ARREST
De feiten
De feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Sta-tuut-EEG ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:
I — De feiten en het procesverloop
Het meermaals gewijzigde Duitse Branntweinmonopolgesetz van 8 april 1922 (hierna BMG) onderwerpt gedistilleerd aan een accijns die in drie verschillende vormen wordt geheven.
a)Volgens het BMG moet in het binnenland geproduceerd gedistilleerd in beginsel aan de Bundesmonopolverwaltung (hierna: de BMV) worden geleverd tegen de overnameprijs (Branntweinübernahmepreis), die wordt berekend aan de hand van de door de BMV vastgestelde basisprijs voor gedistilleerd (Branntweingrundpreis). Dit „monopolie”-gedistil-leerd is ingevolge paragraaf 84 BMG aan belasting op gedistilleerd (Branntweinsteuer) onderworpen en wordt door de BMV verhandeld tegen de „normale” verkoopprijs (regelmäßiger Verkaufpreis), bestaande uit de som van de overnameprijs van gedistilleerd, de belasting op gedistilleerd, alsmede de administratie- en exploitatiekosten van het monopolie. Laatstgenoemde kosten vormen de „Preisspitze”.
b)Gedistilleerd dat is vrijgesteld van de verplichte levering aan de BMV of dat in strijd met die verplichting niet is geleverd, is ingevolge paragraaf 78 BMG aan een „Branntweinaufschlag” onderworpen. Het gedeelte van deze „Branntweinaufschlag” dat de belasting op gedistilleerd te boven gaat, vormt de „Branntweinaufschlagspitze”.
c)Ingevolge de paragrafen 151 en 152 BMG is ingevoerd gedistilleerd aan Monopolausgleich (een compenserend monopolierecht) onderworpen, overeenkomende met het verschil tussen de normale verkoopprijs en de basisprijs van „monopolie”-gedistilleerd. Het gedeelte van de Monopolausgleich dat de belasting op gedistilleerd te boven gaat, vormt de „Monopolausgleichspitze”.
Blijkens de verwijzingsbeschikking bedroeg de belasting op gedistilleerd tussen 1 januari 1972 en 17 maart 1976 in beginsel DM 1500/hl ethylalcohol. De Branntweinaufschlag, geheven op basis van een gestaffeld tarief, was in het algemeen hoger dan DM 1500/hl ethylalcohol, maar lag onder bepaalde voorwaarden aanzienlijk beneden dat bedrag. De Monopolausgleich was in beginsel hoger dan de belasting op gedistilleerd van DM 1500/hl ethylalcohol. Rond de jaarwisseling 1975/1976 bedroeg de Monopolausgleichspitze DM 80/hl ethylalcohol.
De BMV bezit krachtens het BMG het invoermonopolie voor gedistilleerd. Op grond van de arresten van het Hof van Justitie van 3 februari 1976 (zaak 50/75, Manghera, Jurispr. 1976, blz. 91) en 17 februari 1976 (zaak 45/75, Rewe, Jurispr. 1976, blz. 181, en zaak 91/75, Miritz, Jurispr. 1976, blz. 217) maakte de BMW voor gedistilleerd uit Lid-Staten van de EEG geen aanspraak meer op dit monopolie.
Wegens de goedkopere invoer ten gevolge van deze beleidswijziging, was de BMW gedwongen haar verkoopprijzen voor de neutrale alcohol eerst met DM 150/hl ethylalcohol en later nog verder te verlagen. De BMV handhaafde echter de inkoopprijzen tegenover haar leveranciers. Het daardoor ontstane tekort werd via de algemene staatsbegroting gecompenseerd door verhoging van het algemene tarief van de belasting op gedistilleerd. Bij wet van 2 mei 1976, houdende wijziging van het Branntweinmonopolgesetz, zijn de drie soorten belasting op gedistilleerde dranken met ingang van 18 maart 1976 met een uniform tarief van DM 150/hl ethylalcohol verhoogd tot DM 1650. Terzelfdertijd kwam de heffing van de Branntweinaufschlagen Monopolausgleichspitze te vervallen.
Teneinde de producenten, fabrikanten en importeurs in staat te stellen zich beter aan te passen aan de gewijzigde marktsituatie en rechtstoestand, nam de bondsminister van Financiën verscheidene betuursmaatregelen.
Inzonderheid stelde hij bij circulaires van 25 maart, 15 april en 1 juli 1976 een ontheffingsregeling in (Entlastungsregelung) voor gedistilleerd dat op de peildatum 22 februari 1976 onder opschorting van de belastingbetaling was opgeslagen in eigen entrepots (Branntweineigenlager) en douane-entrepots (Zollager), behalve voor het gedistilleerd dat op uiterlijk 17 maart 1976 was uitgeslagen.
In de verwijzingsbeschikking wordt verklaard dat over het in de eigen entrepots en douane-entrepots opgeslagen gedistilleerd, voorzover verschuldigd, reeds bij de opslag de Branntweinaufschlag- en Monopolausgleichspitze waren geheven. Daarentegen werd het restant van de Branntweinaufschlag en van de Monopolausgleich met inbegrip van het bedrag van DM 1500/hl ethylalcohol aan belasting eerst geheven bij de uitslag van het gedistilleerd.
Op het moment van de verhoging van de belastingtarieven was in de eigen entrepots dus opgeslagen het met de zogenoemde Spitzen voorbelaste binnenlandse en ingevoerde gedistilleerd, alsmede het fiscaal nog niet voorbelaste gedistilleerd, namelijk dat wat van de BMV afkomstig was.
Op grond van bovengenoemde ontheffingsregeling werd de belasting voor al het gedistilleerd dat op de peildatum in eigen entrepots was opgeslagen, met inbegrip van het van de BMV afkomstige, nog niet voorbelaste gedistilleerd, op twee manieren verminderd.
Allereerst werd de belasting voor het op de peildatum opgeslagen gedistilleerd verminderd met een forfaitair bedrag van DM 80/hl ethylalcohol ter compensatie van de bij opslag geheven Branntweinaufschlag- en Monopolausgleichspitze. In werkelijkheid hadden de Spitzen vanaf oktober 1975 geschommeld tussen DM 16,05 en DM 99,54/hl ethylalcohol.
Verder ontvingen bezitters van eigen entrepots een ontheffing ten bedrage van DM 70/hl ethylalcohol over hun vermoedelijke omzet van twee maanden, ten einde hen gedeeltelijk vrij te stellen van de belastingverhoging per 18 maart 1976.
Ook voor de bezitters van douane-entrepots werd de belasting verminderd, maar de ontheffingsregeling voorzag niet in een compensatie voor de over de voorraad gedistilleerd in de douane-entrepots betaalde Spitzen.
Ingevolge de circulaire van 15 april 1976 werd de ontheffing geraliseerd door verrekening met de over de maanden na april 1976 verschuldigde belasting en, voor zover verrekening niet mogelijk was, door rechtstreekse uitbetaling.
Blijkens de verwijzingsbeschikking heeft de Bondsregering de Commissie niet overeenkomstig artikel 93, lid 3, EEG-Verdrag van de ontheffingsregeling op de hoogte gebracht.
Volgens de BMV zijn op grond van vorengenoemde circulaires voor een totaal bedrag van circa DM 72 miljoen ontheffingen toegekend aan ongeveer 800 bezitters van eigen entrepots en een onbekend aantal bezitters van douane-entrepôts.
De firma Pabst & Richarz, verzoekster in het hoofdgeding, exploiteert een wijndistilleerderij. Zij beschikt over een eigen entrepot en een zogenoemd tankentrepot (Tanklager) dat onder douanetoezicht staat.
Op de peildatum was in het tankentrepot 13.278 hl zg rauw-distillaat (Rohbrand) opgeslagen, een produkt dat het laatste voorstadium van brandewijn vormt. Het rauw-distillaat was afkomstig uit Lid-Staten van de EEG (Frankrijk en Italië), alsmede uit Griekenland. Bij de opslag had de firma Pabst & Richarz de Monopolausgleichspitze ter hoogte van DM 80/hl ethylalcohol betaald. Deze belasting is haar ingevolge de ontheffingsregeling gerestitueerd.
In haar bij het Finanzgericht Hamburg ingestelde beroep vordert verzoekster een verdere ontheffing van DM 80/hl ethylalcohol voor het in haar tankentrepot opgeslagen rauw-distillaat. Tot staving van deze vordering betoogt zij dat het in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, dat voor van de BMV betrokken, niet voorbelast gedistilleerd, dat op de peildatum in eigen entrepots was opgeslagen, een ontheffing van DM 80/hl ethylalcohol is toegekend, terwijl zij geen vergelijkbare ontheffing heeft gekregen. Anders dan bij de haar toegekende restitutie, wordt met de ontheffing van „monopolie”-gedistilleerd namelijk geen bij wege van Branntweinaufschlag-of Monopolausgleichspitze geheven, vergelijkbare voorbelasting gecompenseerd zodat het van de BMV betrokken gedistilleerd een fiscaal voordeel van DM 80/hl ethylalcohol geniet.
Het Hauptzollamt betoogde daarentegen, dat verzoekster door de teruggave van de Monopolausgleichspitze voldoende ontheffing had gekregen. Een verdere ontheffing zou in de circulaires niet zijn voorzien en ook niet gerechtvaardigd zijn.
Bij beschikking van 31 oktober 1980 heeft het Finanzgericht. Hamburg, IVe Senat, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag besloten, de procedure te schorsen totdat het Hof van Justitie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak heeft gedaan over de navolgende vragen:
1)Moeten artikel 95 EEG-Verdrag en artikel 53, lid 1, van de Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de EEG en Griekenland, respectievelijk artikel 37 EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat een overheidsmaatregel, waarbij in samenhang met een verhoging van de belastingen op gedistilleerd en steun aan bepaalde binnenlandse producenten van gedistilleerd, voor het ten tijde van genoemde maatregel voorradige maar nog niet belaste gedistilleerd een in het kader van de belastingaanslag toe te kennen ontheffing wordt vastgesteld, aan de hand van bovengenoemde voorschriften moet worden beoordeeld, of moet een dergelijke ontheffing aan de hand van de voorschriften inzake steunmaatregelen van de artikelen 92 e.v. worden beoordeeld?
2)Ingeval de voorschriften van artikel 37 en/of artikel 95 EEG-Verdrag en artikel 53, lid 1, van de Associatieovereenkomst moeten worden toegepast:
Moeten deze voorschriften aldus worden uitgelegd, dat de importeur op grond daarvan kan vorderen dat voor ingevoerd gedistilleerd uit andere Lid-Staten dezelfde ontheffing van accijnzen wordt verleend als voor binnenlands gedistilleerd op grond van algemene administratieve richtlijnen geldt, en wel onverschillig of de ontheffingsmaatregel volgens nationaal recht als een subsidie of als een fiscale billijkheidsmaatregel moet worden aangemerkt en of de ontheffingsmaatregel volgens nationaal recht al dan niet rechtmatig is?
3)Ingeval de voorschriften inzake steunmaatregelen van toepassing zijn:
Kan de importeur van een produkt op grond van het in het gemeenschapsrecht geldende algemene gelijkheidsbeginsel vorderen, dat hij voor ingevoerd gedistilleerd uit andere Lid-Staten dezelfde subsidies ontvangt als andere importeurs of binnenlandse producenten van gedistilleerd, respectievelijk handelaren in gedistilleerd?
In de motivering van de verwijzingsbeschikking verklaart het Finanzgericht bij de formulering van de prejudiciële vragen te zijn uitgegaan van de volgende overwegingen rechtens:
Volgens het Finanzgericht vormt de ontheffingsregeling naar Duits recht een fiscale billijkheidsmaatregel in de zin van paragraaf 131 Reichsabgabenordnung. Bij vonnis van 31 oktober 1980 (IV 51/77 N) heeft het Finanzgericht beslist dat deze regeling niet in overeenstemming met deze paragraaf was, omdat zij geen bestuursmaatregel voor individuele gevallen betrof maar een algemene regeling; daartoe strekt de wetgevende bevoegdheid van de administratie zich niet uit. In een beschikking van 1 april 1980 (VII R 17/78) heeft het Bundesfinanzhof de ontheffingsregeling naar Duits recht echter als een steunmaatregel gekwalificeerd.
Het Finanzgericht acht de vraag hoe de ontheffingsregeling naar Duits recht dient te worden gekwalificeerd overigens voor de toepasselijkheid van genoemde bepalingen van gemeenschapsrecht niet van belang. Zelfs indien het om zuivere betuursmaatregelen gaat, is de ontheffingsregeling in strijd met artikel 95 EEG-Verdrag of artikel 53 van de Associatieovereenkomst met Griekenland, voor zover de belasting voor de bezitters van eigen entrepots, die van de BMV betrokken gedistilleerd hadden opgeslagen, met DM 80/hl ethylalcohol werd verminderd, terwijl de firma Pabst & Richarz voor het door haar ingevoerde gedistilleerd van een overeenkomstige belastingverlaging verstoken bleef.
Ten aanzien van het rauw-distillaat uit Griekenland gelden volgens het Finanzgericht de beginselen, vermeld in het arrest van het Hof van 13 maart 1979 (zaak 91/78, Hansen, Jurispr. 1979, blz. 935) betreffende artikel 2, lid 1, van het besluit van de Raad van 29 september 1970 inzake de associatie van de landen en gebieden overzee met de EEG, ook voor artikel 53, lid 1, van de Associatieovereenkomst tussen de EEG en Griekenland.
Vervolgens merkt het op dat de beantwoording van de prejudiciële vragen eveneens van belang is voor de bezitters van douane-entrepôts die zich in een vergelijkbare situatie bevinden als verzoekster in het hoofdgeding.
Tenslotte verklaart het Finanzgericht dat de derde vraag het volgens dit Gericht onwaarschijnlijke geval betreft, dat de ontheffingsregeling niet zou indruisen tegen het verbod van fiscale discriminatie. Het neigt overigens tot de opvatting dat deze regeling voor zover zij een steunmaatregel vormt, in strijd is met het gemeenschapsrecht, omdat de Commissie daarvan niet op de hoogte is gebracht.
De verwijzingsbeschikking van het Finanzgericht van 31 oktober 1980 is op 3 februari 1981 ter griffie van het Hof ingeschreven.
Krachtens artikel 20 van 's Hofs Sta-tuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de firma Pabst & Ri-charz KG, verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door P. Müller-Kemler, advocaat te Hannover; door de Oberfinanzdirektion te Hannover, interveniënte in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door M. Schäfer als gemachtigde, en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd Hoor E. Zimmermann, bijgestaan door W.-D. Krause-Ablass, advocaat te Düsseldorf.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het heeft partijen evenwel verzocht, vóór de terechtzitting schriftelijk enkele vragen te beantwoorden; aan dit verzoek is gevolg gegeven.
Bij beschikking van 17 juni 1981 heeft het Hof krachtens artikel 95, paragrafen len 2 van zijn Reglement voor de procesvoering besloten de zaak naar de Eerste kamer te verwijzen.
II — Schriftelijke opmerkingen, ingediend krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG
De firma Pabst & Richarz, verzoekster in het hoofdgeding, merkt ten aanzien van de feiten op, dat de verwijzingsbeschikking de ontheffingsmaatregelen in een onjuiste volgorde weergeeft. Met betrekking tot het op 17 maart 1976 in eigen entrepots opgeslagen gedistilleerd voorziet de circulaire van 15 april 1976, die voor het hoofdgeding van doorslaggevend belang is, in een vergoeding van :
a) DM 150/hl ethylalcohol voor de referentiehoeveelheid, overeenkomende met de gemiddelde omzet van twee maanden, en
b) DM 80/hl ethylalcohol voor het gedeelte van de voorraad uitgaande boven de referentiehoeveelheid.
Van het in douane-entrepôts opgeslagen gedistilleerd werd voor de referentiehoeveelheid slechts een vergoeding van DM 70/hl ethylalcohol toegekend.
Deze maatregelen dienden ter compensatie van de belastingverhoging voor de voorraden die reeds waren verkocht tegen prijzen waarin de belastingverhoging nog niet was ingecalculeerd.
Voor de kopers en verwerkers van monopoliealcohol was de belastingverhoging uit kostenoogpunt neutraal gebleven. Voor hun met de referentiehoeveelheid overeenkomende voorraden was namelijk een bedrag ten belope van de belastingverhoging van DM 150 aan ontheffing toegekend, terwijl voor hun toekomstige transacties de belastingverhoging volledig was gecompenseerd door de prijsverlaging voor monopoliealcohol met DM 150. De belasting was dus enkel verhoogd met circa DM 70 voor het op 17 maart 1976 opgeslagen gedistilleerd dat de referentiehoeveelheid te boven ging.
Binnen deze referentiehoeveelheid bleven de kostenfactoren „aankoop monopoliealcohol” en „belasting gedistilleerd” voor de kopers van monopoliealcohol dus gelijk en konden ook hun verkoopprijzen ongewijzigd blijven.
Volgens verzoekster in het hoofdgeding is de ontheffingsregeling bijgevolg het klassieke voorbeeld van een fiscale billijkheidsmaatregel ter compensatie van een kennelijk onbillijk economisch gevolg van een als zodanig wettige fiscale maatregel. Dit volgt eveneens uit de considerans van de circulaires, waarin sprake is van „moeilijkheden bij de verkoop, welke het gevolg kunnen zijn van de gewijzigde marktsituatie”.
In dit verband merkt zij op dat de steunof subsidiemaatregelen niet ten doel hadden de onbillijke gevolgen van rechtmatige maatregelen te compenseren of de onbillijkheden van de wet in een concreet geval te verzachten, maar de door economische omstandigheden veroorzaakte nadelen op te heffen.
Verder kan de vraag of de ontheffingsregeling naar Duits recht rechtmatig is open blijven. In de onderhavige zaak gaat het erom dat haar concurrenten door de ontheffing daadwerkelijk economische voordelen hebben genoten.
Wat de toepasselijkheid van de artikelen 37 en 95 EEG-Verdrag betreft, is verzoekster in het hoofdgeding van oordeel dat de door het Finanzgericht gestelde prejudiciële vraag in de grond erop neerkomt of de op een nationaal produkt toegepaste verlaging van een binnenlandse belasting zich eveneens dient uit te strekken tot een gelijksoortig produkt uit een Lid-Staat. De vraag betreft dus de uitlegging van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag en de toepassing van artikel 37 EEG-Verdrag is niet aan de orde. Immers, in de onderhavige zaak gaat het niet om „een activiteit van een nationaal monopolie, die specifiek verband houdt met de uitoefening door dat monopolie van een exclusief recht ...” in de zin van het reeds genoemde arrest van het Hof van 13 maart 1979 (zaak 91/78, Hansen), maar om een fiscale billijkheidsmaatregel, bedoeld om de gevolgen van een accijnsverhoging gedeeltelijk en tijdelijk op te heffen.
Voor de toepassing van artikel 95 EEG-Verdrag mag de structuur van de fiscale last echter geen verschil maken.
Wanneer een gedeelte van een belasting op nationale produkten, zij het slechts voor beperkte duur en voor een bepaald bedrag, niet wordt geheven, dient zulks onder dezelfde voorwaarden ook te gelden voor de gelijksoortige ingevoerde produkten. De gelijksoortigheid van de produkten waar het in casu om gaat, is niet betwistbaar. Bovendien vond de ontheffing plaats om redenen die niet gelegen waren in de individuele omstandigheden van een belastingplichtige, maar in de uitwerking van de belasting op alle belastingplichtigen.
Voor wat artikel 95 EEG-Verdrag betreft mag de importeur van een ingevoerd produkt als belastingplichtige echter niet in een ongunstiger situatie komen te verkeren dan degene die belasting op het gelijksoortige nationale produkt verschuldigd is.
Volgens verzoekster in het hoofdgeding is het voor de beantwoording van de prejudiciële vragen van weinig belang of en, zo ja, in hoeverre over de voorraad waarvoor in het hoofdgeding ontheffing wordt gevorderd, reeds belasting is betaald. In elk geval is daarover de verhoogde belasting op gedistilleerd geheven, terwijl de opgeslagen gelijksoortige binnenlandse produkten een ontheffing van ten minste DM 80/hl ethylalcohol genoten.
Voor het opgeslagen rauw-distillaat uit Griekenland dient artikel 53, lid 1, van de Associatieovereenkomst met Griekenland te worden toegepast.
Toepassing van deze bepaling en van artikel 95 EEG-Verdrag sluit echter de toepasselijkheid van de artikelen 92 e. v. EEG-Verdrag uit.
De Oberfinanzdirektion Hannover, interveniente in het hoofdgeding, merkt om te beginnen op dat bij de vaststelling of toepassing van de ontheffingsregeling op oude voorraden geen onderscheid is gemaakt naar gelang van de soort of de herkomst van het gedistilleerd.
Ten aanzien van de feiten van de zaak verklaart zij dat alle op de peildatum in eigen entrepots opgeslagen gedistilleerd voor een forfaitair bedrag van DM 80/hl ethylalcohol was vrijgesteld van de bij de opslag betaalde „Spitzen”.
Daarentegen was het in de douane-entrepots opgeslagen gedistilleerd niet van dit bedrag vrijgesteld, omdat daarover geen voorbelasting was betaald. In zoverre heeft het Finanzgericht de feiten onjuist beoordeeld. Volgens paragraaf 154 BMG, juncto paragraaf 46 Zollgesetz was namelijk voor gedistilleerd uit douane-entrepôts de Monopolausgleich met inbegip van de Monopolausgleichspitze eerst bij de uitslag verschuldigd. Vanaf 23 februari 1976 werd echter bij de uitslag geen Monopolausgleichspitze meer geheven.
Ter compensatie van de tijdelijke onbillijkheden van de belastingverhoging en de wijziging in de concurrentieverhoudingen, werd verder zowel voor het in eigen entrepots als voor het in douane-entrepots opgeslagen gedistilleerd, een vergoeding van DM 70/hl ethylalcohol toegekend, in beide gevallen tot een bepaalde referentiehoeveelheid. Bij eigen entrepots bedroeg de totale vergoeding per hl ethylalcohol van de referentiehoeveelheid dus DM 150.
De Oberfinanzdirektion probeert door cijfervoorbeelden aan te tonen dat de ontheffing voor ingevoerde produkten een gelijke uitwerking had als voor monopoliealcohol.
Met betrekking tot de toepasselijke communautaire bepalingen is de Oberfinanzdirektion van mening dat het er in de prejudiciële vragen eigenlijk om gaat of het als een discriminatie is aan te merken dat de ontheffing voor monopoliealcohol anders dan voor ingevoerd rauw-distillaat via „de prijs van het goed” wordt toegekend. De in casu gestelde vragen zouden niet meer behoeven te worden beantwoord in geval van een bevestigend antwoord op de in zaak 4/81 (HZA Flensburg t. Andresen, thans bij het Hof aanhangig) gestelde vraag of de door de BMV vastgestelde verkoopprijs een belasting voor monopoliealcohol vormde.
In dit verband merkt de Oberfinanzdirektion op dat het Finanzgericht het geaar loopt de problemen te ontwijken door deze via compensatie met fiscale lasten onder het belastingrecht te brengen, zoals ook is gebeurd in de reeds genoemde zaak 91/78 (Hansen). De voorziene compensatie met fiscale lasten is eerder een kwestie van administratief gemak dan een wezenlijk aspect van de regeling. Dit blijkt uit de omstandigheid dat ingevolge de circulaire van 15 april 1976 de vergoeding moest worden uitbetaald wanneer compensatie niet mogelijk was.
In werkelijkheid heeft het Finanzgericht dus het oog op het probleem van de monopolieprijs tijdens een omvormingsfase van het handelsmonopolie. De onderhavige regeling moet dus worden beoordeeld aan de hand van artikel 37, leden 1 en 2, en voor zover het import uit Griekenland betreft, van artikel 31 van de overeenkomst EEG—Griekenland.
Volgens het arrest van het Hof van 13 maart 1979 in voornoemde zaak 91/78 heeft de prijspolitiek van een door de staat beschermd handelsmonopolie slechts een discriminerende werking wanneer de gehanteerde verkoopprijzen abnormaal laag zijn in vergelijking met de prijs vóór belasting van uit een andere Lid-Staat ingevoerde gedistilleerde dranken van vergelijkbare kwaliteit. Op dit punt merkt de Oberfinanzdirektion op dat rauw-distillaat uit wijn en neutrale monopoliealcohol niet van vergelijkbare kwaliteit zijn. Bovendien lag de prijs van monopoliealcohol aanzienlijk hoger dan van neutrale alcohol uit de Lid-Staten.
Verder had het discriminatieverbod van artikel 31 van de Associatieovereenkomst EEG—Griekenland, op grond van het bepaalde in de leden 1 en 6 van dat artikel, ten tijde van de feiten in geding voor het rauw-distillaat uit Griekenland nog geen rechtsgevolg.
Tenslotte is de Oberfinanzdirektion van mening dat een benadering van het probleem vanuit het gezichtspunt van artikel 92 EEG-Verdrag hetzelfde resultaat moet opleveren, omdat deze bepaling op dezelfde grondgedachte berust als de artikelen 37 en 95 EEG-Verdrag (vlg. het arrest van het Hof van 10 oktober 1978, zaak 148/77, Hansen, Jurispr. 1978, blz. 1787).
De Commissie van de Europese Gemeenschappen merkt allereerst op dat de commissie Financiële aangelegenheden van de Bundestag, blijkens haar rapport inzake de wijziging van het BMG, voor gedistilleerd uit wijn en uit vruchten waarvoor geen leveringsverplichting gold, een aanpassing van de nieuwe situatie wenste, door te voorzien in:
a) een ontheffing van DM 80/hl ethylalcohol ten einde voor de oude voorraden de Monopolausgleich- en Branntweinaufschlagspitze te kunnen laten vervallen;
b) een ontheffing van de oude voorraden ten belope van een referentiehoeveelheid, ter compensatie van het totaalbedrag van de verhoging van de belasting op gedistilleerd van DM 150/hl ethylalcohol.
Het door de firma Pabst & Richarz in haar tankentrepot opgeslagen gedistilleerd is blijkbaar als in een eigen entrepot opgeslagen gedistilleerd behandeld. Voorts is ter beoordeling van het onderhavige geval enkel de onder a) bedoelde ontheffing van DM 80 van belang.
De teruggave van de bij wege van Branntweinaufschlag- respectievelijk Monopolausgleichspitze geheven voorbelasting is een onder artikel 95 EEG-Verdrag vallende fiscale maatregel. In beide gevallen maken de „Spitzen” namelijk deel uit van de twee daaraan ten gronde liggende belastingen. Tengevolge van het feit dat algemeen een ontheffing van DM 80 werd toegekend, werd de accijns op niet voorbelast monopoliegedistilleerd sterker verlaagd dan die op het van levering vrijgestelde of ingevoerde gedistilleerd.
Zelfs wanneer de litigieuze nationale maatregel tegelijkertijd als een steunmaatregel in de zin van de artikelen 92 en volgende EEG-Verdrag zou zijn aan e merken, zou zij toch onder de werkingssfeer van artikel 95 EEG-Verdrag vallen (vgl. het arrest van het Hof van 21 mei 1980, zaak 78/79, Commissie t. Italië, Jurispr. 1980, blz. 1533).
Met een verwijzing naar het arrest van het Hof van 10 oktober 1978 (zaak 148/77, Hansen) verklaart de Commissie vervolgens dat met betrekking tot nationale voorschriften die bepaalde soorten gedistilleerd of bepaalde categorieën producenten bij de heffing van accijns op gedistilleerd begunstigen, de toepassing van artikel 95 EEG-Verdrag voorrang geniet boven de toepassing van artikel 37 EEG-Verdrag.
Ter beoordeling van de vraag of in casu sprake is van een discriminatie in de zin van artikel 95, gaat de Commissie ervan uit dat over monopoliegedistilleerd DM 80/hl ethylalcohol minder belasting behoefde te worden betaald dan verzoekster in het hoofdgeding over haar voorraad rauw-distillaat verschuldigd was. Zij geeft echter toe dat dit uitgangspunt vatbaar is voor kritiek, met name indien in aanmerking wordt genomen dat de ontheffing voor monopoliegedistilleerd een restitutie achteraf vormt van de in de verkoopprijs van monopoliegedistilleerd vervatte „Preisspitze” en dat deze „Preisspitze” een met de Monopolausgleichspitze te vergelijken belasting is.
Met een verwijzing naar de overvloedige rechtspraak van het Hof inzake artikel 95, verklaart de Commissie dat dit artikel de opheffing van discriminatie vereist, waarbij de nationale rechter de keuze heeft tussen nietigverklaring van de onwettige maatregel met terugbetaling van de toegekende ontheffing, en toekenning aan ingevoerde produkten van hetzelfde voordeel als binnenlandse produkten genieten.
De Commissie is het met het Finanzgericht eens, dat artikel 53, lid 1, van de Associatieovereenkomst EEG—Griekenland rechtstreeks toepasselijk moeten worden geacht.
Tenslotte is de Commissie van mening dat het op grond van het bovenstaande niet meer nodig is de derde vraag betreffende de uitlegging van artikel 92 en volgende inzake steunmaatregelen te beantwoorden. Subsidiair merkt zij echter op dat zij niet overeenkomstig artikel 93, lid 3, EEG-Verdrag van de litigieuze ontheffingsmaatregel op de hoogte is gebracht. Bijgevolg kan verzoekster in het hoofdgeding zich voor de nationale rechter niet op aanspraken krachtens het gemeenschapsrecht ter zake van steunverlening beroepen.
III — Mondelinge behandeling
Ter terechtzitting van 15 oktober 1981 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door P. Müller-Kemler, advocaat te Hannover; de Oberfinanzdirektion te Hannover, interveniente in het hoofdgeding, voor de mondelinge behandeling vertegenwoordigd door M. Jarsombeck, directeur bij het bondsministerie van Financiën te Bonn en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. Zimmermann, bijgestaan door W.-D. Krause-Ablass, advocaat te Düsseldorf.
Ter terechtzitting hebben partijen in het hoofdgeding bepaalde aspecten van de zaak nader toegelicht.
De Oberfinanzdirektion Hannover, interveniente in het hoofdgeding, merkte op dat de vraag of de Preisspitze die als bestanddeel van de monopolieprijs moet worden betaald vóór de opslag van het van de BMV afkomstige gedistilleerd, een fiscale last is, aan de orde is gesteld in de voor het Hof aanhangige zaak 4/81 (Andresen). De constatering in de verwijzingsbeschikking dat over de monopoliealcohol in de eigen entrepots geen voorbelasting is geheven, is dus twijfelachtig.
De ontheffingsregeling voorzag echter ook in een compensatie voor deze voor monopoliealcohol betaalde Preisspitze. Sedert oktober 1975 schommelden de Preisspitzen tussen DM 16,05 en DM 104,60/hl ethylalcohol.
Voor de voorraden in douane-entrepôts was geen vergelijkbare ontheffing voorzien, daar zij bij hun inslag niet met een Spitze waren belast.
De Oberfinanzdirektion verklaarde verder dat het onder douanetoezicht staande tankentrepot van verzoekster in het hoofdgeding wat het BMG betreft een bijzondere positie inneemt. Deze positie is verklaarbaar door de historisch gegroeide wijze waarop in Duitsland entrepots en distilleerderijen operen. De gegevens op basis waarvan de te betalen belasting wordt berekend, worden in deze gevallen verzameld vóór de inslag van het rauw-distillaat dat reeds een eerste bewerking heeft ondergaan. Het opleggen van de belasting — dat wil zeggen het heffen van de Monopolausgleich — geschiedt later op basis van het eindprodukt van de distillane.
Te dezen merkte de Firma Pabst & Riehan, verzoekster in het hoofdgeding, op dat over de voorraad in het tankentrepot overeenkomstig een besluit van 26 februari 1976 een Monopolausgleichspitze van DM 16,05/hl ethylalcohol en niet, zoals in de verwijzingsbeschikking wordt gesteld, van DM 80/hl ethylalcohol is geheven. Verzoekster had het desbetreffende bedrag betaald, dat haar later op speciaal verzoek buiten de ontheffingsregeling om was gerestitueerd.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 28 januari 1982 conclusie genomen.
In rechte
Bij beschikking van 31 oktober 1980, ingekomen ten Hove op 3 februari 1981, heeft het Finanzgericht Hamburg krachtens artikel 177 EEG-Verdrag drie vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 37, 92, 93 en 95 EEG-Verdrag en van artikel 53, lid 1, van de op 9 juli 1961 te Athene ondertekende Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Griekenland, namens de Gemeenschap goedgekeurd en bevestigd bij besluit van de Raad van 25 september 1961 (PB 1963, blz. 293).
Het hoofdgeding betreft de toepassing van een ontheffingsregeling die de bondsminister van Financiën bij drie circulaires heeft ingevoerd ten einde het Duitse alcoholmonopolie aan te passen aan de eisen van het gemeenschapsrecht, op een hoeveelheid rauw-distillaat uit Frankrijk, Italië en Griekenland, dat op een in de circulaires voorziene peildatum was opgeslagen in een tankentrepot (Tanklager).
Vóór de aanpassing van het monopolie was al het — uit een Lid-Staat dan wel uit een derde land — in de Bondsrepubliek Duitsland ingevoerde gedistilleerd onderworpen aan een accijns, de „Monopolausgleich”. Deze heffing bestond uit een vast bestanddeel, te weten de belasting op gedistilleerd (Branntweinsteuer), geheven over door de Bundesmonopolverwaltung verkocht binnenlands gedistilleerd, en een variërend bestanddeel, de „Monopolausgleichspitze”, overeenkomend met de „Preisspitze” — een der elementen van de verkoopprijs van monopoliealcohol. Het bedrag van de „Preisspitze” werd verkregen door de monopolieverkoopprijs te verminderen met de som van de belasting op gedistilleerd en de door de Monopolverwaltung vastgestelde „basisprijs” van gedistilleerd. Blijkens de verwijzingsbeschikking bedroeg de belasting op gedistilleerd sedert 1972 DM 1500hl ethylalcohol, terwijl de Monopolausgleichspitze rond de jaarwisseling 1975/1976 DM 80/hl ethylalcohol bedroeg.
Ten einde het alcoholmonopolie in overeenstemming te brengen met het gemeenschapsrecht, maakte de Bundesmonopolverwaltung ingevolge de arresten van het Hof van 17 februari 1976 (zaak 45/75, Rewe, Jurispr. 1976, blz. 181, en zaak 91/75, Miritz, Jurispr. 1976, blz. 217) ten aanzien van uit'andere Lid-Staten afkomstig gedistilleerd geen gebruik van het haar krachtens het Duitse recht toekomende monopolie op de invoer van gedistilleerd. De naar aanleiding daarvan door de Monopolverwaltung doorgevoerde verlaging van de verkoopprijs van monopoliegedistilleerd leidde tot een financieel tekort bij het monopolie, aangezien de inkoopprijs die werd betaald aan de producenten die hun produkten aan het monopolie leverden, bleef gehandhaafd. Dit tekort werd door de staatsbegroting gedekt, hetgeen leidde tot een verhoging van het algemene tarief van de belasting op gedistilleerd met 10 %. De tarieven van de belasting op gedistilleerd en van de „Monopolausgleich” werden met DM 150/hl ethylalcohol verhoogd tot DM 1650/hl. Tevens kwam als gevolg van deze aanpassing van het monopolie de „Monopolausgleichspitze” per 18 maart 1976 te vervallen.
Op grond van een toezegging aan de commissie voor Financiële aangelegenheden van de Bundestag, heeft de bondsminister van Financiën verschillende bestuursmaatregelen vastgesteld teneinde de producenten, fabrikanten en importeurs van gedistilleerd in staat te stellen zich beter aan de nieuwe marktsituatie en fiscale toestand aan te passen. Zo heeft de minister bij drie circulaires van 23 maart, 15 april en 1 juli 1976 instructies met ontheffingsmaatregelen vastgesteld.
Deze maatregelen hadden betrekking op het op 22 februari 1976 in eigen entrepots („Branntweineigenlager”) of douane-entrepots opgeslagen gedistilleerd. De voorziene ontheffingen werden in beginsel toegekend door de desbetreffende bedragen in mindering te brengen op de bedragen die sedert april 1976 maandelijks aan belasting verschuldigd waren.
Volgens de ministeriële instructies kon de ontheffing ten hoogste DM 150/hl bedragen. Zij bestond uit twee elementen. Allereerst werd voor een bepaalde referentiehoeveelheid gedistilleerd een ontheffing van DM 70/hl verleend om de niet te rechtvaardigen onbillijkheden te compenseren, die met name bij lange termijncontracten uit de verhoging van de belasting op gedistilleerd konden voortvloeien. Deze ontheffing gold voor het met de referentiehoeveelheid overeenkomende gedeelte van de „netto-voorraad” uit de eigen entrepots en douane-entrepôts. Verder werd een restitutie van DM 80/hl voor de gehele voorraad in de entrepots verleend. Daarmee werd in het bijzonder de Monopolausgleichspitze en de in de verkoopprijs van monopoliegedistilleerd verwerkte „Preisspitze” gerestitueerd. Deze „Spitzen” waren bij de inslag van het gedistilleerd geheven, terwijl de „Monopolausgleich” en de belasting op gedistilleerd eerst bij de uitslag werden geheven. De onderhavige zaak betreft uitsluitend deze teruggave van DM 80/hl.
De Oberfinanzdirektion Hannover, interveniente in het hoofdgeding, heeft opgemerkt dat het bedrag van de Monopolausgleichspitze op grond van de destijds door de Bundesmonopolverwaltung uitgevoerde berekeningen van de „Preisspitze” in wezen variabel was. De restitutie van DM 80/hl zou dus moeten worden gezien als een forfaitaire terugbetaling van de bij de inslag geheven „Spitzen”.
De voorraad rauw-distillaat waarom het in casu gaat, bevond zich op de peildatum in een tankentrepot van de firma Pabst und Richarz, verzoekster in het hoofdgeding. Het staat vast dat een dergelijk entrepot niet behoort tot de entrepots waarvoor de in de ministeriële circulaires voorziene ontheffingsmaatregelen gelden.
Volgens de verwijzingsbeschikking heeft verzoekster in het hoofdgeding bij de inslag van het rauw-distillaat de Monopolausgleichspitze van DM 8 O/hl betaald; dit bedrag is haar gerestitueerd. Zij verzocht echter om een verdere ontheffing ad DM 80/hl, op grond dat het in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel dat voor het van de Bundesmonopolverwaltung betrokken gedistilleerd dat op de peildatum in eigen entrepots was opgeslagen en dat niet fiscaal was voorbelast, een ontheffing van DM 80/hl werd toegekend, terwijl zij voor de in haar tankentrepot opgeslagen voorraden niet een vergelijkbare ontheffing kreeg.
Ter terechtzitting voor het Hof gaf verzoekster in het hoofdgeding een andere voorstelling van de feiten en de grondslag van haar vordering tot terugbetaling. Onweersproken door de Oberfinanzdirektion verklaarde zij, dat zij over het in haar tankentrepot opgeslagen rauw-distillaat een Monopolausgleichspitze van DM 16,05/hl ethylalcohol heeft betaald en dat haar dit bedrag per hectoliter is terugbetaald. Daaruit heeft zij afgeleid, dat in haar geval de in de ministeriële circulaires voorziene ontheffingsregeling niet was toegepast, hetgeen voor haar reden was de ontheffing van DM 80/hl te vorderen.
Het staat echter niet aan het Hof doch aan de nationale rechter de aan het geding ten gronde liggende feiten vast te stellen en daaruit de conclusies te trekken voor de door hun te geven beslissing.
Het Finanzgericht is ervan uitgegaan dat het probleem bestaat in de ongelijke behandeling van enerzijds monopoliegedistilleerd dat — hoewel fiscaal niet voorbelast — toch in het genot van de forfaitaire terugbetaling is gekomen en anderzijds ingevoerd gedistilleerd waarbij de forfaitaire terugbetaling de reeds betaalde Monopolausgleichspitze moest compenseren. Voorshands is het Finanzgericht van oordeel dat de ontheffingsregeling uit dit oogpunt in strijd is met artikel 95 EEG-Verdrag en, voor zover het uit Griekenland ingevoerd gedistilleerd betreft, met artikel 53, lid 1, van de Associatieovereenkomst met Griekenland.
Het Finanzgericht heeft echter in aanmerking genomen dat de ontheffingsregeling wegens haar nauwe samenhang met de verkoop van monopoliegedistilleerd waarvan het financiële tekort uit de schatkist wordt gedekt, volgens bepaalde Duitse rechterlijke beslissingen als een subsidiemaatregel is aan te merken. Verder heeft de Oberfinanzdirektion betoogd dat artikel 37 EEG-Verdrag, dat bepalingen inzake nationale monopolies gelijk het Duitse alcoholmonopolie bevat, de toepassing van artikel 95 uitsluit.
Ten einde deze vraagstukken te kunnen oplossen, heeft het Finanzgericht de drie navolgende vragen gesteld:
"1.Moeten artikel 95 EEG-Verdrag en artikel 53, lid 1, van de Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de EEG en Griekenland, respectievelijk artikel 37 EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat een overheidsmaatregel, waarbij in samenhang met een verhoging van de belastingen op gedistilleerd, voor het ten tijde van genoemde maatregel voorradige maar nog niet belaste gedistilleerd een in het kader van de belastingaanslag toe te kennen ontheffing wordt vastgesteld, aan de hand van bovengenoemde voorschriften moet worden beoordeeld, of moet een dergelijke ontheffing aan de hand van de voorschriften inzake steunmaatregelen van de artikelen 92 e.v. worden beoordeeld?
2.Ingeval de voorschriften van artikel 37 en/of artikel 95 EEG-Verdrag en artikel 53, lid 1, van de Associatieovereenkomst moeten worden toegepast:
Moeten deze voorschriften aldus worden uitgelegd, dat de importeur op grond daarvan kan vorderen dat voor ingevoerd gedistilleerd uit andere Lid-Staten dezelfde ontheffing van accijnzen wordt verleend als voor binnenlands gedistilleerd op grond van algemene administratieve richtlijnen geldt en wel onverschillig of de ontheffingsmaatregel volgens nationaal recht als een subsidie of als een fiscale billijkheidsmaatregel moet worden aangemerkt en of de ontheffingsmaatregel volgens nationaal recht al dan niet rechtmatig is?
3.Ingeval de voorschriften inzake de steunmaatregelen van toepassing zijn:
Kan de importeur van een produkt op grond van het in het gemeenschapsrecht geldende algemene gelijkheidsbeginsel vorderen, dat hij voor ingevoerd gedistilleerd uit andere Lid-Staten dezelfde subsidies ontvangt als andere importeurs of binnenlandse producenten van gedistilleerd, respectievelijk handelaren in gedistilleerd?
De eerste twee vragen betreffende de beoordeling naar het gemeenschapsrecht van een ontheffingsregeling als die welke aan de orde is in het hoofdgeding, dienen te zamen te worden onderzocht.
In deze vragen gaat het in wezen erom of een ontheffingsregeling die bij wege van administratieve instructies is getroffen in verband met een wijziging in de belasting op gedistilleerd naar aanleiding van de aanpassing van het nationale alcoholmonopolie, moet worden beoordeeld in het licht van artikel 95 EEG-Verdrag en artikel 53, lid 1, van de Associatieovereenkomst met Griekenland, dan wel of de eventuele toepassing van artikel 37 of de artikelen 92 en 93 EEG-Verdrag daaraan in de weg staat, en verder of een importeur zich in het eerste geval voor een nationale rechter op deze bepalingen kan beroepen.
De Commissie heeft terecht opgemerkt dat de beoordeling van een nationale maatregel in het licht van het gemeenschapsrecht niet afhangt van de wijze waarop deze maatregel op nationaal vlak wordt gezien of beoordeeld. Daar het noodzakelijk is, in de gehele Gemeenschap een eenvormige toepassing van de verdragsbepalingen te waarborgen, moeten deze bepalingen autonoom worden uitgelegd
Volgens vaste rechtspraak van het Hof vallen onder artikel 95 alle fiscale regelingen die inbreuk kunnen maken op de gelijkheid van behandeling van nationale en ingevoerde produkten. Mitsdien is deze bepaling van toepassing op ontheffingsmaatregelen die in het kader van een verhoging van de belasting op gedistilleerd nationale produkten gunstiger behandelen dan gelijksoortige ingevoerde produkten, ook al zijn deze maatregelen getroffen bij wege van administratieve instructies.
Voorts zij opgemerkt dat het Hof in het arrest van 25 november 1981 (zaak 4/81, Andresen, nog niet gepubliceerd) heeft beslist dat met betrekking tot de door een nationaal monopolie vastgestelde verkoopprijs van gedistilleerd alleen dat gedeelte van die prijs als „belasting” in de zin van artikel 95 EEG-Verdrag kan worden aangemerkt, dat het monopolie op grond van een wettelijke regeling als naar hoogte, bepaalde belasting op gedistilleerd aan de schatkist moet afdragen, terwijl alle andere bij de berekening van de monopolieprijs betrokken elementen of lasten van economische of andere aard buiten beschouwing blijven.
Daaruit volgt dat een in de belasting op ingevoerd gedistilleerd begrepen fiscaal bestanddeel, dat overeenkomt met een in de verkoopprijs van het door de Bundesmonopolverwaltung verkochte gedistilleerd vervatte niet-fiscale bestanddeel, een discriminatie vormt. Indien dus verschillende fiscale lasten op ingevoerd gedistilleerd enerzijds en binnenlands monopoliegedistilleerd anderzijds met een gelijk bedrag worden verlaagd, dan duurt de fiscale benadeling van ingevoerd gedistilleerd voort en blijft de genoemde discriminatie bestaan.
Onder deze omstandigheden behoeft niet meer te worden nagegaan of dergelijke ontheffingsmaatregelen ook als steunmaatregelen in de zin van de artikelen 92 en 93 EEG-Verdrag kunnen worden aangemerkt. Immers, volgens de rechtspraak van het Hof — vgl. onder meer het arrest van 21 mei 1980 (zaak 73/79, Commissie t. Italië, Jurispr. 1980, blz. 1547) — valt een maatregel die is getroffen door middel van een discriminatoire belasting en die tevens als onderdeel van een steunmaatregel in de zin van artikel 92 is te beschouwen, in elk geval onder artikel 95.
Ook het feit dat de ontheffingsmaatregelen verband houden met de aanpassing van het nationale alcoholmonopolie, leidt niet tot een andere conclusie. Zoals het Hof in zijn arrest van 13 maart 1979 (zaak 86/78, Peureux, Jurispr. 1979, blz. 897) heeft opgemerkt, betreffen de voorschriften van artikel 37 slechts activiteiten die wezenlijk met de specifieke functie van het betrokken monopolie samenhangen. Zij zijn dus niet van toepassing op nationale bepalingen die met de uitoefening van deze specifieke functie geen verband houden, zoals de bepalingen betreffende de ontheffing terzake van fiscaal voorbelast gedistilleerd.
Uit het voorgaande volgt dat artikel 95 EEG-Verdrag van toepassing is op een nationale ontheffingsregeling waarin gedistilleerd uit andere Lid-Staten — op grond van administratieve instructies — minder gunstig wordt behandeld dan gelijksoortige binnenlandse produkten. Daar artikel 95 rechtstreeks toepasselijk is, kan de importeur van gedistilleerd uit een andere Lid-Staat zich voor de nationale rechter op deze bepaling beroepen.
Artikel 53, lid 1, van de Associatieovereenkomst met Griekenland luidt als volgt:
"Geen der Overeenkomstsluitende Partijen heft op produkten van de andere Overeenkomstsluitende Partij direct of indirect hogere binnenlandse belastingen, van welke aard ook, dan die welke, direct of indirect, op gelijksoortige nationale produkten worden geheven.
Geen der Overeenkomstsluitende Partijen heft op produkten van de andere Overeenkomstsluitende Partij zodanige binnenlandse belastingen dat daardoor andere produkties indirect worden beschermd.
De Overeenkomstsluitende Partijen schaffen uiterlijk bij het begin van het derde jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst de bepalingen af die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze Overeenkomst bestaan en strijdig zijn met bovengenoemde regels.
Deze, in soortgelijke bewoordingen als artikel 95 gestelde bepaling heeft binnen de associatie tussen de Gemeenschap en Griekenland eenzelfde functie als artikel 95. Zij behoort immers tot de bepalingen ter voorbereiding van de toetreding van Griekenland tot de Gemeenschap door de oprichting van een douane-unie, de harmonisatie van het landbouwbeleid, de invoering van het vrije verkeer van werknemers en door andere maatregelen betreffende een geleidelijke aanpassing aan de eisen van het gemeenschapsrecht.
Uit de bewoordingen van het hiervoor aangehaalde artikel 53, lid 1, alsmede uit het doel en de aard van de Associatieovereenkomst waarvan het deel uitmaakt, volgt derhalve dat deze bepaling zich verzet tegen een nationale ontheffingsregeling die binnenlands gedistilleerd fiscaal gunstiger behandelt dan uit Griekenland ingevoerd gedistilleerd. Zij bevat een duidelijke en nauwkeurige verplichting voor welker uitvoering en werking generlei nadere handeling vereist is. Zo gezien moet artikel 53, lid 1, worden geacht rechtstreeks toepasselijk te zijn met ingang van het derde jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst, op welk tijdstip elke met deze bepaling strijdige maatregel ingevolge het derde lid van dit artikel moest zijn afgeschaft.
Derhalve moet op de eerste vragen worden geantwoord dat een importeur van gedistilleerde dranken uit andere Lid-Staten of uit Griekenland zich voor een nationale rechterlijke instantie kan beroepen op de bepalingen van artikel 95 EEG-Verdrag, respectievelijk artikel 53, lid 1, van de Associatieovereenkomst met Griekenland, ten aanzien van nationale maatregelen houdende ontheffing van de belasting op gedistilleerd, genomen bij wijze van administratieve instructies in verband met een wijziging van de belasting op gedistilleerd na de aanpassing van het nationale alcoholmonopolie, indien die maatregelen tot gevolg hebben dat die gedistilleerde dranken minder gunstig worden behandeld dan gelijksoortige nationale produkten.
Gelet op dit antwoord behoeft de derde vraag betreffende de voorwaarden waaronder de artikelen 92 en 93 EEG-Verdrag van toepassing zijn, niet meer te worden beantwoord.
Kosten
De kosten door de Commissie wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
uitspraak doende op de door het Finanzgericht Hamburg bij beschikking van 31 oktober 1980 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Een importeur van gedistilleerde dranken uit andere Lid-Staten of uit Griekenland, kan zich voor een nationale rechterlijke instantie beroepen op de bepalingen van artikel 95 EEG-Verdrag, respectievelijk artikel 53, lid 1, van de Associatieovereenkomst met Griekenland, ten aanzien van nationale maatregelen houdende ontheffing van de belasting op gedistilleerd, genomen bij wege van administratieve instructies in verband met een wijziging van de belasting op gedistilleerd na de aanpassing van het nationale alcoholmonopolie, indien die maatregelen tot gevolg hebben dat die gedistilleerde dranken minder gunstig worden behandeld dan gelijksoortige nationale produkten.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
5Rechtspraak
2Europese Unie
2Hof van JustitieC-312/9101.07.1993