Beschikking van het Hof van 19 juli 1996, C-191/96 · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Voltallige zitting C-191/96 ECLI:EU:C:1996:310 19 juli 1996

Zoeken

Beschikking van het Hof van 19 juli 1996, C-191/96EG-Verdrag art. 177 en art. 30

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-191-96-beschikking

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Voltallige zitting
Zaak
C-191/96
ECLI
ECLI:EU:C:1996:310
Datum
19 juli 1996

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Prejudiciële verwijzing niet-ontvankelijk
Verwijzende rechter
Pretura circondariale di Roma, sezione distaccata di Tivoli (Italië) beslissing van 21 februari 1996 211/96
Zaak ingediend op
3 juni 1996
Advocaat-generaal
Cosmas

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Italiaans
Jurisprudentie
Jurispr. 1996, blz. I-3937
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Kapteyn
Repertorium van het Hof

Tekst

30 paragrafen

Beschikking van het Hof

19 juli 1996

In zaak C-191/96,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Pretura circondariale di Roma, sezione distaccata di Tivoli, in de aldaar dienende strafzaak tegen

M. Modesti,

om een prejudiciële beslissing over de verenigbaarheid met artikel 30 EG-Verdrag van een nationale wettelijke regeling inzake het beheer van auteursrechten,

geeft

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, C. N. Kakouris, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet en G. Hirsch, kamerpresidenten, G. F. Mancini, J. C. Moitinho de Almeida, P. J. G. Kapteyn (rapporteur), C. Gulmann, J. L. Murray, P. Jann, H. Ragnemalm en L. Sevón, rechters,

advocaat-generaal: G. Cosmas

griffier: R. Grass

de advocaat-generaal gehoord,

de navolgende

Beschikking

1.

Bij beschikking van 21 februari 1996, ingekomen bij het Hof op 3 juni daaraanvolgend, heeft de Pretura circondariale di Roma, sezione distaccata di Tivoli, krachtens artikel 177 EG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over verschillende artikelen van het Verdrag, teneinde zich te kunnen uitspreken over de verenigbaarheid met deze bepalingen van een nationale wettelijke regeling inzake het beheer van auteursrechten.

2.

Deze vragen zijn gerezen in het kader van een strafzaak tegen M. Modesti, waartegen strafvervolging is ingesteld wegens het uitzenden van muziek zonder daartoe gerechtigd te zijn en wegens het onrechtmatig copiëren van magneetbanden en platen,

3.

Van oordeel dat het hem voorgelegde geschil vragen van uitlegging van bepalingen van het EG-Verdrag deed rijzen, heeft de nationale rechter het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen:

1)„ Kan de nationale wetgeving die aan de SIAE [Società Italiana Autori ed Editori] een uitsluitend recht toekent voor het beheer van de auteursrechten, de in-of uitvoer verhinderen of beperken van geluidsdragers die in een andere staat rechtmatig in de handel zijn gebracht?

2)Kan in het kader van de interne markt, die wordt gekenmerkt door het vrij verkeer van goederen en het vrij verrichten van diensten, de SIAE steeds de betaling van bijdragen namens de auteurs verlangen, en daarbij, om haar aanspraken kracht bij te zetten, een beroep doen op de mogelijkheid om strafvervolging te doen instellen?

3)Zijn de nationale wettelijke regeling en de nationale rechtspraak waarop de SIAE zich beroept in de akte waarin zij zich als civiele partij heeft gesteld, van dien aard dat zij een willekeurige discriminatie of een verkapte verlegging van handelsstromen vormen in verband met de commerciële exploitatie van de auteursrechten, van en naar Italië, ten opzichte van de andere Lid-Staten van de Europese Unie?”

4.

Wegens het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te komen, is het noodzakelijk dat deze een omschrijving geeft van het feitelijk en juridisch kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteenzet waarop die vragen zijn gebaseerd (zie in het bijzonder arrest van 26 januari 1993, gevoegde zaken C-320/90, C-321/90 en C-322/90, Telemarsicabruzzo e. a., Jurispr. 1993, blz. I-393, r. o. 6; beschikkingen van 19 maart 1993, zaak C-157/92, Banchero, Jurispr. 1993, blz. I-1085, r. o. 4; 23 maart 1995, zaak C-458/93, Saddik, Jurispr. 1995, blz. I-511, r. o. 12; 7 april 1995, zaak C-167/94, Grau Gomis e. a., Jurispr. 1995, blz. I-1023, r. o. 8; 21 december 1995, zaak C-307/95, Max Mara, Jurispr. 1995, blz. I-5083, r. o. 6, en 20 maart 1996, zaak C-2/96, Sunino en Data, Jurispr. 1996, blz. I-1543, r. o. 4).

5.

Dienaangaande moet worden beklemtoond, dat de in de verwijzingsbeschikkingen verstrekte gegevens en gestelde vragen niet enkel dienen om het Hof in staat te stellen een bruikbaar antwoord te geven, doch ook om de regeringen der Lid-Staten en de andere belanghebbende partijen de mogelijkheid te bieden, overeenkomstig artikel 20 van 's Hofs Statuut-EG opmerkingen te maken (beschikking Sunino en Data, reeds aangehaald, r. o. 5). Het Hof dient erop toe te zien, dat deze mogelijkheid gewaarborgd blijft, nu ingevolge genoemde bepaling alleen de verwijzingsbeschikkingen ter kennis van de belanghebbende partijen worden gebracht (arrest van 1 april 1982, gevoegde zaken 141/81, 142/81 en 143/81, Holdijk e. a., Jurispr. 1982, blz. 1299, r. o. 6, en reeds aangehaalde beschikkingen Saddik, r. o. 13, Grau Gomis e. a., r. o. 10, Max Mara, r. o. 8, en Sunino en Data, r. o. 5).

6.

Vastgesteld moet worden, dat in casu de verwijzingsbeschikking wat de feitelijke en juridische context betreft, onvoldoende gegevens bevat om aan voornoemde eisen te voldoen. De verwijzende rechter beperkt zich er namelijk toe melding te maken van inbreuken op Italiaanse strafrechtelijke bepalingen inzake auteursrechten, door een persoon die verantwoordelijk is voor een particulier radiostation, en van de in deze context gerezen vraag betreffende de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van het monopolie van een onderneming met een uitsluitend recht inzake het beheer van die rechten, die de betaling van bijdragen mag eisen en daarbij bescherming geniet in de vorm van strafrechtelijke sancties. Bovendien deelt de verwijzende rechter onvoldoende inlichtingen mee over de feitelijke context van het geding, de toepasselijke Italiaanse bepalingen, en de precieze redenen waarom hij twijfelt over de uitlegging van het gemeenschapsrecht en zich genoopt ziet prejudiciële vragen aan het Hof voor te leggen.

7.

De door de nationale rechter in zijn verwijzingsbeschikking meegedeelde inlichtingen over die juridische en feitelijke context zijn dus onvoldoende precies, zodat het Hof geen nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht kan geven.

8.

In die omstandigheden moet reeds in deze stand van de procedure overeenkomstig de artikelen 92 en 103 van het Reglement voor de procesvoering worden vastgesteld, dat het verzoek van de nationale rechter kennelijk niet-ontvankelijk is.

Kosten

9.

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE

beschikt:

Het door de Pretura circondariale di Roma, sezione distaccata di Tivoli, bij beschikking van 21 februari 1996 ingediende verzoek om een prejudiciële beslissing, is niet-ontvankelijk.

Luxemburg, 19 juli 1996.

De griffier

R. Grass

De president

G. C. Rodríguez Iglesias

Voetnoten

  • *1Procestaal: Italiaans.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

5
EG-Verdrag art. 1772 voorkomens
EG-Verdrag art. 301 voorkomen

Rechtspraak

3

Europese Unie

3

Hof van JustitieBeschikkingC-128/9730.04.1998

EG-Verdrag art. 30 en art. 36

Hof van JustitieC-178/9530.01.1997

Structurele sanering binnenvaart, speciale bijdrage

Conclusie van advocaat-generaal TesauroC-408/9527.05.1997

Zesde richtlijn 77/388 art. 28duodecies, richtlijn 92/12 art. 28

Bekijk de 3 documenten

Rechtsleer

1
Mok, M.R.: Vereisten verzoek om prejudiciële beslissing, TVVS ondernemingsrecht en rechtspersonen 1997 p.191