Arrest van het Hof van 14 juli 1983, 224/82 · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Derde kamer 224/82 ECLI:EU:C:1983:219 14 juli 1983

Zoeken

Arrest van het Hof van 14 juli 1983, 224/82Verordening 1530/78 art. 2, verordening 2546/80 art. 1

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-224-82-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Derde kamer
Zaak
224/82
ECLI
ECLI:EU:C:1983:219
Datum
14 juli 1983

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Prejudiciële verwijzing
Verwijzende rechter
Verwaltungsgericht Frankfurt am Main (Duitsland) beslissing van 3 augustus 1982 I/2 E 49/81
Zaak ingediend op
23 augustus 1982
Advocaat-generaal
Rozès
Nationale beslissing na het arrest
Verwaltungsgericht Frankfurt am Main beslissing van 25 januari 1984 I/2 E 49/81

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Duits
Jurisprudentie
Jurispr. 1983, blz. 2539
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Galmot
Repertorium van het Hof

Tekst

69 paragrafen

ARREST

De feiten

De feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van s Hofs Sta-tuut-EEG ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

I — Feiten en procesverloop

De toepasselijke communautaire regeling

Bij verordening nr. 516/77 van de Raad van 14 maart 1977 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten (PB L 73 van 1977, blz. 1) is een steunregeling ingevoerd voor de produktie van de in bijlage I bis opgenomen produkten. Deze bijlage werd ingelast bij verordening nr. 1152/78 van de Raad van 30 mei 1978 (PB L 144 van 1978, blz. 1). Bij verordening nr. 1639/79 van de Raad van 24 juli 1979 is de steunregeling voor de produktie met ingang van het verkoopseizoen 1980/81 uitgebreid tot in siroop geconserveerde kersen.

Ingevolge artikel 3 ter, lid 4, van verordening nr. 516/77 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1152/78, „wordt de steun bij de produktie toegekend aan de verwerkende bedrijven die contracten hebben gesloten als bedoeld in artikel 3 bis.” Volgens lid 2 van laatstgenoemde bepaling „moeten in deze contracten, die voor een nader te bepalen minimumperiode gelden, worden aangegeven de hoeveelheden grondstoffen waarop de contracten betrekking hebben, de spreiding van de leveringen aan de verwerkende bedrijven en de aan de producenten te betalen prijzen”.

Ingevolge artikel 3 bis, lid 2, laatste zin, juncto artikel 3 ter, leden 5 en 6, wordt het bedrag van de steun, dat vóór het begin van ieder verkoopseizoen wordt vastgesteld, aan de verwerkende bedrijven op hun verzoek uitgekeerd, zodra de bevoegde organen van de betrokken Lid-Staten bij wie de contracten zijn ingediend, de uitvoering daarvan hebben gecontroleerd.

De uitvoeringsbepalingen van deze steunregeling zijn door de Commissie vastgesteld bij verordening nr. 1530/78 van 30 juni 1978 (PB L 179 van 1978, blz. 21). Deze verordening is gewijzigd bij verordeningen van de Commissie nrs. 1348/80 van 30 mei 1980, 1964/80 van 24 juli 1980 en 2546/80 van 2 oktober 1980 (PB L 135 van 1980, blz. 66; PB L 191 van 1980, blz. 17 en PB L 260 van 1980, blz. 14).

Ingevolge deze uitvoeringsbepalingen kan een verwerkend bedrijf enkel aanspraak maken op uitkering van de steun, indien de contracten en de betrokken nadere overeenkomsten zijn ondertekend en binnen de door de Commissie gestelde termijnen bij de bevoegde nationale organen zijn ingediend.

Krachtens artikel 1 van verordening nr. 1530/78, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1348/80, moesten de verwerkingscontracten voor bigarreaus en zoete kersen en de eventuele nadere overeenkomsten uiterlijk op respectievelijk 10 en 30 juli 1980 worden gesloten. Omdat de kersenoogst in 1980 wegens de slechte weersomstandigheden vertraging had opgelopen, konden de contracten en de nadere overeenkomsten niet tijdig worden ondertekend. Bij verordening nr. 1964/80 van 24 juli verlengde de Commissie de termijnen voor de ondertekening van de contracten en de nadere overeenkomsten dan ook tot respectievelijk 31 juli en 15 augustus 1980.

Overeenkomstig artikel 2 van verordening nr. 1530/78 moest een exemplaar van het contract en eventueel van de betrokken nadere overeenkomsten vóór zij van kracht werden — dus vóór het begin van de eerste levering van de grondstoffen — worden ingediend bij het nationale orgaan dat was belast met het beheer van de steunregeling en dat de grondstoffen vóór de uitvoering van het contract moest controleren.

In verband met voormelde moeilijkheden moesten de te laat gesloten contracten onmiddellijk worden uitgevoerd, daar de kwaliteit van de grondstoffen dreigde te verminderen. Wegens deze bijzondere omstandigheden werd artikel 2 van verordening nr. 1530/78 op 2 oktober 1980 aangevuld bij verordening nr. 2546/80, waarin werd bepaald :

„Voor het verkoopseizoen 1980/81 echter mogen verwerkingscontracten voor kersen, zelfs nadat zij van kracht zijn geworden, tot uiterlijk 31 juli 1980 bij de bevoegde instantie worden ingediend.”

Feiten en procesverloop

De firma Meiko-Konservenfabrik die zich voornamelijk bezighoudt met de verwerking van fruit tot conserven, sloot op 21 juli 1980 leveringscontracten met kersenproducenten. Op 31 juli 1980 werd een nadere overeenkomst gesloten.

In de periode van 23 juli tot 31 juli 1980 werden de grondstoffen geleverd; uit vrees voor kwaliteitsverlies ten gevolge van de oogstcondities werden de kersen door de firma Meiko onmiddellijk verwerkt.

Op grond van de artikelen 3 bis en 3 ter van verordening nr. 516/77 van de Raad van 14 maart 1977, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1152/78 van 30 mei 1978, vroeg de firma Meiko bij het Bundesamt für Ernährung und Forstwirtschaft voor 1980 produktiesteun aan voor 17785 kg in siroop te conserveren zoete kersen.

Omdat de contracten en de nadere overeenkomsten te laat — respectievelijk op 7 en 19 augustus 1980 — bij het Bundesamt waren ingediend, wees dit laatste op grond van artikel 1 van de aangehaalde verordening nr. 2546/80 de aanvraag om produktiesteun af bij beschikking van 6 november 1980, welke het na een bezwaarschrift van de firma Meiko op 17 december 1980 bevestigde.

Ten aanzien van deze weigering stelde de firma Meiko tegen de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door het Bundesamt für Ernährung und Forstwirtschaft, beroep in bij het Verwaltungsgericht Frankfurt/Main dat bij beschikking van 3 augustus 1982 de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof van Justitie heeft verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Schendt artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2546/80 van de Commissie van 2 oktober 1980 (PB L 260 van 1980, blz. 14) het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling, voor zover hierin met terugwerkende kracht een termijn wordt vastgesteld, eindigend op 31 juli 1980, waarbinnen gesloten contracten bij de bevoegde instantie moeten zijn ingediend?”

Blijkens de overwegingen van de verwijzingsbeschikking is de Duitse rechter met een beroep op een aantal arresten van het Hof met betrekking tòt het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling van oordeel, dat verordening nr. 2546/80 van 2 oktober 1980 waarin de uiterste datum voor de indiening van de contracten achteraf op 30 juli is vastgesteld, een willekeurige maatregel vormt die zonder objectieve reden een bepaalde groep ondernemingen, waaronder de firma Meiko, benadeelt ten opzichte van concurrenten die de goederen weliswaar onmiddellijk na de levering hebben verwerkt, maar hun contracten toevallig vóór 31 juli hebben ingediend.

Bovendien acht de Duitse rechter het automatisme van deze bepaling in strijd met het evenredigheidsbeginsel, voor zover zij het niet mogelijk maakt de sanctie van steunweigering afhankelijk te maken van een aan de betrokkene te verwijten gedraging.

De verwijzingsbeschikking is op 23 augustus 1982 ter griffie van het Hof ingeschreven.

Krachtens artikel 20 van 's Hofs Sta-tuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Sack en Chr. Berardis-Kayser, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden. Bij brieven van 29 september 1982 en 5 oktober 1982 hebben het Bundesamt für Ernährung und Forstwirtschaft en de Duitse regering het Hof meegedeeld dat zij geen schriftelijke opmerkingen zouden indienen.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaatgeneraal, overeenkomstig artikel 21 van s Hof 's Statuut-EEG en artikel 45 van het Reglement voor de procesvoering maatregelen van instructie bevolen.

Bij brief van 10 februari 1983 heeft de griffier van het Hof de regering van de Bondsrepubliek Duitsland verzocht, de daarin gestelde vragen vóór 4 maart 1983 schriftelijk te beantwoorden. Deze brief luidde als volgt:

Bij verordening nr. 2546/80 van 2 oktober 1980 (PB L 260 van 1980, blz. 14) heeft de Commissie bepaald dat de verwerkingscontracten voor kersen uiterlijk op 31 juli 1980 bij de bevoegde nationale organen moesten worden ingediend. In haar bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen verklaart zij dat dit een uitzonderingsbepaling is, waarom de Lid-Staten hebben verzocht, zodat zij, bij de vaststelling van een objectief passende datum in wezen enkel kon afgaan op de inlichtingen van de Lid-Staten omtrent de feitelijke situatie in hun land. Ter oplossing van het probleem had de Bondsrepubliek Duitsland gevraagd de datum op 31 juli vast te stellen' (Schriftelijke opmerkingen, blz. 5, in fine).

De regering van de Bondsrepubliek Duitsland wordt verzocht, vóór 4 maart 1983 de volgende vragen schriftelijk te beantwoorden.

1. Om welke redenen heeft de Bondsrepubliek Duitsland voorgesteld de uiterste datum voor de indiening van de verwerkingscontracten voor kersen bij het Bundesamt für Ernährung und Forstwirtschaft vast te stellen op 31 juli 1980?

2. Zijn er andere Duitse firma's die, zoals Meiko-Konservenfabrik, de verwerkingscontracten niet tijdig hebben ingediend en zich derhalve in dezelfde situatie bevinden als verzoekster in het hoofdgeding?”

In dezelfde brief heeft de griffier, overeenkomstig de wensen van het Hof, de Duitse regering gevraagd zich ter terechtzitting van 21 april 1983 door een gemachtigde te laten vertegenwoordigen of een deskundige te sturen.

Op 3 maart 1983 heeft de Duitse regering haar opmerkingen ingediend. Bij brief van 4 maart 1983 heeft de Duitse regering meegedeeld dat U. Maass, Oberregierungsrat bij het Duitse ministerie van Voedselvoorziening, Land- en Bosbouw de terechtzitting van 21 april 1983 zou bijwonen. De heer Maass zou eventueel worden bijgestaan door een vertegenwoordiger van het Bundesamt für Ernährung und Forstwirtschaft te Frankfurt/Main.

Bij beschikking van 2 februari 1983 heeft het Hof krachtens artikel 95, paragrafen 1 en 2, van het Reglement voor de procesvoering de zaak naar de Derde kamer verwezen.

II — Samenvatting van de door de Commissie bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen

De Commissie is van mening dat de geldigheid van verordening nr. 2546/80 niet kan worden betwist op grond van het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling.

Met betrekking tot de beweerde schending van het evenredigheidsbeginsel merkt zij op dat doordat in verordening nr. 2546/80 van 2 oktober 1980 de uiterste datum voor de indiening van de reeds van kracht geworden verwerkingscontracten bij het bevoegde nationale orgaan retroactief op 31 juli is vastgesteld, een groot aantal ondernemingen steun heeft ontvangen, die zij niet zouden hebben ontvangen onder de regeling van artikel 2 van verordening nr. 1530/78, die gold op het ogenblik van het sluiten van deze contracten.

De Commissie stelt dat zij bij het toekennen van deze gunstige regeling geen beoordelingsfout heeft gemaakt. Immers, omdat het een uitzonderingsbepaling betrof waarom de betrokken Lid-Staten — waaronder de Bondsrepubliek Duitsland, die het meest had geleden onder de moeilijkheden in 1980 — hadden verzocht, kon zij bij de vaststelling van een objectief passende datum enkel afgaan op de door deze laatste verstrekte inlichtingen over de feitelijke toestand in hun respectieve landen. Aangezien de Bondsrepubliek zelf had verzocht, dat de verwerkingscontracten en de betrokken nadere overeenkomsten, nadat zij van kracht waren geworden, tot 31 juli 1980 bij de nationale organen zouden mogen worden ingediend, bestond er volgens de Commissie, althans in casu, geen reden om de voorgestelde termijn te verlengen.

Voorts betoogt de Commissie dat een eventueel onvolledige voorstelling van de feiten door de betrokken Lid-Staten niet kan leiden tot de ongeldigheid van een gemeenschapsverordening. In dit verband wijst zij erop dat blijkens een haar door het bondsministerie van Voedselvoorziening in het kader van de voorstellen tot wijziging van verordening nr. 1530/78 toegezonden telexbericht (als bijlage bij de schriftelijke opmerkingen gevoegd) het Bundesamt „in elk geval reeds lang tevoren wist welke ondernemingen in aanmerking kwamen.” Uit het feit dat een klein aantal aanvragers door de nationale autoriteiten niet in aanmerking is genomen en dat hun geval niet ter kennis van de Commissie is gebracht, kan volgens haar dan ook niet worden afgeleid dat de gewraakte verordening in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

Met betrekking tot het beginsel van de gelijke behandeling beklemtoont de Commissie dat, aangezien op het ogenblik van de ondertekening van de verwerkingscontracten verordening nr. 1530/78, aangevuld bij verordening nr. 1964/80, gold, zij ervan mocht uitgaan dat de verwerkende bedrijven, zelfs indien zij de bepaling dat de contracten moesten worden ingediend voordat zij van kracht waren geworden, niet hadden kunnen naleven, deze contracten uiterlijk op 31 juli 1980 zouden indienen om, waar mogelijk, te voldoen aan de communautaire voorschriften.

De omstandigheid dat de aanvragers die hun contracten vóór de uiterste datum hebben opgestuurd, zich in een gunstiger positie bevinden dan degenen die hun contracten na 31 juli 1980 hebben ingediend, is volgens de Commissie het onvermijdelijk gevolg van een wetgeving die algemene criteria vaststelt.

De Commissie geeft het Hof in overweging, de vraag van het Verwaltungsgericht Frankfurt/Main als volgt te beantwoorden :

„Bij onderzoek van de gestelde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van verordening (EEG) nr. 2546/80 van de Commissie van 2 oktober 1980 kunnen aantasten.”

III — Opmerkingen van de Duitse regering in antwoord op de vragen van het Hof

Op de eerste vraag — te weten om welke redenen de Bondsrepubliek Duitsland had voorgesteld de uiterste datum voor de indiening van de verwerkingscontracten voor kersen bij het Bundesamt für Ernährung und Forstwirtschaft vast te stellen op 31 juli 1980 — antwoordt de Duitse regering in de eerste plaats dat de vertraging bij de indiening van de contracten in 1980 voornamelijk was te wijten aan de omstandigheid dat de communautaire steunregeling voor de produktie van kersen in Duitsland voor het eerst werd toegepast tijdens het verkoopseizoen 1980/81, zodat er geen modellen voor het opstellen van de contracten voorhanden waren. De Duitse regering heeft de datum van 31 juli 1980 voorgesteld, omdat hij haar om twee redenen geschikt leek:

enerzijds viel hij samen met de in verordening nr. 1964/80 van de Commissie van 24 juli 1980 vastgestelde uiterste datum voor de ondertekening van de verwerkingscontracten;

anderzijds was de Duitse regering van mening dat de betrokken ondernemingen zodoende over voldoende tijd zouden beschikken om in te spelen op de nieuwe regels en om de nodige praktische maatregelen te nemen.

Voorts stelt de Duitse regering dat, aangezien zij enkel voor zover nodig wenste af te wijken van het beginsel dat de contracten bij het bevoegde orgaan moesten worden ingediend voordat zij van kracht waren geworden, het haar aangewezen leek een redelijke termijn te kiezen zonder het in artikel 2 van verordening nr. 1530/78 van de Commissie vervatte beginsel aan te tasten.

De tweede vraag — te weten of er nog andere Duitse ondernemingen zijn die zich in dezelfde situatie bevinden als Meiko — wordt door de Duitse regering bevestigend beantwoord.

Zij verklaart dat van de 207 na een begin van uitvoering bij het Bundesamt für Ernährung und Forstwirtschaft ingediende contracten, er slechts 169 van de door de Commissie bij verordening nr. 2546/80 van 2 oktober 1980 toegestane langere termijn hebben geprofiteerd. Voor de 38 na 31 juli 1980 ingediende verwerkingscontracten werd de produktiesteun dan ook geweigerd.

IV — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 21 april 1983 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door de Duitse regering, vertegenwoordigd door U. Maass, Oberregierungsrat bij het bondsministerie van Voedselvoorziening, Land- en Bosbouw, als deskundige, en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door Chr. Berardis-Kayser, als gemachtigde.

De advocaatgeneraal heeft ter terechtzitting van 9 juni 1983 conclusie genomen.

In rechte

1.

Bij beschikking van 3 augustus 1982, ingekomen ten Hove op 23 augustus daaropvolgende, heeft het Verwaltungsgericht Frankfurt krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de geldigheid van verordening nr. 2546/80 van de Commissie van 2 oktober 1980 (PB L 260 van 1980, blz. 14) tot elfde wijziging van verordening nr. 1530/78 van de Commissie van 30 juni 1978 houdende uitvoeringsbepalingen van de steunregeling voor sommige op basis van groenten en fruit verwerkte produkten (PB L 179 van 1978, biz. 21).

2.

Deze vraag is gerezen in een geschil tussen de firma Meiko-Konservenfabrik en het Bundesamt für Ernährung und Forstwirtschaft Frankfurt betreffende de op voormelde verordening nr. 2546/80 gebaseerde weigering van het Bundesamt om de door de firma Meiko aangevraagde steun voor de verwerking van in siroop te conserveren zoete kersen te betalen.

3.

De betrokken steunregeling is ingevoerd bij verordening nr. 516/77 van de Raad van 14 maart 1977 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten (PB L 73 van 1977, blz. 1), en wel voor de produkten genoemd in bijlage I bis van deze verordening, zoals gewijzigd en aangevuld bij de verordeningen van de Raad nr. 1152/78 van 30 mei 1978 (PB L 144 van 1978, blz. 1) en nr. 1639/79 van 24 juli 1979 (PB L 192 van 1979, blz. 3).

4.

Blijkens artikel 3 bis van verordening nr. 516/77 van de Raad en de eerste en de tweede overweging van de considerans van verordening nr. 1152/78 van de Raad is de steunregeling voor de produktie van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten ingevoerd ter versterking van de concurrentiepositie van de communautaire produkten ten opzichte van die van derde landen, waar de produktiekosten aanzienlijk lager zijn. Deze steunregeling is gebaseerd op contracten tussen de producenten van groenten en fruit en de verwerkende bedrijven in de Gemeenschap; deze contracten waarborgen zowel een regelmatige voorziening van de verwerkende bedrijven als een door deze bedrijven te betalen minimumprijs. Bij verordening nr. 1639/79 van de Raad is de betrokken steunregeling met ingang van het verkoopseizon 1980/81 uitgebreid tot bigarreaus en andere zoete kersen.

5.

Krachtens de artikelen 3 quater en 20 van verordening nr. 516/77 van de Raad zijn de uitvoeringsbepalingen van deze steunregeling vastgesteld bij verordening nr. 1530/78 van de Commissie van 30 juni 1978, zoals gewijzigd bij de verordeningen van de Commissie nr. 1348/80 van 30 mei 1980 (PB L 135 van 1980, blz. 66), nr. 1964/80 van 24 juli 1980 (PB L 197 van 1980, blz. 17) en nr. 2546/80 van 2 oktober 1980, voormeld.

6.

Uit de bepalingen van deze regeling blijkt in de eerste plaats dat een verwerkend bedrijf enkel aanspraak kan maken op uitbetaling van de steun, indien de contracten en de betrokken nadere overeenkomsten binnen bepaalde door de Commissie vastgestelde termijnen zijn ondertekend. Bij verordening nr. 1348/80 van 30 mei 1980 werd de uiterste datum voor de ondertekening van de contracten voor het verkoopseizoen 1980/81 vastgesteld op 10 juli 1980. Aangezien de oogst van bigarreaus en andere zoete kersen in 1980 evenwel vertraging had opgelopen, werd deze uiterste datum bij verordening nr. 1964/80 van 24 juli 1980 op 31 juli 1980 gebracht.

7.

Artikel 2 van verordening nr. 1530/78 van de Commissie stelt een tweede voorwaarde voor de uitbetaling van de steun; het verlangt namelijk dat een exemplaar van de contracten „vóór zij van kracht worden” — dus vóór het begin van de eerste levering van de basisprodukten — wordt ingediend bij de nationale instantie van de plaats van verwerking, die is belast met de uitvoering van de steunregeling en vóór de uitvoering van het contract de basisprodukten moet controleren

8.

Ten gevolge van de weersomstandigheden waaronder de oogst van 1980 plaatsvond, was het voor de verwerkende bedrijven kennelijk zeer moeilijk de bij artikel 2 van verordening nr. 1530/78 gestelde termijnen voor het' indienen van de contracten in acht te nemen. In verband met deze moeilijkheden was de Commissie bereid rekening te houden met deze buitengewone situatie en heeft zij artikel 2 van verordening nr. 1530/78 aangevuld bij verordening nr. 2546/80 van 2 oktober 1980; artikel 1 van deze laatste verordening bepaalt:

„Voor het verkoopseizoen 1980/81 echter mogen verwerkingscontracten voor kersen, zelfs nadat zij van kracht zijn geworden, tot uiterlijk 31 juli 1980 bij de bevoegde instantie worden ingediend.”

9.

Op grond van laatstgenoemde bepaling wees het Bundesamt für Ernährung und Forstwirtschaft de aanvraag om produktiesteun van de'firma Meiko af, omdat de door deze firma op 21 en 31 juli 1980 gesloten contracten en nadere overeenkomsten respectievelijk eerst op 7 en 19 augustus daaropvolgende bij hem waren ingediend.

10.

De nationale rechter bij wie de firma Meiko de zaak aanhangig heeft gemaakt, heeft het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag om een prejudiciële beslissing verzocht over de navolgende vraag:

„Schendt artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2546/80 van de Commissie van 2 oktober 1980 (PB L 260 van 1980, blz. 14) het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling, voor zover hierin met terugwerkende kracht een termijn wordt vastgesteld, eindigend op 31 juli 1980, waarbinnen gesloten contracten bij de bevoegde instantie moeten zijn ingediend?”

11.

Uit de door de nationale rechter gebruikte bewoordingen valt op te maken dat de prejudiciële vraag in wezen de geldigheid van artikel 1 van verordening nr. 2546/80 van 2 oktober 1980 betreft in het licht van de algemene rechtsbeginselen waarvan het Hof de eerbiediging waarborgt.

12.

Zoals het Hof in zijn arresten van 25 januari 1979 (zaak 98/78, Racke eņ zaak 99/78, Decker, Jurispr. 1979, blz. 69 en 101) heeft verklaard, verzet het beginsel van de rechtszekerheid zich in het algemeen ertegen dat een gemeenschapsbesluit reeds vóór afkondiging van kracht is. Hiervan kan bij wijze van uitzondering worden afgeweken, indien dit voor het te bereiken doel noodzakelijk is en het rechtmatige vertrouwen van de berokkenen naar behoren in acht is genomen.

13.

De eerbiediging van het laatstgenoemde algemene rechtsbeginsel vereist een onderzoek van de situatie die verordening nr. 2546/80 beoogde te corrigeren, met inachtneming van de destijds geldende rechtsregels. Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat op het ogenblik waarop de betrokkenen de contracten sloten, voor de toekenning van steun moest zijn voldaan aan beide door de verordeningen nr. 1530/78 van 30 juni 1978 en nr. 1964/80 van 24 juli 1980 gestelde voorwaarden: de contracten moesten uiterlijk op 31 juli 1980 zijn ondertekend en vóór zij van kracht waren geworden, bij de bevoegde nationale instantie zijn ingediend. Terzake moet worden vastgesteld dat de verwerkende bedrijven die, als geoorloofd was, hun contract eerst ondertekenden op 31 juli 1980, de datum waarop de termijn afliep, de documenten onmogelijk — overeenkomstig het nieuwe, bij verordening nr. 2546/80 van 2 oktober 1980 gestelde vereiste — dezelfde dag konden indienen.

14.

Daarom moet worden erkend dat de Commissie, door het recht op steun achteraf afhankelijk te stellen van de indiening van de contracten op uiterlijk 31 juli 1980, inbreuk heeft gemaakt op het beginsel van het gewettigd vertrouwen van de betrokkenen, die, gelet op de bepalingen die op het ogenblik van de sluiting van de contracten van kracht waren, redelijkerwijze niet konden voorzien dat achteraf van hen zou worden verlangd dat zij voor de indiening van de contracten een termijn in acht zouden nemen die op dezelfde dag afliep als waarop de contracten moesten zijn ondertekend.

15.

Bovendien moet worden vastgesteld, dat de Commissie ook inbreuk heeft gemaakt op het beginsel van gelijke behandeling van de bedrijven die bigarreaus en andere zoete kersen verwerken. Immers, ingevolge verordening nr. 2546/80 hebben deze de steun enkel door toeval gekregen, namelijk door een min of meer vroege ondertekening en een min of meer snelle indiening. Uit de overgelegde stukken blijkt trouwens dat op de 207 bij het Bundesamt für Ernährung und Forstwirtschaft ingediende contracten voor 38 contracten geen steun kon worden verleend omdat zij op 31 juli 1980 nog niet waren ingediend.

16.

Wel heeft, gelijk de Commissie voor het Hof heeft betoogd, een groot aantal ondernemingen door de betrokken verordening steun kunnen ontvangen die zij niet hadden kunnen krijgen onder de regeling van artikel 2 van verordening nr. 1530/78, die gold op het ogenblik van het sluiten van de contracten en is het ook waar dat de Commissie geenszins verplicht was de bewoordingen van verordening nr. 1530/78 retroactief aan te passen.

17.

Nochtans zij opgemerkt dat de Commissie, toen zij had besloten om rekening te houden met de moeilijkheden van de verwerkende bedrijven en om de gevolgen ervan te corrigeren, de nodige maatregelen moest nemen met inachtneming, van de beginselen van het gewettigd vertrouwen en de gelijke behandeling van de betrokkenen.

18.

Dienaangaande betoogt de Commissie dat zij bij het vaststellen van de betrokken verordening rekening heeft gehouden met de terzake door de Lid-Staten geuite wensen en dat, waar een met name door de Bondsrepubliek Duitsland gewenste uitzonderingsbepaling moest worden vastgesteld, er geen objectieve reden bestond om de door de Duitse overheid zelf voorgestelde termijnen te verlengen.

19.

Weliswaar heeft de Duitse overheid ertoe bijgedragen dat de onderhavige situatie is ontstaan, doordat zij 31 juli 1980 als uiterste datum lijkt te hebben voorgesteld zonder een grondig onderzoek van de ingediende aanvragen, doch deze omstandigheid kan op zichzelf de geldigheid van verordening nr. 2546/80 niet rechtvaardigen. Het stond immers aan de Commissie na te gaan of de door de Duitse overheid voorgestelde datum viel te rijmen met de voorheen door haar zelf vastgestelde verordeningen.

20.

Mitsdien moet op de door het Verwaltungsgericht Frankfurt gestelde vraag worden geantwoord, dat artikel 1 van verordening nr. 2546/80 ván de Commissie van 2 oktober 1980 ongeldig is voor zover daarin de uiterste datum waarop de gesloten contracten bij de bevoegde nationale instantie konden worden ingediend, werd gesteld op 31 juli 1980.

Kosten

21.

De kosten door de Commissie wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),

uitspraak doende op de door het Verwaltungsgericht Frankfurt bij beschikking van 3 augustus 1982 gestelde vraag, verklaart voor recht:

Artikel 1 van verordening nr. 2546/80 van de Commissie van 2 oktober 1980 is ongeldig voor zover daarin de uiterste datum waarop de gesloten contracten bij de bevoegde nationale instantie konden worden ingediend, werd gesteld op 31 juli 1980.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

8
verordening 1530/78 art. 28 voorkomens
verordening 2546/80 art. 15 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1772 voorkomens
verordening 516/77 art. 3bis2 voorkomens
verordening 516/77 art. 3ter2 voorkomens
verordening 516/77 art. 201 voorkomen
verordening 516/77 art. 3quater1 voorkomen
verordening 1530/78 art. 11 voorkomen

Rechtspraak

1

Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal GeelhoedC-62/0024.01.2002

Zesde richtlijn 77/388 art. 11, EG-Verdrag art. 95

Bekijk het document

Rechtsleer

1
Lenaerts, Koenraad: S.500 Zaak 224/82, Meiko-Konservenfabrik t. Bondsrepubliek Duitsland, verzoek van het Verwaltungsgericht Frankfurt om een prejudiciële beslissing krachtens art. 177 EEG-Verdrag betreffende de geldigheid van een verordening van de Commissie., S.E.W. : Tijdschrift voor Europees en economisch recht 1984, n° 5, p. 304-307 (NL)