Arrest
Bij beschikking van 12 januari 1990, ingekomen bij het Hof op 8 juni daaraanvolgend, heeft de Corte Suprema di Cassazione het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 77 tot en met 79 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gecodificeerd bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, biz. 6).
Deze vraag is gerezen in een geschil tussen de heer Durighello en het Istituto Nazionale della Previdenza Sociale (hierna: „INPS”) over gezinsbijslagen voor echtgenoten ten laste, waarin de Italiaanse wettelijke regeling voorziet.
Blijkens de verwijzingsbeschikking heeft Durighello, die de Italiaanse nationaliteit bezit, als werknemer achtereenvolgens in drie Lid-Staten gewerkt (Italië, Frankrijk en Duitsland) en woont hij thans in Italië, waar hij een pensioen geniet. De litigieuze bijslagen zijn Durighello echter geweigerd op grond dat hij zijn recht op pensioen aan verordening nr. 1408/71 ontleent aangezien de door hem in Italië vervulde tijdvakken van verzekering niet volstaan voor de toekenning van een zelfstandig pensioen uit hoofde van de Italiaanse wettelijke regeling, en op grond dat deze verordening geen bepalingen bevat omtrent gezinsbijslagen voor de echtgenoot ten laste van een pensioengerechtigde.
Nadat de Pretore di Udine en vervolgens het Tribunale di Udine de beroepen tegen dit besluit hadden afgewezen, wendde Durighello zich tot de Corte di Cassazione. Deze heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie de volgende vraag voorgelegd :
„Staan, in het hier beschreven geval, de bepalingen van titel III, hoofdstuk 8, en met name de artikelen 77-79 van verordening nr. 1408/71 van de Raad (en de latere wijzigingen en codificaties) eraan in de weg, dat op iemand die in Italië woont en die recht heeft op een ouderdomspensioen dat is vastgesteld en wordt betaald overeenkomstig de bepalingen van titel III, hoofdstuk 3, van deze verordening (krachtens welke de tijdvakken van arbeid en verzekering in Italië, in Frankrijk en in Duitsland worden samengeteld'), de bepalingen van de Italiaanse wettelijke regeling worden toegepast, op grond waarvan een gepensioneerde (met ingang van 1 januari 1974 en tot de datum van inwerkingtreding van voormeld _ wetsdecreet nr. 69 van 1988) ook voor de echtgenoot ten laste recht heeft op gezinsbijslag ?”
Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, de toepasselijke wettelijke regelingen en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier wordt hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
Met de gestelde vraag wenst de verwijzende rechter in hoofdzaak te vernemen, of de artikelen 77 tot en met 79 van verordening nr. 1408/71 aldus moeten worden uitgelegd, dat zij zich ertegen verzetten dat een wettelijke regeling van een Lid-Staat, die voorziet in bijslagen voor de echtgenoot ten laste van een pensioengerechtigde, wordt toegepast op een persoon die recht heeft op een ouderdomspensioen krachtens verordening nr. 1408/71.
De bevoegdheid van het Hof
Volgens het INPS is het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk. In de eerste plaats zou de gevraagde uitlegging van de artikelen 77 tot en met 79 van verordening nr. 1408/71 zinloos zijn, aangezien die bepalingen enkel betrekking hebben op gezinsbijslagen ten behoeve van kinderen ten laste en derhalve niet het oog hebben op bijslagen als in het hoofdgeding aan de orde. In de tweede plaats zou het Hof in casu worden verzocht zich uit te spreken over de verenigbaarheid van de Italiaanse wettelijke regeling met het gemeenschapsrecht, een uitspraak waartoe het Hof niet bevoegd is.
Aangaande het eerste punt zij eraan herinnerd, dat het volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie onder meer het arrest van 11 juli 1991, zaak C-368/89, Crispoltoni, Jurispr. 1991, blz. I-3695, r. o. 10) uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van elk geval, de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen alsmede de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt.
Een verzoek van een nationale rechter kan slechts worden afgewezen wanneer duidelijk blijkt, dat de door die rechter gestelde vraag over de uitlegging van het gemeenschapsrecht of de geldigheid van een communautair voorschrift geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding (zie onder meer de arresten van 16 juni 1981, zaak 126/80, Salonia, Jurispr. 1981, blz. 1563, r. o. 6, en van 11 juli 1991, Crispoltoni, reeds aangehaald, r. o. 11). Dit is in casu evenwel niet het geval.
Met betrekking tot het tweede punt kan worden volstaan met te herinneren aan de rechtspraak van het Hof volgens welke het Hof zich in het kader van artikel 1 77 EEG-Verdrag weliswaar niet kan uitspreken over de verenigbaarheid van een nationale wettelijke regeling met het gemeenschapsrecht, maar de nationale rechter wel alle gegevens voor de uitlegging van dat recht kan verschaffen aan de hand waarvan hij die verenigbaarheid kan beoordelen met het oog op de beslechting van het aan hem voorgelegde geschil (zie onder meer het arrest van 18 juni 1991, zaak C-369/89, Piageme, Jurispr. 1991, blz. I-2971, r. o. 7).
Ten gronde
Het INPS merkt op, dat de artikelen 77 tot en met 79 van verordening nr. 1408/71 in die zin moeten worden uitgelegd, dat zij enkel betrekking hebben op gezinsbijslagen ten behoeve van kinderen ten laste. Als gevolg hiervan zou een persoon in een situatie als die van Durighello geen recht hebben op gezinsbijslagen ten behoeve van de echtgenoot ten laste.
Dit betoog kan niet worden aanvaard.
Het is juist, dat de artikelen 77 tot en met 79 van verordening nr. 1408/71 geen betrekking hebben op bijslagen voor de echtgenoot ten laste. Zowel uit de bewoordingen van deze bepalingen als uit hun respectieve opschriften blijkt immers, dat zij enkel het oog hebben op bijslagen voor kinderen ten laste en voor wezen. Deze uitlegging vindt steun in het feit, dat de bepalingen voorkomen in hoofdstuk 8 van titel III van verordening nr. 1408/71, getiteld: „Bijslagen voor kinderen die ten laste komen van pensioen- of rentetrekkers en voor wezen”.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof evenwel hebben de verordeningen betreffende de sociale zekerheid van migrerende werknemers geen gemeenschappelijk stelsel van sociale zekerheid opgezet, maar afzonderlijke stelsels laten voortbestaan die afzonderlijke aanspraken doen ontstaan op onderscheiden organen tegenover welke de uitkeringsgerechtigde rechtstreeks rechten bezit, hetzij uitsluitend krachtens nationaal recht, hetzij krachtens nationaal recht, zo nodig aangevuld door het gemeenschapsrecht (zie onder meer het arrest van 6 maart 1979, zaak 100/78, Rossi, Jurispr. 1979, blz. 831, r. o. 13).
Bovendien is het vaste rechtspraak van het Hof (zie onder meer de arresten van 21 oktober 1975, zaak 24/75, Petroni, Jurispr. 1975, blz. 1149, r. o. 13, en van 15 oktober 1991, zaak C-302/90, Faux, Jurispr. 1991, blz. I-4875, r. o. 27), dat het doel van de artikelen 48 tot en met 51 EEG-Verdrag niet zou worden bereikt, indien werknemers ten gevolge van de uitoefening van hun recht op vrij verkeer voordelen op het gebied van de sociale zekerheid zouden verliezen, welke hun in ieder geval reeds door de wettelijke regeling van één Lid-Staat zijn gewaarborgd.
Bijgevolg kan de omstandigheid dat de betrokken werknemer een pensioen geniet dank zij de toepassing van artikel 45 van verordening nr. 1408/71, betreffende het in aanmerking nemen van tijdvakken van verzekering of van wonen vervuld krachtens verscheidene wettelijke regelingen, en niet uitsluitend krachtens de nationale wettelijke regeling, er niet toe leiden dat bijslagen waarin het nationale recht voor pensioengerechtigden voorziet, hem worden geweigerd.
Blijkens het voorgaande kunnen de artikelen 77 tot en met 79 van verordening nr. 1408/71 niet aldus worden uitgelegd, dat zij ertoe leiden dat aan een migrerende werknemer die zich in een situatie bevindt als in het hoofdgeding aan de orde, bijslagen worden geweigerd waarop hij aanspraak had kunnen maken indien de wettelijke regeling van één Lid-Staat op hem van toepassing was geweest.
Op de prejudiciële vraag moet derhalve worden geantwoord, dat de artikelen 77 tot en met 79 van verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gecodificeerd bij verordening nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, niet aldus kunnen worden uitgelegd, dat zij zich ertegen verzetten dat de wettelijke regeling van een Lid-Staat, die voorziet in bijslagen voor de echtgenoot ten laste van een pensioengerechtigde, wordt toegepast op een persoon die een ouderdomspensioen geniet uit hoofde van verordening nr. 1408/71.
Kosten
De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door de Corte Suprema di Cassazione bij beschikking van 12 januari 1990 gestelde vraag, verklaart voor recht:
De artikelen 77 tot en met 79 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gecodificeerd bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, kunnen niet aldus worden uitgelegd, dat zij zich ertegen verzetten dat de wettelijke regeling van een Lid-Staat, die voorziet in bijslagen voor de echtgenoot ten laste van een pensioengerechtigde, wordt toegepast op een persoon die een ouderdomspensioen geniet uit hoofde van verordening (EEG) nr. 1408/71.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
8Rechtspraak
8België
1Hof van Cassatie06.06.2013
Onroerende verhuring
Europese Unie
7Hof van JustitieC-373/0027.02.2003
Overheidsopdrachten voor leveringen
Hof van JustitieC-412/9309.02.1995
EEG-Verdrag art. 30 en art. 3
Hof van JustitieC-18/9317.05.1994