Arrest van het Hof van 26 oktober 1982, 221/81 · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Voltallige zitting 221/81 ECLI:EU:C:1982:363 26 oktober 1982

Zoeken

Arrest van het Hof van 26 oktober 1982, 221/81EEG-Verdrag art. 177 en art. 3

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-221-81-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Voltallige zitting
Zaak
221/81
ECLI
ECLI:EU:C:1982:363
Datum
26 oktober 1982

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Prejudiciële verwijzing
Verwijzende rechter
Finanzgericht Düsseldorf (Duitsland) beslissing van 10 juni 1981 IV 266/77 SZ
Zaak ingediend op
22 juli 1981
Advocaat-generaal
Capotorti
Opmerkingen
Franse regering Commissie
Nationale beslissing na het arrest
Finanzgericht Düsseldorf beslissing van 1 oktober 1984 IV 266/77 SZ

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Duits
Jurisprudentie
Jurispr. 1982, blz. 3681
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Koopmans
Repertorium van het Hof

Tekst

39 paragrafen

het navolgende

ARREST De feiten

De feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG ingediende opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

I — Feiten en procesverloop

1.

Bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van het Landgericht Düsseldorf van 26 april 1976 werd Wilfried Wolf, verzoeker in het hoofdgeding, wegens ongeoorloofde handel in verdovende middelen veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar.

Het Landgericht achtte bewezen dat verzoeker vanaf half juli 1975 tot aan zijn arrestatie rond 15 oktober 1975 in de oude stadskern van Düsseldorf als „dealer” was opgetreden. Wolf had meegewerkt bij de verkoop van 742 gram heroïne en 150 gram cocaïne. Het grootste deel van de waar had hij zich in Düsseldorf en verschillende andere steden verschaft, de rest had hij zelf uit Nederland ingevoerd.

Overeenkomstig artikel 57, lid 2, van de Duitse douanewet beschouwde het Hauptzollamt Düsseldorf, verweerder in het hoofdgeding, verzoeker als schuldenaar van invoerrechten over de in het vonnis van het Landgericht vastgestelde hoeveelheden verdovende middelen, enerzijds omdat hij goederen die hij had ingevoerd niet zelf bij de douane had aangegeven en daardoor aan het douanetoezicht had onttrokken, anderzijds omdat hij ingevoerde goederen na het ontstaan, maar vóór het tenietgaan van de douaneschuld had gekocht, terwijl hij wist of had moeten weten dat op de betrokken waar de. douanevoorschriften van toepassing waren. Bij aanslagbiljet van 3 december 1976, gewijzigd op 28 januari 1977, vorderde het Hauptzollamt deze rechten van verzoeker. Uitgaande van de door verzoeker betaalde aankoopprijs begrootte het Hauptzollamt de douanewaarde van 742 gram heroïne op DM 74200 en van 150 gram cocaïne op DM 15 000.

Toen het bezwaarschrift van verzoeker in het hoofdgeding tegen het aanslagbiljet werd afgewezen, heeft hij beroep ingesteld bij het Finanzgericht Düsseldorf.

2.

Onder verwijzing naar 's Hofs arrest van 5 februari 1981 (zaak 50/80, Horváth, Jurispr. 1981, blz. 385) besloot het Finanzgericht Düsseldorf bij beschikking van 10 juni 1981 de procedure te schorsen en het Hof te verzoeken om een uitspraak over de volgende vragen:

1.„ Moeten de bepalingen van het EEG-Verdrag over de douane-unie (artikel 9, lid 1, en de artikelen 12 t/m 29) zo worden uitgelegd, dat een Lid-Staat sedert de invoering van het gemeenschappelijk douanetarief niet (meer) bevoegd is douanerechten te heffen op als smokkelgoed ingevoerde verdovende middelen, die ingeval van ontdekking in beslag zouden moeten worden genomen en vernietigd?

2.Zo de vraag ontkennend wordt beantwoord en douanerechten moeten worden geheven, worden subsidiair de prejudiciële vragen gesteld die het Finanzgericht Hamburg in zijn verwijzingsbeschikking van 15 januari 1980 — IV 89/79 H — heeft geformuleerd (zaak 50/80)”

3.

In de motivering van de verwijzingsbeschikking wijst het Finanzgericht erop dat het Hof in voornoemd arrest van 5 februari 1981 voor recht heeft verklaard: „Na de instelling van het gemeenschappelijk douanetarief is een Lid-Staat niet meer bevoegd douanerechten toe te passen op als smokkelgoed ingevoerde en na hun ontdekking vernietigde verdovende middelen. Hij blijft echter volkomen vrij de gepleegde overtredingen strafrechtelijk te vervolgen met alle gevolgen van dien, ook op geldelijk gebied”.

Het Finanzgericht vraagt zich af of het in dit arrest uitgesproken beginsel ook van toepassing is op gevallen waarin de binnengesmokkelde verdovende middelen niet zijn ontdekt en derhalve niet in beslag konden worden genomen en vernietigd. Uit de rechtsoverwegingen van genoemd arrest blijkt niet duidelijk of — en zo ja waarom — de inbeslagneming en vernietiging beslissend zijn voor de gekozen oplossing, of dat deze omstandigheid slechts een mogelijke variant is, waarop het genoemde beginsel van toepassing is. In dit verband merkt het Finanzgericht op dat, indien de inbeslagneming en vernietiging beslissend zouden zijn, het vaak van het toeval zou afhangen wanneer en bij wie een douaneschuld ontstaat.

Het Finanzgericht wijst er vervolgens op dat verordening nr. 803/68 van de Raad van 27 juni 1968 inzake de douanewaarde van de goederen (PB L 148 van 1968, blz. 6) slechts het regelmatige handelsverkeer betreft. Voorts blijkt uit de overwegingen bij richtlijn 79/623 van de Raad van 25 juni 1979 inzake de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen op het gebied van de douaneschuld (PB L 179 van 1979, blz. 31) dat een douaneschuld een economisch en geen strafrechtelijk karakter heeft. Het absolute verbod om verdovende middelen in te voeren valt derhalve buiten het douanerecht en de regelingsbevoegdheden op douanerechtelijk terrein.

Ingeval de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, worden de eerdere prejudiciële vragen van het Finanzgericht Hamburg in zijn verwijzingsbeschikking van 15 januari 1980 in voornoemde zaak 50/80 van belang voor de bepaling van de douanewaarde van de binnengesmokkelde verdovende middelen.

Deze vragen zijn als volgt geformuleerd:

1.„ Moeten de bepalingen van verordening (EEG) nr. 803/68 van de Raad van 27 juni 1968 en van verordening (EEG) nr. 603/72 van de Commissie van 24 maart 1972 aldus worden verstaan dat zij, met uitzondering van de bepalingen die een regelmatige douaneaangifte van goederen vooropstellen ook rechtstreeks gelden voor de berekening van de douanewaarde van goederen die het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengesmokkeld?

2.Moeten de bepalingen van verordening nr. 803/68, met name de artikelen 1, 2, 4, 6, 7 en 8, aldus worden uitgelegd, dat de douanewaarde van goederen die het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengesmokkeld, wordt bepaald door de tijd en de plaats waarop de goederen in het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht, ook wanneer volgens de toepasselijke nationale materieelrechtelijke bepalingen de douaneschuld op een ander tijdstip en bij een ander dan de eerste op het grondgebied van de Gemeenschap gevestigde koper ontstaat?

3.Moeten de bepalingen van verordening (EEG) nr. 375/69 van de Commissie van 27 februari 1969 en van verordening (EEG) nr. 1343/75 van de Commissie van 26 mei 1975 aldus worden uitgelegd, dat zij ook in geval goederen het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengesmokkeld, met dien verstande gelden dat iedere latere dan de eerste in de Gemeenschap gevestigde koper in wiens bezit het smokkelgoed wordt aangetroffen, opgave moet doen van de door hem betaalde prijs, met als gevolg dat de door de betrokkene betaalde prijs bepalend is voor de douanewaarde, of zijn de bevoegde nationale instanties gehouden, de douanewaarde van de binnengesmokkelde goederen te schatten op basis van de door de eerste op het grondgebied van de Gemeenschap gevestigde koper betaalde koopprijs, overeenkomstig de beginselen neergelegd in de artikelen 1, 2, 4, 6, 7 en 9 van verordening nr. 803/68?”

4.

De verwijzingsbeschikking is op 22 juli 1981 ter griffie van het Hof ingeschreven.

Krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de regering van de Franse Republiek, te dezen vertegenwoordigd door M. Aulagnon, lid van het Secretariaatgeneraal van het Comité inter-ministériel pour les questions de coopération économique européenne auprès du Premier ministre, en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, te dezen vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R. Wägenbaur als gemachtigde.

Bij beschikking van 3 februari 1982 heeft het Hof besloten de zaken 221/81 en 240/81 te voegen voor de mondelinge behandeling.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaatgeneraal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Wel heeft het de Commissie verzocht, het Hof een overzicht te geven van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en de douanepraktijken die in elk der Lid-Staten gelden voor:

—enerzijds de illegale invoer van verdovende middelen waarvan het gebruik en hun grondgebied volstrekt zijn verboden, en

—anderzijds de illegale invoer van produkten waarvan de verhandeling op hun grondgebied op zichzelf niet is verboden, maar die dit grondgebied worden of zijn binnengesmokkeld.

De door de Commissie bij de Lid-Staten ingewonnen inlichtingen kunnen als volgt worden samengevat:

De illegale invoer van verdovende middelen waarvan het gebruik en de verhandeling strikt zijn verboden, doet in België een douaneschuld ontstaan en leidt tot de heffing van invoerrechten. Zo een import doet in Duitsland, Ierland en Nederland een douaneschuld ontstaan.

Sinds voornoemd arrest van het Hof van 5 februari 1981 in zaak 50/80 worden in Duitsland echter geen invoerrechten geheven nadat de verdovende middelen zijn ontdekt en — hetgeen rechtens wordt vermoed — zijn vernietigd. In Ierland wordt de douaneschuld als vervallen beschouwd doordat illegaal ingevoerde verdovende middelen in beslag worden genomen en vernietigd. In Nederland worden invoerrechten geheven wanneer de verdovende middelen zijn gebruikt en de illegale invoer kan worden bewezen, doch zij worden niet geheven ingeval van inbeslagneming en vernietiging.

In Italië doet de illegale invoer van verdovende middelen een douaneschuld ontstaan, behalve bij ambtshalve wederuitvoer of vernietiging.

De illegale invoer van verdovende middelen doet in Griekenland en Luxemburg geen doueneschuld ontstaan; daar worden de ontdekte verdovende middelen in beslag genomen en vernietigd. In Luxemburg ontstaat echter wel een douaneschuld indien de verdovende middelen zijn gebruikt.

In Denemarken, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk tenslotte leidt de illegale invoer van verdovende middelen niet tot de heffing van invoerrechten. Wanneer in Frankrijk evenwel de illegaal ingevoerde verdovende middelen niet ambtshalve worden vernietigd, maar bijvoorbeeld aan erkende laboratoria worden verkocht, worden bij deze verkoop rechten geheven. In het Verenigd Koninkrijk worden geen invoerrechten geheven, ongeacht of de betrokken importeur de verdovende middelen heeft verkocht, gebruikt of wederuitgevoerd.

De illegale invoer van produkten, waarvan de verhandeling op zichzelf niet is verboden, doet in alle Lid-Staten een douaneschuld ontstaan, behalve in Griekenland waar de illegaal ingevoerde goederen in beslag worden genomen.

In Denemarken worden echter geen invoerrechten geheven wanneer de belastingplichtige onbekend is en de produkten worden vernietigd of verkocht.

In Ierland worden de invoerrechten als voldaan beschouwd, wanneer het binnengesmokkelde produkt aan de betrokkene wordt gelaten tegen betaling van een bij schikking vastgesteld bedrag en wanneer het produkt in beslag wordt genomen en vervolgens wordt verkocht; de douaneschuld wordt daarentegen als vervallen beschouwd ingeval van ambtshalve vernietiging of wederuitvoer.

In Luxemburg worden binnengesmokkelde produkten in beginsel in beslag genomen en verkocht. Invoerrechten worden geheven bij de verkoop, indien deze bestemd is voor gebruik in het binnenland; de rechten worden ook geheven wanneer de betrokken produkten zijn gebruikt.

In het Verenigd Koninkrijk worden bij inbeslagneming geen rechten geheven, behalve indien de betrokken produkten aan de importeur worden gelaten of ambsthalve worden verkocht. Daarentegen worden wel rechten geheven bij verkoop of wederuitvoer door de importeur.

II — Samenvatting van de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen

De regering van de Franse Republiek merkt op dat het in de eerste vraag van het Finanzgericht gaat om de douaneregeling inzake verdovende middelen waarvan het gebruik is verboden, maar die in een Lid-Staat in het verkeer zijn gebracht zonder dat zij konden worden ontdekt en in beslag genomen. Gelet op het arrest van het Hof van 5 februari 1981 (zaak 50/80, Horváth, Jurispr. 1981, blz. 385) gaat het dus om de vraag of de inbeslagneming en vernietiging van de betrokken produkten een voorwaarde voor het achterwege laten van douanerechten kunnen zijn en of bijgevolg de illegale afzet van niet-ontdekte verdovende middelen tot een andere oplossing kan leiden.

De Franse regering merkt op dat de bewoordingen van het dictum („als smokkelgoed ingevoerde en na hun ontdekking vernietigde verdovende middelen”) alsmede enkele rechtsoverwegingen van voornoemd arrest verband lijken te leggen tussen het ongeoorloofde karakter van het gebruik van het ingevoerde produkt en de vernietiging ervan. Zij is evenwel van mening dat het Hof dit verband slechts heeft gelegd om in enge samenhang met de concrete feiten uit die zaak tot een generalisering te komen.

Het dictum vormt immers het slot van een redenering die niet toelaat dat de vernietiging van binnengesmokkelde verdovende middelen als een noodzakelijke voorwaarde voor de niet-toepasselijkheid van het gemeenschappelijk douanetarief wordt aangemerkt. Zoals het Hof heeft beklemtoond berust deze niet-toepasselijkheid op het ongeoorloofde karakter van het gebruik van deze schadelijke produkten („de vraag ... betreft niet het geval van eenvoudige frauduleuze invoer van een willekeurig produkt, maar de invoer als smokkelgoed van een schadelijk produkt, dat bestemd was voor ongeoorloofd gebruik en onmiddellijk na zijn ontdekking werd vernietigd”, overweging 9 van voornoemd arrest).

De Franse regering verwijst in dit verband nog naar de overwegingen 11 tot en met 14 van het arrest, waaruit blijkt dat de communautaire douanevoorschriften slechts kunnen worden toegepast op produkten waarvan het gebruik is toegelaten en die „in de handel mogen worden gebracht en in de economische kringloop kunnen worden opgenomen” (overweging 12).

Deze opvatting stemt overeen met de Franse wetgeving waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen het geval waarin illegaal ingevoerde verdovende middelen in beslag worden genomen en vernietigd (zaak 50/80) en het onderhavige geval waarin de verdovende middelen in het verkeer zijn gebracht. Afgezien van enige specifieke gebruiksdoeleinden waarop door de staat nauwgezet wordt toegezien is het gebruik van verdovende middelen op Frans grondgebied volstrekt verboden. Derhalve kan er geen douaneschuld ontstaan en kan de invoer niet leiden tot de betaling van rechten.

Overigens sluit de Franse regering zich aan bij de argumenten van de verwijzende rechter en concludeert zij dat een Lid-Staat sedert de invoering van het gemeenschappelijk douanetarief niet meer bevoegd is douanerechten te heffen op als smokkelgoed ingevoerde verdovende middelen die wegens hun gebruiksdoeleinden niet in het verkeer mogen worden gebracht en ingeval van ontdekking in beslag zouden moeten worden genomen en vernietigd.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen is van mening dat het volgens het arrest-Horvath voor de toepasselijkheid van het gemeenschappelijk douanetarief beslissend is of het gaat om goederen van zodanige aard dat zij in het verkeer kunnen worden gebracht (overweging 11). In het geval van verdovende middelen, zoals heroïne en cocaïne, zijn de invoer en de verhandeling in alle Lid-Staten verboden (overweging 10). Het feit dat deze produkten in beslag moeten worden genomen en aan het verkeer onttrokken vormt slechts het rechtsgevolg van het verbod om ze in het verkeer te brengen.

Dit standpunt wordt bevestigd doordat de andere overwegingen van het Hof betreffende binnengesmokkelde en na ontdekking vernietigde verdovende middelen, van kracht blijven wanneer een vernietiging wegens omstandigheden niet in aanmerking komt.

Overigens verwijst de Commissie met name naar de overwegingen bij richtlijn 79/623 van de Raad van 25 juni 1979 inzake de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen op het gebied van de douaneschuld (PB L 179 van 1979, blz. 31) en stelt zij dat de rechten bij invoer en uitvoer in wezen van economische aard zijn. Bovendien bepaalt artikel 2 van die richtlijn dat er een douaneschuld ontstaat in het normale geval van inklaring en in de limitatief opgesomde gevallen waarin douanevoorschriften in enge zin worden overtreden, zoals schending van communautaire bepalingen inzake de plaatsing onder een douaneregeling of de onttrekking aan het douanetoezicht van een voorlopig opgeslagen goed. Daarentegen bepaalt de richtlijn niet dat er een douaneschuld ontstaat ingeval van een absoluut invoerverbod.

De Commissie stelt derhalve voor de eerste vraag bevestigend te beantwoorden. Zij beklemtoont echter dat haar analyse alleen geldt voor het geval van verdovende middelen, die volstrekt niet in het verkeer mogen worden gebracht. Haar conclusie zegt derhalve niets over het meer algemene geval waarin een goed in strijd met een importverbod wordt ingevoerd, bijvoorbeeld de invoer van een handvuurwapen in de bagage.

III — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 25 mei 1982 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt dooide regering van de Franse Republiek, te dezen vertegenwoordigd door A. Carnelutti, secretaris Buitenlandse Zaken, als gemachtigde, en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R. Wägenbaur als gemachtigde, bijgestaan door U. Baumann, deskundige bij de Dienst douane-unie.

De advocaatgeneraal heeft ter terechtzitting van 30 juni 1982 conclusie genomen.

In rechte

1.

Bij beschikking van 10 juni 1981, ingekomen ten Hove op 22 juli 1981, heeft het Finanzgericht Düsseldorf overeenkomstig artikel 177 EEG-Verdrag een aantal prejudiciële vragen gesteld over de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief op als smokkelgoed ingevoerde verdovende middelen.

2.

Het hoofdgeding heeft betrekking op de vaststelling van invoerrechten voor hoeveelheden heroïne en cocaïne die verzoeker in het hoofdgeding op de zwarte markt in Duitsland en Nederland had gekocht en in strijd met de Duitse wet op de verdovende middelen (Betäubungsmittelgesetz) had doorverkocht. Ter zake van deze feiten is hij door een Duitse strafrechter tot een gevangenisstraf van 8 jaar veroordeeld.

3.

In de verwijzingsbeschikking wordt erop gewezen dat het Hof in zijn arrest van 5 februari 1981 (zaak 50/80, Horváth, Jurispr. 1981, blz. 385) heeft uitgemaakt, dat een Lid-Staat na de instelling van het gemeenschappelijk douanetarief niet meer bevoegd is douanerechten toe te passen op als smokkelgoed ingevoerde en na hun ontdekking vernietigde verdovende middelen, doch volkomen vrij blijft de gepleegde overtredingen strafrechtelijk te vervolgen.

4.

Daar de binnengesmokkelde verdovende middelen in het onderhavige geval niet zijn ontdekt en daardoor niet in beslag konden worden genomen en vernietigt, vroeg het Finanzgericht zich af of het Hof in voornoemd arrest, door te verwijzen naar de vernietiging van de verdovende middelen, deze vernietiging beslissend acht voor de gekozen oplossing. Het voegt er aan toe dat, indien zulks het geval zou zijn, het vaak van de toevallige ontdekking zou afhangen of er een douaneschuld ontstaat.

5.

Onder deze omstandigheden heeft de nationale rechter een aantal prejudiciële vragen gesteld, waarvan de eerste luidt als volgt:

„Moeten de bepalingen van het EEG-Verdrag over de douane-unie (artikel 9, lid 1, en de artikelen 12 t/m 29) zo worden uitgelegd, dat een Lid-Staat sedert de invoering van het gemeenschappelijk douanetarief niet (meer) bevoegd is douanerechten te heffen op als smokkelgoed ingevoerde verdovende middelen, die in geval van ontdekking in beslag zouden moeten worden genomen en vernietigd?”

6.

Voordat op deze vraag wordt ingegaan, moet eerst nog het probleem worden onderzocht of het binnensmokkelen in de Gemeenschap van verdovende middelen die deel uitmaken van de illegale handel in deze produkten, een douaneschuld doet ontstaan.

7.

Aldus gesteld betreft deze vraag niet het probleem van de illegale invoer van produkten in het algemeen, maar dat van de illegale invoer van verdovende middelen.

8.

Zoals het Hof in voornoemd arrest van 5 februari 1981 heeft overwogen, vertonen verdovende middelen zoals morfine, heroïne en cocaïne in zoverre bijzondere kenmerken dat de schadelijke werking ervan algemeen wordt erkend en de invoer en verhandeling in alle Lid-Staten zijn verboden, afgezien van een streng gecontroleerde en beperkte handel met het oog op voor farmaceutische en medische doeleinden geoorloofd gebruik.

9.

Deze rechtstoestand is in overeenstemming met het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen van 1961 (UNTS 520, nr. 7515; Trb. 1963, nr. 81), waarbij thans alle Lid-Staten partij zijn. In de preambule van dit Verdrag stellen de partijen vast dat verslaving aan verdovende middelen een ernstig kwaad vormt voor de mens persoonlijk en vele sociale en economische gevaren met zich medebrengt voor de mensheid; zij verklaren zich bewust van hun plicht om dit kwaad te voorkomen en te bestrijden, maar erkennen dat het geneeskundig gebruik van verdovende middelen onmisbaar blijft voor het verzachten van pijn en lijden en dat voldoende maatregelen moeten worden genomen om te verzekeren, dat verdovende middelen voor die doeleinden beschikbaar zijn. Volgens artikel 4 van het Enkelvoudig Verdrag nemen partijen alle maatregelen die nodig zijn om de produktie, de vervaardiging, de uit- en invoer, de afgifte van, de handel in, het gebruik en het bezit van verdovende middelen uitsluitend tot geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden te beperken.

10.

Daaruit volgt dat verdovende middelen die zich niet in een door de bevoegde autoriteiten streng gecontroleerd circuit bevinden teneinde voor medische en wetenschappelijke doeleinden te worden gebruikt, per definitie onder een volstrekt invoer- en verhandelingsverbod in alle Lid-Staten vallen.

11.

In de praktijk worden dergelijke verdovende middelen terstond na ontdekking in beslag genomen en vernietigd op grond van de nationale wetgeving inzake verdovende middelen, behalve in enkele sporadische gevallen waarin het in beslag genomen produkt geschikt is voor medisch of wetenschappelijk gebruik en het in het gecontroleerde circuit wordt gebracht, zodat daarover douanerechten moeten worden betaald.

12.

Daarentegen zijn verdovende middelen die zich in het illegale circuit bevinden niet aan een douanerecht onderworpen, wanneer zij in dat circuit blijven, ongeacht of zij worden ontdekt en vernietigd dan wel aan de waakzaamheid van de autoriteiten ontsnappen.

13.

Een douaneschuld kan bij de invoer van verdovende middelen die niet in de handel kunnen worden gebracht en in het economisch verkeer van de Gemeenschap kunnen worden opgenomen, immers niet ontstaan. De in artikel 3, sub b, EEG-Verdrag voorziene invoering van het gemeenschappelijk douanetarief vond plaats met het oog op de doelstellingen van de Gemeenschap ingevolge artikel 2 en op de gedragslijnen die artikel 29 voor het beheer van de douane-unie vaststelt. Importen van verdovende middelen in de Gemeenschap, die slechts tot strafmaatregelen aanleiding kunnen geven, zijn geheel vreemd aan die doelstellingen en gedragslijnen.

14.

Deze opvatting wordt bevestigd door de bepalingen van verordening nr. 803/68 van de Raad van 17 juni 1968 inzake de douanewaarde van de goederen (PB L 148 van 1968, blz. 6) en door die van richtlijn nr. 79/623 van de Raad van 25 juni 1979 inzake de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen op het gebied van de douaneschuld (PB L 179 van 1979, blz. 31). In de overwegingen bij deze richtlijn wordt uitdrukkelijk verklaard dat het tijdstip waarop de douaneschuld ontstaat, dient te worden bepaald met inachtneming van het economische karakter van de rechten bij invoer en van de omstandigheden waaronder aan rechten bij invoer onderworpen goederen in de economie van de Gemeenschap worden geïntegreerd. Daarom kan er bij de invoer van verdovende middelen die zich in het illegale circuit bevinden geen douaneschuld ontstaan, daar deze middelen terstond na ontdekking in beslag moeten worden genomen en vernietigd in plaats van in het vrije verkeer te worden gebracht.

15.

Zoals de nationale rechter heeft opgemerkt, zou het trouwens ongerechtvaardigd zijn te dezen onderscheid te maken tussen verdovende middelen die niet zijn ontdekt en die welke onder toezicht van de bevoegde autoriteiten worden vernietigd, aangezien bij een dergelijke onderscheiding de toepassing van douanerechten van de toevallige ontdekking zou afhangen.

16.

Uit het voorafgaande volgt dat er geen douaneschuld ontstaat bij de invoer van verdovende middelen die niet deel uitmaken van het door de bevoegde autoriteiten streng bewaakte handelsverkeer ten behoeve van gebruik voor medische en wetenschappelijke doeleinden.

17.

Deze vaststelling laat geheel onverlet de bevoegdheid van de Lid-Staten om inbreuken op hun wetgeving inzake verdovende middelen met gepaste sancties te vervolgen, met alle gevolgen van dien, ook op geldelijk gebied.

18.

Gezien dit antwoord zijn de andere door de nationale rechter gestelde vragen zonder voorwerp geraakt.

Kosten

19.

De kosten door de regering van de Franse Republiek en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding in de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door het Finanzgericht Düsseldorf bij beschikking van 10 juni 1981 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Er ontstaat geen douaneschuld bij de invoer van verdovende middelen die niet deel uitmaken van het door de bevoegde autoriteiten streng bewaakte handelsverkeer ten behoeve van gebruik voor medische en wetenschappelijke doeleinden.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

9
EEG-Verdrag art. 1771 voorkomen
EEG-Verdrag art. 31 voorkomen
verordening 803/68 art. 11 voorkomen
verordening 803/68 art. 21 voorkomen
verordening 803/68 art. 41 voorkomen
verordening 803/68 art. 61 voorkomen
verordening 803/68 art. 71 voorkomen
verordening 803/68 art. 91 voorkomen
richtlijn 79/623 art. 21 voorkomen

Rechtspraak

11

Europese Unie

11

Hof van JustitieC-455/9829.06.2000

Harmonisatie van wetgevingen

Conclusie van advocaat-generaal FennellyC-158/9811.03.1999

Zesde richtlijn 77/388 art. 2

Conclusie van advocaat-generaal LégerC-3/9712.03.1998

Belastingbepalingen, harmonisatie van wetgevingen

Bekijk alle 11

Bekijk de 11 documenten

Rechtsleer

3
Olbertz: Zeitschrift für Zölle und Verbrauchsteuern 1983 p.11 (DE)
Kaiser-Plessow, Utta: Zeitschrift für Zölle und Verbrauchsteuern 1983 p.11 (DE)
Hesse: Zeitschrift für Zölle und Verbrauchsteuern 1983 p.12-13 (DE)