een zo volledig mogelijke integratie van de migrerende werknemer en zijn gezin in de ontvangende Lid-Staat mogelijk moet maken (arrest van 30. 9. 1975, zaak 32/75, Cristini, Jurispr. 1975, blz. 1085).

De Commissie merkt voorts op, dat wettelijke of contractuele bepalingen op grond waarvan met betrekking tot arbeid verricht in een land buiten de Gemeenschap, eigen onderdanen anders worden behandeld dan gemeenschapsonderdanen, zonder enige twijfel gevolgen hebben voor de arbeidsmarkt van de Gemeenschap. Daardoor zouden gemeenschapsonderdanen bijvoorbeeld van bepaalde betrekkingen kunnen worden uitgesloten, zodat zij minder gunstige carrièremogelijkheden hebben dan eigen onderdanen. Een bepaling als hier in geding zou ook nadelig kunnen zijn voor de in de betrokken Lid-Staat gevestigde ondernemingen, omdat zij hun belet het best gekwalificeerde personeel aan te trekken. In de praktijk zouden er nog andere belangrijke nadelen uit kunnen voortvloeien in verband met het in wezen mobiele karakter van economische activiteiten. Voor een hele reeks betrekkingen in loondienst, die werkzaamheden buiten de Gemeenschap meebrengen, zouden, indien de regel van gelijke behandeling niet van toepassing was, gemeenschapsonderdanen systematisch kunnen worden aangetrokken op minder gunstige aan-stellings- of beloningsvoorwaarden dan voor eigen onderdanen gelden, en deze discriminatie van gemeenschapsonderdanen zou zelfs negatieve gevolgen kunnen hebben voor de werkgelegenheid van eigen onderdanen.

Tenslotte wijst de Commissie op het gebrek aan rechtszekerheid voor gemeenschapsonderdanen, indien de toepasselijkheid van de communautaire bepalingen afhing van de plaats waar de arbeid wordt verricht, en dat in een tijd waarin de arbeidsmobiliteit van zo groot belang is.

De Commissie komt tot de conclusie, dat het beginsel van gelijke behandeling op het gebied van het vrije, personenverkeer van toepassing is op de situatie van een gemeenschapsonderdaan die in een Lid-Staat woont en een arbeidsovereenkomst heeft met een werkgever die onderdaan is van deze Lid-Sţaat, wiens situatie wordt beheerst, zoals verweersters beroep op het verbod van artikel L 341 aantoont, door de wetgeving van deze staat, onverschillig op welke plaats (binnen of buiten de Gemeenschap) de arbeid in loondienst wordt verricht. Hieruit volgt, dat de weigering van aansluiting als sociaal verzekerde, waarom het in casu gaat, in geen geval kan worden gebaseerd op artikel L 341-3, lid 3, van de Code du travail.

De vraag is dan, of een gemeenschapsonderdaan die in Frankrijk woont en daar in loondienst is, aanspraak heeft op behoud van zijn aansluiting bij het Franse socialezekerheidsstelsel wanneer hij naar een derde land wordt uitgezonden. Deze vraag betreft de toepasselijkheid van verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, blz. 2).

Volgens artikel 2 is deze verordening van toepassing op werknemers op wie de wetgeving van een of meer Lid-Staten van toepassing is of geweest is en die onderdaan van een der Lid-Staten, dan wel op het grondgebied van een der Lid-Staten wonende staatlozen of vluchtelingen zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen. De artikelen 13 e.v. betreffende de vaststelling van de toe te passen wetgeving en dus de aansluiting, zwijgen over eventuele aansluiting ter zake van buiten de Gemeenschap verrichte arbeid.

Het antwoord op de prejudiciële vraag, aldus de Commissie, moet dus worden gevonden aan de hand van de nationale wetgeving en van het beginsel van gelijke behandeling, zoals dit voor de toepassing van verordening nr. 1408/71 in artikel 3 van deze verordening is geformuleerd.

De Commissie verwijst naar de relevante Franse wettelijke regeling, te weten de artikelen L 768 en L 769 van de Franse code de la sécurité sociale, die luiden als volgt:

Ariikel L 768

„Werknemers die door hun werkgever tijdelijk naar het buitenland zijn gezonden om er arbeid in loondienst of daarmee gelijkgestelde arbeid te verrichten, en die ingevolge internationale overeenkomsten of regelingen onderworpen blijven aan de Franse sociale-zekerheidswetgeving, worden voor de toepassing van deze wetgeving geacht in Frankrijk te wonen en te werken.”

Artikel L 769

„Indien zij niet of niet meer onder artikel L 768 vallen, zijn werknemers die door hun werknemer tijdelijk naar het buitenland zijn gezonden om er arbeid in loondienst of daarmee gelijkgestelde arbeid te verrichten, waarvoor zij door die werkgever worden beloond, onderworpen aan de Franse sociale-zekerheidswetgeving, mits de werkgever zich verbindt alle verschuldigde bijdragen te voldoen.

De maximumperiode gedurende welke de in de vorige alinea bedoelde werknemers aan de Franse sociale-zekerheidswetgeving onderworpen kunnen blijven, wordt bij verordening bepaald. Voor de toepassing van deze wetgeving worden zij geacht in Frankrijk te wonen en te werken.”

Vastgesteld moet worden, dat Van Robaeys zonder een spoor van twijfel onder de werking van artikel L 769 valt en uit dien hoofde, onder de in dat artikel genoemde voorwaarden en op dezelfde voet als een Franse onderdaan, aan de Franse wetgeving moet worden onderworpen.

Op grond van een en ander geeft de Commissie in overweging, de gestelde vraag te beantwoorden als volgt:

„Verordening nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, moet aldus worden uitgelegd, dat aan het discriminatieverbod, neergelegd in met name artikel 1 en artikel 3, lid 1, moeten worden getoetst de nationale bepalingen betreffende arbeid die buiten de Gemeenschap wordt verricht door een gemeenschapsonderdaan die een arbeidsovereenkomst heeft met een in de Gemeenschap gevestigde onderneming.”

III — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 19 juni 1984 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door J. L. de Grandcourt, advocaat te Parijs, en de Commissie, vertegenwoordigd door F. Herbert, advocaat te Brussel.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 4 juli 1984 conclusie genomen.

In rechte

1.

Bij beschikking van 3 juni 1983, ingekomen ten Hove op 21 oktober daaraanvolgend, heeft de Commission de première instance du contentieux de la sécurité sociale et de la mutualité sociale agricole de Paris krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van verordening nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257 van 1968, blz. 2).

2.

Deze vraag is gesteld in een geding tussen de Franse vennootschap Prodest, die een uitzendbureau voor tijdelijke arbeidskrachten bedrijft, en de Caisse primaire d'assurance maladie de Paris. Dit geding betreft de vraag of een Belgische werknemer van deze vennootschap voor de duur van zijn uitzending naar Nigeria bij het Franse algemene socialezekerheidsstelsel aangesloten kan blijven.

3.

Een desbetreffend verzoek van de vennootschap is door de Caisse afgewezen op grond van artikel 39, lid 2, van de wet van 3 januari 1972, thans artikel L 341-3, lid 3, van de Code du travail, dat luidt als volgt:

„Onverminderd internationale overeenkomsten, is het een onderneming die tijdelijke arbeidskrachten ter beschikking stelt, verboden aan wie dan ook buitenlandse arbeidskrachten ter beschikking te stellen indien de dienst buiten het Franse grondgebied moet worden verricht.”

Volgens de Caisse is deze bepaling ook van toepassing op gemeenschapsonderdanen, tenzij het gaat om uitzending naar een Lid-Staat.

4.

Van oordeel dat de oplossing van het geschil afhangt van de uitlegging van voornoemde gemeenschapsverordening, heeft de nationale rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof gevraagd:

„of een verzekerde die onderdaan is van een Lid-Staat van de Europese Economische Gemeenschap en die in loondienst is van een Franse vennootschap en in Frankrijk woonachtig is, krachtens verordening (EEG) nr. 1612/68 aanspraak kan maken op behoud van zijn aansluiting bij het Franse algemene socialezekerheidsstelsel gedurende zijn uitzending naar Nigeria, en of in casu de beperking van artikel 39, lid 2, van de wet van 3 januari 1972, thans artikel L 341-3, lid 3, van de Code du travail, buiten toepassing dient te blijven.”

5.

In de eerste plaats zij opgemerkt, dat het hoofdgeding een geval betreft van een onderdaan van een Lid-Staat, die in loondienst is van een in een andere Lid-Staat gevestigde vennootschap, en dat een dergelijk geval in beginsel valt onder de gemeenschapsbepalingen inzake het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap. In dit verband vraagt de nationale rechter in wezen, of die bepalingen buiten toepassing blijven wanneer de in de Gemeenschap gevestigde werkgever de werknemer tijdelijk uitzendt buiten de Gemeenschap.

6.

In zijn arrest van 12 december 1974 (zaak 36/74, Walrave, Jurispr. 1974, blz. 1405), waarin een van de vragen was, of het van belang was dat de betrokken werkzaamheden gedeeltelijk buiten het grondgebied van de Gemeenschap werden verricht, verklaarde het Hof voor recht, dat de non-discriminatieregel — zoals onder meer geformuleerd in artikel 48 van het Verdrag en in verordening nr. 1612/68 voornoemd — geldt bij de beoordeling van alle rechtsbetrekkingen, in de mate waarin deze hetzij wegens de plaats waar zij worden aangegaan, hetzij wegens de plaats waar zij hun uitwerking hebben, op het grondgebied van de Gemeenschap kunnen worden gelokaliseerd. De omstandigheid dat de werkzaamheden tijdelijk buiten het grondgebied van de Gemeenschap worden verricht, kan derhalve de toepassing van dit beginsel niet verhinderen, wanneer de arbeidsverhouding desondanks een voldoende nauwe aanknoping met dat grondgebied behoudt.

7.

In een geval als het onderhavige kan een dergelijke aanknoping worden gevonden in de omstandigheid dat de werknemer uit de Gemeenschap is aangesteld door een onderneming uit een andere Lid-Staat en uit dien hoofde was aangesloten bij het socialezekerheidsstelsel van deze staat en ook gedurende zijn uitzending naar het derde land voor rekening van de onderneming uit de Gemeenschap, werkzaam blijft.

8.

Ingevolge artikel 7, lid 2, van voornoemde verordening nr. 1612/68 geldt het non-discriminatiebeginsel eveneens voor de sociale voordelen van de werknemers. Ook al heeft deze bepaling letterlijk genomen het oog op voordelen die de gemeenschapsonderdaan geniet op het grondgebied van de andere Lid-Staten, in het licht van de hiervoor aangehaalde rechtspraak moet zij aldus worden uitgelegd, dat zij ook van toepassing is op een situatie als hiervoor beschreven.

9.

Wanneer derhalve de sociale-verzekeringsorganen van de Lid-Staat waar de werkgever is gevestigd, hun nationale wetgeving toepassen op een geval als het onderhavige, dienen zij daarbij iedere bepaling buiten toepassing te laten die leidt tot discriminatie ten nadele van de werknemers die onderdaan zijn van een andere Lid-Staat.

10.

Mitsdien moet op de gestelde vraag worden geantwoord, dat de gemeenschapsbepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, in het bijzonder die van verordening nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968, aldus moeten worden uitgelegd, dat het non-discriminatiebeginsel ook van toepassing is op het geval van een onderdaan van een Lid-Staat, die als loontrekkende is aangesteld door een onderneming uit een andere Lid-Staat, gedurende de periode dat die werknemer voor rekening van die onderneming tijdelijk arbeid verricht buiten het grondgebied van de Gemeenschap, en dat bij de toepassing van de nationale bepalingen van de Lid-Staat waar die onderneming is gevestigd, betreffende het behoud van de aansluiting bij het algemene socialezekerheidsstelsel van deze staat gedurende de tijdelijke uitzending van de werknemer naar een derde land, iedere bepaling die discriminerend is voor onderdanen van andere Lid-Staten, buiten toepassing dient te blijven.

Kosten

11.

De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

uitspraak doende op de door de Commission de première instance du contentieux de la sécurité sociale et de la mutualité sociale agricole de Paris bij beschikking van 3 juni 1983 gestelde vraag, verklaart voor recht:

De gemeenschapsbepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, in het bijzonder die van verordening nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968, moeten aldus worden uitgelegd, dat het non-discriminatiebeginsel ook van toepassing is op het geval van een onderdaan van een Lid-Staat, die als loontrekkende is aangesteld door een onderneming uit een andere Lid-Staat, gedurende de periode waarin die werknemer voor rekening van die onderneming tijdelijk arbeid verricht buiten het grondgebied van de Gemeenschap, en dat bij de toepassing van de nationale bepalingen van de Lid-Staat waar die onderneming is gevestigd, betreffende het behoud van de aansluiting bij het algemene socialezekerheidsstelsel van deze staat gedurende de tijdelijke uitzending van de werknemer naar een derde land, iedere bepaling die discriminerend is voor onderdanen van andere Lid-Staten, buiten toepassing dient te blijven.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

6
EEG-Verdrag art. 48uitgelegd3 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1772 voorkomens
EEG-Verdrag art. 31 voorkomen
EEG-Verdrag art. 521 voorkomen
EEG-Verdrag art. 591 voorkomen
verordening 1612/68 art. 71 voorkomen

Rechtspraak

2

Europese Unie

2

Conclusie van advocaat-generaal CosmasC-231/9401.02.1996

Zesde richtlijn 77/388 art. 9 en art. 6

Conclusie van advocaat-generaal LenzC-30/8914.02.1990

Zesde richtlijn 77/388 art. 15 en art. 9

Bekijk de 2 documenten

Rechtsleer

2
Watson, Philippa: Discrimination with Respect to Affiliation, European Law Review 1984 p.435-437
Rocco, F.: Il Foro italiano 1987 IV Col.131-134