ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
11 september 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit 2002/584/JBZ – Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf – Artikel 4, punt 6 – Grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel – Doel van reclassering – Verblijfplaats van de gevonniste persoon – Overname van de tenuitvoerlegging van de sanctie door de tenuitvoerleggingsstaat overeenkomstig zijn nationale recht – Kaderbesluit 2008/909/JBZ – Wederzijdse erkenning van strafvonnissen met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in een andere lidstaat – Opschorting van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf waartoe een rechter van de uitvoerende lidstaat heeft besloten – Artikel 8 – Verplichting voor de tenuitvoerleggingsstaat om het vonnis te erkennen en de sanctie ten uitvoer te leggen – Artikel 17 – Mogelijkheid voor de tenuitvoerleggingsstaat om de procedures betreffende de tenuitvoerlegging te bepalen”
In zaak C‑215/24 [Fira] ( i ),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal Judicial da Comarca do Porto – Juízo Local Criminal de Vila Nova de Gaia (rechter in eerste aanleg Porto – lokale strafrechter Vila Nova de Gaia, Portugal) bij beslissing van 19 maart 2024, ingekomen bij het Hof op 20 maart 2024, in de procedure met betrekking tot de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel tegen
YX,
in tegenwoordigheid van:
Ministério Público,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, N. Jääskinen, A. Arabadjiev (rapporteur), M. Condinanzi en R. Frendo, rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 maart 2025,
gelet op de opmerkingen van:
– de Portugese regering, vertegenwoordigd door P. Barros da Costa, L. Ferro da Costa en J. Ramos als gemachtigden,
– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Gavela Llopis en A. Torró Molés als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door H. Leupold, B. Rechena en J. Vondung als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 juni 2025,
het navolgende
Arrest
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 8, 12, 13 en 17 van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB 2008, L 327, blz. 27), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: „kaderbesluit 2008/909”).
Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure inzake de tenuitvoerlegging in Spanje van een Europees aanhoudingsbevel dat door de Portugese rechterlijke autoriteiten tegen YX is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Kaderbesluit 2002/584
Artikel 4 („Gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging”) van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1) bepaalt in punt 6:
„De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel weigeren in de volgende gevallen:
[...]
6. het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, terwijl de gezochte persoon verblijft in of onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende lidstaat en deze staat zich ertoe verbindt die straf of maatregel overeenkomstig zijn nationale recht zelf ten uitvoer te leggen”.
Kaderbesluit 2008/909
De overwegingen 5, 9 en 12 van kaderbesluit 2008/909 luiden:
„(5) Procesrechten in strafrechtelijke procedures vormen de sleutel tot het onderlinge vertrouwen tussen de lidstaten bij justitiële samenwerking. Relaties tussen de lidstaten, die worden gekenmerkt door een bijzonder onderling vertrouwen in elkaars rechtsstelsels, maken het voor de tenuitvoerleggingsstaat mogelijk om beslissingen van de autoriteiten van de beslissingsstaat te erkennen. Daarom dient verdere uitbreiding te worden overwogen van de samenwerking waarin is voorzien in de instrumenten van de Raad van Europa betreffende de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen, in het bijzonder in het geval van EU-onderdanen die in een andere lidstaat zijn veroordeeld tot een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel. De gevonniste persoon dient over adequate rechtswaarborgen te beschikken, maar zijn rol in de procedure mag niet langer zodanig bepalend zijn dat de toezending van een vonnis aan een andere lidstaat met het oog op de erkenning ervan en de tenuitvoerlegging van de sanctie in alle gevallen afhankelijk is van zijn toestemming.
[...]
(9) De tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat dient de reclassering van de gevonniste persoon te bevorderen. Wanneer de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat zich ervan vergewist of de tenuitvoerlegging van de sanctie door de tenuitvoerleggingsstaat zal bijdragen aan de reclassering van de betrokkene, dient zij rekening te houden met factoren als zijn verbondenheid met de tenuitvoerleggingsstaat, meer bepaald met de overweging of het voor hem de plaats is waarmee hij familiale, taalkundige, culturele, sociale, economische of andere banden heeft.
[...]
(12) Dit kaderbesluit dient overeenkomstig te worden toegepast op de tenuitvoerlegging van sancties in de gevallen, bedoeld in artikel 4, lid 6, […] van kaderbesluit [2002/584]. Dit betekent onder meer dat, onverminderd dat kaderbesluit, de lidstaat kan nagaan of er gronden tot weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging in de zin van artikel 9 van dit kaderbesluit voorhanden zijn, en meer bepaald dat hij, indien door hem een verklaring in de zin van artikel 7, lid 4, van dit kaderbesluit is afgelegd, in de gevallen bedoeld in artikel 4, lid 6, van kaderbesluit [2002/584], alvorens het vonnis te erkennen en ten uitvoer te leggen kan onderzoeken of er sprake is van dubbele strafbaarheid, zodat overlevering van de betrokkene of tenuitvoerlegging van de sanctie kan worden overwogen.”
In artikel 3 („Doel en werking”) van kaderbesluit 2008/909, lid 1, is het volgende bepaald:
„Met dit kaderbesluit wordt beoogd de regels vast te stellen volgens welke een lidstaat, ter bevordering van de reclassering van de gevonniste persoon, een vonnis erkent en de sanctie ten uitvoer legt.”
In artikel 4 („Criteria voor toezending van het vonnis en een certificaat aan een andere lidstaat”) van dit kaderbesluit staat te lezen:
„1. Mits de gevonniste persoon zich in de beslissingsstaat of in de tenuitvoerleggingsstaat bevindt en hij zijn toestemming heeft verleend voor zover deze krachtens artikel 6 is vereist, kan het vonnis, vergezeld van het certificaat waarvan het model in bijlage I is opgenomen, aan een van de volgende lidstaten worden toegezonden:
a) de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is en waar hij zijn woonplaats heeft, of
b) de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is, maar waar hij niet zijn woonplaats heeft, en waarheen hij, na zijn invrijheidstelling, zal worden uitgewezen als gevolg van een bevel tot uitzetting of verwijdering dat deel uitmaakt van het vonnis of van een gerechtelijke of bestuurlijke beschikking of een andere ingevolge het vonnis getroffen maatregel, of
c) een andere dan de onder a) of b) bedoelde lidstaten, waarvan de bevoegde autoriteit erin toestemt dat hem het vonnis en het certificaat worden toegezonden.
2. Het vonnis en het certificaat kunnen worden toegezonden wanneer de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, eventueel na overleg tussen de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en van de tenuitvoerleggingsstaat, zich ervan vergewist heeft dat de tenuitvoerlegging van de sanctie door de tenuitvoerleggingsstaat de reclassering van de gevonniste persoon ten goede zal komen.
3. De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat kan vóór de toezending van het vonnis en het certificaat via passende kanalen overleg plegen met de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat. In de in lid 1, onder c), bedoelde gevallen is overleg verplicht. In die gevallen brengt de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de beslissingsstaat terstond op de hoogte van haar besluit om al dan niet toe te stemmen in de toezending van het vonnis.
4. Tijdens dit overleg kan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat bij gemotiveerd advies meedelen, dat de tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat niet zal bijdragen tot de reclassering en tot een geslaagde maatschappelijke re-integratie van de gevonniste persoon.
Indien er geen overleg heeft plaatsgevonden, kan het advies terstond na de toezending van het vonnis en het certificaat worden meegedeeld. De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat neemt het advies in overweging en besluit het certificaat al dan niet in te trekken.
5. De tenuitvoerleggingsstaat kan uit eigen beweging de beslissingsstaat verzoeken om toezending van het vonnis, vergezeld van een certificaat. Voorts kan de gevonniste persoon de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat of van de tenuitvoerleggingsstaat verzoeken op grond van dit kaderbesluit een procedure in te stellen voor de toezending van het vonnis en het certificaat. Een verzoek op grond van dit lid, schept voor de beslissingsstaat geen verplichting om het vonnis, vergezeld van het certificaat, toe te zenden.
6. Ter uitvoering van dit kaderbesluit stellen de lidstaten maatregelen vast die in het bijzonder recht doen aan de beoogde bijdrage tot de reclassering van de gevonniste persoon, en op grond waarvan hun bevoegde autoriteiten besluiten al dan niet in te stemmen met de toezending van het vonnis en het certificaat in de in lid 1, onder c), bedoelde gevallen.
7. Elke lidstaat kan, op het tijdstip van aanneming van dit kaderbesluit of op een latere datum, het secretariaat-generaal van de Raad ervan in kennis stellen dat hij, ten aanzien van andere lidstaten die dezelfde kennisgeving hebben verricht, de toezending van het vonnis en het certificaat niet afhankelijk stelt van de in lid 1, onder c), bedoelde toestemming, indien:
a) de gevonniste persoon in de tenuitvoerleggingsstaat woont, er sedert ten minste vijf jaar ononderbroken wettig verblijft en er een permanent verblijfsrecht zal verwerven, en/of
b) in de andere dan de in lid 1, onder a) en b), bedoelde gevallen, de gevonniste persoon onderdaan is van de tenuitvoerleggingsstaat.
[...]”
In artikel 5 („Toezending van het vonnis en het certificaat”) van dat kaderbesluit is bepaald:
„1. De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat zendt het vonnis of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan, vergezeld van het certificaat, rechtstreeks toe aan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat, in enigerlei vorm die toelaat dat het schriftelijk wordt vastgelegd en die de tenuitvoerleggingsstaat in staat stelt de echtheid ervan vast te stellen. Het origineel van het vonnis, of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift, en het origineel van het certificaat worden aan de tenuitvoerleggingsstaat toegezonden, indien deze daarom verzoekt. Alle mededelingen worden eveneens rechtstreeks tussen de bevoegde autoriteiten uitgewisseld.
2. Het certificaat wordt ondertekend door de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, die verklaart dat de inhoud juist is.
3. De beslissingsstaat zendt het vonnis, samen met het certificaat, slechts aan één tenuitvoerleggingsstaat tegelijk toe.
4. Indien de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat niet bekend is bij de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, wint deze, onder andere met behulp van de contactpunten van het bij Gemeenschappelijk Optreden 98/428/JBZ van de Raad [van 29 juni 1998 (PB 1998, L 191, blz. 4)] opgerichte Europees justitieel netwerk, bij de tenuitvoerleggingsstaat de nodige inlichtingen in.
5. De autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat die een vonnis met een certificaat ontvangt en niet bevoegd is dit te erkennen en de voor de tenuitvoerlegging vereiste maatregelen te nemen, zendt het vonnis met het certificaat ambtshalve aan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat toe en stelt de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat hiervan in kennis.”
Artikel 8 („Erkenning van het vonnis en tenuitvoerlegging van de sanctie”) van dat kaderbesluit is in de volgende bewoordingen gesteld:
„1. De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat erkent een overeenkomstig artikel 4 en volgens de procedure van artikel 5 toegezonden vonnis en neemt onverwijld de maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de sanctie, tenzij zij zich beroept op een van de in artikel 9 genoemde gronden tot weigering van de erkenning en de tenuitvoerlegging.
2. Indien de duur van de sanctie onverenigbaar is met het recht van de tenuitvoerleggingsstaat, kan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat alleen besluiten de sanctie aan te passen voor zover deze zwaarder is dan de maximumsanctie welke naar het recht van die staat op vergelijkbare strafbare feiten is gesteld. De aangepaste sanctie mag niet lager zijn dan de maximumsanctie die krachtens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat voor vergelijkbare strafbare feiten geldt.
3. Indien de aard van de sanctie onverenigbaar is met het recht van de tenuitvoerleggingsstaat, kan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de sanctie aanpassen aan de sanctie of maatregel die door het nationale recht voor vergelijkbare strafbare feiten is voorgeschreven. Deze sanctie of maatregel stemt zoveel mogelijk overeen met de in de beslissingsstaat opgelegde sanctie en derhalve wordt de sanctie niet gewijzigd in een geldboete.
4. De aangepaste sanctie houdt, naar aard of duur, geen verzwaring van de in de beslissingsstaat opgelegde sanctie in.”
Artikel 12 („Besluit over de tenuitvoerlegging van de sanctie en termijnen”) van kaderbesluit 2008/909 bepaalt in lid 1:
„De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat besluit zo spoedig mogelijk of zij het vonnis erkent en de sanctie ten uitvoer legt, en stelt de beslissingsstaat in kennis van haar besluit, en in voorkomend geval van het besluit om de sanctie overeenkomstig artikel 8, leden 2 en 3, aan te passen.”
In artikel 13 („Intrekking van het certificaat”) van dit kaderbesluit is het volgende bepaald:
„De beslissingsstaat kan, zolang geen aanvang is gemaakt met de tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat, onder opgave van redenen het certificaat intrekken. Zodra het certificaat is ingetrokken, wordt de tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat gestaakt.”
Artikel 17 („Het op de tenuitvoerlegging toepasselijk recht”) van dat kaderbesluit bepaalt in leden 1, 3 en 4 ervan het volgende:
„1. De tenuitvoerlegging van de sanctie wordt beheerst door het recht van de tenuitvoerleggingsstaat. De autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat zijn, behoudens de leden 2 en 3, bij uitsluiting bevoegd te besluiten omtrent de procedures betreffende de tenuitvoerlegging en zij bepalen alle daarop betrekking hebbende maatregelen, met inbegrip van de gronden tot vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling.
[...]
3. De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat licht, op verzoek, de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat in over de geldende bepalingen betreffende eventuele vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling. De beslissingsstaat kan de toepassing van deze bepalingen accepteren of het certificaat intrekken.
4. Een lidstaat kan bepalen dat in de beslissing tot vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling tevens rekening kan worden gehouden met de door de beslissingsstaat aangegeven bepalingen van nationaal recht op grond waarvan de gevonniste persoon op een bepaald tijdstip recht heeft op vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling.”
Artikel 21, onder c) tot en met i), van dat kaderbesluit luidt:
„De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat stelt de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat onverwijld, schriftelijk of in een vorm die schriftelijk kan worden vastgelegd, in kennis van:
[...]
c) het definitieve besluit tot erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie, alsmede de datum van het besluit;
d) het gemotiveerde besluit om, overeenkomstig artikel 9, het vonnis geheel of gedeeltelijk niet te erkennen of de sanctie niet ten uitvoer te leggen;
e) het gemotiveerde besluit tot aanpassing van de sanctie, overeenkomstig artikel 8, lid 2, of artikel 8, lid 3;
f) het gemotiveerde besluit om de sanctie om een van de in artikel 19, lid 1, bedoelde redenen, niet ten uitvoer te leggen;
g) de tijdstippen waarop de voorwaardelijke invrijheidstelling ingaat en afloopt, voor zover in het certificaat van de beslissingsstaat daarom wordt gevraagd;
h) het feit dat de gevonniste persoon uit hechtenis is gevlucht;
i) de tenuitvoerlegging van de sanctie, zodra deze geheel is voltrokken.”
Kaderbesluit 2008/947
Artikel 1 („Doelen en toepassingsgebied”) van kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen (PB 2008, L 337, blz. 102), bepaalt in de leden 1 tot en met 3:
„1. Dit kaderbesluit is erop gericht de resocialisatie van gevonniste personen te bevorderen, de bescherming van slachtoffers en de gemeenschap in het algemeen te verbeteren, en de toepassing van passende proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen te vereenvoudigen in het geval van delinquenten die niet wonen in de staat waar zij zijn veroordeeld. Ter verwezenlijking hiervan wordt in dit kaderbesluit bepaald volgens welke regels een andere lidstaat dan de lidstaat waar de betrokkene is veroordeeld, vonnissen en, in voorkomend geval, proeftijdvoorwaarden erkent en toezicht houdt op de krachtens een vonnis opgelegde proeftijdvoorwaarden of op de in dat vonnis vervatte alternatieve straffen, en alle overige beslissingen in verband met dat vonnis neemt, tenzij in dit kaderbesluit anders is bepaald.
2. Dit kaderbesluit is uitsluitend van toepassing op:
a) de erkenning van vonnissen en, in voorkomend geval, proeftijdbeslissingen;
b) de overname van de verantwoordelijkheid voor het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen;
c) alle overige beslissingen die met de onder a) en b) bedoelde verband houden,
zoals beschreven en vastgesteld in dit kaderbesluit.
3. Dit kaderbesluit is niet van toepassing op:
a) de tenuitvoerlegging van strafvonnissen waarbij een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel wordt opgelegd en die vallen onder kaderbesluit [2008/909];
[...]”
Artikel 2, leden 1, 2 en 5, van kaderbesluit 2008/947 luidt als volgt:
„In dit kaderbesluit wordt verstaan onder:
1. ‚vonnis’: een onherroepelijke uitspraak of beschikking van een rechter van de beslissingsstaat, waarbij wordt vastgesteld dat een natuurlijke persoon een strafbaar feit heeft gepleegd en waarbij aan die persoon wordt opgelegd:
a) een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, indien op grond van dat vonnis of bij een latere proeftijdbeslissing voorwaardelijke invrijheidstelling is verleend,
b) een voorwaardelijke straf,
c) een voorwaardelijke opschorting van de strafoplegging, of
d) een alternatieve straf;
2. ‚voorwaardelijke straf’: een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel waarvan de tenuitvoerlegging volledig of ten dele voorwaardelijk wordt opgeschort, doordat een of meer proeftijdvoorwaarden worden opgelegd. Deze proeftijdvoorwaarden worden in het vonnis zelf opgenomen of in een afzonderlijke proeftijdbeslissing van een bevoegde autoriteit bepaald;
[...]
5. ‚proeftijdbeslissing’: een vonnis van een rechter of een op grond daarvan gegeven definitieve beslissing van een bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, waarbij:
a) een voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, of
b) proeftijdvoorwaarden worden opgelegd”.
Portugees recht
Artikel 45 („Vervanging van een vrijheidsstraf door een geldboete”) van de Código Penal („wetboek van strafrecht”) bepaalt in de leden 1 en 2:
„1 - Wanneer een vrijheidsstraf van maximaal één jaar wordt opgelegd, wordt deze vervangen door een geldboete of door een andere niet tot vrijheidsbeneming strekkende straf waarin de wet voorziet, tenzij de noodzaak om te voorkomen dat toekomstige strafbare feiten worden gepleegd, vereist dat deze vrijheidsstraf ten uitvoer wordt gelegd. [...]
2 - Indien de geldboete niet wordt betaald, moet de gevonniste persoon de bij de rechterlijke beslissing opgelegde vrijheidsstraf ondergaan. Het bepaalde in artikel 49, lid 3, van deze wet is van overeenkomstige toepassing.”
Artikel 49 van dit wetboek („Vrijheidsstraf die een onbetaalde geldboete vervangt”) bepaalt in lid 3:
„De tenuitvoerlegging van de subsidiaire vrijheidsstraf kan voor een periode van één tot drie jaar worden opgeschort indien de gevonniste persoon aantoont dat de geldboete niet is betaald om redenen waarvoor hij niet verantwoordelijk is, op voorwaarde dat deze opschorting onderworpen is aan de naleving van verplichtingen of gedragsregels die geen economische of financiële aard hebben. De subsidiaire vrijheidsstraf wordt ten uitvoer gelegd indien de verplichtingen of gedragsregels niet zijn nageleefd; zij wordt kwijtgescholden indien zij wel zijn nageleefd.”
Spaans recht
Artikel 80 van de Código Penal (hierna: „Spaans wetboek van strafrecht”) bepaalt:
„1. De rechters of de rechtbanken kunnen bij gemotiveerde beslissing de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen van minder dan twee jaar opschorten wanneer er redelijkerwijs kan van worden uitgegaan dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf niet noodzakelijk is om te vermijden dat de gevonniste persoon in de toekomst nieuwe strafbare feiten pleegt.
Voor deze beslissing beoordeelt de rechter of de rechtbank de omstandigheden waarin het strafbare feit is gepleegd, de persoonlijke situatie van de gevonniste persoon, zijn antecedenten, zijn gedrag na de feiten en in het bijzonder zijn inspanningen om de veroorzaakte schade te herstellen, zijn familiale en sociale situatie en de te verwachten gevolgen van de opschorting van de tenuitvoerlegging van het restant van de straf en de naleving van de eventueel opgelegde maatregelen.
2. Om de uitvoering van de straf op te schorten moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:
1.a het gaat om het eerste strafbare feit van de gevonniste persoon. Daarbij wordt geen rekening gehouden met eerdere veroordelingen voor strafbare feiten die zijn gepleegd door onachtzaamheid of voor lichte strafbare feiten, noch met eerdere strafrechtelijke antecedenten die krachtens artikel 136 zijn of zouden moeten worden gewist. Evenmin wordt rekening gehouden met strafrechtelijke antecedenten die betrekking hebben op strafbare feiten die naar hun aard of wegens de omstandigheden niet relevant zijn voor de beoordeling of het waarschijnlijk is dat er in de toekomst strafbare feiten worden gepleegd;
2.a de straf of de som van de opgelegde straffen bedraagt niet meer dan twee jaar; de straf die voortvloeit uit de niet-betaling van de geldboete wordt hierbij niet meegerekend;
3.a de gevonniste persoon is zijn verplichtingen uit hoofde van de wettelijke aansprakelijkheid nagekomen, en de bij vonnis krachtens artikel 127 gelaste verbeurdverklaring heeft plaatsgevonden.
Aan deze voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan wanneer de gevonniste persoon zich ertoe verbindt zijn verplichtingen uit hoofde van wettelijke aansprakelijkheid overeenkomstig zijn financiële draagkracht na te komen en de gelaste verbeurdverklaring te vergemakkelijken, en er redelijkerwijs van kan worden uitgegaan dat die zal plaatsvinden binnen de door de rechter of de rechtbank gestelde redelijke termijn. De rechter of de rechtbank kan, rekening houdend met de omvang van de wettelijke aansprakelijkheid en de sociale gevolgen van het strafbare feit, de garanties vragen die hij noodzakelijk acht om de naleving van deze voorwaarde te verzekeren.
3. Bij wijze van uitzondering kunnen, ook wanneer niet aan de in de punten 1 en 2 van het vorige lid genoemde voorwaarden is voldaan, vrijheidsstraffen van maximaal twee jaar worden opgeschort, mits het geen recidivist betreft en wanneer de persoonlijke situatie van de gevonniste persoon, de aard van de feiten, zijn gedrag en in het bijzonder, zijn inspanningen om de veroorzaakte schade te herstellen, daartoe aanleiding geven.
In die gevallen is de opschorting altijd afhankelijk van het daadwerkelijke herstel van de schade of van de vergoeding van de veroorzaakte schade overeenkomstig de lichamelijke en financiële draagkracht van de gevonniste persoon, of van de naleving van het akkoord waarnaar de in artikel 84, lid 1, punt 1, bedoelde maatregel verwijst. Een van de in punt 2 of 3 van deze bepaling bedoelde maatregelen wordt bovendien altijd opgelegd, met een draagwijdte die niet kleiner mag zijn dan die welke voortvloeit uit de toepassing van de omrekeningscriteria die in artikel 84, lid 1, zijn vastgesteld op een vijfde van de opgelegde straf.
4. De rechters en de rechtbanken kunnen zonder voorwaarden de opschorting van om het even welke opgelegde straf toestaan indien de gevonniste persoon lijdt aan een zeer ernstige en ongeneeslijke ziekte, tenzij hij op het tijdstip waarop hij het strafbare feit heeft gepleegd, reeds in aanmerking kwam voor de opschorting van een andere straf om dezelfde reden.
5. Zelfs indien niet is voldaan aan de voorwaarden van de punten 1 en 2 van lid 2 van dit artikel, kan de rechter of de rechtbank de opschorting van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen van vijf jaar of meer toestaan aan gevonniste personen die een strafbaar feit hebben gepleegd door hun afhankelijkheid van de in artikel 20, punt 2, bedoelde stoffen, op voorwaarde dat door een erkende of goedgekeurde openbare of particuliere instelling of dienst toereikend wordt aangetoond dat de gevonniste persoon op het moment van de beslissing over de opschorting van zijn verslaving is afgekickt of daarvoor in behandeling is.
De rechter of de rechtbank kan gelasten dat de nodige vaststellingen worden verricht om na te gaan of aan bovenstaande voorwaarden is voldaan.
Indien de gevonniste persoon een ontwenningskuur ondergaat, is de opschorting van de tenuitvoerlegging van de straf tevens afhankelijk van de voorwaarde dat de betrokkene de behandeling niet voortijdig afbreekt. Terugvallen tijdens de behandeling worden niet beschouwd als een stopzetting indien zij niet wijzen op een definitieve stopzetting van de ontwenningskuur.
6. Voor strafbare feiten die alleen kunnen worden vervolgd op voorwaarde dat het slachtoffer een klacht heeft ingediend, horen rechters en rechtbanken het slachtoffer, en in voorkomend geval zijn vertegenwoordiger, alvorens de opschorting van de tenuitvoerlegging van de straf toe te staan.”
Artikel 90, lid 1, van het Spaanse wetboek van strafrecht bepaalt:
„De toezichthoudende rechter staat de opschorting van de tenuitvoerlegging van het restant van de straf toe en stelt de gedetineerde voorwaardelijk in vrijheid mits hij die aan de volgende voorwaarden voldoet:
a) hij is ingedeeld als gevangene van categorie 3 [(halfopen regime)];
b) hij heeft drie vierde van de opgelegde straf uitgezeten;
c) hij heeft blijk gegeven van goed gedrag.
Voor zijn beslissing over de opschorting van de tenuitvoerlegging van het restant van de straf en de voorwaardelijke invrijheidstelling beoordeelt de toezichthoudende rechter de persoonlijkheid van de gevonniste persoon, zijn antecedenten, de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, het belang van de juridische belangen die door recidive kunnen worden aangetast, zijn gedrag tijdens de tenuitvoerlegging van de straf, zijn sociale en familiale situatie en de te verwachten gevolgen van de opschorting van de tenuitvoerlegging van het restant van de straf en de naleving van de eventueel opgelegde maatregelen.
De opschorting wordt niet toegestaan indien de gevonniste persoon niet heeft voldaan aan de verplichting tot schadevergoeding uit hoofde van de uit het strafbare feit voortvloeiende wettelijke aansprakelijkheid in de gevallen van en overeenkomstig de criteria van artikel 72, leden 5 en 6, van de Ley Orgánica 1/1979, General Penitenciaria [(organieke wet 1/1979, houdende algemene penitentiaire wet), van 26 september 1979 (BOE nr. 239, van 5 oktober 1979, blz. 23180)].”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
In 2018 heeft de Tribunal Judicial da Comarca do Porto – Juízo Local Criminal de Vila Nova de Gaia (rechter in eerste aanleg Porto – lokale strafrechter Vila Nova de Gaia, Portugal), de verwijzende rechter, YX veroordeeld tot een vrijheidsstraf van zes maanden wegens het plegen van belastingfraude. Krachtens artikel 49 van het strafwetboek werd die vrijheidsstraf vervolgens vervangen door een geldboete van 180 dagboete-eenheden. Aangezien de desbetreffende boete niet werd betaald en YX niet had aangetoond dat hij geen schuld had aan het niet betalen van die boete, heeft deze rechter de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf gelast.
Aangezien YX ondertussen zijn verblijfplaats naar Spanje had verplaatst, heeft de verwijzende rechter op 2 februari 2022 een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd voor zijn overlevering met het oog de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
De bevoegde Spaanse rechterlijke autoriteit heeft op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 de overlevering van YX aan de verwijzende rechter geweigerd, gezien de overbrenging van zijn verblijfplaats naar Spanje en de wens die hij had geuit om zijn straf in die lidstaat uit te zitten. Die autoriteit heeft verklaard het door de verwijzende rechter uitgevaardigde vonnis te erkennen en de bevoegde Spaanse rechterlijke autoriteiten verzocht het ten uitvoer te leggen.
Op 11 oktober 2023 heeft de Juzgado Central de Lo Penal n.° 1 de Madrid (strafrechter op nationaal niveau nr. 1 Madrid, Spanje) de tenuitvoerlegging van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 80 van het Spaanse strafwetboek voor een periode van twee jaar opgeschort.
Na deze beslissing tot opschorting heeft het Portugese openbaar ministerie de verwijzende rechter verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof.
De verwijzende rechter merkt op dat de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat in beginsel de strafrechtelijke veroordeling van de beslissingsstaat moet erkennen en de opgelegde sanctie ten uitvoer moet leggen, waarbij de duur en de aard moeten overeenstemmen met die welke in die veroordeling zijn bepaald.
De voorwaarden waaronder de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de in de beslissingsstaat opgelegde sanctie kan wijzigen, zijn uitputtend genoemd in artikel 8 van kaderbesluit 2008/909, en de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat kan hoe dan ook de inhoud van de door de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat opgelegde sanctie niet wijzigen.
Wanneer de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat een straf overeenkomstig haar nationale recht niet heeft opgeschort, kan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat bijgevolg de straf waartoe de betrokkene in de beslissingsstaat werd veroordeeld niet opschorten, zelfs als het nationale recht van die autoriteit dat mogelijk maakt voor straffen die in de tenuitvoerleggingsstaat werden opgelegd. Een dergelijke opschorting zou afbreuk doen aan de door kaderbesluit 2008/909 nagestreefde doelstellingen en aan het beginsel van wederzijdse erkenning.
Bovendien heeft het Hof in punt 65 van het arrest van 11 maart 2020, SF (Europees aanhoudingsbevel – Garantie tot terugzending naar de tenuitvoerleggingsstaat) (C‑314/18, EU:C:2020:191), geoordeeld dat artikel 8 van kaderbesluit 2008/909 restrictief moet worden uitgelegd.
Voorts verwijst artikel 17 van kaderbesluit 2008/909, dat bepaalt dat de tenuitvoerlegging van de sanctie wordt beheerst door het recht van de tenuitvoerleggingsstaat, volgens de verwijzende rechter alleen naar maatregelen die de materiële tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf beogen. Volgens hem is er geen reden om dit artikel aldus uit te leggen dat de werkingssfeer ervan zich uitstrekt tot een beslissing tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf waartoe de gezochte persoon is veroordeeld.
Bovendien had de uitvoerende rechterlijke autoriteit de uitvaardigende rechterlijke autoriteit overeenkomstig de artikelen 12 en 13 van dat kaderbesluit op de hoogte moeten brengen van de mogelijkheid om de tenuitvoerlegging van de straf op te schorten, teneinde die laatste autoriteit in staat te stellen te reageren.
Volgens de verwijzende rechter bemoeilijkt deze context zijn beslissing om de procedure in het hoofdgeding voort te zetten of af te sluiten. Hij is van oordeel dat er gerede twijfel bestaat over de uitlegging en toepassing van het Unierecht, die niet is weggenomen door de rechtspraak van het Hof, en cruciale gevolgen heeft voor de uiteindelijke uitkomst van de zaak.
In deze context heeft de Tribunal Judicial da Comarca do Porto – Juízo Local Criminal de Vila Nova de Gaia de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Kan de tenuitvoerleggingsstaat, na krachtens artikel 4, lid 6, van kaderbesluit 2002/584 de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel te hebben geweigerd op grond van de verblijfplaats van de gevonniste persoon, en na de rechterlijke beslissing houdende veroordeling te hebben erkend, zich beroepen op de toepassing van zijn nationale recht en zijn bevoegdheid als tenuitvoerleggingsstaat om de door de beslissingsstaat opgelegde feitelijke vrijheidsstraf op te schorten terwijl de procedure tot tenuitvoerlegging van die rechterlijke beslissing reeds is ingeleid?
2) Kan de rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de in kracht van gewijsde gegane beslissing van de rechterlijke autoriteit van de beslissingsstaat wijzigen behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 8 en artikel 17, leden 1 en 2, van kaderbesluit 2008/909?
3) Dient artikel 17, lid 1, van kaderbesluit 2008/909 aldus te worden uitgelegd dat het de tenuitvoerleggingsstaat toestaat om, door toepassing van de voorwaarden van zijn nationale recht, opschorting van de feitelijke vrijheidsstraf te verlenen wanneer de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat dit niet overeenkomstig hun recht hebben gedaan?
Indien de voorgaande prejudiciële vragen bevestigend worden beantwoord:
4) Hadden de Spaanse rechterlijke autoriteiten (tenuitvoerleggingsstaat), gelet op de artikelen 12 en 13 en artikel 17, lid 3, van kaderbesluit 2008/909, de beslissingsstaat niet vooraf in kennis moeten stellen van hun standpunt over de mogelijkheid tot opschorting van de vrijheidsstraf waartoe de gezochte persoon is veroordeeld?”
Ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen
Volgens de Spaanse regering kan uit de gegevens in de verwijzingsbeslissing niet worden opgemaakt welke procedure aanleiding heeft gegeven tot het verzoek om een prejudiciële beslissing, noch waarom de verwijzende rechter de antwoorden van het Hof op de prejudiciële vragen nodig heeft om uitspraak te doen.
Het is juist dat in de verwijzingsbeslissing is aangegeven dat het verzoek om een prejudiciële beslissing ertoe strekt de verwijzende rechter in staat te stellen te besluiten om de procedure voort te zetten of af te sluiten. De verwijzende rechter blijkt echter te hebben aanvaard dat de Spaanse rechter die de door die eerste rechter opgelegde straf ten uitvoer moet leggen overgaat tot de tenuitvoerlegging ervan, zodat hij zich krachtens het beginsel van de wederzijdse erkenning dient te houden aan hetgeen die Spaanse rechter beslist.
Zelfs indien het Unierecht die Spaanse rechter zou beletten om overeenkomstig zijn nationale recht de door de verwijzende rechter opgelegde vrijheidsstraf op te schorten, hetgeen niet het geval is, zou dit geen invloed hebben op de beslissing die door die laatste moet worden genomen. Die beslissing hangt namelijk uitsluitend af van wat die Spaanse rechter hem overeenkomstig artikel 21 van kaderbesluit 2008/909 mededeelt over de tenuitvoerlegging van de straf op grond van zijn nationale recht.
Bovendien is in artikel 13 van dat kaderbesluit bepaald dat het verzoek om erkenning en tenuitvoerlegging van een opgelegde straf alleen voor het begin van de tenuitvoerlegging van die sanctie kan worden ingetrokken. In casu kan de op grond van de artikelen 80 en volgende van het Spaanse strafwetboek toegestane opschorting slechts worden beschouwd als een wijze van tenuitvoerlegging van die sanctie, die tijdens die tenuitvoerlegging plaatsvindt.
Volgens vaste rechtspraak rust er een vermoeden van relevantie op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste feitelijke en wettelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een verzoek om een prejudiciële beslissing van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen [arrest van 8 april 2025, Europees Openbaar Ministerie (Rechterlijke toetsing van procedurele handelingen),C‑292/23, EU:C:2025:255, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
Zoals blijkt uit punt 29 van het onderhavige arrest en zoals de Spaanse regering erkent, bevestigt de verwijzende rechter in casu dat de antwoorden van het Hof op de gestelde vragen voor hem van essentieel belang zijn om te kunnen beslissen over het vervolg van de procedure, die betrekking heeft op het toezicht op de tenuitvoerlegging van de aan YX opgelegde sanctie. Afhankelijk van de antwoorden van het Hof zal hij immers de procedure moeten afsluiten of voortzetten, aldus de verwijzende rechter.
Dienaangaande blijkt dat, indien de beoordeling van de verwijzende rechter – zoals samengevat in de punten 23 tot en met 28 van dit arrest en volgens welke, kort gezegd, artikel 8 van kaderbesluit 2008/909 zich ertegen verzet dat de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de tenuitvoerlegging van de door de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat opgelegde vrijheidsstraf opschort, of minstens een voorafgaande kennisgeving vereist over de mogelijkheid om een dergelijke opschorting toe te staan – gegrond is, die rechter de procedure in het hoofdgeding wellicht moet voortzetten. Indien een schorsing, zoals die welke in het hoofdgeding is uitgesproken, daarentegen binnen de werkingssfeer van artikel 17 van dat kaderbesluit moet vallen, zoals in wezen de Spaanse regering met haar in de punten 32 tot en met 34 samengevatte betoog stelt, moet die rechter die procedure wellicht afsluiten.
Bijgevolg blijkt niet dat de gestelde prejudiciële vragen geen verband houden met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of dat zij een vraagstuk van hypothetische aard opwerpen.
Bijgevolg zijn de prejudiciële vragen ontvankelijk.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Opmerkingen vooraf
Om te beginnen blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de Spaanse rechterlijke autoriteiten op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 de tenuitvoerlegging hebben geweigerd van het Europees aanhoudingsbevel dat de verwijzende rechter tegen YX heeft uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Zij deden dit omdat YX in Spanje verblijft en zijn wil heeft uitgedrukt om in die lidstaat de aan hem opgelegde straf te ondergaan. Vervolgens blijkt uit die beslissing dat die rechterlijke autoriteiten hebben verklaard het vonnis waarbij die sanctie is opgelegd te erkennen en de bevoegde Spaanse rechterlijke autoriteit hebben verzocht dat vonnis ten uitvoer te leggen. Tot slot blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de Juzgado Central de lo Penal no 1 de Madrid de tenuitvoerlegging van die sanctie uiteindelijk heeft opgeschort.
Daarentegen blijkt noch uit de verwijzingsbeslissing, noch uit het dossier waarover het Hof beschikt, dat de Portugese Republiek, als uitvaardigende staat van het Europees aanhoudingsbevel tegen YX, toestemming heeft verleend voor de tenuitvoerlegging in Spanje van de aan hem opgelegde sanctie. In het bijzonder kon tijdens de terechtzitting voor het Hof niet met zekerheid worden bepaald of de bevoegde Portugese autoriteiten het in artikel 4 van kaderbesluit 2008/909 bedoelde certificaat, waarvan het model in bijlage I bij dat besluit is opgenomen (hierna: „certificaat”), al dan niet aan de bevoegde Spaanse autoriteiten hebben toegezonden overeenkomstig de in kaderbesluit 2008/909 bepaalde procedures.
Er zij op gewezen dat de toezending van dit certificaat een van de procedures vormt die in acht moeten worden genomen bij de overname door de tenuitvoerleggingsstaat van de in de beslissingsstaat opgelegde vrijheidsstraf.
Er zij namelijk aan herinnerd dat voor de toepassing van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 vastgestelde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel aan twee voorwaarden moet zijn voldaan, te weten, ten eerste, de gezochte persoon verblijft in of is onderdaan of ingezetene van de uitvoerende lidstaat en, ten tweede, deze staat verbindt zich ertoe de straf of maatregel waarvoor het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd overeenkomstig zijn nationale recht ten uitvoer te leggen [arrest van 4 september 2025, C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB),C‑305/22, EU:C:2025:665, punt 43].
Wat betreft de invloed van kaderbesluit 2008/909 op de toepassing van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, moet worden opgemerkt dat, net als kaderbesluit 2002/584, kaderbesluit 2008/909 op strafrechtelijk gebied invulling geeft aan de beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijdse erkenning en dus de justitiële samenwerking uitbreidt met betrekking tot de erkenning en tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen wanneer personen in een andere lidstaat zijn veroordeeld tot vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen, ter bevordering van hun reclassering [arrest van 4 september 2025, C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB),C‑305/22, EU:C:2025:665, punt 45].
Gelet op de overeenstemming tussen het doel dat wordt nagestreefd door de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, en het doel dat wordt nagestreefd door de regels van kaderbesluit 2008/909, te weten, het doel om de reclassering van in een andere lidstaat gevonniste personen te bevorderen, moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit van een tenuitvoerleggingsstaat met die regels rekening houden wanneer zij deze grond wenst toe te passen [arrest van 4 september 2025, C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB),C‑305/22, EU:C:2025:665, punt 47].
Bijgevolg, wanneer een uitvoerende rechterlijke autoriteit voornemens is om de tenuitvoerlegging van een met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel te weigeren op basis van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, worden de erkenning van de strafrechtelijke veroordeling tot die sanctie en de overname van de tenuitvoerlegging van die sanctie door kaderbesluit 2008/909 geregeld [arrest van 4 september 2025, C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB),C‑305/22, EU:C:2025:665, punt 51].
Dienaangaande moet worden opgemerkt dat, in het kader van de toepassing van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, de tenuitvoerleggingsstaat de tenuitvoerlegging van de sanctie die in de beslissingsstaat bij de strafrechtelijke veroordeling is opgelegd en die de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel heeft gerechtvaardigd, slechts kan overnemen mits de beslissingsstaat daarvoor toestemming heeft verleend overeenkomstig de regels van kaderbesluit 2008/909 [arrest van 4 september 2025, C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB),C‑305/22, EU:C:2025:665, punt 67].
Deze toestemming wordt uitgedrukt door de toezending, volgens de in artikel 4 van dat kaderbesluit bepaalde voorschriften, van de door een rechterlijke instantie van de beslissingsstaat uitgesproken strafrechtelijke veroordeling aan de tenuitvoerleggingsstaat, vergezeld van het certificaat [arrest van 4 september 2025, C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB),C‑305/22, EU:C:2025:665, punt 57].
Wanneer een uitvoerende rechterlijke autoriteit voornemens is om de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel te weigeren op basis van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, kan de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat bijgevolg een dergelijke toezending weigeren indien zij op grond van objectieve omstandigheden vaststelt dat de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat niet daadwerkelijk ten uitvoer zal worden gelegd of dat de tenuitvoerlegging van die sanctie in die staat niet zal bijdragen aan het doel om de kansen op reclassering van de gezochte persoon na het einde van de vrijheidsstraf waartoe deze is veroordeeld, te verhogen. De uitvaardigende rechterlijke autoriteit kan die overname nog weigeren op basis van eigen overwegingen van strafrechtelijk beleid [arrest van 4 september 2025, C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB),C‑305/22, EU:C:2025:665, punt 72].
Indien de toezending door de beslissingsstaat van de strafrechtelijke veroordeling en het bijbehorende certificaat dus wordt opgevat als een loutere mogelijkheid, dient evenwel eraan te worden herinnerd dat, teneinde met name te verzekeren dat de werking van het Europees aanhoudingsbevel niet wordt verlamd, de in artikel 4, lid 3, eerste alinea, VEU neergelegde verplichting tot loyale samenwerking een dialoog tussen de uitvoerende en de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten impliceert. Uit dat beginsel volgt immers dat de lidstaten elkaar respecteren en steunen bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien [arrest van 4 september 2025, C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB),C‑305/22, EU:C:2025:665, punt 68].
Bijgevolg moeten de uitvaardigende en de uitvoerende rechterlijke autoriteiten, teneinde een doeltreffende justitiële samenwerking in strafzaken te waarborgen, ten volle gebruik maken van de instrumenten waarin kaderbesluiten 2002/584 en 2008/909 voorzien, zoals het overleg voor de toezending van de door een rechterlijke instantie van de beslissingsstaat uitgesproken strafrechtelijke veroordeling en het certificaat, om zo het aan die samenwerking ten grondslag liggende wederzijdse vertrouwen te bevorderen. In dat verband dient eraan te worden herinnerd dat een dergelijk overleg overeenkomstig artikel 4, lid 3, van kaderbesluit 2008/909 verplicht is wanneer, zoals in casu, wordt overwogen de sanctie ten uitvoer te leggen in een andere lidstaat dan die waarvan de betrokkene onderdaan is, namelijk in de in artikel 4, lid 1, onder c), van dat kaderbesluit bedoelde omstandigheid [arrest van 4 september 2025, C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB),C‑305/22, EU:C:2025:665, punt 69].
Wat de verplichtingen van de beslissingsstaat betreft, moet worden beklemtoond dat deze ervoor moet zorgen dat het hem bij kaderbesluit 2008/909 toegekende recht om de door een van zijn rechters uitgesproken strafrechtelijke veroordeling, alsook het certificaat, niet aan de tenuitvoerleggingsstaat toe te zenden, wordt uitgeoefend op een wijze die een doeltreffende justitiële samenwerking in strafzaken mogelijk maakt en die verzekert dat de werking van het Europees aanhoudingsbevel en de wederzijdse erkenning van strafvonnissen met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in een andere lidstaat niet worden verlamd [arrest van 4 september 2025, C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB),C‑305/22, EU:C:2025:665, punt 71].
Het staat dus aan de verwijzende rechter om zich ervan te vergewissen dat de vereiste toestemming in casu door de bevoegde Portugese autoriteit is gegeven overeenkomstig de procedures van kaderbesluit 2008/909 en, indien dat niet het geval is, na te gaan of een doeltreffende samenwerking met de Spaanse uitvoerende rechterlijke autoriteiten haar verplicht om die toestemming te verlenen.
Indien een daadwerkelijke overname van de tenuitvoerlegging van de sanctie door de tenuitvoerleggingsstaat niet mogelijk is om welke reden dan ook, met inbegrip van de niet-inachtneming van de procedure en de voorwaarden van kaderbesluit 2008/909, vloeit uit het beginsel van wederzijdse erkenning voort dat een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer moet worden gelegd teneinde straffeloosheid van de gezochte persoon te voorkomen [arrest van 4 september 2025, C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB),C‑305/22, EU:C:2025:665, punt 70].
Indien daarentegen het certificaat door de bevoegde Portugese autoriteiten overeenkomstig de procedures van kaderbesluit 2008/909 aan de bevoegde Spaanse autoriteiten is toegezonden, wat erop wijst dat de beslissingsstaat toestemming heeft verleend om de aan YX opgelegde sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat ten uitvoer te leggen, hetgeen uiteindelijk aan de verwijzende rechter staat om na te gaan, moeten de gestelde vragen worden beantwoord.
Eerste tot en met derde prejudiciële vraag
Met zijn eerste tot en met derde prejudiciële vraag, die samen moeten worden onderzocht, vraagt de verwijzende rechter in wezen of artikel 8, lid 1, en artikel 17, lid 1, van kaderbesluit 2008/909 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat, wanneer de bevoegde rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 heeft geweigerd een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen dat door de bevoegde rechterlijke autoriteit van de beslissingsstaat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, en de bevoegde rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat zich ertoe heeft verbonden die straf ten uitvoer te leggen, een andere bevoegde rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat vervolgens overeenkomstig haar nationaal recht de tenuitvoerlegging van die straf opschort.
In artikel 8, lid 1, van kaderbesluit 2008/909 staat te lezen dat wanneer, zoals in casu, de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat zich niet op een van de in artikel 9 genoemde gronden tot weigering van de erkenning en de tenuitvoerlegging beroept, zij een overeenkomstig artikel 4 en volgens de procedure van artikel 5 van dat kaderbesluit toegezonden vonnis erkent, en onverwijld de maatregelen neemt voor de tenuitvoerlegging van de sanctie.
Overeenkomstig artikel 8, leden 2 en 3, van kaderbesluit 2008/909 kan de sanctie alleen worden aangepast indien de duur of de aard van de sanctie onverenigbaar is met het recht van de tenuitvoerleggingsstaat.
Dat artikel bevat dus strikte voorwaarden voor de mogelijkheid dat de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de in de beslissingsstaat opgelegde sanctie aanpast. Deze voorwaarden vormen de enige uitzondering op de beginselplicht van die autoriteit om overeenkomstig artikel 8, lid 1, van dat kaderbesluit het haar toegezonden vonnis te erkennen en de sanctie ten uitvoer te leggen waarvan de duur en aard zijn vastgelegd in het in de beslissingsstaat gewezen vonnis [arresten van 8 november 2016, Ognyanov,C‑554/14, EU:C:2016:835, punt 36, en 11 maart 2020, SF (Europees aanhoudingsbevel – Garantie tot terugzending naar de tenuitvoerleggingsstaat), C‑314/18, EU:C:2020:191, punt 65].
In casu staat vast dat de bevoegde rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat niet heeft besloten tot de opschorting van de tenuitvoerlegging van de door de verwijzende rechter opgelegde vrijheidsstraf vanwege een onverenigbaarheid tussen de duur of de aard van de sanctie en het recht van die lidstaat, zodat die opschortingsmaatregel in geen geval kan worden beschouwd als een aanpassing van de sanctie, die mogelijk is krachtens artikel 8, leden 2 en 3, van kaderbesluit 2008/909.
Volgens de verwijzende rechter, de Portugese regering en de Europese Commissie valt de opschorting van de tenuitvoerlegging van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vrijheidsstraf binnen de werkingssfeer van artikel 8, lid 1, van kaderbesluit 2008/909, en kan die derhalve enkel worden toegestaan door de verwijzende rechter, die de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat is.
De Spaanse regering betoogt daarentegen dat uit het Spaanse strafwetboek volgt dat een opschorting zoals die in het hoofdgeding aan de orde is, onder de tenuitvoerlegging van straffen valt en dus binnen de werkingssfeer van artikel 17, lid 1, van dat kaderbesluit.
Uit deze bepaling volgt dat de tenuitvoerlegging van de sanctie overeenkomstig dit kaderbesluit wordt beheerst door het recht van de tenuitvoerleggingsstaat, zodra de gevonniste persoon is overgedragen aan de bevoegde autoriteiten van deze staat, die in beginsel bij uitsluiting bevoegd zijn te besluiten omtrent de procedures betreffende de tenuitvoerlegging en alle daarop betrekking hebbende maatregelen te bepalen, met inbegrip van de gronden tot vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling. Deze bepaling ziet dus op maatregelen voor de waarborging van de materiële tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf en de reclassering van de gevonniste persoon [arrest van 15 april 2021, AV (Verzamelvonnis),C‑221/19, EU:C:2021:278, punt 39].
Zoals de advocaat-generaal in de punten 26 en 27 van haar conclusie heeft opgemerkt, moet worden bepaald of een opschorting van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, geacht moet worden de strafrechtelijke veroordeling te wijzigen, in welk geval artikel 8, lid 1, van kaderbesluit 2008/909 zich ertegen verzet dat de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat een dergelijke opschorting toestaat, dan wel of een dergelijke opschorting onder de tenuitvoerlegging van dat vonnis valt, in welk geval artikel 17, lid 1, van dat kaderbesluit deze autoriteit in staat stelt een dergelijke opschorting toe te staan.
In dat verband moet in herinnering worden gebracht dat bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen en het doel ervan, maar ook met de context van deze bepaling en met de doelstellingen die worden nagestreefd door de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 1 oktober 2014, E.,C‑436/13, EU:C:2014:2246, punt 37).
Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 8, lid 1, en artikel 17, lid 1, van kaderbesluit 2008/909 betreft, wordt in geen van die bepalingen uitdrukkelijk verwezen naar het geval waarin de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de tenuitvoerlegging opschort van een vrijheidsstraf die door de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat is opgelegd. Bovendien is het op grond van die bewoordingen niet mogelijk om vast te stellen of een dergelijke opschortingsmaatregel in strijd is met de in eerstgenoemde bepaling neergelegde verplichting voor de uitvoerende lidstaat om het vonnis te erkennen en de sanctie ten uitvoer te leggen, dan wel onder het begrip „procedures betreffende de tenuitvoerlegging” van de sanctie in de zin van laatstgenoemde bepaling valt.
Wat in de tweede plaats de contextuele uitlegging betreft, moet ten eerste het begrip „procedures betreffende de tenuitvoerlegging” van artikel 17, lid 1, van kaderbesluit 2008/909 worden uitgelegd, waarbij rekening moet worden gehouden met leden 3 en 4 van dat artikel en artikel 13 van dat kaderbesluit.
In artikel 17, lid 3, van kaderbesluit 2008/909 is bepaald dat de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat op verzoek de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat moet inlichten over de geldende bepalingen betreffende eventuele vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling en de beslissingsstaat de toepassing van deze bepalingen kan accepteren of het certificaat kan intrekken.
Overeenkomstig artikel 13 van dat kaderbesluit moet het certificaat bij de tenuitvoerleggingsstaat worden ingetrokken voordat een aanvang is gemaakt met de tenuitvoerlegging van de sanctie.
Bovendien staat in artikel 17, lid 4, van dat kaderbesluit te lezen dat een lidstaat kan bepalen dat in de beslissing tot vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling tevens rekening kan worden gehouden met de door de beslissingsstaat aangegeven bepalingen van nationaal recht op grond waarvan de gevonniste persoon op een bepaald tijdstip recht heeft op vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling.
Terwijl in artikel 17, lid 1, van kaderbesluit 2008/909 is bepaald dat de bevoegde autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat een exclusieve bevoegdheid hebben omtrent de procedures betreffende de tenuitvoerlegging van een sanctie en alle daarop betrekking hebbende maatregelen, waaronder de vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling, voorzien de leden 3 en 4 van dit artikel derhalve in de rechten van de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat om, op haar verzoek, ingelicht te worden over de geldende bepalingen van de tenuitvoerleggingsstaat betreffende eventuele vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling, en om het certificaat in te trekken, alsook in de mogelijkheid om de voorwaarden voor vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling van de beslissingsstaat aan te geven, zodat de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat daarmee rekening kan houden.
Dienaangaande moet worden opgemerkt dat – anders dan de vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling, waartoe pas wordt overgegaan nadat een deel van de vrijheidsstraf ten uitvoer is gelegd en die de tenuitvoerlegging derhalve slechts gedeeltelijk opschort – de opschorting door een rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat van de tenuitvoerlegging van een door de bevoegde rechterlijke autoriteit van de beslissingsstaat opgelegde vrijheidsstraf voordat die straf daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, een volledige opschorting van die straf impliceert.
De bevoegdheden die in artikel 17, leden 3 en 4, van kaderbesluit 2008/909 aan de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat zijn toegekend, moeten dus a fortiori op een dergelijke maatregel van toepassing zijn. Zoals blijkt uit de voorgaande punten, heeft de Uniewetgever slechts in die bevoegdheden voorzien met betrekking tot de voorwaarden voor de vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling.
Zoals de advocaat-generaal in punt 55 van haar conclusie heeft opgemerkt, moet dus worden geoordeeld dat uit de leden 3 en 4 van artikel 17 van kaderbesluit 2008/909 naar voren komt dat de opschorting door de uitvoerende rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerlegging van een door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit opgelegde vrijheidsstraf, niet binnen de werkingssfeer van lid 1 van dat artikel valt.
Ten tweede vindt deze uitlegging, zoals de Commissie stelt, steun in kaderbesluit 2008/947, dat met name betrekking heeft op de erkenning van vonnissen en proeftijdvoorwaarden. Om te beginnen sluiten volgens artikel 1, lid 3, onder a), van dat kaderbesluit de werkingssfeer van dat kaderbesluit en die van kaderbesluit 2008/909 elkaar namelijk uit.
Vervolgens wordt, zoals blijkt uit artikel 2, punt 2, van kaderbesluit 2008/947 onder „voorwaardelijke straf”„een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel waarvan de tenuitvoerlegging volledig of ten dele voorwaardelijk wordt opgeschort, doordat een of meer proeftijdvoorwaarden worden opgelegd” verstaan en worden „[d]eze proeftijdvoorwaarden [...] in het vonnis zelf opgenomen of in een afzonderlijke proeftijdbeslissing van een bevoegde autoriteit bepaald”.
Tot slot verduidelijkt artikel 2, punten 1 en 5, van dat kaderbesluit dat het vonnis en, in voorkomend geval, de afzonderlijke proeftijdbeslissing, worden gegeven door een bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat.
Bijgevolg bevestigt de omstandigheid dat een ander kaderbesluit dan kaderbesluit 2008/909 van toepassing is op vonnissen die zelf een opschorting van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf inhouden of vergezeld gaan van afzonderlijke proeftijdbeslissingen, dat de vraag of de opschorting van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf al dan niet moet worden toegestaan, in de context van die twee kaderbesluiten, onder de bevoegdheid van de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat valt, en bijgevolg, onder het te erkennen vonnis, en niet onder de tenuitvoerlegging van dat vonnis en de bevoegdheid van de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat.
In de derde plaats, wat betreft de doelstellingen van kaderbesluit 2008/909 in het algemeen, en de artikelen 8 en 17 ervan in het bijzonder, volgt uit artikel 3, lid 1, van dat kaderbesluit dat het beoogt regels vast te stellen volgens welke een lidstaat, ter bevordering van de reclassering van de gevonniste persoon, een vonnis erkent en de sanctie ten uitvoer legt.
Dienaangaande wordt in overweging 5 van dat kaderbesluit verklaard dat de relaties tussen de lidstaten worden gekenmerkt door een bijzonder onderling vertrouwen in elkaars rechtsstelsels, en het voor de tenuitvoerleggingsstaat mogelijk maken om beslissingen van de autoriteiten van de beslissingsstaat te erkennen. Dat kaderbesluit beoogt dus de samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen te versterken, in het bijzonder in het geval van EU-onderdanen die in een andere lidstaat zijn veroordeeld tot een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel.
Bovendien komt uit overweging 9 van kaderbesluit 2008/909 naar voren dat de tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat de reclassering van de gevonniste persoon beoogt te bevorderen en dat wanneer de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat zich ervan vergewist of de tenuitvoerlegging van de sanctie door de tenuitvoerleggingsstaat zal bijdragen aan die doelstelling, van haar wordt verlangd dat zij rekening houdt met factoren als zijn verbondenheid met de tenuitvoerleggingsstaat, meer bepaald met de overweging of het voor hem de plaats is waarmee hij familiale, taalkundige, culturele, sociale, economische of andere banden heeft.
Hieruit vloeit voort dat het voornamelijk aan de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat is om de nodige beoordelingen te verrichten om vast te stellen of de gevonniste persoon in de betrokken lidstaten kans maakt op reclassering, en dat de relaties tussen de lidstaten die worden gekenmerkt door een bijzonder onderling vertrouwen in elkaars rechtsstelsels het voor de tenuitvoerleggingsstaat mogelijk maken om, na toestemming van de beslissingsstaat, beslissingen van de autoriteiten van de beslissingsstaat te erkennen.
Zoals de advocaat-generaal in wezen in de punten 65 tot en met 67 van haar conclusie heeft opgemerkt, zou de mogelijkheid voor de tenuitvoerleggingsstaat om, buiten de in de artikelen 8 en 17 van kaderbesluit 2008/909 uitdrukkelijk genoemde gevallen, de in de beslissingsstaat opgelegde straf of de procedures betreffende de tenuitvoerlegging ervan aan te passen, nadelige gevolgen kunnen hebben voor dit bijzondere onderlinge vertrouwen, en derhalve indruisen tegen de doelstelling om de samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen te versterken.
Die artikelen 8 en 17 spelen dus een cruciale rol bij het nastreven van die doelstelling, aangezien zij voor de erkenning en de tenuitvoerlegging van strafvonnissen de omvang en de grenzen van de aan de bevoegde autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat toegekende bevoegdheden verduidelijken.
Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd dat de opschorting van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf binnen de werkingssfeer van artikel 8 van kaderbesluit 2008/909 valt en bijgevolg niet door de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat op grond van artikel 17 van dat kaderbesluit kan worden toegestaan.
Zoals de Commissie betoogt, vloeit hieruit voort dat in het hoofdgeding moet worden aangenomen dat, voor de toepassing van kaderbesluit 2008/909, nog geen aanvang is gemaakt met de tenuitvoerlegging van de door de verwijzende rechter aan YX opgelegde sanctie, zodat de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat overeenkomstig artikel 13 van dat kaderbesluit het eventueel toegezonden certificaat nog kan intrekken en met het oog op de tenuitvoerlegging van die straf nog kan verzoeken om de overlevering van YX.
Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het feit dat het Hof in wezen heeft geoordeeld dat een beslissing tot herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf wegens schending door de betrokkene van een aan deze opschorting verbonden objectieve voorwaarde, geen „beslissing” in de zin van artikel 4 bis van kaderbesluit 2002/584 vormt, aangezien zij de in een dergelijke beslissing opgelegde straf wat haar aard en strafmaat betreft onverlet laat, en de autoriteit die over een dergelijke herroeping moet beslissen, de zaak die tot de strafrechtelijke veroordeling heeft geleid niet opnieuw ten gronde moet onderzoeken [zie in die zin arresten van 22 december 2017, Ardic,C‑571/17 PPU, EU:C:2017:1026, punten 77 en 78, en 23 maart 2023, Minister for Justice and Equality (Opheffing van opschorting),C‑514/21 en C‑515/21, EU:C:2023:235, punten 53 en 54].
Om te beginnen heeft de rechtspraak die voortvloeit uit de in het vorige punt aangehaalde arresten namelijk betrekking op de uitlegging van kaderbesluit 2002/584 en niet op die van kaderbesluit 2008/909.
Vervolgens waren de verschillende opschortingen van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen in de zaken die aanleiding hebben gegeven tot die arresten, toegestaan door de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat in het kader van vonnissen waarbij een veroordeling wordt uitgesproken. Zoals in de punten 75 tot en met 78 van dit arrest is opgemerkt, valt de erkenning en tenuitvoerlegging van dergelijke vonnissen niet binnen de werkingssfeer van kaderbesluit 2008/909, maar binnen die van kaderbesluit 2008/947.
Tot slot, zoals de advocaat-generaal in punt 72 van haar conclusie in wezen heeft gesteld, impliceert het feit dat de herroeping van de opschorting van een vrijheidsstraf wegens schending door de betrokkene van een aan deze opschorting verbonden objectieve voorwaarde onder de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf kan vallen, niet noodzakelijk dat de beslissing over de vraag of in een bepaald geval de opschorting van een vrijheidsstraf al dan niet moet worden toegestaan, van dezelfde aard is.
Gelet op een en ander moet op de eerste tot en met derde prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 8, lid 1, en artikel 17, lid 1, van kaderbesluit 2008/909 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat, wanneer de bevoegde rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 heeft geweigerd een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen dat door de bevoegde rechterlijke autoriteit van de beslissingsstaat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, en de bevoegde rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat zich ertoe heeft verbonden die straf ten uitvoer te leggen, een andere bevoegde rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat vervolgens overeenkomstig haar nationaal recht de tenuitvoerlegging van die straf opschort.
Vierde prejudiciële vraag
Gelet op de antwoorden die zijn gegeven op de eerste tot en met de derde prejudiciële vraag, hoeft de vierde prejudiciële vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Dictum
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 8, lid 1, en artikel 17, lid 1, van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich ertegen verzetten dat, wanneer de bevoegde rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten heeft geweigerd een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen dat door de bevoegde rechterlijke autoriteit van de beslissingsstaat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, en de bevoegde rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat zich ertoe heeft verbonden die straf ten uitvoer te leggen, een andere bevoegde rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat vervolgens overeenkomstig haar nationaal recht de tenuitvoerlegging van die straf opschort.
ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
4Rechtspraak
1Europese Unie
1Conclusie van advocaat-generaal RantosC-544/2413.11.2025