ARREST
I — Samenvatting van de feiten en het proces-verloop
Overwegende, dat de feiten welke aan het onderhavige geding ten grondslag liggen als volgt kunnen worden samengevat :
De heer van der Vecht trad op 24 november 1963 in loondienst van de N.V. Motorrevisie- en Scheepsreparatiebedrijf „Ceto”, te Schiedam, waarbij het zijn voornemen was om niet langer dan tot het einde van de week bij die vennootschap werkzaam te blijven. Het revisie- en reparatiebedrijf werd door deze N.V. toen wel uitgeoefend, doch gedaagde was door haar in dienst genomen om buiten de bedrijfsuitoefening in Nederland vallende werkzaamheden te verrichten te Genk (België). De vennootschap was met een in Duitsland gevestigde onderneming (de firma Dürr te Stuttgart) overeengekomen hetzij bepaalde werkzaamheden in onderaanneming te verrichten, hetzij werkkrachten ter beschikking te stellen. Gedaagde was door de N.V. ondergebracht in Nederland te Geleen en werd dagelijks in een autobus van die onderneming en op haar kosten naar en van zijn werk in België vervoerd; ook de reisuren werden vergoed.
Op 27 november 1963 verongelukte de bus waarmee gedaagde naar het werk te Genk werd vervoerd; gedaagde werd hierbij ernstig gewond, moest zijn arbeid sraken en zich onder geneeskundige behandeling stellen. De vennootschap had noch in Nederland, noch in België met betrekking tot de wettelijke ongevallenverzekering van haar arbeiders maatregelen getroffen.
Gedaagde in het hoofdgeding maakte aanspraak op schadeloosstelling krachrens de Ongevallenwet 1921, welke aanspraak eiser niet heeft erkend, omdat naar diens oordeel op grond van artikel 12 van de Verordening no. 3 van de Raad van de E.E.G. ten tijde van het ongeval de Belgische sociale verzekeringswetgeving van toepassing was.
Gedaagde voorzag zich tegen deze afwijzende beslissing bij de Raad van Beroep te Rotterdam, daartoe allereerst stellende, dat hij ten tijde van het ongeval in Nederland werkzaam was, omdat het naar en van het werk vervoerd worden in een geval als dit een deel van de krachtens de arbeidsovereenkomst te verrichten arbeid vormt; subsidiair stelde gedaagde, dat hij viel onder de uitzonderingsbepaling van artikel 13, sub a), van de meergenoemde Verordening no. 3 (gelijk dit artikel destijds luidde).
De Raad van Beroep vernietigde de afwijzende beslissing van de huidige eiser, van oordeel zijnde, dat gedaagde het ongeval op 27 november 1963 is overkomen in verband met zijn dienstbetrekking als werkman in de zin van artikel 1, eerste lid, der Ongevallenwet 1921, zodat gedaagde alleen reeds op die grond recht heeft op schadeloosstelling.
Tegen deze beslissing ging de Sociale Verzekeringsbank in appel bij de Centrale Raad van Beroep. Na te hebben opgemerkt dat ook naar zijn oordeel ten tijde van het ongeval — afgezien van het bepaalde in artikel 12 van de Verordening no. 3 — de Ongevallenwet 1921 op gedaagde van toepassing was, besloot de Raad bij beschikking van 10 februari 1967 aan het Hof de volgende vragen voor te leggen :
1. Is een werknemer, die uitsluitend is aangenomen om arbeid te verrichten op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan die op wiens grondgebied hij woonachtig is en de onderneming in dienst waarvan hij is gevestigd, en die tot het verrichten van die werkzaamheden dagelijks door en op kosten van die werkgever vervoerd wordt naar en van het grondgebied van eerstgenoemde staat, werkzaam op her grondgebied van deze Lid-Staat in de zin van artikel 12 van de Verordening no. 3 ook ren tijde dat hij vervoerd wordt naar deze staat en met name ook gedurende dat deel van het vervoer, dat plaats heeft over het grondgebied van de Lid-Staat op wiens grondgebied hij woont en de onderneming is gevestigd ?
2. Verhindert artikel 12 der Verordening no. 3 niet dat op een werknemer, op wie krachtens voormeld artikel 12 de wettelijke ongevallenverzekering van toepassing is van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij werkzaam is, tevens en gelijktijdig van toepassing is de gelijksoortige wet-telijke ongevallenverzekering van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woonachtig is en de onderneming in dienst waarvan hij werkzaam is gevestigd is, wanneer de betreffende wetgeving van laatstbedoelde Lid-Staat voorziet in een (wettelijke) verzekering van een buiten het grondgebied van deze Lid-Staat werkzame werknemer en die werknemer mitsdien eventueel in beginsel niet alleen zowel in de ene als de andere Lid-Staat aanspraak op schadeloosstelling zou kunnen maken, doch eveneens zowel in de ene Lid-Staat als in de andere premie te zijnen behoeve verschuldigd zou zijn ?
Voorts komt ten aanzien van de toepasselijkheid van artikel 13, sub a) der Verordening no. 3 (zoals dat artikel destijds luidde) eventueel de vraag naar voren, in hoeverre een rechterlijk college als deze Raad gebonden is aan een besluit van de Administratieve Commissie, bedoeld in artikel 43 der verordening, genomen ter uitvoering van de in dat artikel sub a) omschreven taak van die Commissie.
Ten aanzien van voormeld artikel 13, sub a), zijn voorts de volgende vragen gerezen :
Kan van „gewoonlijk werkzaam zijn”, als in die bepaling vermeld, gesproken worden, wanneer het gaat om een werknemer, die uitsluitend in dienst is genomen met het oog op het verrichten van arbeid op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan die waarop de onderneming is gevestigd en zelfs wanneer het andere werkzaamheden in die Lid-Staat betreft dan normaliter in de staat van vestiging der onderneming worden verricht ?
Hoe moet voorts de vermoedelijke duur van de tewerkstelling van de werknemers op het grondgebied van de andere Lid-Staat bepaald worden? Moet dit geschieden aan de hand van de te verwachten duur van de tewerkstelling van iedere werknemer afzonderlijk dan wel naar de vermoedelijke duur van de te verrichten werkzaamheden ?
Het tot het Hof gerichte verzoek om een prejudiciële uitspraak werd op 22 mei 1967 ter Griffie ontvangen.
Op 3 augustus 1967 zond de Commissie van de Europese Gemeenschappen overeenkomstig artikel 20 van het Statuut van het Hof haar opmerkingen in.
De mondelinge behandeling vond plaats op 17 oktober 1967; de Advocaat-Generaal heeft ter terechtzitting van 8 november 1967 conclusie genomen.
II — De krachtens artikel 20 van het Statuut van het Hof ingezonden opmerkingen
Overwegende, dat de beschouwingen van de Commissie als volgt kunnen worden samengevat :
1. Artikel 13, sub a), van Verordening no. 3, gelijk dit destijds luidde, bepaalt : „Op werknemers of daarmee gelijkgestelden die hun woonplaats op het grondgebied van een Lid-Staat hebben, en op het grondgebied van een andere Lid-Staat werkzaam zijn ten behoeve van een onderneming die op het grondgebied van eerstgenoemde staat een bedrijf heeft waarbij zij gewoonlijk werkzaam zijn, is de wetgeving van deze staat van toepassing alsof die personen op zijn grondgebied werkzaam waren, voor zover de vermoedelijke duur van hun tewerkstelling op het grondgebied van de andere Lid-Staat niet meer bedraagt dan 12 maanden; ingeval deze tewerkstelling langer duurt dan 12 maanden, blijft de wetgeving van eerstgenoemde staat gedurende een nieuw tijdvak van ten hoogste 12 maanden van toepassing, mits de bevoegde autoriteit van laatstgenoemde staat of het door deze staat aangewezen lichaam voor het einde van het eerste tijdvak van 12 maanden daaraan goedkeuring heeft gehecht.” Op grond van deze bepalingen is de Commissie van oordeel dat de Nederlandse wetgeving in casu toepasselijk is. Dat in het onderhavige geval betrokkene naar de eis van artikel 13, sub a), zijn woonplaats in Nederland heeft, geeft tot problemen geen aanleiding. Onderwerp van een der aanvullende vragen en middelpunt van het debat is het vereiste van artikel 13, sub a), dat de werknemers werkzaam moeten zijn bij een onderneming die een bedrijf heeft (in casu in Nederland) „waarbij zij gewoonlijk werkzaam zijn”. In beginsel is krachtens artikel 12 op werknemers de wetgeving van toepassing van de staat waar zij werkzaam zijn zelfs indien hun werkgever, of de zetel van de onderneming waarbij zij in dienst zijn, zich op het grondgebied van een andere Lid-Staat bevindt. Artikel 13, sub a), maakt een uitzondering op deze regel door de wetgeving toepasselijk te verklaren van het land, waar de onderneming gevestigd is, doch verlangt daartoe het bestaan van een duidelijke economische binding tussen de werknemers en de onderneming die hen naar een ander land heeft uitgezonden. De Nederlandse versie van deze uitdrukking („waarbij zij gewoonlijk werkzaam zijn”) wekt de indruk van een band tussen de huidige tewerkstelling op het grondgebied van een Lid-Staat en een vroegere werkzaamheid in het bedrijf dat gelegen is op het grondgebied van een andere Lid-Staat en schijnt zich derhalve regen toepassing in casu van artikel 13, sub a), te verzetten. De drie overige versies van bedoelde uitdrukking hebben echter een afwijkende betekenis; zij willen niets anders zeggen dan dat er een organische relatie aanwezig moet zijn tussen de werknemers en de onderneming die tijdelijk van hun diensten op het grondgebied van een andere Lid-Staat gebruikt maakt, „stabilimento da cui i lavoratori dipendono normalemente”, „établissement dont ils relèvent normalement”, „Berrieb … dem die Arbeit-nehmer gewönlich angehören”). Deze drie uitdrukkingen corresponderen met de Nederlandse versie („bedrijf, waaraan hij gewoonlijk verbonden is”), welke bij Verordening no. 24/64 van de Raad in het nieuwe artikel 13 werd ingevoerd. Bovendien werden de voorbereidende werkzaamheden uitsluitend in de Franse taal verricht en keert de uitdrukking „dont ils relèvent normalement” in alle voorontwerpen terug. Artikel 13, sub a), zou derhalve moeten worden geïnterpreteerd in die zin, dat het van toepassing is wanneer werknemers uitsluitend in dienst worden genomen voor het verrichten van arbeid op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan die op het grondgebied waarvan het bedrijf waaraan zij verbonden zijn, is gelegen. Deze uitlegging stemt overeen met die welke de Administratieve Commissie in haar besluit no. 12 van 18 september 1959 heeft gegeven. Volgens de Commissie is het dan ook van weinig belang of de aan de werknemers toevertrouwde werkzaamheden, in het land naar hetwelk zij zijn uitgezonden, andere zijn dan die welke normaliter door de onderneming worden verricht in het land waar zij is gevestigd, immers deze omstandigheid verzwakt geenszins de organische band tussen de werknemer en de onderneming. De Commissie beantwoordt dan ook de op dit punt gestelde aanvullende vraag ontkennend. Daarentegen meent zij dat in geval van „uitlening van werkkrachten” de toepassing van de wetgeving van de staat op wiens grondgebied het bedrijf zich bevindt, niet gewettigd is, daar de werknemer alsdan in de uitvoering van zijn taak niet meer aan het gezag van deze onderneming onderworpen is. Wat betreft de vraag van de Centrale Raad aangaande de betekenis van het woord „tewerkstelling” in de uitdrukking „de vermoedelijke duur van hun tewerkstelling”, is de Commissie van oordeel dar, gezien de huidige tekst, zoals deze luidt in de Verordening no. 24/64, waar gesproken wordt van de „te verwachten duur van de arbeid”, deze term in de oorspronkelijke tekst van artikel 13, sub a), moet worden uitgelegd als zijnde toepasselijk op de werknemer en niet op het werk. Immers deze redactie houdt geen interpretatie in van de oorspronkelijke tekst, doch beantwoordt aan het streven om de misbruiken waartoe deze aanleiding had gegeven tegen te gaan.
2. Het tweede gedeelte van de eerste vraag stelt met betrekking tot de interpretatie van artikel 12 het volgende vraagstuk aan de orde: kan een werknemer geacht worden in de zin van artikel 12 van Verordening no. 3 op het grondgebied van het land van zijn woonplaats werkzaam te zijn ten tijde van een ongeval, dat plaatsvond op het grondgebied van dit laatste land tijdens het vervoer dat zijn werkgever voor eigen rekening, reisurenvergoe-ding inbegrepen, naar het werk van belanghebbende verzorgde ? Volgens de Commissie komt de vraag hierop neer: moet met het oog op de toepassing van artikel 12, het traject worden gelijkgesteld met de plaats van het werk en is het ongeval, zoals dat in de onderhavige zaak is gebeurd, een arbeidsongeval? De Commissie is van oordeel dat het onderscheid russen arbeidsongevallen in strikte zin en ongevallen op weg naar of van het werk geen invloed mag hebben op de oplossing van het wetsconflict, daar dit zou kunnen leiden tot verschillende uitkomsten naar gelang van de toepasselijke wetgevingen. Bovendien mag men niet verwijzen naar een criterium van nationaal recht wanneer het er juist om gaat vast te stellen welke wetgeving moet worden toegepast. Doet men de bepaling van de toepasselijke wetgeving variëren al naar het gebied waarop het ongeval plaatsvond, dan betekent dit, dat de wetgeving zou verschillen naar gelang van de wisselvalligheden van het verkeer. Een oplossing in die zin zou er in casu toe leiden dat aan artikel 12 alle betekenis werd ontnomen, aangezien de werknemer niet slechts aan één, maar aan twee wettelijke regelingen zou zijn onderworpen. Krachtens het beginsel van het doen verdwijnen der grenzen op het gebied van de sociale zekerheid der werknemers, moet het ongeval op weg naar of van het werk geacht worden te hebben plaatsgevonden op het grondgebied van de Lid-Staat welks wetgeving toepasselijk is. Derhalve behoeft niet te worden onderzocht of de werknemer reeds werkzaam is gedurende het gaan naar en het komen van het werk.
3. Aangaande de vraag van de Centrale Raad van Beroep in hoeverre een rechterlijk college van een Lid-Staat gebonden is aan een besluit van de Administratieve Commissie — een vraag dus met betrekking tot artikel 43 van Verordening no. 3 — stelt de Commissie het volgende : Wanneer de nationale rechterlijke instanties de communautaire teksten uitleggen, zijn zij niet verplicht zich te houden aan de daarvan door de Administratieve Commissie gegeven interpretatie, hetgeen nog wordt bevestigd door de tweede zinsnede van artikel 43, sub a). Hoewel deze besluiten dus eigenlijk voor de rechter niet meer betekenen dan adviezen, bezitten zij niettemin een ongemeen gezag. De leden van de Administratieve Commissie worden immers gekozen uit de hoogste bestuursambtenaren; zij zijn bijzonder bekwame deskundigen, aangezien velen van hen hebben deelgenomen aan de werkzaamheden ter voorbereiding van het „Europese verdrag over de sociale zekerheid van migrerende werknemers”.
4. Aangezien de Nederlandse wettelijke regeling, welke voorziet in een verplichte verzekering tegen arbeidsongevallen voor werknemers die buiten het grondgebied van Nederland werkzaam zijn, reeds op belanghebbende van toepassing is, heeft de verwijzende rechterlijke instantie zich afgevraagd of, indien op grond van artikel 12 van Verordening no. 3 de Belgische wettelijke regeling toepasselijk is, ook de Nederlandse wettelijke regeling „tevens en gelijktijdig” van toepassing is. Over dit vraagstuk maakt de Commissie tweeërlei opmerkingen. In hoeverre kan de Nederlandse wettelijke regeling gelijktijdig met de Belgische worden toegepast voor zover het de uitkeringen betreft? Met betrekking tot het vraagstuk van de gelijktijdige toepassing van verschillende wettelijke regelingen heeft het Hof in zijn arrest-Nonnen-macher (92-63) als beginsel gesteld, dat artikel 12 van Verordening no. 3 „aan andere Lid-Staten dan die op welks grondgebied de werknemer of de daarmede gelijkgestelde werkzaam is, niet verbiedt op dezen hun sociale verzekeringswetgeving roe te passen”. Volgens het Hof zou dit beginsel evenwel uitzondering kunnen lijden wanneer een andere Lid-Staat dan die op welks grondgebied de werknemer werkzaam is „deze verplicht bijdragen te betalen aan een sociale verzekeringsinstantie zonder dat dit hem een aanvullend voordeel oplevert ten aanzien van een zelfde risico en een zelfde periode”. In casu wordt de verplichting tot premiebetaling verplaatst van de werknemers naar de werkgevers, die direct of indirect de totale lasten van de schadeloosstelling dragen. Wanneer de Nederlandse wettelijke regeling regelijkertijd naast de Belgische van roepassing zou zijn, zou de werkgever zich gelijktijdig tegenover de op die respectieve wetgevingen gebaseerde geldelijke aanspraken geplaatst kunnen zien. Gelijk de Advocaat-Generaal in de zaak-Nonnenmacher heeft betoogd, ware het in strijd met artikel 12, indien de werkgevers voor het dekken van hetzelfde risico een dubbele premie zouden moeten voldoen, hetgeen, naar het oordeel van de Commissie, evenzeer onverenigbaar zou zijn zowel met de doeleinden van de artikelen 48 tot en met 51 van het Verdrag als met die van de artikelen 59 en volgende. Deze oplossing zou de werkgever bovendien het slachtoffer doen zijn van een door deze artikelen verboden discriminatie, daar de activiteit van de werkgever in het buitenland moet worden beschouwd als het verrichten van diensten in de zin van genoemde artikelen. Het komt de Commissie voor dat het gemeenschapsrecht zich niet verzet tegen een tijdelijke toepassing van de Nederlandse wergeving in dier voege, dat aan de belanghebbende voorlopig, totdat het geschil is geregeld, uitkeringen worden gedaan onder voorbehoud van eventueel verhaal op de werkgever. Deze oplossing vindt haar rechtvaardiging in artikel 51 van het Verdrag. Gelijk het Hof in de zaak-Nonnenmacher besliste, heeft het Verdrag de Raad verplicht „regels vast te stellen om te voorkomen dat de belanghebbenden, bij gebreke van een op hen toepasselijke wetgeving, uit het oogpunt van sociale verzekering onbeschermd blijven”. Tot een dergelijk gevolg heeft nu inderdaad het onderhavige wets-conflict geleid, daar de Nederlandse instellingen, in twijfel verkerende aangaande de interpretatie van artikel 13, sub a), weigeren de uitkeringen toe te kennen waarop de betrokkene aanspraak kan maken zolang de vraag van de toepassing der Nederlandse wetgeving niet is opgelost. Dit ontberen van bescherming is des te pijnlijker nu het voortkomt uit het bestaan zelf van communautaire conflictenregels. Bij gebreke van uitdrukkelijke voorschriften in de verordeningen en met het oog op de verplichting, waaraan herhaaldelijk door het Hof is herinnerd, om aan deze voorschriften een uitlegging te geven overeenkomstig artikel 51, moet volgens de Commissie worden beslist, dat de Nederlandse instellingen gehouden zijn aan belanghebbende uitkeringen te doen tot het moment waarop de toepassing van een andere wetgeving de werknemer in staat stelt uitkeringen te ontvangen van een andere instelling van sociale zekerheid. Met betrekking tot de uiteindelijke verdeling van de lasten tussen de instellingen — wanneer de rechten van de werknemers eenmaal veilig zijn gesteld — onderscheidt de Commissie twee gevallen : indien de oplossing van het wetsconflict leidt tot toepassing van de Nederlandse wetgeving, doet uiteindelijk de Nederlandse instelling de uitkeringen waartoe zij is gehouden; indien daarentegen de Belgische wettelijke regeling moet worden toegepast, zou aan de Nederlandse instelling behalve de gebruikelijke vergoeding van verstrekkingen een verhaalsrecht moeten toekomen tegen de werkgever voor de in geld gedane uitkeringen of eventueel tegen het Belgische waarborgfonds, onder gehoudenheid aan de werkgever de eventueel gestorte premiën te vergoeden.
TEN AANZIEN VAN HET RECHT
Overwegende dat de Centrale Raad van Beroep bij brief van 18 mei 1967, welke op 22 mei 1967 bij het Hof is ingekomen, het Hof overeenkomstig artikel 177 van het Verdrag een verzoek om uitlegging heeft voorgelegd betreffende de artikelen 12 en 13 van de Verordening no. 3;
Overwegende dat in de eerste plaats wordt gevraagd of artikel 12 zo moet worden uitgelegd, dat de werknemer „die is tewerkgesteld op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan die, op wiens grondgebied hij woonachtig is en de onderneming, in dienst waarvan hij is, gevestigd is, maar die tot het verrichten van de arbeid dagelijks door en op kosten van zijn werkgever wordt vervoerd van en naar het grondgebied van de eerstgenoemde staat, in de zin van artikel 12 der Verordening no. 3 werkzaam is op her grondgebied van deze Lid-Staat, ook ten tijde dat hij vervoerd wordt naar deze staat en met name gedurende dat deel van het vervoer, dat plaats heeft over het grondgebied van de andere Lid-Staat”;
dat deze vraag moet worden onderzocht in samenhang met de voorlaatste vraag van de verwijzende rechter, welke de uitleg van artikel 13, sub a), betreft;
Overwegende dat krachtens artikel 12 der Verordening no. 3 de op de werknemer toepasselijke wettelijke regeling inzake sociale zekerheid, behoudens het bepaalde in de volgende artikelen dezer verordening en met name in haar artikel 13, is die van de staat op welks grondgebied hij werkzaam is;
dat het vervoer van de werknemer van zijn woonplaats in een andere Lid-Staat naar de plaats van arbeid en terug slechts een sequeel is van zijn tewerkstelling;
dat een onderscheiding tussen enerzijds een tewerkstelling van een werknemer op het grondgebied van een Lid-Staat, bestaande in de eigenlijke werkzaamheden en het vanwege de onderneming op dit grondgebied verrichte vervoer, en anderzijds een tewerkstelling op het grondgebied van een tweede Lid-Staat, bestaande in het overige vanwege dezelfde onderneming verrichte vervoer, strijdig zou zijn met de geest der Verordening no. 3 en met name van haar artikel 12;
dat de verordening immers in het belang zowel van de werknemers en werkgevers als van de aansprakelijke kassen beoogt elke overbodige opeenstapeling of vermenging van lasten en aansprakelijkheden te vermijden welke uit de gelijktijdige of afwisselende toepassing van meerdere wetgevingen zou voortvloeien;
dat dit oogmerk van artikel 12 wordt bevestigd door de uitzonderingen voorzien bij artikel 13, hetwelk, zelfs voor gevallen waarin de werknemer onmiskenbaar is tewerkgesteld op het grondgebied van meerdere Lid-Staten, nauwkeurige regels geeft ten einde elke gelijktijdige toepassing van meerdere wetgevingen te vermijden;
Overwegende dat artikel 13, sub a), zoals het luidde vóór de Verordening 24/64, welke tekst naar door de verwijzende rechter is vastgesteld uitsluitend van belang is voor het hem voorgelegde geschil, een uitzondering maakt op de voornoemde regel voor de werknemers, woonachtig op het grondgebied van een Lid-Staat, welke tewerkgesteld zijn op het grondgebied van een andere Lid-Staat door een onderneming, die op het grondgebied van de eerstgenoemde staat een bedrijf heeft waarbij zij gewoonlijk werkzaam zijn, en deze aan de wettelijke bepalingen van die eerstgenoemde staat onderwerpt voor zover de vermoedelijke duur van hun tewerkstelling op het grondgebied van de andere nier meer bedraagt dan twaalf maanden;
dat de in de Nederlandse tekst der in artikel 13, sub a), oud, gegeven omschrijving voorkomende woorden „een bedrijf … waarbij zij gewoonlijk werkzaam zijn” in het bijzonder het voorwerp vormen van de voorlaatste vraag van her verzoek om uitlegging;
dat de verwijzende rechter vraagt of deze omschrijving van de Nederlandse tekst toepassing kan vinden op een werknemer, die uitsluitend is aangenomen om arbeid te verrichten op her grondgebied van een andere Lid-Staat dan die, waarop de tewerkstellende onderneming is gevestigd;
dat immers, wanneer men uitsluitend op deze tekst der bepaling afgaat, de indruk wordt gewekt dat een werknemer, die uitsluitend in dienst is genomen met het oog op het verrichten van arbeid op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan die op wiens grondgebied hij woonachtig is en de onderneming in dienst waarvan hij is, gevestigd is, niet onder sub a) valt, zodat op hem de algemene regel van artikel 12 zou moeten worden toegepast;
dat intussen het vereiste ener uniforme uitlegging van de gemeenschapsverordeningen meebrengt, dat deze tekst niet op zichzelf kan worden beschouwd maar dar hij, ingeval van twijfel, wordt uitgelegd en toegepast bij het licht van de tekst in de drie andere talen;
dat de Franse tekst luidt : „un établissement dont il (le travailleur) relève normalement”, terwijl de Italiaanse en Duitse tekst zijn vervat in vergelijkbare, zo niet gelijke bewoordingen;
dat trouwens de Verordening no. 24/64 van de Raad van artikel 13 een Nederlandse tekst heeft gegeven welke beter aansluit bij de teksten in de drie andere talen („een bedrijf … waaraan hij gewoonlijk verbonden is”);
dat uit het geheel dezer teksten voortvloeit, dat het er bij de toepassing van artikel 13, sub a), niet zozeer op aankomt of de werknemer al dan niet tevoren is tewerkgesteld geweest in het binnen de staat zijner woonplaats gelegen bedrijf en of de verrichte werkzaamheden van andere aard zijn dan die, welke gewoonlijk in dit bedrijf worden verricht;
dat het daarentegen voor de bepaling bij welk bedrijf de werknemer „gewoonlijk werkzaam is” er vooral op aankomt of uit het geheel der omstandigheden zijner tewerkstelling blijkt, dat hij onder het gezag staat van genoemd bedrijf;
dat derhalve moet worden geantwoord, dat artikel 13, sub a), eveneens van toepassing is op de werknemer, die uitsluitend in dienst is genomen met het oog op het verrichten van arbeid op het gebied van een andere Lid-Staat dan die, waarop de onderneming, waarbij hij gewoonlijk werkzaam is, is gevestigd, voor zover de vermoedelijke duur van zijn tewerkstelling op het grondgebied van die staat niet meer bedraagt dan twaalf maanden;
Overwegende dat in de tweede plaats wordt gevraagd, of artikel 12 zo moet worden uitgelegd, dat dit artikel zich verzet tegen de gelijktijdige toepassing van de wetgeving van de staat, waar de werknemer woonachtig is en die van de staat waar hij is tewerkgesteld;
Overwegende dat artikel 12 beoogt elke cumulatieve toepassing van nationale wetgevingen, waardoor de sociale verzekeringslasten van de werknemers of van de werkgevers onnodig zouden kunnen worden verzwaard, te vermijden;
dat, behoudens de door de verordening erkende uitzonderingen, artikel 12 aan andere Lid-Staten dan die, op welks grondgebied de werknemer is tewerkgesteld, verbiedt op hem hun wettelijke regeling inzake sociale zekerheid toe te passen, wanneer zulks voor de werknemers of hun werkgevers een verzwaring van lasten mee zou brengen zonder dat dit gepaard gaat met een overeenkomstige aanvulling van de sociale zekerheid;
Overwegende dat in de derde plaats een uitlegging van artikel 43 der Verordening no. 3 wordt gevraagd, ten einde vast te stellen welk het gezag is van de beslissingen der in die bepaling vermelde Administratieve Commissie;
Overwegende dat het gezag der beslissingen van genoemde commissie wordt omschreven door artikel 43 zelf;
dat deze bepaling de Administratieve Commissie opdraagt alle vraagstukken van administratieve of interpretatieve aard, voortvloeiende uit de bepalingen der verordening, te regelen „onverminderd het recht der betrokken autoriteiten, organen en personen om gebruik te maken van de rechtsmiddelen en zich te wenden tot de rechterlijke autoriteiten, bedoeld in de wettelijke regelingen van de Lid-Staten in deze verordening en het Verdrag”;
dat deze tekst de rechtsmacht van de bevoegde rechter om de rechtmatigheid en de inhoud der bepalingen van de verordening te beoordelen, onverlet laat en te dien aanzien aan de beslissingen van genoemde commissie slechts de waarde toekent van een advies;
dat een andere uitleg van artikel 43 niet ware te verenigen met het Verdrag en mer name niet met artikel 177 daarvan, hetwelk een rechtsgang voorziet ter verzekering van de uniforme rechterlijke uitlegging der communautaire rechtsregelen;
Overwegende dar in de laatste plaats wordt gevraagd of artikel 13, sub a), zoals dit luidde vóór de totstandkoming der Verordening no. 24/64, zodanig moet worden uitgelegd, dat het woord „tewerkstelling” in de daarin voorkomende zinswending „de vermoedelijke duur van hun tewerkstelling” ziet op de werkzaamheden van elke werknemer individueel, dan wel op het werk waarbij hij is tewerkgesteld;
dat zowel uit het bezittelijk voornaamwoord „hun” als uir het feit, dat aan het substantief „tewerkstelling” („occupation”) in de vier talen een zelfde betekenis toekomt, blijkt, dat deze uitdrukking ziet op de duur van de tewerkstelling van de werknemer en niet op de duur van het werk waaraan hij is verbonden;
dar derhalve bij de toepassing van artikel 13, sub a), zoals het luidde vóór de Verordening no. 24/64, moet worden gelet op de duur der tewerkstelling van de individuele werknemer en niet op de duur van het te verrichten werk;
Ten aanzien van de kosten
Overwegende dat de kosten van de Commissie der E.E.G. die haar opmerkingen aan het Hof heeft voorgelegd niet terugvorderbaar zijn;
dat de onderhavige instantie ten aanzien van de partijen ten principale het karakter draagt van een incident in het geding voor de Centrale Raad van Beroep en de kostenbeslissing derhalve aan laatstgenoemde rechter staat;
Dictum
verklaart :
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende over de prejudiciële vragen die de Centrale Raad van Beroep bij beschikking van 10 februari 1967 ter beantwoording heeft voorgelegd,
voor recht :
1. De werknemer, die op her grondgebied van een Lid-Staat is tewerkgesteld, doch woonachtig is op het grondgebied van een andere Lid-Staat en wiens vervoer van zijn woonplaats naar zijn werkplaats en terug op kosten van zijn werkgever plaatsvindt, blijft krachtens artikel 12 der Verordening no. 3 onderworpen aan de wettelijke regeling van de eerste staat, zelfs voor zover het vervoer plaatsvindt op het grondgebied van de staat, waar hij woonachtig is en waar de onderneming is gevestigd;
2. Artikel 12 der Verordening no. 3 verbiedt aan andere Lid-Staten dan die, op wier grondgebied de werknemer is tewerkgesteld, om op hem hun wettelijke regeling inzake sociale zekerheid roe te passen, wanneer zulks voor de werknemers of hun werkgevers een verzwaring van lasten mee zou brengen zonder dat daarmee een overeenkomstige aanvulling van sociale zekerheid gepaard gaat;
3. De beslissingen van de Administratieve Commissie, genomen ingevolge artikel 43, sub a), der Verordening no. 3, zijn niet verbindend voor de rechter;
4. Artikel 13, sub a), van Verordening no. 3, zoals dit luidde vóór de totstandkoming der Verordening no. 24/64, is mede van toepassing op de werknemer, die uitsluitend in dienst is genomen met het oog op het verrichten van arbeid op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan die, waarop de onderneming is gevestigd waarbij hij gewoonlijk werkzaam is, voor zover de vermoedelijke duur van zijn tewerkstelling op het grondgebied van eerstgenoemde staat niet meer bedraagt dan twaalf maanden;
5. Artikel 13, sub a), oud, ziet met de woorden „de vermoedelijke duur van hun tewerkstelling” op de duur van de tewerkstelling van de individuele werknemer;
en verstaat :
de beslissing over de kosten der onderhavige instantie blijft bij de Centrale Raad van Beroep.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
1Rechtspraak
1Europese Unie
1Hof van JustitieC-280/0408.12.2005