Conclusie van advocaat-generaal Warner van 18 december 1980, 154/80 · Europese rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen 154/80 ECLI:EU:C:1980:309 18 december 1980

Zoeken

Conclusie van advocaat-generaal Warner van 18 december 1980, 154/80

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-154-80-conclusie

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Zaak
154/80
ECLI
ECLI:EU:C:1980:309
Datum
18 december 1980

De zaak

Procedure
Prejudiciële verwijzing
Verwijzende rechter
Hoge Raad der Nederlanden (Nederland) beslissing van 25 juni 1980 19.537
Zaak ingediend op
2 juli 1980
Arrest
5 februari 1981

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Jurisprudentie
Jurispr. 1981, blz. 445

Tekst

6 paragrafen

Conclusie van de advocaat-generaal J.-P. Warner

van 18 december 1980

Mijnheer de President,

mijne beren Rechters,

Ik kan dit niet anders zien dan als een zeer eenvoudige zaak, waarin ik terstond conclusie kan nemen.

Ik ben het volstrekt eens met de conclusie van de Commissie. De kern van de zaak is mijns inziens, dat er hier niets is wat zou kunnen worden beschouwd als „bezwarende titel” in de zin van artikel 2, sub a, van de richtlijn, niets wat kan worden aangeduid als de „tegenwaarde” in de zin van artikel 8 — namelijk de tegenwaarde van de ten behoeve van de leden der coöperatie verrichte dienst —, en niets waarvan men kan zeggen dat het door de coöperatie is „ontvangen” in de zin van punt 13 van bijlage A. In elk geval kan de waardedaling van de aandelen, die de leden voor lief hebben moeten nemen, niet als zodanig worden omschreven. Mijns inziens kan men enkel maar vaststellen dat de leden niets hebben betaald en dat de coöperatie dus niets heeft ontvangen. Een casuspositie zoals de onderhavige zou enkel kunnen vallen onder een bepaling die berust op de fictie, dat er een tegenprestatie is waar er geen is.

Voetnoten

  • 1Vertaald uit het Engels.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt