Arrest van het Hof van 2 juli 1974, 173/73 · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Voltallige zitting 173/73 ECLI:EU:C:1974:71 2 juli 1974

Zoeken

Arrest van het Hof van 2 juli 1974, 173/73EEG-Verdrag art. 93 en art. 173

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-173-73-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Voltallige zitting
Zaak
173/73
ECLI
ECLI:EU:C:1974:71
Datum
2 juli 1974

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Beroep tot nietigverklaring ongegrond
Zaak ingediend op
9 oktober 1973
Advocaat-generaal
Warner

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Italiaans
Jurisprudentie
Jurispr. 1974, blz. 709
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Donner
Repertorium van het Hof

Tekst

41 paragrafen

ARREST

Ten aanzien van de feiten

Overwegende dat de feiten en de tijdens de schriftelijke behandeling door partijen voorgedragen argumenten kunnen worden samengevat als volgt:

I — De feiten en het procesverloop

1.

Bij brief van 24 april 1969 stelde de Italiaanse Regering de Commissie in kennis van een ontwerp van wet op de herstructurering, reorganisatie en omschakeling van de textielindustrie.

Daar de Commissie er niet in slaagde van de Italiaanse Regering alle gegevens te verkrijgen, nodig voor het maken van haar opmerkingen als bedoeld in artikel 93, lid 3, van het EEG-Verdrag, gaf zij op 27 mei 1970 op grond van artikel 93, lid 2, eerste alinea, een tussentijdse beschikkeling (PB 1970, nr. L 128, blz. 33). Daarin werd de Italiaanse Republiek opgedragen de artikelen 5 en 12 van het wetsontwerp te wijzigen, omdat de Commissie deze artikelen toen reeds onverenigbaar achtte met de gemeenschappelijke markt.

Italië gaf uitvoering aan deze beschikking. Wet nr. 1101 van 1 december 1971 bevatte echter in artikel 20 een bepaling die niet voorkwam in het medegedeelde wetsontwerp en was toegevoegd zonder dat de Commissie daarvan in kennis was gesteld. Daarin werd ten gunste van alle industriële en ambachtelijke ondernemingen in de textiel-en de confectiesector voor een tijdvak van drie jaar een verlichting van de sociale lasten betreffende de gezinstoeslagen ingevoerd, bestaande in een verlaging van de ondernemingsbijdrage van 15 tot 10 %.

2.

Bij brief van 9 augustus 1972 deelde de Italiaanse Regering de Raad van de Europese Gemeenschappen mede dat de betrokken ondernemingen de uitkeringen, bedoeld in wet nr. 1101 van 1 december 1971, wegens de tijdrovende administratieve formaliteiten niet voor 1 juli 1973 konden ontvangen. Bijgevolg werd één der in juli 1971 genomen maatregelen in verband met de ernstige conjuncturele situatie van de Italiaanse economie — namelijk de vrijstelling ad 5 % van het salarisbedrag waarover een werkgeversbijdrage voor de verplichte werkloosheidsverzekering verschuldigd is — voor de textielsector verlengd met één jaar (wetsdecreet nr. 286 van 1 juli 1972).

De Commissie, die zich niet had verzet tegen de tijdelijke urgentiemaatregelen van juli-augustus 1971, omdat deze als conjunctuurpolitieke maatregelen algemene gelding hadden, leidde met een telexbericht van 31 juli 1972 de procedure van artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag in tegen de op 1 juli 1972 ingaande verlenging van deze maatregelen voor de textielsector. De Italiaanse Regering wendde zich daarop bij brief van 9 augustus 1972 tot de Raad met een verzoek om toepassing van artikel 93, lid 2, derde alinea. Daar de Raad niet binnen de gestelde termijn van drie maanden zijn standpunt had bepaald, hervatte de Commissie de procedure van artikel 93, lid 2, eerste alinea. Deze procedure werd gerekt door de toetreding van de nieuwe Lid-Staten, omdat zij in de gelegenheid moesten worden gesteld hun opmerkingen re maken. Terwijl genoemde maatregel na 30 juni 1973 niet nogmaals werd verlengd, gaf de Commissie de litigieuze beschikking tegen de maatregel tot verlichting der lasten in wet nr. 1101, die de facto in werking was getreden op 30 juni 1973.

3.

Bij verzoekschrift van 9 oktober 1973, ingeschreven ter griffie van het Hof op 11 oktober 1973, heeft de Italiaanse Regering het onderhavige beroep ingesteld.

De schriftelijke procedure heeft een normaal verloop gehad.

Het Hof heeft, op rapport van de Rechter-Rapporteur en gehoord de Advocaat-Generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

II — Conclusies van partijen

Verzoekster concludeert dat het den Hove behage:

de beschikking van de Commissie van 25 juli 1973 nietig te verklaren, met alle gevolgen rechtens.

Verwerster concludeert dat het den Hove behage:

1. het beroep ongegrond te verklaren,

2. verzoekster te verwijzen in de kosten van het geding.

III — Middelen en argumenten van partijen

Verzoekster doet haar beroep steunen op drie prealabele hoofdmiddelen en drie subsidiaire middelen ren gronde.

1.

Artikel 1 van de onderhavige beschikking zegt letterlijk: „De Italiaanse Republiek schaft de tijdelijke en gedeeltelijke ontheffing van sociale lasten … af”, hetgeen rechtens tot gevolg heeft dat de beschikking moet worden uitgelegd als een besluit, bestemd om rechtstreeks te werken in de nationale rechtsorde, en niet om een verplichting te scheppen waarvan uitvoering wordt verzocht aan de betrokken staat. Zelfs aangenomen dat de term „schaft af” in artikel 1 van de beschikking de Italiaanse staat slechts een verplichting om te doen, als bedoeld in artikel 93, lid 2, eerste alinea, oplegt, dan nog strekt deze bepaling rechtstreeks tot intrekking van artikel 20 van wet nr. 1101. Zulks te meer omdat de beschikking geen termijn noemt. Derhalve moet deze beschikking rechtens als niet-bestaand worden beschouwd, daar de Commissie volgens artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag niet bevoegd is normatieve besluiten te nemen, die rechtstreeks van toepassing zijn in de nationale rechtsorde van de Lid-Staten.

De Commissie betoogt dat de term „schaft af” in artikel 1 van de litigieuze beschikking slechts een imperatieve betekenis heeft, evenals de woorden „moet afschaffen”, en slechts beoogt de Lid-Staat de verplichting om te doen, bedoeld in artikel 93, lid 2, eerste alinea, EEG-Verdrag, op te leggen. Zodanig gebruik van de tegenwoordige tijd/aantonende wijs is grammaticaal juist en bovendien in overeenstemming met een veelvuldig aangewende en nimmer betwiste wetgevingspraktijk.

Het middel is zo duidelijk ongegrond dat de Commissie het niet noodzakelijk acht in te gaan op de kwestie van de rechtstreekse toepasselijkheid van de krachtens artikel 93, lid 2, eerste alinea, gegeven beschikkingen.

2.

Volgens verzoeker moet de beschikking nietig worden geacht, omdat daarin geen uitvoeringstermijn is genoemd, zoals voorgeschreven in artikel 93, lid 2. De vaststelling van een uitvoeringstermijn is een volstrekte voorwaarde voor de wettigheid der beschikking.

De in de beschikking bedoelde steunmaatregel is „een bestaande steunmaatregel” in de zin van artikel 93, lid 1, daar de wet van 23 december 1971 in werking is getreden op 8 januari 1972. Aan deze kwalificatie van de maatregel doet niet af dat van de wet niet tevoren kennis is gegeven aan de Commissie. Ook bij steunmaatregelen die zijn ingesteld zonder dat de Commissie daarover tijdig was ingelicht, brengt de vaststelling van de Commissie dat zij onverenigbaar zijn met artikel 92 de verplichting mee deze af te schaffen. Er moet dan ook steeds een termijn worden bepaald om te kunnen vaststellen wanneer de betrokken steunmaatregel moet worden beëindigd.

Overigens kon de Italiaanse Regering de beweerde steunmaatregel niet onmiddellijk beëindigen. Daar deze maatregel tot stand is gekomen bij een wet, kan zij slechts bij een formele intrekkingswet worden ingetrokken.

De Commissie betoogt dat de in de litigieuze beschikking bedoelde steunmaatregel behoort tot de categorie onrechtmatige steunmaatregelen, omdat hij is ingesteld zonder voorafgaande kennisgeving aan de Commissie, dus in strijd met artikel 93, lid 3, eerste zin. Bijgevol is hij naar communautair recht onwettig vanaf de inwerkingtreding. De in artikel 93, lid 2, eerste alinea, bedoelde termijn geldt slechts voor deugdelijk ingestelde steunmaatregelen; een Lid-Staat kan zich op deze waarborg niet beroepen, wanneer hij door eigen schuld de goede werking van dit mechanisme heeft belemmerd. De Commissie heeft dan ook niet gehandeld in strijd met het in artikel 93 neergelegde vormvoorschrift door voor de afschaffing van de betrokken maatregel geen termijn vast te stellen; zij heeft slechts een eind gemaakt aan een naar communautair recht ongeoorloofde situatie, die nooit had mogen bestaan.

Verzoeksters redenering zou het systeem van artikel 93 openbreken en het gevaar meebrengen dat Lid-Staten eenzijdig nieuwe steunmaatregelen instellen, die vervolgens onverenigbaar worden verklaard met de goede werking van de gemeenschappelijke markt, doch die intussen „bestaande steunmaatregelen” zijn gaan vormen.

De Italiaanse staat moet op de hoogte geweest zijn van de rechtsgevolgen van de litigieuze beschikking. Niets belette de Italiaanse Regering onmiddellijk een einde te maken aan de ongeoorloofde steunmaatregel.

3.

De Italiaanse Regering betoogt dat bij de preliminaire procedure van artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag, wezenlijke vormvoorschriften zijn geschonden.

De Commissie acht dit middel onduidelijk en ongemotiveerd: verzoekster zegt niet welke formaliteiten naar haar mening zijn veronachtzaamd of overtreden in de procedure vóór de vaststelling van de beschikking.

4.

De Italiaanse Regering betoogt subsidiair dat de beschikking zich op het gebied van de nationale belastingen beweegt, dat voorbehouden is aan de soevereiniteit van de Lid-Staten. De gewraakte bepaling van wet nr. 1101 is een maatregel van fiscale aard, houdende verlaging van het bedrag ter financiering van de sociale uitkeringen voor de werknemers, dat krachtens de wet ten laste komt van de ondernemingen in de textielsector. Dergelijke bepalingen kunnen niet onder het toepassingsgebied van artikel 92 vallen. Doch zelfs aangenomen dat bijzondere maatregelen, die in afwijking van het algemene stelsel van de nationale belastingen dienen „ter verlichting van de lasten die normaliter drukken op het budget van een onderneming”, steunmaatregelen zijn in de zin van artikel 92, dan nog valt artikel 20 van wet nr. 1101 nier onder de toepassing van artikelen 92 tot 94. Deze bepaling, volgens welke de bijdragen voor de gezinstoeslagen gedeeltelijk en tijdelijk uit belastingmiddelen worden gefinancierd, beoogt niets anders dan het evenwicht van het algemene stelsel van bijdragen voor de sociale voorzieningen in Italië te herstellen. Het algemene stelsel van bijdragen voor de gezinstoeslagen in de textielindustrie vertoonde een duidelijke distorsie. De Italiaanse staat heeft dit willen corrigeren met artikel 20 van wet nr. 1101. Als de nationale wetgever zich hiervan bewust was geweest, had hij al van meet af aan een lagere bijdrage van de betrokken werkgevers ingevolge de wetgeving op de gezinstoeslagen vastgesteld. In dat geval zou niemand bezwaren hebben gemaakt. Het is niet in te zien waarom thans dergelijke bezwaren worden gemaakt tegen een bepaling die uitsluitend ten doel heeft een achterstand in de textielsector te corrigeren.

De Commissie betoogt dat de financiële regeling van de gezinstoeslagen nadelig is voor de sectoren die hoofdzakelijk met vrouwelijk personeel werken. Hoewel men de algemene regeling natuurlijk fundamenteel zou kunnen wijzigen door het tarief van de bijdragen van alle industriële sectoren met een hoog aandeel vrouwelijk personeel te verlagen, werkt een dergelijk „evenwichtsherstel”, beperkt als het is tot een enkele sector en tot een tijdvak van drie jaar, door zijn specifieke karakter als een sectoriële maatregel. De litigieuze maatregel vormt dus een „maatregel die verlichting brengt in de lasten die normaliter op het budget van een onderneming drukken”, zoals het begrip steunmaatregel reeds herhaaldelijk door het Hof werd omschreven.

5.

Verzoekster betoogt dat artikel 20 van de wet nr. 1101 niet bedoeld is als „steunmaatregel” in de zin van artikel 92, lid 1. De Italiaanse textielindustrie ziet zich achtergesteld door de toepassing van sociale lasten, die niet zijn afgestemd op de bijzonderheden van de sector, met name her grote aantal vrouwelijke arbeidskrachten. In 1971 is door de ondernemingen in de textielsector 65,7 miljard lire betaald aan sociale bijdragen, terwijl de sociale uitkeringen in deze sector slechts 42,4 miljard lire bedroegen. Door de litigieuze maatregel is dit verschil slechts gedeeltelijk opgeheven.

Bovendien moet een steunmaatregel, om als zodanig te worden beschouwd, ingevolge artikel 92, lid 1, worden toegekend door de staat of bekostigd „uit de staatsmiddelen”, dat wil zeggen in de vorm van een uitgave of een verlaging van de inkomsten ten laste van de gemeenschap als geheel. Het verlies van inkomsten uit hoofde van bijdragen voor gezinstoeslagen wordt gecompenseerd met middelen uit bijdragen van de werkgevers in de verzekering tegen onvrijwillige werkloosheid, dat wil zeggen uit fondsen die niet ten laste van de gemeenschap als geheel komen.

De Commissie betoogt dat de tijdelijke verlichting van de door de textielindustrie te betalen bijdragen voor gezinstoeslagen is te beschouwen als een steunmaatregel voor de werkgever en niet voor de werknemers in die sector.

Vrijstelling van fiscale of „sociale” lasten die voor de gehele industrie gelden, ten gunste van ondernemingen in een bepaalde sector kan ten doel of althans tot gevolg hebben dat deze ondernemingen uit een oogpunt van intracommunautaire mededinging worden begunstigd. De sociale lasten van de Italiaanse textielindustrie moeten in de eerste plaats worden vergeleken met de druk op de andere Italiaanse bedrijfstakken. Pas daarna is het dienstig een vergelijking re maken met de lasten van de textielindustrie in de andere Lid-Staten. Hiertoe moet men niet zien naar het aandeel van de „werkgeverslasten” in de uurkosten in de verschillende Lid-Staten, doch naar de totale arbeidsuurkosten. Bij een vergelijking volgens deze maatstaf blijkt duidelijk dat de Italiaanse industrie een vrij sterke concurrentiepositie heeft ten opzichte van de textielindustrie in de overige Lid-Staten.

Compensatie van verminderde inkomsten door heffingen uit de fondsen van een andere regeling van sociale zekerheid is geen geldig argument, omdat de verlichtende maatregel niettemin als steunmaatregel moet worden gekwalificeerd. De openbare middelen worden immers niet noodzakelijkerwijs opgebracht door de „gemeenschap als geheel”, maar in de meeste gevallen door eenbepaalde categorie onderdanen. De Commissie verwijst ten deze naar 's Hofs arrest van 25 juni 1970 in de zaak 47-69, Franse Republiek tegen Commissie, Jurisprudentie blz. 487.

6.

Ten slotte betoogt de Italiaanse Regering dat de onderhavige maatregel niet kan worden beschouwd als een steunmaatregel in de zin van artikel 92, lid 1, omdat hij geen negatieve gevolgen binnen de Gemeenschap kan hebben. Artikel 92, lid 1, eist dat het handelsverkeer tussen de Lid-Staten concreet en daadwerkelijk ongunstig wordt beïnvloed. In de litigieuze beschikking wordt alleen in abstracto nagegaan wat de mogelijke invloed van de beweerde steun op het intracommunautaire handelsverkeer is en ontbreekt iedere nadere aanduiding dienaangaande. Zo gezien, is de beschikking niet met redenen omkleed en dus in strijd met artikel 93. lid 2, omdat de Commissie heeft nagelaten „vast te stellen” dat de steun niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt.

De Commissie betoogt dat in de economische sectoren met belangrijke intracommunautaire handelsstromen de ondernemingen in de Gemeenschap uiteraard concurreren. Deze concurrentie kan worden vervalst doordat iedere steunmaatregel van een staat van invloed is op de mededingingsvoorwaarden, met name een verlichting van de produktiekosten. De Commissie legt cijfers over waaruit enerzijds de omvang en de groei van het intracommunautaire handelsverkeer in textielprodukten blijkt, en anderzijds de sterke concurrentiepositie van Italië in deze sector.

Zelfs al zouden bepaalde takken van de Italiaanse textielindustrie met structurele moeilijkheden re kampen hebben, dan nog is de steunmaatregel niet gerechtvaardigd. Zij kan namelijk geen duurzame oplossing voor deze vraagstukken op communautair vlak bieden en kan bovendien leiden tot vergroting van de moeilijkheden der textielbedrijven in de andere Lid-Staten, wanneer die zouden worden geconfronteerd met een soortgelijke structurele crisis.

Overwegende dat de partijen tijdens de mondelinge behandeling op 26 maart 1974 hun schriftelijk voorgedragen argumenten nader hebben toegelicht;

Overwegende dat de Advocaat-Generaal ter terechtzitting van 15 mei 1974 conclusie heeft genomen.

Ten aanzien van het recht

1.

Overwegende dat de regering van de Italiaanse Republiek, bij beroep van 9 oktober 1973, op grond van artikel 173 van het EEG-Verdrag heeft verzocht de beschikking der Commissie van 25 juli 1973 betreffende artikel 20 van de Italiaanse wet nr. 1101 van 1 december 1971 op de herstructurering, reorganisatie en omschakeling van de textielindustrie (PB van 11 september 1973, nr. L 254/14) nietig te verklaren;

2.

dat hiertoe drie „prealabele” middelen betreffende de vorm van de beschikking en de preliminaire procedure en drie „subsidiaire” middelen ten gronde worden aangevoerd;

dat de drie primaire middelen evenals de drie subsidiaire middelen, gezien hun onderling verband, te zamen in twee groepen kunnen worden behandeld;

De prealabele middelen

3.

Overwegende dat de Italiaanse Regering in de eerste plaats klaagt over het in artikel 1 der bestreden beschikking gestelde: „de Italiaanse Republiek schaft de tijdelijke en gedeeltelijke ontheffing van sociale lasten behorende bij gezinstoeslagen bedoeld in artikel 20, van wet nr. 1101 . . . af”, welke formulering de indruk wekt dat de beschikking bestemd is rechtstreeks te werken in de nationale rechtsorde van de Lid-Staat tot welke zij is gericht;

dat zodanige werking niet verenigbaar zou zijn met artikel 93, lid 2, van het Verdrag, volgens hetwelk de Commissie, na te hebben vastgesteld dat een Lid-Staat heeft gehandeld in strijd met de regels van artikel 92, bepaalt dat de betrokken staat de bedoelde steunmaatregel moet opheffen of wijzigen binnen de door haar vast te stellen termijn;

4.

dat verzoekster in een tweede middel erover klaagt dat in de beschikking geen enkele uitvoeringstermijn is aangegeven, en concludeert dat de beschikking wegens het ontbreken van dit essentiële element voor haar wettigheid, nietig moet worden geacht;

5.

dat in het derde middel wordt betoogd dat de preliminaire procedure van artikel 93, lid 1, geen regelmatig verloop heeft gehad;

6.

Overwegende dat vaststaat dat de Commissie niet overeenkomstig artikel 93, lid 3, vooraf in kennis is gesteld van de bepaling van artikel 20 van de betrokken Italiaanse wet nr. 1101, hoewel daarbij een nieuw element werd gebracht in de voordien bestaande rechtstoestand van de Italiaanse industriële en ambachtelijke ondernemingen in de textielsector;

dat de Commissie, die na ontvangst van de opmerkingen van de Italiaanse autoriteiten en van de deskundigen der andere Lid-Staten, van mening was dat de litigieuze bepaling een steunmaatregel in de zin van de artikelen 92 en 93 opleverde, de betwiste beschikking heeft vastgesteld;

7.

Overwegende dat in artikel 93, met het oog op een geleidelijke ontwikkeling en werking van de gemeenschappelijke markt overeenkomstig artikel 92, een voortdurend onderzoek van de door de Lid-Staten genomen of te nemen steunmaatregelen is voorgeschreven, waarvoor een bestendige samenwerking tussen deze staten en de Commissie noodzakelijk is;

dat artikel 93, lid 2, betrekking heeft op het geval dat de Commissie in de loop van dit onderzoek vaststelt dat een steunmaatregel van een Lid-Staat niet verenigbaar is met artikel 92, en voorziet in de correctie daarvan bij beschikking van de Commissie en onder controle van het Hof van Justitie;

dat de gedachte van samenwerking die aan dit artikel ten grondslag ligt, meebrengt dat de Commissie in een dergelijk geval de betrokken staat een termijn moet verlenen om zich naar die beschikking te voegen;

dat echter in het in lid 3 bedoelde geval dat een voorgenomen steunmaatregel onverenigbaar wordt geacht met artikel 92, het stellen van een termijn overbodig is, omdat de betrokken steunmaatregel niet ten uitvoer kon worden gelegd;

8.

Overwegende dat de middelen ertoe strekken te betogen dat een nieuwe steunmaatregel die door een Lid-Staat in strijd met de procedure van lid 3 is ingevoerd, is gelijk te stellen met wettig genomen steunmaatregelen, zodat die maatregel geen aanleiding kan geven tot de in lid 2 bedoelde procedure, waaronder de verplichte vaststelling van een termijn;

dat deze uitlegging van artikel 93 echter niet aanvaardbaar is, omdat zij aan de bepalingen van lid 3 hun dwingend karakter zou ontnemen en zelfs de niet-nakoming daarvan zou bevorderen;

9.

dat de geest en de opzet van artikel 93 echter meebrengen dat, wanneer de Commissie vaststelt dat een steunmaatregel in strijd met lid 3 is ingevoerd of gewijzigd, zij moet kunnen bepalen dat de betrokken Staat die maatregel moet opheffen of wijzigen, met name wanneer zij van mening is dat die maatregel volgens artikel 92 niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, zonder daarbij verplicht te zijn een termijn vast te stellen en met de mogelijkheid zich tot het Hof te wenden indien de betrokken staat zich niet met de nodige voortvarendheid conformeert;

dat in dat geval de actiemiddelen der Commissie niet mogen worden beperkt tot de ingewikkelder procedure van artikel 169; dat derhalve het middel, inhoudende dat de beschikking ertoe strekt rechtstreeks te werken in de nationale rechtsorde van de Italiaanse Republiek, faalt, aangezien de beschikking in artikel 2 bepaalt dat „deze beschikking is gericht tot de Italiaanse Republiek”, waaruit duidelijk blijkt dat zij beoogt de in artikel 1 genoemde verplichting aan de betrokken Staat op te leggen;

10.

dat ten slotte het derde, middel inzake de onregelmatigheden bij de procedure onvoldoende is toegelicht om in aanmerking te kunnen worden genomen;

11.

dat deze middelen mitsdien moeten worden verworpen;

De subsidiaire middelen

12.

Overwegende dat de Italiaanse Regering in de eerste plaats stelt dat de litigieuze beschikking misbruik van bevoegdheid oplevert doordat zij treedt op het gebied van de nationale belastingen, dat in het Verdrag is voorbehouden aan de soevereiniteit van de Lid-Staten;

dat zij in de tweede plaats betoogt dat de litigieuze verlichting van de sociale lasten moet worden gekwalificeerd als maatregel van sociale aard die uit dien hoofde niet valt onder de artikelen 92 en 93;

dat, waar het voorheen geldende stelsel van financiering der gezinstoeslagen nadelig was voor de sectoren met een hoog aandeel vrouwelijk personeel, de betwiste maatregel slechts compensatie zou bieden voor een benadeling van de Italiaanse textielindustrie;

dat deze industrie overigens zou zijn ten achter gesteld bij de textielindustrie van de andere Lid-Staten doordat de sociale lasten voor rekening van de werkgevers in Italië aanzienlijk hoger zouden liggen dan in de andere Lid-Staten;

dat ten slotte de gedeeltelijke verlichting van de sociale lasten het intracommunautaire handelsverkeer niet ongunstig zou kunnen beïnvloeden of de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt zou kunnen vervalsen;

13.

Overwegende dat artikel 92 ten doel heeft te voorkomen dat het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig wordt beïnvloed door tegemoetkomingen van overheidswege die — in verschillende vormen — de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties vervalsen of dreigen te vervalsen;

dat aldus artikel 92 geen onderscheid maakt naar de oorzaken of doeleinden der bedoelde maatregelen, doch ziet naar hun gevolgen;

dat derhalve noch het eventuele fiscale karakter noch het eventuele sociale doel van de betwiste maatregel voldoende is om deze buiten het bereik van artikel 92 te brengen;

14.

Overwegende met betrekking tot het argument dat de bestreden maatregel slechts strekt tot een evenwichtiger druk van de lasten die voor de textielindustrie voortvloeien uit het algemene stelsel van bijdragen voor de sociale voorzieningen, met name ten aanzien van de gezinstoeslagen, dat vaststaat dat het Italiaanse stelsel van gezinstoeslagen — evenals alle overeenkomstige stelsels — ten doel heeft de werknemer een loon te verzekeren dat is aangepast aan zijn gezinsbehoeften;

dat de werkgeversbijdragen in een dergelijk stelsel worden berekend naar de loonsom van elke onderneming, zodat het feit dat een betrekkelijk gering deel van het bedrijfspersoneel als gezinshoofd aanspraak kan maken op betaling van deze toeslag geen specifiek voor- of nadeel voor die onderneming kan vormen ten opzichte van ondernemingen waar een groter aantal werknemers deze toeslagen ontvangt, daar immers de lastendruk is gelijkgetrokken voor alle ondernemingen;

15.

dat hetgeen is opgemerkt met betrekking tot de uit het stelsel van gezinstoeslagen voortvloeiende lasten voor het budget van een onderneming evenzo geldt voor de verhouding tussen de verschillende takken van de industrie;

dat derhalve de door de Italiaanse Regering aangevoerde cijfers, volgens welke de textielsector in 1971 65,7 miljard lire aan bijdragen heeft gestort, terwijl de sociale zekerheidsuitkeringen voor gezinstoeslagen in deze sector slechts 42,4 miljard lire bedroegen, niet vermogen aan te tonen dat de textielsector in zijn produktiekosten is benadeeld in vergelijking met de andere takken van industrie;

Overwegende dat moet worden vastgesteld dat de gedeeltelijke verlichting van de sociale lasten voor gezinstoeslag, die ten laste komen van de werkgevers in de textielindustrie, een maatregel is, bestemd om de ondernemingen in een bepaalde industriesector ten dele vrij te stellen van de geldelijke lasten die voortvloeien uit de normale toepassing van het algemene stelsel van sociale voorzieningen, zonder dat deze vrijstelling gerechtvaardigd is door de aard of de opzet van dit stelsel;

16.

dat het argument dat de gewraakte verlichting geen „steunmaatregel van de staat” is, omdat de daaruit voortvloeiende derving van inkomsten wordt gecompenseerd door middelen uit de bijdragen voor werkloosheidsverzekering, niet kan worden aanvaard;

dat deze middelen, die afkomstig zijn uit krachtens de wetgeving van de staat verplichte bijdragen en — zoals in casu blijkt — worden beheerd en verdeeld overeenkomstig deze wetgeving, zijn te beschouwen als staatsmiddelen in de zin van artikel 92, zelfs indien zij worden beheerd door instellingen die los staan van de overheid;

17.

Overwegende met betrekking tot het argument dat de sociale lasten voor rekening van de werkgevers in de textielsector in Italië hoger zijn dan in de andere Lid-Staten, dat bij de toepassing van artikel 92, lid 1, noodzakelijkerwijs moet worden uitgegaan van de mededingingssituatie op de gemeenschappelijke markt vóór de totstandkoming van de litigieuze maatregel;

dat deze situatie de resultante is van vele factoren met diverse gevolgen voor de produktiekosten in de verschillende Lid-Staten;

dat overigens in de artikelen 99 tot 102 van het Verdrag wordt bepaald op welke wijze generieke distorsies als gevolg van verschillen tussen de stelsels van belastingen en sociale zekerheid in de afzonderlijke Lid-Staten kunnen worden opgeheven, mede gelet op de structurele moeilijkheden van bepaalde industriesectoren;

dat daarentegen de eenzijdige wijziging van een bepaalde factor van de produktiekosten in een economische sector in één Lid-Staat het bestaande evenwicht kan verstoren;

dat het daarom geen zin heeft de verhoudingen van een bepaalde categorie kosten ten opzichte van de totale produktiekosten te vergelijken, daar het beslissende element de verlichting zelf is en niet de categorie kosten waarop zij betrekking heeft;

18.

Overwegende daarenboven dat de sociale lasten die voor rekening komen van de werkgevers, deel uitmaken van de meer algemene categorie arbeidskosten;

dat uit het dossier blijkt dat de arbeidskosten in de Italiaanse textielsector, vergeleken met de textielsector in de andere Lid-Staten, betrekkelijk laag zijn;

dat vaststaat dat de verlichting van de sociale lasten krachtens artikel 20 van wet nr. 1101, nog verlagend werkt op de arbeidskosten in de Italiaanse textielsector;

19.

Overwegende dat de Italiaanse textielindustrie concurreert met de textielondernemingen van de andere Lid-Staten, zoals blijkt uit de omvangrijke en toenemende uitvoer van Italiaanse textielprodukten naar de andere Lid-Staten van de gemeenschappelijke markt;

dat de wijziging van de produktiekosten van de Italiaanse textielindustrie door de verlichting van de hier bedoelde sociale lasten onvermijdelijk het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig beïnvloedt;

20.

dat mitsdien de subsidiaire middelen eveneens moeten worden verworpen;

Ten aanzien van de kosten

21.

Overwegende dat ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering de in het ongelijk gestelde partij in de kosten moet worden verwezen;

dat verzoekster in het ongelijk is gesteld;

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende:

1. verwerpt het beroep;

2. verwijst verzoekster in de kosten van het geding.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

2
EEG-Verdrag art. 936 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1731 voorkomen

Rechtspraak

3

Europese Unie

3

GerechtT-836/1616.05.2019

Poolse belasting op de detailhandel

Conclusie van de advocaat-generaalC-75/1813.06.2019

Vrijheid van vestiging

Bekijk de 3 documenten

Rechtsleer

2
Braguglia, Ivo M.: Rassegna dell'avvocatura dello Stato 1974 I p.1100-1101
Krsjak, Peter: Gazette du Palais 1975 I Jur. p.481-482