ARREST
De feiten
De verwijzingsbeschikking, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:
I — De feiten en het procesverloop
Volgens de geldende Italiaanse douanewetgeving ontstaat de belastingschuld voor aan douanerechten onderworpen buitenlandse goederen door het feit dat zij binnen het douanegebied in het vrije verkeer worden gebracht (artikel 36, lid 1, van de gecodificeerde versie (Testo Unico) van de douanewetten, goedgekeurd bij decreet nr. 43 van de President van de Republiek van 23 januari 1973, GURI 1973, nr. 80). „Met uitzondering van de in artikel 37 bedoelde gevallen, worden, voor de toepassing van lid 1, vermoed definitief in het vrije verkeer te zijn gebracht de goederen of het gedeelte van de goederen die onrechtmatig aan de douaneverplichtingen zijn onttrokken of althans niet binnen de voorgeschreven termijn zijn aangegeven voor verificatie of controle door de douane of niet voor die verrichtingen zijn teruggevonden ...” (artikel 36, lid 5). De in lid 5 bedoelde uitzondering is in artikel 37 aldus geformuleerd: „Geen belastingschuld wordt geacht te zijn ontstaan, wanneer de contribuabele aantoont dat het niet-nakomen van de douaneverplichtingen of het onttrekken van de goederen of een gedeelte daarvan aan aangifte bij de douane, of aan verificatie of controle door de douane, zelfs na aanvaarding van de aangifte ten invoer tot verbruik, het gevolg is van verlies of tenietgaan van de goederen door toeval, overmacht of onachtzaamheid van derden of van de contribuabele zelf.” Volgens artikel 37, lid 2, ontstaat er evenmin een belastingschuld wanneer de goederen waarover douanerechten verschuldigd zijn, door natuurlijke of technische oorzaken hun waarde hebben verloren.
Wet nr. 891 van 22 december 1980 (GU 1980, nr. 355) bepaalt in artikel 22ter, dat „de term, ‚verlies’ bedoeld in ... artikel 37 van de Testo Unico, goedgekeurd bij decreet nr. 43 van de President van de Republiek van 23 januari 1973, moet worden opgevat in de zin van ‚verloren gaan’ (‚dispersione’) en niet als ‚niet meer kunnen beschikken over’ het produkt.” Zoals in de tweede alinea van dit artikel wordt gepreciseerd, is dit de authentieke uitlegging van artikel 37 van de Testo Unico.
Reeds artikel 11, lid 1, van richtlijn nr. 69/74 van de Raad van 4 maart 1969 inzake de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen met betrekking tot het stelsel van douane-entrepots (PB L 58 van 1969, blz. 7), bepaalde: „De entreposeur en de entrepositaris moeten algehele vrijstelling van de douanerechten, heffingen van gelijke werking en landbouwheffingen kunnen genieten voor goederen welke tijdens de opslag in entrepot zijn verloren gegaan door toeval, overmacht of oorzaken verband houdende met de aard van de goederen.” Een overeenkomstige bepaling is te vinden in richtlijn nr. 69/73 inzake actieve veredeling.
Ook artikel 34 van verordening nr. 222/77 van de Raad van 13 december 1976 betreffende communautair douanevervoer (PB L 38 van 1977, blz. 1), die in de plaats is gekomen van verordening nr. 542/69 van de Raad van 18 maart 1969 (PB L 77 van 1969, blz. 1), bepaalt: „Onverminderd de nationale bepalingen die in andere gevallen van ontheffing voorzien, wordt de aangever door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten ontheven van de verplichting tot betaling van de rechten en andere heffingen met betrekking tot goederen:
a)die teloor zijn gegaan door naar behoren vastgestelde overmacht of naar behoren vastgesteld toeval of,
b)waarvan wordt bevonden dat zij ontbreken door oorzaken die verband houden met hun aard.”
Deze beginselen zijn gecodificeerd in richtlijn nr. 79/623 van de Raad van 25 juni 1979 inzake de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen op het gebied van de douaneschuld (PB L 179 van 1979, blz. 31). Volgens de vierde en de negende overweging hiervan dient „het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer, waaraan een goed bij toepassing van de geldende bepalingen onderworpen is, te worden voldaan door een natuurlijke of rechtspersoon wegens het feit dat op deze persoon de verplichting rust dit bedrag te betalen, welke verplichting hierna ‚douaneschuld’ wordt genoemd; ... dat behalve door betaling van de douaneschuld of door verjaring ervan volgens de geldende bepalingen, de redenen van dit tenietgaan dienen te worden gebaseerd op de vaststelling dat de goederen niet daadwerkelijk de economische bestemming hebben gekregen, welke de toepassing van rechten bij invoer of bij uitvoer rechtvaardigt.” Genoemde richtlijn bepaalt in artikel 4:
„In afwijking van artikel 2 wordt ten aanzien van bepaalde goederen geen douaneschuld bij invoer geacht te ontstaan :
a)wanneer de belanghebbende ten genoegen van de bevoegde autoriteiten het bewijs levert dat het niet-nakomen van de verplichtingen welke voortvloeien [uit de verschillende douaneregelingen die ertoe leiden dat het in het vrije verkeer brengen van de waar wordt vertraagd] het gevolg is van de totale vernietiging of het onherstelbaar verlies van bedoelde goederen om een reden die te wijten is aan de aard zelf van de goederen, dan wel tengevolge van toeval of overmacht;
...”
Uit de stukken blijkt dat een hoeveelheid tabaksprodukten van buitenlandse oorsprong en whisky, toebehorende aan de firma Mellina Agosta, in de nacht van 11 op 12 of van 12 op 13 november 1978 door onbekenden is ontvreemd uit douane-entrepot nr. 1, dat deel uitmaakt van het door SpA Esercizio Magazzini Generali (hierna: EMG) beheerde algemene entrepot, gelegen op het douaneterrein in de haven van Catania.
De dieven forceerden de ijzeren roldeur van het entrepot, zonder dat de bewakers van de „Pubblica Sicurezza” en de „Guardia di Finanza” dit bemerkten. EGM, die de sleutel van één van de sloten van het entrepot bezit (de sleutel van het andere slot berust bij het douanekantoor te Catania), deed aangifte van de diefstal bij de havenpolitie en deed daarvan ook mededeling aan de Guardia di Finanza en de douane te Catania.
Op grond van het vermoeden dat de betrokken goederen definitief in het vrije verkeer waren gebracht, vorderde de douane te Catania op 31 maart 1979 van de beheerder van het entrepot (EMG) en van de firma Mellina Agosta, de eigenaar van dé gestolen goederen, een bedrag van LIT 78205695 aan douanerechten en BTW, vermeerderd met rente en kosten. Het door EMG tegen deze aanslag ingestelde administratief beroep werd verworpen. Vervolgens zond de douane te Catania op 14 juni 1979 een dwangbevel tot betaling van genoemd bedrag met rente en kosten.
Tegen dit dwangbevel deden de betrokken firma's verzet bij het Tribunale te Catania, dat bij vonnissen van 16 januari en 24 februari 1981 het verzet toewees, besliste dat het door de douane gevorderde bedrag niet verschuldigd was, en het Ministerie van Financiën in de kosten verwees.
Het Ministerie van Financiën kwam van deze vonnissen in beroep. De Corte d'appello te Catania ging eerst in op het verweer van de betrokken firma's, volgens welke geen belasting was verschuldigd over de gestolen waar, omdat de diefstal had plaatsgevonden in een „ambtelijk gesloten” entrepot; volgens de Corte d'appello echter was het door EMG beheerde entrepot niet als zodanig te beschouwen. Vervolgens overwoog zij dat in casu vragen van gemeenschapsrecht aan de orde waren, weshalve zij bij beschikkingen van 18 juni 1982 de behandeling van de zaken heeft geschorst en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof van Justitie heeft verzocht om een prejudiciële beslissing over de vraag
„of de ontvreemding van aan douanerechten onderworpen goederen onder de beschreven omstandigheden of, meer in het algemeen en abstract, onder omstandigheden waardoor die ontvreemding om de hiervoor uiteengezette redenen en op grond van de beginselen van het gewone recht op één lijn is te stellen met overmacht, kan vallen onder het begrip overmacht in de zin van het communautaire douanerecht.”
De verwijzingsbeschikkingen zijn op 23 juli 1982 ter griffie van het Hof ingeschreven.
Krachtens artikel 20 van ‚s Hofs Sta-tuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend op 14 oktober 1982 door EMG, vertegenwoordigd door U. Monterosso, advocaat te Cantania, op 21 oktober 1982 door de regering van de Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door I. Braguglia, avvocato dello Stato, en op 25 augustus 1982 door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Prozzillo als gemachtigde.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
Bij beschikking van 19 januari 1982 heeft het Hof de twee zaken voor de behandeling en het arrest gevoegd.
Bij beschikking van 19 januari 1982 heeft het Hof, na te hebben vastgesteld dat geen der Lid-Staten of instellingen had verzocht in voltallige zitting te beslissen, krachtens artikel 95, paragrafen 1 en 2, van het Reglement voor de procesvoering besloten de zaken naar de Vierde kamer te verwijzen.
II — Schriftelijke opmerkingen ingediend krachtens artikel 20 van ’s Hofs Statuut-EEG
1. Opmerkingen van Esercizio Magazzini Generali
EMG betoogt dat diefstal van de goederen moet leiden tot vrijstelling van de verplichting daarvoor douanerechten te betalen.
Zij beroept zich hiertoe op decreet nr. 43 van de President van de Republiek van 23 januari 1973, dat verwijst naar de bijzondere wettelijke regeling inzake algemene entrepots, waarin overmacht uitdrukkelijk wordt genoemd als een geval waarin men wordt ontheven van de aansprakelijkheid voor het bewaren en bewaken van in dit soort entrepots opgeslagen goederen (Koninklijk besluit wet nr. 2290 van 1 juli 1926, omgezet in wet nr. 1158 van 9 juni 1927) en van de verplichting om de volgens de bij de opslag vastgestelde hoedanigheid en hoeveelheid der goederen berekende rechten te betalen (koninklijk besluit nr. 126 van 16 januari 1927). Blijkens het verslag van de Guardia di Finanza en het vonnis van het Tribunale te Catania, opgenomen in de verwijzingsbeschikking van de Corte d'appello, treft EMG zelfs niet de geringste schuld in verband met de gepleegde diefstal (volgens de verwijzingsbeschikking „is de diefstal gepleegd onder zodanige omstandigheden, dat zij volgens de te dezen overeenstemmende rechtsleer en rechtspraak kan worden aangemerkt als een geval van overmacht (zie cassatiearrest nr. 3494 van 26 oktober 1955) of van onvoorzienbaarheid van de gebeurtenis (zie cassatiearrest nr. 1274 van 26 april 1954)”) Ook de Italiaanse doctrine (Messineo, Trattato di Diritto Civile e Commerciale) ziet in diefstal een geval van toeval of overmacht.
In overeenstemming met deze opvatting heeft de Italiaanse rechtspraak bevestigd, dat bij diefstal voor derden zonder schuld of nalatigheid van de belastingplichtige, deze van de betaling van douanerechten wordt vrijgesteld (Corte di Cassazione, eerste burgerlijke kamer, arresten nrs. 6148 van 22 december 1978 en 431 van 18 januari 1980).
Op basis van de nieuwe wet nr. 891 heeft de Corte di Cassazione haar rechtspraak gewijzigd en in arrest nr. 5769 van 31 oktober 1981 verklaard, dat bij diefstal van per vrachtauto vervoerde goederen wel douanerechten zijn verschuldigd. In een parallelle zaak evenwel, waarin de betrokken vennootschap zich beriep op ongrondwettigheid van artikel 37 van de Testo Unico nr. 43 zoals uitgelegd in wet nr. 891, is het dossier door het Tribunale te Catania in handen van de Corte costituzionale gegeven.
EMG beroept zich voorts op het gemeenschapsrecht. Richtlijn nr. 79/623, zo stelt zij, beschouwt het verlies van de waar door toeval of overmacht als een grond voor vrijstelling van de belastingplicht. In zijn advies over het voorstel voor de richtlijn van de Raad heeft het Economisch en Sociaal Comité blijk gegeven van een veel ruimere opvatting van de gevallen van vrijstelling van douanerechten, en artikel 11 van richtlijn nr. 69/74 heeft, ondanks zijn beknoptheid, deze alle overgenomen.
Dezelfde opvatting is te vinden in de arresten van het Hof betreffende overmacht: zie de zaken 158/73 (Kampffmeyer, Jurispr. 1974, blz. 101), 149/78 (Rumi, Jurispr. 1979, blz. 2523) en 808/79 (Pardini, Jurispr. 1980, blz. 2103). Hetzelfde kan worden gezegd met betrekking tot de Italiaanse Corte costituzionale.
EMG komt tot de conclusie, dat artikel 22ter van wet nr. 891 onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht, doordat het uitgaat van een al te stringente opvatting van het begrip verlies ten gevolge van „overmacht”, waarvoor met betrekking tot douane-entrepots uitdrukkelijk een regeling is getroffen in voornoemd artikel 11, lid 1, van richtlijn nr. 69/74, en met betrekking tot aan de douaneplicht onderworpen communautair douanevervoer in artikel 4 van richtlijn nr. 79/623.
2. Opmerkingen van de Italiaanse regering
De Italiaanse regering betoogt dat onttrekking van goederen waarover douanerechten verschuldigd zijn, door diefstal of een soortgelijke gebeurtenis, niet op één lijn staat met tenietgaan of verlies van die goederen.
Zij acht de formulering van de gestelde vraag niet in overeenstemming met de werkelijke aard van het door de nationale rechter opgeworpen vraagstuk van gemeenschapsrecht. Het gaat er immers niet om, of ook in de gemeenschappelijke douaneregeling diefstal onder bepaalde omstandigheden onder het begrip overmacht kan vallen, doch of diefstal, zelfs wanneer moet worden aangenomen dat er sprake is van overmacht, ten gevolge heeft dat er geen douaneschuld ontstaat dan wel de grondslag ervan wegvalt.
Artikel 4 van richtlijn nr. 79/623 is in deze van fundamenteel belang. Daarin wordt het ontstaan van de douaneschuld namelijk slechts uitgesloten, wanneer het niet nakomen van de betrokken verplichtingen het gevolg is van de „totale vernietiging” of het „onherstelbaar verlies” van de goederen. Deze bepaling spreekt dus uitsluitend over gebeurtenissen die, wanneer zij intreden, het in het vrije verkeer brengen van de waar objectief onmogelijk maken. De communautaire wetgever wenste immers als oorzaak van het niet-ontstaan van de douaneschuld slechts gebeurtenissen aan te merken die de schuldenaar objectief verhinderen de waar te gebruiken en die het in het vrije verkeer brengen ervan dus onmogelijk maken, maar niet de gebeurtenissen die hem subjectief buiten staat stellen erover te beschikken. Wanneer dus door diefstal niet meer over de waar kan worden beschikt, is niet aan die criteria voldaan. De diefstal heeft juist ten doel, de aan de douaneverplichting onttrokken waar in het vrije verkeer te brengen. Wanneer men aanneemt dat het niet meer beschikbaar zijn van de goederen tengevolge van diefstal „onherstelbaar verlies” betekent, dan dient men ook aan te nemen dat de douaneschuld in dat geval niet ontstaat; dit zou impliceren dat van degene die de diefstal heeft begaan en de waren in het vrije verkeer heeft gebracht, geen betaling van douanerechten en andere belastingen kan worden gevorderd.
Volgens de Italiaanse regering komt men tot hetzelfde resultaat wanneer men uitgaat van richtlijn nr. 69/74 die, zo meent zij, betrekking heeft op alle soorten douane-entrepots. Artikel 11, lid 3, van deze richtlijn sluit immers uit, dat gevallen van „onregelmatige uitslag van goederen” kunnen vallen onder het begrip verlies, want het bepaalt dat in dergelijke gevallen de douanerechten „op de uitgeslagen goederen” worden geheven naar de op de datum van uitslag geldende percentages. Daarmee wordt onregelmatige uitslag, „ongeacht wie deze verricht”, op één lijn gesteld met het in het vrije verkeer brengen.
Artikel 34 van verordening nr. 222/77 van de Raad gaat in dezelfde richting, want het ontheft de aangever slechts in het algemeen van de verplichting tot betaling van rechten en andere heffingen met betrekking tot goederen die teloor zijn gegaan, of waarvan wordt bevonden dat zij ontbreken door oorzaken die verband houden met hun aard.
Dit hangt samen met het risico dat de betrokkene aanvaardt door het in het vrije verkeer brengen van de waar uit te stellen, en met de wegens dat uitstel op hem rustende verplichtingen. Zelfs wanneer de aangever de normale zorgvuldigheid betracht, rechtvaardigt de bedrieglijke onttrekking van de waar aan de belastingplicht niet, dat hij de verplichtingen niet zou nakomen die voor hem voortvloeien uit de verschillende toepasselijke douaneregelingen (entrepot, tijdelijke bewaring, douanevervoer enz.). Het is dus gerechtvaardigd hem aansprakelijk te laten voor gebeurtenissen, zoals diefstal, die leiden tot het in het vrije verkeer brengen van de goederen. Iedere andere conclusie zou niet enkel aanzienlijke schade toebrengen aan de fiscale belangen van de Gemeenschap en die Lid-Staat, maar tevens de deur openzetten voor moeilijk vast te stellen „diefstallen op bestelling”, gepleegd om douanerechten en andere heffingen te ontduiken.
Sluit men zich bij deze zienswijze aan, dan is het volkomen overbodig om na te gaan of diefstal naar gemeenschapsrecht overmacht kan opleveren. Dit zou immers alleen maar zin hebben wanneer men aanneemt dat onttrekking aan de belastingplicht door diefstal gelijk staat met „totaal tenietgaan” of „onherstelbaar verlies” van de waar, een hypothese die al van de hand gewezen is.
3. Opmerkingen van de Commissie
De Commissie meent dat in het kader van het gemeenschappelijk douanerecht en inzonderheid van richtlijn nr. 69/74 diefstal niet is te beschouwen als overmacht, ongeacht onder welke omstandigheden hij is gepleegd.
Wil er sprake zijn van overmacht, dan moet een gebeurtenis hetzij bepaalde kenmerken vertonen, hetzij de rechtsgevolgen hebben die de wet aan overmacht verbindt. Overmacht ontheft van aansprakelijkheid: indien de vigerende wettelijke regeling dit gevolg in een bepaalde rechtssituatie uitsluit, dan moet daaruit worden geconcludeerd dat het feit, ook wanneer het niet voorzienbaar was, niet kon worden voorkomen en de betrokkene niet kan worden aangerekend, niet onder overmacht valt. Van bevrijdende werking is in het communautaire douanerecht slechst sprake, wanneer de in een entrepot geplaatste goederen zijn „teloorgegaan”: de gestolen goederen zijn evenwel niet „teloorgegaan” in de zin van de richtlijn. Zo gezien levert de diefstal dus geen overmacht op.
Het Hof heeft zich herhaaldelijk uitgesproken over het vraagstuk van de overmacht, doch het heeft nimmer de gelegenheid gehad de in casu in het hoofdgeding gerezen vraag te onderzoeken. De hierboven uiteengezette theorie lijkt echter stilzwijgend te zijn aanvaard in alle gevallen waarin het Hof overmacht heeft aangenomen: in het algemeen waren dit geschillen op landbouwgebied, waarin een wettelijke regeling bepaalde dat een verplichting juist in geval van overmacht tenietging. Zelfs in een geval waarin een beroep op overmacht werd gedaan op grond van de algemene rechtsbeginselen en niet op grond van een wettelijke regeling (zaak 149/78, Rumi, Jurispr. 1979, blz. 2523), leidde de overmacht ertoe, dat de verplichting tenietging.
De Commissie merkt nog op, dat alle Lid-Staten de betrokken regeling in de besproken zin toepassen. De gemeenschapsbepalingen zijn zelf weer gebaseerd op internationale regelingen. De Overeenkomst van Kyoto inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van de douaneprocedures, bepaalt in punt 22 van bijlage E 3, dat „de in entrepot opgeslagen goederen die door een ongeluk of door overmacht zijn vernietigd of onherroepelijk verloren gegaan, niet zijn onderworpen aan de rechten en heffingen bij invoer ...” In bijlage B 1 van de Overeenkomst wordt bepaald, dat gestolen goederen niet worden aangemerkt als vernietigd of onherroepelijk verloren gegaan. Deze overeenkomst is gesloten en bijlage E 3 betreffende de douane-entrepots is aanvaard bij besluit nr. 75/199 van de Raad van 18 maart 1976 (PB L 100 van 1975, blz. 1). Bijlage B 1 blijkt evenwel nog niet door de Gemeenschap te zijn aanvaard.
Inzonderheid voor het stelsel van douane-entrepôts bevat de reeds geciteerde richtlijn nr. 69/74 in artikel 11, lid 3, een bijzondere bepaling inzake „onregelmatige uitslag van goederen”: indien de uitslag kan worden vastgesteld, zijn de rechten verschuldigd en is geen enkele uitzondering voorzien. Men zou zich kunnen afvragen of diefstal niet valt onder artikel 11, lid 3, in plaats van onder artikel 11, lid 1. Dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord, volgt zowel uit de voorstukken (met name het bij de ontwerprichtlijn gevoegde verslag van de Commissie) als uit een letterlijke uitlegging: een bepaling die spreekt van „onregelmatige uitslag”, verondersteld „regelmatige uitslag”; dit laatste is slechts mogelijk door de rechthebbende op de goederen; daaruit kan dus worden afgeleid dat deze bepaling is gericht tot de rechthebbende op de goederen.
III — Mondelinge behandeling
Ter terechtzitting van 23 maart 1983 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door de firma Esercizio Magazzini Generali, vertegenwoordigd door U. Monterosso, advocaat te Catania, de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door J. Braguglia, avvocato dello Stato, als gemachtigde, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Prozzillo, als gemachtigde.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 6 juli 1983 conclusie genomen.
In rechte
Bij twee beschikkingen van 18 juni 1982, ingekomen ten Hove op 23 juli 1982, heeft de Corte di appello te Catania krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over het begrip overmacht in de zin van het gemeenschappelijk douanerecht.
De vraag is gerezen in het kader van twee procedures tussen het Ministerie van Financiën en de ondernemingen Esercizio Magazzini Generali SpA en Mellina Agosta Sri. Blijkens de stukken is in 1978 een hoeveelheid tabaksprodukten van buitenlandse oorsprong en whisky, toebehorend aan Mellina Agosta, ontvreemd uit het door Esercizio Magazzini Generali beheerde entrepot in de haven van Catania. Om de diefstal te plegen, forceerden de dieven een ijzeren roldeur die voorzien was van twee sloten; één van de sleutels berustte bij Esercizio Magazzini Generali, de andere bij het douanekantoor van de haven. De douane te Catania vorderde zowel van Esercizio Magazzini Generali als van Mellina Agosta betaling van een bedrag van ongeveer LIT 78 miljoen aan douanerechten en BTW over de gestolen goederen, vermeerderd met rente en kosten.
In juni 1979 zond de douane de beide ondernemingen een dwangbevel tot betaling van genoemd bedrag. De betrokken ondernemingen deden hiertegen verzet bij het Tribunale te Catania, dat besliste dat het gevorderde bedrag niet verschuldigd was. De administratie heeft van dit vonnis beroep ingesteld.
Volgens de Italiaanse wetgeving ontstaat de belastingschuld voor aan douanerechten onderworpen buitenlandse goederen door het feit dat zij binnen het douanegebied in het vrije verkeer worden gebracht. Goederen die onrechtmatig aan de douaneverplichtingen zijn onttrokken, worden vermoed definitief in het vrije verkeer te zijn gebracht. Geen belastingschuld wordt echter geacht te zijn ontstaan, wanneer de contribuabele aantoont dat het niet-nakomen van de douaneverplichtingen of het onttrekken van de goederen aan het douanetoezicht het gevolg is van verlies of tenietgaan van de goederen door toeval, overmacht of onachtzaamheid van derden of van de contribuabele zelf.
Naar aanleiding van een aantal beslissingen van Italiaanse rechters over de in de wettelijke regelingen gebezigde term „verlies”, stelde de Italiaanse wetgever wet nr. 891 van 22 december 1980 vast, die een authentieke uitlegging van deze term bevat: deze moet worden opgevat in de zin van „het verloren gaan” („dispersione”) en niet als niet meer kunnen beschikken over het produkt. De Corte d'appello meende daarom, dat het niet meer kunnen beschikken over het produkt (dat wil zeggen de diefstal), niet behoorde tot de in het nationale recht bedoelde situaties, en oordeelde bijgevolg dat niet was voldaan aan de voorwaarde voor vrijstelling van de belastingschuld.
De betrokken ondernemingen meenden echter dat de situatie naar gemeenschapsrecht anders was. De communautaire regeling zou vrijstelling van douanerechten en andere belastingen verlenen, wanneer de goederen door toeval of overmacht verloren zijn gegaan. Gezien de omstandigheden van het geval, zou de diefstal van de goederen op dusdanige wijze zijn gepleegd, dat er een overmachtssituatie in de zin van het gemeenschapsrecht was ontstaan.
De Corte d'appello heeft onder deze omstandigheden de twee zaken geschorst en bij voornoemde beschikkingen het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de vraag:
„of de ontvreemding van aan douanerechten onderworpen goederen onder de beschreven omstandigheden of, meer in het algemeen en abstract, onder omstandigheden waardoor die ontvreemding om de hiervoor uiteengezette redenen en op grond van de beginselen van het gewone recht op één lijn is te stellen met overmacht, kan vallen onder het begrip overmacht in de zin van het communautaire douanerecht”.
Richtlijn nr. 69/74 van de Raad van 4 maart 1969 inzake de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen met betrekking tot het stelsel van douane-entrepôts (PB L 58 van 1969, blz. 7), stelt de regels vast die moeten worden opgenomen in de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten met betrekking tot genoemd stelsel. Volgens artikel 2 heeft het stelsel van douane-entrepots tot gevolg, dat gedurende de opslag van de goederen de douanerechten, heffingen van gelijke werking en landbouwheffingen niet worden geheven.
Volgens artikel 11, lid 1, van de richtlijn, moeten de entreposeur en de entrepositaris algehele vrijstelling van de douanerechten, heffingen van gelijke werking en landbouwheffingen kunnen genieten voor goederen welke tijdens de opslag in entrepot zijn verloren gegaan door toeval, overmacht of oorzaken verband houdende met de aard van de goederen.
Artikel 11, lid 3, bepaalt, dat in geval van onregelmatige uitslag van goederen de douanerechten, heffingen van gelijke werking en landbouwheffingen op de uitgeslagen goederen worden geheven naar de op de datum van uitslag geldende percentages of bedragen.
Richtlijn nr. 79/623 van de Raad van 25 juni 1979 inzake de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen op het gebied van de douaneschuld (PB L 179 van 1979, blz. 31), stelt de regels vast die moeten worden opgenomen in de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten met betrekking tot, onder meer, het ontstaan van de douaneschuld.
Ingevolge artikel 2 van deze richtlijn ontstaat een douaneschuld bij invoer:
...
c)wanneer aan rechten bij invoer onderworpen goederen onttrokken worden aan het douanetoezicht dat de voorlopige opslag van deze goederen of het plaatsen ervan onder een douaneregeling met een dergelijk toezicht met zich meebrengt.
Artikel 4 van de richtlijn bepaalt, dat in afwijking van artikel 2 ten aanzien van bepaalde goederen geen douaneschuld bij invoer wordt geacht te zijn ontstaan:
a)wanneer de belanghebbende ten genoegen van de bevoegde autoriteiten het bewijs levert dat het niet nakomen van de verplichtingen welke voortvloeien:
—hetzij uit de bepalingen vastgesteld voor de toepassing van artikel 2 van richtlijn nr. 68/312/EEG,
—hetzij uit het verblijf van de betrokken goederen in voorlopige opslag,
—hetzij uit het gebruik van de douaneregeling waaronder deze goederen zijn geplaatst,
het gevolg is van de totale vernietiging of het onherstelbaar verlies van bedoelde goederen om een reden die te wijten is aan de aard zelf van de goederen, dan wel ten gevolge van toeval of overmacht.
Uit genoemd artikel en uit de negende overweging van de richtlijn blijkt, dat de redenen van het tenietgaan dienen te worden gebaseerd op de vaststelling, dat de goederen niet daadwerkelijk de economische bestemming hebben gekregen welke de toepassing van rechten bij invoer rechtvaardigt. In geval van diefstal mag worden vermoed dat de goederen in het communautaire handelsverkeer komen. Daaruit volgt, dat het begrip verlies van goederen in de zin van de richtlijn niet ziet op diefstal, ongeacht de omstandigheden waaronder deze is gepleegd.
Op de vraag van de Corte d'appello te Catania moet mitsdien worden geantwoord, dat volgens de geldende gemeenschappelijke regels op douanegebied de ontvreemding van aan een douanerecht onderworpen goederen door derden, ook wanneer de schuldenaar daaraan geen schuld treft, de desbetreffende verplichting niet doet tenietgaan.
Kosten
De kosten door de regering van de Italiaanse Republiek en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de Corte d'appello te Catania over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
uitspraak doende op de door de Corte d'appello te Catania bij beschikkingen van 18 juni 1982 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Volgens de geldende gemeenschappelijke regels op douanegebied doet de ontvreemding van aan een douanerecht onderworpen goederen door derden, ook wanneer de schuldenaar daaraan geen schuld treft, de desbetreffende verplichting niet tenietgaan.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
6Rechtspraak
1Europese Unie
1Hof van JustitieC-273/1211.07.2013