ARREST
De feiten
I — Feiten en schriftelijke behandeling
Bij beschikking nr. 2794/80/EGKS van 31 oktober 1980 (PB nr. L 291, blz. 1) heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen een „quotastelsel voor de produktie van staal voor de ondernemingen van de ijzer- en staalindustrie” ingevoerd. Krachtens die beschikking heeft de Commissie voor Thyssen Aktiengesellschaft te Duisburg (hierna te noemen: Thyssen) produktiequota voor het vierde kwartaal van 1980 vastgesteld. Een dier aan Thyssen op 3 november 1980 medegedeelde quota was het op 1159701 ton bepaalde quotum voor produkten van categorie I (warmgewalst breedband en bandstaal gewalst op gespecialiseerde walsgroepen).
Bij telex van 11 november 1980 heeft Thyssen de Commissie erop gewezen dat dit quotum haars inziens onjuist was vastgesteld.
De Commissie heeft erkend dat er bij de berekening van het quotum een vergissing was begaan en het quotum bij op 17 december 1980 aan Thyssen medegedeelde beschikking van 11 december 1980 op 1227736 ton bepaald.
In het eerste kwartaal van 1981 overschreed Thyssen het haar voor dat kwartaal toegewezen produktiequotum, wat produkten van categorie I betreft, met 3851 ton. Het teveel geproduceerde is geleverd aan Stahlwerke Bochum, waar elektroplaat wordt geproduceerd.
Op 11 juni 1982 heeft de Commissie aan Thyssen te dezen een boete opgelegd van 288825 Ecu, ofwel 75 Ecu per ton teveel geproduceerd staal.
Op 24 juli 1982 ging Thyssen van deze beschikking in beroep.
Op rapport van de rechterrapporteur en de advocaatgeneraal gehoord, heeft het Hof besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan, met dien verstande dat het partijen heeft verzocht vóór de zitting bepaalde inlichtingen en antwoord op bepaalde vragen te mogen ontvangen.
Krachtens artikel 95, § 1 en § 2 van het Reglement voor de procesvoering, heeft het Hof voorts besloten de zaak naar de Vierde kamer te verwijzen.
II — Conclusies van partijen
Thyssen concludeert dat het den Hove behage:
1. de door verweerster tot haar gerichte en door haar op 18 juni 1982 ontvangen beschikking de dato 11 juni 1982, waarbij haar krachtens artikel 58 EGKS-Verdrag een boete werd opgelegd, nietig te verklaren;
2. verweerster in de kosten te verwijzen.
De Commissie concludeert dat het den Hove behage:
1. het beroep te verwerpen;
2. verzoekster in de kosten te verwijzen.
III — Middelen en argumenten van partijen
In haar eerste middel stelt Thyssen, dat haar, ter zake van overschrijding van het quotum, een geldboete is opgelegd wegens de vervaardiging van een produkt dat, indien artikel 58 EGKS-Verdrag op de juiste wijze zou zijn toegepast, niet onder het quotastelsel had kunnen komen. Zij meent dat men in de aan de boetebeschikking ten grondslag liggende, algemene beschikking nr. 2794/80, elektroband en de voor de vervaardiging van elektroband bestemde grondstoffen (warmgewalst breedband) van de quotering had moeten uitsluiten. Voor zover dit niet is geschied, zou de beschikking met een groot aantal regelen en beginselen van het gemeenschapsrecht in strijd komen en deswege als niet rechtsgeldig zijn te beschouwen.
Thyssen merkt in dit verband allereerst op dat de Commissie ten onrechte heeft aangenomen dat er van een „uitgesproken crisis” in de zin van artikel 58, lid 1, EGKS-Verdrag zou mogen worden gesproken met betrekking tot een stabiele markt als de sinds jaar en dag bestaande markt voor elektroband. Maar als zich geen uitgesproken crisis voordoet, zijn de voorwaarden voor de invoering van een quotastelsel niet vervuld.
Waar er duidelijk meer vraag is naar grondstoffen voor de vervaardiging van elektroband, moet toepassing op die grondstoffen van de algemene produktievermindering tot een ernstige onderbevoorrading van de fabrikanten van elektroband leiden, hetgeen zich niet verdraagt met artikel 3, b, EGKS-Verdrag volgens hetwelk de instellingen moeten „waken voor de regelmatige voorziening van de gemeenschappelijke markt”. Wordt de produktie aldus kunstmatig gehandhaafd op een peil dat niet aan de vraag beantwoordt, dan worden de consumenten gedwongen zich tot fabrikanten in derde landen dan wel tot fabrikanten van vervangend materiaal te wenden, hetgeen de markt blijvend verzwakt, ofschoon de instellingen zich in voormeld artikel 3 tot taak zien gesteld te „waken voor het handhaven van omstandigheden, welke de ondernemingen aansporen tot het vergroten en verbeteren van hun produktiemogelijkheden.”
De algemene beschikking zou voorts in strijd komen met het artikel 4 van het Verdrag omschreven beginsel ener gelijke behandeling, immers in artikel 6 van de algemene beschikking zijn markten als de buizenmarkt en de markt voor vertind blik, waar zich een soortgelijke situatie voordoet als op de markt voor magnetoband, buiten het quotastelsel gebracht. De algemene beschikking zou voorts de werkgelegenheid ongunstig beïnvloeden, ofschoon aan de Gemeenschap in artikel 2, tweede alinea, van het Verdrag met zoveel woorden de verplichting wordt opgelegd de continuïteit van de werkgelegenheid te waarborgen. Niet wel is in te zien waaraan de Commissie de arbeidszekerheid heeft opgeofferd; zij heeft het in ieder geval niet gedaan met het oog op de fundamentele doelstelling van artikel 58 — aanpassing van een te sterke produktie aan een te zwakke vraag —, immers op de markt voor magnetoband heeft zij geen enkele teruggang van de vraag kunnen constateren.
Tenslotte zou de algemene beschikking zijn vastgesteld zonder dat de Commissie zich voldoende van de situatie op de markt voor magnetoband op de hoogte had gesteld, zoals zij, in de zin van artikel 58, lid 2, had moeten doen.
De Commissie roept allereerst, ten exceptieve, de niet-ontvankelijkheid van dit middel in, op grond dat de onrechtmatigheid van een algemene beschikking als beschikking nr. 2794/80, volgens artikel 36, lid 3, van het Verdrag niet mag worden ingeroepen wanneer er tussen zulk een beschikking en de bestreden beschikking rechtens geen rechtstreeks verband bestaat. En van zulk een verband kan met betrekking tot beschikking nr. 2794/80 en de boetebeschikking niet worden gesproken. Verzoekster had zich op gedeeltelijke onrechtmatigheid van beschikking nr. 2794/80 slechts kunnen beroepen indien zij de beschikking tot vaststelling van het quotum voor het eerste kwartaal van 1981 had aangevochten, hetgeen zij niet heeft gedaan.
Thyssen brengt hiertegen in dat deze grief, gezien artikel 36, lid 3, EEG-Verdrag, om twee redenen niet kan worden aanvaard :
in de eerste plaats moet, als het erom gaat te beoordelen of er, wegens overschrijding van een quotum, terecht een boete is opgelegd, worden nagegaan of het quotum naar gemeenschapsrecht rechtsgeldig kon worden vastgesteld;
in de tweede plaats zijn volgens's Hofs jurisprudentie grieven tegen algemene beschikkingen ontvankelijk, zodra zij gericht zijn tegen bepalingen die aan de bestreden individuele beschikkingen ten grondslag liggen. In casu ligt het feit dat grondstoffen ter vervaardiging van magnetoband ten onrechte onder het quotastelsel zijn gebracht, kennelijk ten grondslag aan de boetebeschikking — die uitsluitend op de extra produktie van die grondstoffen is gebaseerd.
Met betrekking tot de vraag of de grief gegrond ist, spreekt de Commissie als haar oordeel uit dat men bij de beantwoording van de vraag of zich een uitgesproken crisis in de zin van artikel 58, lid 1, EGKS-Verdrag voordoet, niet uitsluitend kan uitgaan van een analyse die slechts bepaalde produkten van de ijzeren staalindustrie of bepaalde deelmarkten betreft. Een vaststelling als hierbedoeld kan slechts worden getroffen uitgaande van een beoordeling van de globale economische situatie op de staalmarkt. Voorts is de Commissie volgens artikel 58, lid 2, gehouden de quota „op een billijke grondslag” vast te stellen. Zou men alleen moeilijk afzetbare produkten aan quotering onderwerpen, dan zouden ondernemingen die uitsluitend — of goeddeels — gemakkelijk verkoopbare produkten fabriceren, een ongerechtvaardigd voordeel genieten.
Er kan slechts een uitzondering worden gemaakt wanneer wordt bewezen dat men, door een produkt buiten het quotastelsel te brengen, het evenwicht tussen moeilijk en gemakkelijk(er) afzetbare produkten niet schaadt. Op grond van de marktanalyses welke de Commissie voor de invoering van het stelsel van produktiequota heeft verricht, was haar een duidelijke conclusie in die zin, wat magnetoband betreft, niet mogelijk. Met name tijdens het in september en oktober 1980 tussen de Commissie en de ondernemingen en verenigingen van ondernemingen overeenkomstig artikel 58, lid 2, EGKS-Verdrag gevoerde overleg, kon niet met zekerheid worden vastgesteld of grondstoffen voor de vervaardiging van elektroband wel buiten het stelsel van produktiequota mochten worden gebracht. Pas later leerde de marktontwikkeling dat aan grondstoffen ter vervaardiging van elektroband dezelfde behandeling mocht ten deel vallen die voor vertind blik en buizen was weggelegd.
Dat men grondstoffen ter vervaardiging van elektroband onder de quotering heeft gebracht, beantwoordde volgens de Commissie aan de eis van een billijke verdeling van de lasten van het quotastelsel, en met het beginsel ener gelijke behandeling acht zij het geenszins in strijd.
Met betrekking tot de doelstellingen van artikel 2, tweede alinea, en artikel 3, a en d, EGKS-Verdrag, wijst de Commissie erop dat al die doelstellingen bij de invoering van een stelsel van produktiequota natuurlijk niet tegelijkertijd ten volle kunnen worden verwezenlijkt, en dat het feit dat zij slechts ten dele -worden verwezenlijkt geen grond oplevert de rechtmatigheid van het stelsel te betwisten.
Thyssens tweede middel is tweeledig. Allereerst betoogt Thyssen dat het verschil tussen het haar op 3 november 1980 medegedeelde quotum en het haar op 17 december 1980 betekende gecorrigeerde, hogere, quotum, als een aanvullend quotum is te beschouwen. Derhalve dient te worden vastgesteld dat zij haar aanvankelijke quotum (1159701 ton), met de volgens artikel 8, lid 1, van algemene beschikking nr. 2794/80 toegelaten overschrijdingsmarge van 3 % (in casu: 34791 ton) heeft uitgeput en dat zij, op grondslag van de mededeling van 17 december 1980, nog een hoeveelheid van 70076 ton mocht produceren, waarvan 68035 ton als aanvullend quotum en 2041 ton in de zin van bedoelde marge. Waar zij in het laatste kwartaal van 1980 van die hoeveelheid slechts ± 57700 ton heeft opgenomen, acht Thyssen zich op grond van artikel 8, lid 2, van de algemene beschikking gerechtigd ten hoogste 50 % van de niet verwezenlijkte produktie, naar het eerste kwartaal van 1981 over te brengen. Het gedeelte van het quotum dat aldus mocht worden overgedragen, zou de haar verweten overschrijding met 3851 ton dekken.
De Commissie doet zeggen voor antwoord dat de op 17 december 1980 aan betrokkene betekende beschikking van 11 december 1980 niet is te beschouwen als een besluit houdende toekenning van een aanvullend quotum, doch als een tweeledige handeling, waarbij enerzijds het foute quotum is ingetrokken, anderzijds het juiste quotum — voor het vierde kwartaal van 1980 — is vastgesteld. Er kan dus slechts sprake zijn van
een enkel quotum, namelijk het op 11 december 1980 vastgestelde quotum van 1277736 ton. Thyssens bedrijf, waar de produktie, wat produkten van categorie I betreft, in het laatste kwartaal van 1980 is gestegen tot 1251895 ton, heeft dat quotum — en ten dele ook de 3 %-marge — uitgeput. Op artikel 8, lid 2, van beschikking nr. 2794/80 kan zij dan echter geen beroep meer doen ten betoge dat zij het ongebruikte gedeelte ván de marge mocht overdragen; in genoemde bepaling is met zoveel woorden voorzien dat alleen ondernemingen die hun quota niet hebben uitgeput, de niet gerealiseerde produktie naar het volgende kwartaal mogen overdragen.
In de tweede plaats betoogt Thyssen dat een overdracht van hoeveelheden welke zij in de loop van het laatste kwartaal van 1980 niet kon produceren omdat zij van het definitieve quotum te laat in kennis werd gesteld, ook buiten artikel 8, lid 2, om moet worden toegelaten, zowel krachtens het beginsel volgens hetwelk de administratie zichzelf zou hebben gebonden, als krachtens het algemeen principe dat goede trouw moet worden gehonoreerd.
Het ook in het gemeenschapsrecht erkende administratiefrechtelijke beginsel volgens hetwelk de administratie door haar eigen handelingen gebonden is, zou medebrengen dat de Gemeenschap zich in casu heeft te houden aan de gedragslijn welke zij in vergelijkbare gevallen heeft gevolgd en blijkens verschillende beslissingen van de Commissie (de op 6 april 1981 tot Thyssen gerichte beschikking betreffende de overdracht van een op 26 januari 1981 betekende verhoging van het quotum voor het vierde kwartaal van 1980; beschikking gericht tot de vennootschap Ferriera Padana betreffende de overdracht van een op 18 december 1980 betekende verhoging van het quotum voor het vierde kwartaal van 1980) bestond die gedragslijn daarin dat gedeelten van quota die de betrokken onderneming door te late kennisgeving van de quota voor een bepaald kwartaal niet had kunnen uitputten, ten volle naar het volgende kwartaal mochten worden overgedragen. Dank zij die beschikkingen konden de betrokken ondernemingen ten volle van de hun te laat medegedeelde verhogingen der quota — inclusief marge — profiteren. Anders dan de Commissie wil volhouden, acht Thyssen het van geen belang of die verhoging kort voor het einde van het betrokken kwartaal dan wel nadien heeft plaatsgevonden; de te late mededeling is er in elk van beide gevallen de oorzaak van dat de betrokken onderneming niet in staat is de hoeveelheid te produceren die anders normaal zou zijn geweest. En wat de vennootschap Ferriera Padana betreft: de overdracht van de niet-gerealiseerde produktie is toegestaan zonder dat de voorwaarden, gesteld in artikel 8, lid 2, van beschikking nr. 2794/80, waren vervuld.
De Commissie brengt hiertegen in dat Thyssen het bestaan van een „zelfbindingsbeginsel” in het gemeenschapsrecht niet heeft bewezen. En al ware dit anaers, dan nog zou het in casu slechts toepassing kunnen vinden ten aanzien van beschikkingen van discretionaire aard. In casu heeft men evenwel te maken met een beschikking, genomen krachtens een gebonden bevoegdheid: de Commissie beschikte, bij de vaststelling van de produktiequota voor het eerste kwartaal van 1981 ten aanzien van categorie I, over geen enkele discretionaire bevoegdheid.
Voorts kunnen de beide door Thyssen genoemde gevallen niet met het onderhavige geval worden vergeleken: in beide eerstgenoemde gevallen ging het om niet-uitgeputte quota, terwijl verzoekster haar quotum in het vierde kwartaal reeds had overschreden. Hetgeen er binnen de marge geproduceerd had kunnen worden, leent zich niet voor overdracht: zou de Commissie zulk een overdracht hebben toegestaan, dan zou zij daarmede hebben getornd aan artikel 8, lid 2, van beschikking nr. 2794/80, waarin alleen de overdracht van gedeelten der quota wordt toegestaan.
Voor het geval dat het Hof de produktie van de omstreden 3851 ton werkelijk als een overschrijding van het quotum mocht beschouwen, wijst Thyssen er subsidiair op dat het détournement de pouvoir oplevert, wanneer de Commissie die overschrijding inroept en deswege een boete oplegt. Die boete betreft in feite een maatregel waardoor verzoekster alleen maar, zij het gedeeltelijk, de gevolgen ongedaan heeft willen maken van een bij de berekening der quota begane — discriminerende — vergissing, waarvoor de Commissie alleen heeft op te komen. De door de Commissie aangenomen houding is kennelijk in strijd met het gemeenschapsrechtelijk erkende beginsel van de goede trouw.
Als gevolg van de door de Commissie gemaakte vergissing, is Thyssen in objectieve zin belet ten volle gebruik te maken van de produktiemogelijkheden welke haar in het kader van beschikking nr. 2794/80 waren toegekend en bepaalde hoeveelheden, onder meer door Stahlwerke Bochum (hierna te noemen: SWB) bij haar bestelde partijen produkten, te leveren. Zij heeft dus schade geleden en is gerechtigd vergoeding daarvan door de Commissie te verlangen.
In het eerste kwartaal van 1981 heeft Thyssen, met een ook aan de Commissie bekend concreet geval voor ogen, waarin de Commissie de noodzaak van een regeling had toegegeven, eigener beweging die schade gedeeltelijk goedgemaakt.
Erkennend dat het er niet om gaat een recht op compensatie wegens aan de Gemeenschap te wijten inconveniënten in te roepen, houdt Thyssen staande dat het beginsel van de goede trouw medebrengt dat de Commissie aan verzoekster geen geldboete oplegt wegens het enkele feit dat zij heeft geprobeerd paal en perk te stellen aan de schade die haar als gevolg van een door de Commissie zelf begane vergissing te wachten stond.
In verband met de vraag naar de schade heeft Thyssen erop gewezen dat SWB en haar kopers ernstig nadeel zouden hebben geleden indien er niet uiterlijk in het eerste kwartaal van 1981 3851 ton grondstoffen zouden zijn geleverd, welke schade dan op verzoekster zou zijn afgewenteld.
Thyssen houdt voorts staande dat de te late mededeling van het quotum haar onvermijdelijk rechtstreeks zou hebben benadeeld, indien zij de hoeveelheid waarom het bij de overschrijding gaat, niet had geleverd. Anders dan de Commissie meent, mocht zij haar aanvankelijk quotum — met marge — niet overschrijden voordat zij bericht van verhoging der quota had ontvangen, waaraan niet afdoet dat het quotum haars inziens verkeerd was berekend. Op grond van haar eigen schattingen alleen mocht zij een bindende mededeling van haar toegekende quota niet naast zich neerleggen.
De Commissie meent dat op grond van het beginsel van de goede trouw niet tot onrechtmatigheid van de bestreden beschikking kan worden geconcludeerd: in artikel 9 van beschikking nr. 2794/80 wordt bij overschrijding van het quotum zonder meer een geldboete voorgeschreven. Daar de Commissie te dezen niet over discretionaire bevoegdheden beschikt, gaat het niet aan om, zoals Thyssen doet, te beweren dat de discretionaire bevoegdheid van de Commissie om redenen van billijkheid, met het beginsel van de goede trouw verband houdende, zou moeten worden ingeperkt.
De Commissie betwist zowel dat er schade geleden is alsook dat er causaal verband bestaat tussen de ingeroepen schade en het feit dat de beschikking tot verhoging van het quotum voor het vierde kwartaal van 1980, verzoekster pas op 17 december van dat jaar heeft bereikt.
Zij wijst erop dat Thyssen alleen maar heeft uiteengezet voor welke consequenties SWB zou zijn komen te staan indien er geen grondstoffenleveranties buiten het kader van de door verweerster vastgestelde produktiequota zouden hebben plaatsgevonden. Verzoekster heeft evenwel geen feitelijke gegevens overgelegd waaruit blijkt in hoeverre de moeilijkheden waaraan SWB het hoofd had moeten bieden, haar schade zouden hebben toegevoegd.
En aangenomen al dat er schade zou zijn geleden, dan nog heeft Thyssen niet bewezen dat die schade een gevolg is van de te late mededeling van het quotum. Volgens de Commissie zou verzoekster, als zij haar produktie behoorlijk gepland had, de hier bedoelde hoeveelheid zonder bezwaar kunnen hebben produceren.
De tegenwerping dat verzoekster met een groot aantal niet-uitgevoerde bestellingen te maken had en het voor zodanig geval in de Duitse wetgeving voorziene percentage van de beperking der leveringen had moeten respecteren, is zo vaag dat verweersters standpunt er niet door aan het wankelen wordt gebracht. Thyssens dagproduktie over de maand december 1980 bewijst juist dat de produktie van 3851 ton ook in het bestek van het aanvankelijke, te lage, quotum mogelijk zou zijn geweest. Tot 16 december 1980 behoefde Thyssen niet aan de 3 % marge te komen. In het kader van die niet-uitgeputte produktiemogelijkheid, had zij vóór 17 december 1980 zeer wel de 3851 ton grondstoffen voor de vervaardiging van elektroband ten behoeve van SWB kunnen produceren.
In haar derde middel betoogt Thyssen dat de Commissie, door haar een boete op te leggen, zowel het op „venire contra factum proprium” gestelde verbod heeft geschonden als het beginsel dat het gewettigd vertrouwen moet worden gehonoreerd.
Volgens Thyssen hebben de vertegenwoordigers van Otto Wolff AG te Keulen, evenals Thyssen moedermaatschappij van SWB, tijdens een op 17 november 1980 gehouden bijeenkomst, aan de vertegenwoordigers van de Commissie de redenen uiteengezet waarom de leveringen aan SWB perse door Thyssen moesten geschieden.
Toen was gebleken dat er voorshands geen afwijkende maatregelen konden worden genomen, zou bij die gelegenheid zijn afgesproken dat men een pragmatische oplossing zou zoeken welke, onverminderd de vast te stellen formele uitzonderingsvoorschriften, aan de bestaande behoefte aan een bevredigende regeling zou tegemoetkomen.
De Commissie zou zich bereid verklaard hebben stilzwijgend, zonder een formele uitzonderingsbeschikking te nemen, een overschrijding te tolereren. De overeenkomst zou door de heer Remy, lid van het directorium van Otto Wolff AG, zijn vermeld in een tot de Commissie gerichte brief van 3 december 1980, waarop de Commissie in het geheel niet zou hebben gereageerd. Het hierdoor bij verzoekster gewekte vertrouwen zou nog zijn versterkt door de houding, aangenomen door de vertegenwoordigers van de Commissie die, op een op 17 december 1980 gehouden bijeenkomst, zouden hebben toegegeven dat SWB's behoefte, aan door verzoekster te leveren grondstoffen voor de vervaardiging van elektroband, ten volle moesten worden gegarandeerd.
Zulke „toezeggingen” zouden volgens Thyssen een situatie scheppen, waarin er, ook zonder dat er een verweerster rechtstreeks bindende afspraak is gemaakt, van „gewettigd vertrouwen” mag worden gesproken.
De Commissie stelt dat er door haisr ambtenaren op de bijeenkomst van 27 november 1980 geen enkele belofte is gedaan volgens welke er bij overschrijding geen boete zou worden opgelegd en dat er aan de brief van de heer Remy van 3 december 1980 dan ook niets kan worden afgelezen. Op de bijeenkomst van 17 december 1980 hebben de ambtenaren der Commissie er voorts op gewezen dat Thyssen SWB moest bevoorraden uit het hem voor categorie I toegekende quotum, dat hoog genoeg was.
De Commissie voegt hieraan toe dat zulke beloften, indien al gedaan, om redenen van openbare orde als niet rechtsgeldig zouden moeten worden beschouwd.
In de eerste plaats kan een de Commissie bindende belofte slechts worden gedaan door een verantwoordelijk gezagsorgaan, als hoedanig slechts de Commissie of een tot het doen van zulke verklaringen bevoegd lid der Commissie kan worden beschouwd.
Wat meer zegt: volgens artikel 9 van algemene beschikking nr. 2794/80 moet er bij overschrijding van het quotum zonder meer een boete worden opgelegd. Waar de Commissie niet beschikte over discretionaire bevoegdheden die haar toestonden oplegging van een boete achterwege te laten, zou iedere belofte in die zin onrechtmatig zijn en geen situatie doen ontstaan waarin van gewettigd vertrouwen mag worden gesproken.
Het vierde middel van Thyssen houdt in, dat de beschikking waarbij de Commissie haar een boete heeft opgelegd, in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, omdat men geen recht heeft doen wedervaren aan de bijzondere omstandigheden (de overtreding was maar gering; op de betrokken markt zou zich geen uitgesproken crisis voordoen; de fout, door de Commissie bij de mededeling van de quota begaan; beloften van de Commissie) welke, volgens verzoekster, voor het onderhavige geval kenmerkend zijn. Uit een en ander blijkt dat men in casu niet met een „normale” overschrijding der quota te maken heeft. In werkelijkheid doet zich hier een opeenhoping van atypische feiten en omstandigheden voor, die om een uitzondering op de regel vragen, omdat zij de veronderstelde inbreuk allemaal minder ernstig maken.
Door nochtans een boete op te leggen, zou de Commissie, gezien de bijzondere omstandigheden van het geval, een houding aan de dag hebben gelegd die lijnrecht tegen het evenredigheidsbeginsel ingaat.
De Commissie wijst er in de eerste plaats op dat zij volgens artikel 9, lid 1, van beschikking nr. 2794/80 in het geheel niet over discretionaire bevoegdheden beschikt, volgens welke zij zou kunnen uitmaken of er al dan niet een boete moet worden opgelegd, terwijl zij evenmin het boetebedrag vrijelijk zou kunnen vaststellen. Zij voegt hieraan toe dat bovendien geen van de door Thyssen ingeroepen feiten en omstandigheden afbreuk kan doen aan de haar in artikel 9, lid 1, opgelegde verplichting iedere overschrijding te beboeten. Ook te zamen kunnen deze feiten en omstandigheden aan die verplichting niet afdoen. Hetzelfde geldt voor het boetebedrag. Een beperking van dat bedrag zou met name geen rechtvaardiging kunnen vinden in het feit dat de overschrijding „te verwaarlozen” zou zijn geweest, immers in beschikking nr. 2794/80 is met geringe overschrijdingen reeds rekening gehouden in dier voege dat er een marge van 3 % is voorzien.
In haar vijfde middel betoogt Thyssen dat de bestreden beschikking onvoldoende met redenen omkleed is en dat zij werd vastgesteld na een procedure tijdens welke er fundamentele rechten zouden zijn geschonden.
Volgens Thyssen kan aan de beschikking niet worden afgelezen of de Commissie de door verzoekster aangevoerde argumenten in de administratieve procedure heeft onderzocht.
De Commissie doet zeggen voor antwoord dat zij in de redengeving van de beschikking heeft vermeld dat verzoekster zich over de grief betreffende de overschrijding der quota mondeling en schriftelijk heeft uitgelaten. Zulks bewijst dat de Commissie de door verzoekster ingeroepen feiten en argumenten heeft beoordeeld. Zij behoeft die beoordeling niet gedetailleerd in de beschikking op te nemen.
De schending van de fundamentele rechten zou volgens Thyssen bestaan in het feit dat de Commissie tijdens een op 15 januari 1982 gehouden hearing een bandopname heeft gemaakt, zonder dat de vertegenwoordigers van verzoekster daarvan wisten. Die bandopname, die is totstandgekomen in strijd met een van de fundamentele rechten van de mens — die, volgens's Hofs jurisprudentie, een integrerend deel van het gemeenschapsrecht uitmaken —, had in de beschikking niet mogen gebruikt.
De Commissie merkt op dat men van de opname slechts gebruik heeft gemaakt om een verslag van de hearing te kunnen opmaken; dat verslag is bij brief van 1 februari 1982 aan verzoekster medegedeeld en verzoekster heeft er zich op 11 februari 1982 over uitgelatens De beschikking berust in geen enkel opzicht op de opname. Dat er een door verzoekster goedgekeurd verslag is opgemaakt, ontneemt ieder belang aan de vraag betreffende de gebruikmaking van een opname die buiten medeweten van betrokkenen is totstandgekomen.
In haar conclusie van repliek draagt Thyssen een nieuw argument voor: de boetebeschikking zou in ieder geval moeten worden nietigverklaard omdat verzoekster niet onrechtmatig heeft gehandeld. Het beginsel „nulla poena sine culpa” is volgens's Hofs jurisprudentie als een wezenlijk deel van het gemeenschapsrecht te beschouwen en uit verschillende feiten en omstandigheden, zoals de door de Commissie gedane toezeggingen dat zij de overschrijding zou tolereren, de noodtoestand waarin SWB zich bevond, het feit dat de quota te laat zijn medegedeeld, en de geringe overschrijding ervan, zou duidelijk blijken dat Thyssen zich geen onrechtmatig handelen heeft te verwijten, ter zake waarvan een boete zou mogen worden opgelegd. Dat de Commissie, naar zij zelf toegeeft, zelfs niet heeft onderzocht of er van onrechtmatig handelen mocht worden gesproken, moet trouwens ook in aanmerking worden genomen als het erom gaat of de beschikking wel met redenen omkleed is.
De Commissie brengt er hiertegen in dat de boete die in artikel 9, lid 1, van algemene beschikking nr. 2794/80 voorzien is, geen strafrechtelijk karakter draagt en uitsluitend bedoeld is om aan betrokkenen voordeel, dat zij door overschrijding van de produktiequota ten onrechte verkregen, te ontnemen. Toepassing van die bepaling wil dus geenszins zeggen dat er onrechtmatig is gehandeld.
VI — Mondelinge behandeling
Partijen zijn ter terechtzitting van 18 mei 1983 gehoord.
De advocaatgeneraal heeft ter terechtzitting van 6 juli 1983 zijn conclusie genomen.
In rechte
Bij op 24 juli 1982 ter griffie van het Hof ingekomen request heeft de vennootschap Thyssen Aktiengesellschaft (hierna te noemen: Thyssen) te Duisburg krachtens artikel 36, tweede alinea, EGKS-Verdrag, beroep ingesteld tot nietigverklaring van de beschikking waarbij de Commissie haar een boete van Ecu 288825 ofwel DM 691802 heeft opgelegd.
In de redengeving der omstreden beschikking wordt erop gewezen dat Thyssen in het eerste kwartaal van 1981 de produktiequota, haar voor produkten van categorie I toegekend in het kader van het stelsel van staalproduktiequota dat bij beschikking nr. 2794/80/EGKS van de Commissie van 31 oktober 1980 (PB nr. L 291, biz. 1) in het leven was geroepen, met 3851 ton heeft overschreden.
De bedoelde hoeveelheid is, ter uitvoering van een bestelling uit 1980, geleverd aan de vennootschap Stahlwerke Bochum (hierna te noemen: SWB), die elektroband fabriceert en bedoelde hoeveelheid voor een continue produktie nodig had.
In verband met de haar verweten overschrijding releveert Thyssen de navolgende omstandigheden die zich in het vierde kwartaal van 1980 zouden hebben voorgedaan:
—het door de Commissie op 3 november 1980 aan Thyssen meegedeelde quotum van 1159701 ton was onjuist;
—het juiste quotum van 1227736 ton is verzoekster op 17 december 1980 betekend;
—de in artikel 8, lid 1, van voormelde beschikking nr. 2794/80 voorziene overschrijdingsmarge van 3 % beliep, op grondslag van het gecorrigeerde quotum, 36832 ton;
—Thyssen zou dus in het laatste kwartaal van 1980 1264568 ton hebben mogen produceren;
—Thyssens werkelijke produktie in de hierbedoelde periode heeft 1251895 ton belopen, zodat er van de tolerantiemarge 12673 ton onbenut zou zijn gebleven.
Thyssen heeft de overschrijding in het eerste kwartaal van 1981 als zodanig niet weersproken, maar betoogt:
a)dat algemene beschikking nr. 2794/80/EGKS onrechtmatig is omdat elektroband en grondstoffen ter vervaardiging van elektroband ten onrechte onder het stelsel van produktiequota zijn gebracht;
b)in artikel 8, lid 2, van die algemene beschikking binnen zekere grenzen een recht op overdracht naar het volgende kwartaal is voorzien, waarvan ook verzoekster, voor in het vierde kwartaal van 1980 niet geproduceerde hoeveelheden, gebruik kon maken;
c)de Commissie een administratieve praktijk had ontwikkeld volgens welke aan ondernemingen die zich in dezelfde situatie bevonden als verzoekster, overdracht werd toegestaan, zodat de door verzoekster begane overschrijding niet kon worden gestraft zonder miskenning van het beginsel volgens hetwelk de administratie aan haar eigen handelingen is gebonden („zelfbinding” van de administratie);
d)de Commissie verzoekster het quotum te laat heeft medegedeeld en haar daardoor belet heeft de voor SWB bestemde hoeveelheid nog in 1980 te produceren, zodat de Commissie, zonder schending van het beginsel dat goede trouw moet worden gehonoreerd, aan betrokkene niet kan verwijten dat zij die hoeveelheid in het eerste kwartaal van 1981 heeft geproduceerde
e)hoge ambtenaren van de Commissie verzoekster hadden toegezegd dat zij niet zou worden beboet wegens een overschrijding die alleen zou worden begaan om aan SWB de hoeveelheid grondstoffen te kunnen leveren die zij voor een ononderbroken produktie behoefde;
f)de Commissie, die buiten verzoekster om tijdens een op 15 januari 1982 gehouden hearing een bandopname heeft gemaakt, daarmede wezenlijke vormvoorschriften heeft geschonden;
g)verzoekster is beboet zonder dat is bewezen dat zij onrechtmatig heeft gehandeld;
h)de Commissie het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden door bij de vaststelling der boete van de mathematische vaststelling van een overschrijding van het quotum uit te gaan, zonder rekening te houden met de bijzondere omstandigheden welke zich in casu hebben voorgedaan.
Het argument volgens hetwelk de Commissie elektroband en grondstoffen voor de vervaardiging van elektroband ten onrechte onder het quotastelsel zou hebben gebracht, omdat de markt voor elektroband in de jaren 1974-1980 geen teruggang zou hebben vertoond, is weersproken door de Commissie, die heeft betoogd dat de algemene crisis in de ijzer- en staalindustrie zich de laatste jaren ook tot de sector elektroband uitstrekte. De Commissie heeft, bij haar beantwoording van de door het Hof gestelde vragen, statistieken overgelegd blijkens welke er in de Gemeenschap in 1978 88920 ton, in 1979 85250 ton en in 1980 75580 ton magnetoband is geproduceerd. Ten verhöre heeft de Commissie nader verklaard dat de produktie van magnetoband in 1980 ± 900000 ton heeft bedragen, hetgeen een daling van 400000 ofwel 29 % betekent ten opzichte van 1974, het laatste jaar met een gunstige conjunctuur in de ijzer- en staalindustrie.
In verband met een en ander moet het er voor worden gehouden dat de Commissie, zonder artikel 58 te miskennen en zonder discriminatie te begaan, kon oordelen dat er geen termen aanwezig waren elektroband van het stelsel van produktiequota uit te sluiten.
Naar aanleiding van het middel, ontleend aan artikel 8, lid 2, van beschikking nr. 2794/80/EGKS zij vastgesteld dat die bepaling uitsluitend de mogelijkheid voorziet om een niet-uitgeput produktiequotum naar het volgende kwartaal over te dragen, terwijl Thyssen haar quotum volledig had benut. Het argument van verzoekster, volgens hetwelk er bij mededeling van 17 december 1980 een aanvullend quotum zou zijn vastgesteld dat zij, na haar aanvankelijk quotum — met overschrijdingsmarges — totaal te hebben uitgeput, niet volledig had kunnen opnemen, faalt derhalve; er is in werkelijkheid maar een enkel quotum toegekend, te weten het quotum waarvan haar op 17 december 1980 mededeling werd gedaan en dat in de plaats kwam van het onjuist berekende quotum, in de kennisgeving van 3 november 1980 bedoeld.
In verband met de ingeroepen „zelfbinding” der administratie heeft de Commissie aangetoond dat ondernemingen waaraan zij overdracht toestond, anders dan Thyssen, hun quotum niet hadden uitgeput, zodat de voorwaarden, in voormeld artikel 8, lid 2, van de mogelijkheid van zodanige overdracht gesteld, waren vervuld. Daar de situaties niet vergelijkbaar zijn, kan geen gemeenschapsrechtelijk beginsel worden ingeroepen ten betoge dat men recht zou hebben op eenzelfde behandeling.
Voor zover er een middel is gemaakt van de vertraging waarmede het definitieve quotum werd meegedeeld, zij erop gewezen dat het onrechtmatig handelen van de Commissie schending van het gemeenschapsrecht door een onderneming niet vermag te rechtvaardigen, waaraan door de onderneming ingeroepen economische rechtvaardigingsgronden niet afdoen.
Ook het argument volgens hetwelk ambtenaren van de Commissie toezeggingen zouden hebben gedaan, faalt, aangezien geen enkele ambtenaar zich rechtsgeldig kan verbinden het gemeenschapsrecht buiten toepassing te laten. Zulk een toezegging, indien al gedaan, vermag geen situatie te scheppen waarin er van een gewettigd vertrouwen zou kunnen worden gesproken.
Ook het middel volgens hetwelk er, door een tijdens de hearing van 15 januari 1982 gemaakte bandopname, wezenlijke vormvoorschriften zouden zijn geschonden, kan niet worden aanvaard. Het moge wenselijk zijn dat de Commissie de vertegenwoordigers der ondernemingen die wensen deel te nemen aan een hearing, tevoren doet weten dat zij, ter voorbereiding van het verslag, al het gesprokene pleegt te registreren, in casu is niet weersproken dat het volledig verslag van de hearing aan Thyssen ter goedkeuring is voorgelegd, zodat er zonder haar voorkennis geen gegevens in het dossier zijn terechtgekomen.
Ten betoge dat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld, stelt Thyssen dat zij zich, blijkens alle te dezen relevante feiten en omstandigheden — de noodtoestand waarin SWB zich bevond; de toezeggingen van de ambtenaren der Commissie; het feit dat mocht worden betwijfeld of grondstoffen voor de vervaardiging van elektroband wel terecht onder het quotastelsel waren gebracht; de te late mededeling van het quotum voor het vierde kwartaal van 1980; de geringe overschrijding van het quotum voor het eerste kwartaal van 1981 — kennelijk geen onrechtmatig handelen heeft te verwijten dat de oplegging van een boete zou kunnen rechtvaardigen.
De bij bespreking van Thyssens andere middelen reeds ongegrond bevonden argumenten kunnen terstond terzijde worden gelegd. Bespreking behoeven nog slechts de noodtoestand en de „geringe” overschrijding.
Het argument volgens hetwelk er van een noodtoestand mocht worden gesproken, moet worden verworpen. Welke rol dit argument in het gemeenschapsrecht in het algemeen moge hebben gespeeld, een onderneming kan zich, ter rechtvaardiging van een schending van verplichtingen die krachtens het stelsel van produktiequota op haar rusten, in geen geval beroepen op de noodtoestand waarin een derde zich zou bevinden.
Naar aanleiding van de stelling dat de overschrijding van het quotum zeer gering zou zijn geweest, zij eraan herinnerd dat er wegens die overschrijding een boete is opgelegd omdat zij de in artikel 8, lid 1, van beschikking nr. 2794/80 vastgestelde tolerantiemarge van 3 % te boven ging, hetgeen wil zeggen dat de overschrijding niet als te verwaarlozen was te beschouwen.
Terecht heeft de Commissie zich dan ook, zelfs in het onderhavige geval, gedragen naar de beginselen betreffende overtredingen als bedoeld in artikel 58 EGKS-Verdrag en-de deswege op te leggen boete.
Nochtans dient de worden nagegaan of de door de Commissie opgelegde boete, gezien de omstandigheden, gerechtvaardigd was. Er zij in dit verband aan herinnerd dat verzoekster het evenredigheidsbeginsel geschonden acht omdat de Commissie zich ertoe zou hebben beperkt om, op grond van de mathematische vaststelling van een overschrijding van het quotum, een geld- boete op te leggen, zonder rekening te houden met de bijzondere omstandigheden welke zich in casu zouden hebben voorgedaan.
De Commissie acht zich gebonden door artikel 9 van beschikking nr. 2794/80/EGKS, volgens hetwelk de boete voor iedere ton waarmede het quotum wordt overschreden, „in de regel” Ecu 75 bedraagt. In haar administratieve praktijk zou verweerster, toepassing aan de bepaling gevend, nimmer lager zijn gegaan dan Ecu 75 per ton teveel geproduceerd staal. De Commissie erkent evenwel dat er in bepaalde uitzonderlijke gevallen een lagere boete kan worden opgelegd.
Dit betoog berust echter op een onjuiste opvatting van de bevoegdheden der Commissie. Wordt bij de uitlegging van genoemd artikel 9 te rade gegaan met artikel 58, lid 4, EGKS-Verdrag, waarin slechts het maximum der boeten wordt aangegeven, en met de in artikel 9 zelf aangehouden term „in de regel”, dan is aan de Commissie geenszins de — door haarzelf ook in uitzonderingsgevallen erkende — bevoegdheid ontzegd het bedrag van de boeten af te stemmen op de omstandigheden waaronder de overtreding werd begaan.
Blijkens het dossier heeft de vertraging waarmede het definitieve quotum haar werd medegedeeld, Thyssen belet om de hoeveelheid die zij had kunnen „uitputten”, in het laatste kwartaal van 1980 te produceren. Met een zeer zakelijke verwijzing naar de technische eisen der produktie en de reglementering van de arbeid in de Bondsrepubliek Duitsland, heeft verzoekster bewezen dat het tijdvak van 17 december 1980 tot het eind van het vierde kwartaal van 1980, onvoldoende was om haar tolerantiemarge te kunnen uitputten.
Ten faveure van verzoekster dient derhalve te worden erkend dat zich een uitzonderlijke situatie heeft voorgedaan waarin met betrekking tot de ernst der overtreding en de op te leggen boete een andere beoordeling dan die der Commissie gerechtvaardigd was.
Er zij in dit verband aan herinnerd dat het Hof, krachtens artikel 36, lid 2, van het Verdrag, in volle omvang van beroepen tegen op grond van de verdragsbepalingen opgelegde geldstraffen en dwangsommen kennis neemt.
Gezien de uitzonderlijke omstandigheden waaronder de overtreding werd begaan, zijn termen aanwezig de boete te bepalen op het symbolisch bedrag van Ecu 5 ofwel DM 12.
Kosten
Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Het Hof kan evenwel volgens paragraaf 3 van dat artikel de proceskosten geheel of gedeeltelijk compenseren, indien partijen onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld, en voorts wegens bijzondere redenen. Waar zowel verzoekster als de Commissie gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld, zijn termen aanwezig, de proceskosten te compenseren.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
rechtdoende:
1. Stelt de boete, door de Commissie aan de vennootschap Thyssen Aktiengesellschaft opgelegd, op Ecu 5 ofwel DM 12.
2. Verstaat dat elk van beide partijen de eigen kosten zal dragen.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
1Rechtspraak
1Europese Unie
1Conclusie van advocaat-generaal Stix-HacklC-181/0401.12.2005